![]() |
| Een storm nadert Curaçao. Foto: Facebook |
door Fred de Haas
Curaçao
Voor het schrijven van onderstaande aantekeningen over het
bestaan van Afro-religieuze ceremonies op Curaçao heb ik mij voor aanvullende
informatie gewend tot mevrouw dr. Rose Mary Allen, Curaçaose onderzoeker en
gastdocente aan de mr. dr. Moises Frumencio da Costa Gómez Universiteit (de
vroegere UNA), de heer Richenel Ansano, directeur van het Nationaal
Archeologisch en Antropologisch Museum en de heer Bob Harms, hoofdredacteur van
Telecuraçao, die mij uitgebreid in hun kennis over dit belangwekkende onderwerp
hebben laten delen. Ik ben hun hiervoor zeer erkentelijk. Hun informatie was
zeer waardevol en zal in dit artikel worden verwerkt. Ook heb ik onlangs nog
gesproken met de rechtshistoricus Bastiaan van der Velden die van 2006-2009
werkzaam was als hoofdmedewerker aan de – toenmalige - UNA te Willemstad, Curaçao. In zijn boek over
de rechtsgeschiedenis van Curaçao (Ik lach met Grotius en alle die prullen van
boeken, 2011 Carib Publishing, Uitgeverij SWP Amsterdam) schrijft hij in
hoofdstuk 15 over Afro-Curaçaose rituelen en de normatieve rol van populaire
geloofsopvattingen.
Wat mij opviel was hun voorzichtige en respectvolle
benadering van dit toch gevoelige onderwerp. Als ik hun woorden citeer of
samenvat zal ik, waar dit relevant is, hun namen erbij vermelden.
Allen, Ansano en Harms hebben getracht een antwoord te
formuleren op onderstaande (hier in verkorte vorm weergegeven) vragen:
-
Heeft er in vorige eeuwen op Curaçao in enige
vorm een Afro-Caribische eredienst bestaan die te vergelijken is met,
bijvoorbeeld, de Vodou in Haïti of de Santería in Cuba? Bedoeld wordt een
eredienst (c.q. ceremonieel) die met de slaven is meegekomen in de 17e
eeuw of later.
-
Zo niet, wanneer hebben Vodou-achtige erediensten
op Curaçao hun intrede gedaan onder invloed van, bijvoorbeeld, religieuze erediensten
uit Haïti (Vodou) en Venezuela (María Lionza)?
-
Wat is de invloed hiervan op de bevolking?
De antwoorden op de eerste vraag geven een verdeeld beeld te
zien. De heer Ansano verwijst o.a. naar een verslag uit het Archief NWIC van 20
november 1788, waarin vermeld wordt dat een aantal Curaçaoënaars zich schuldig
hebben gemaakt aan ‘toverij of geheime konsten’ en ‘giftmenging’, waarvoor zij
door Justitie in 1788 worden veroordeeld en gestraft met geseling en verbanning
van het eiland. Zij hadden hun praktijken volvoerd in ‘zeekere danshuyzen […]
alwaar met singuliere gewaden als ook bellen, trommen en instrumenten gedanst
en gespeeld wierd, mitsgaders beesten geslacht, het bloed gestort en met mais
gekookt, om aan omstanders uyt te deelen en andere diergelyke vreemde dingen
meer […]’ ( zie ook A.M.G. Rutten, Magische Kruiden in de Antilliaanse
folklore, Erasmus Publishing, Rotterdam 2003, p. 91 t/m 93).
Het betrof hier duidelijk een bijeenkomst in een
waarschijnlijk openbaar toegankelijk danshuis buiten de muren van de stad in
Otrobanda. De hele gebeurtenis draagt een Vodou-achtig karakter. Er zullen
ongetwijfeld meer van dat soort bijeenkomsten zijn geweest, maar duidelijkheid
hierover is er niet. Het rechtvaardigt mijns inziens niet de conclusie dat er
een gestructureerd en regulier soort Afro-Caribische godsdienst op het eiland
zou hebben bestaan.Wellicht komen er nog eens andere documenten boven water die
meer licht werpen op dit soort zaken.
| Scène uit de film Tula |
De heer Harms vermeldt de ceremonie van het drinken van de
‘Awa di Huramentu’ aan het begin van de opstand van Tula in 1795, een
plechtigheid die op een Afrikaanse oorsprong wijst. Iets dergelijks had in
Haïti plaatsgevonden in 1791 toen de slaven in Haïti in opstand kwamen tegen
het Franse gezag. Ik ben het met hem eens dat er in die tijd ‘tenminste de
kennis aanwezig was van belangrijke elementen van rituelen en ceremonies’. Maar
ook dat rechtvaardigt niet de conclusie van het bestaan van gestructureerde Afro-achtige
erediensten. Zowel Ansano als Harms bevelen verder onderzoek aan.
Rose Mary Allen is het meest uitgesproken in haar opvatting
dat er ‘voor zover de bestaande onderzoeken uitwijzen’ op Curaçao ‘vroeger geen
gestructureerde godsdiensten in de vorm van Santería (Cuba), Vodou (Haïti en
Santo Domingo) etc. bestonden. In haar proefschrift verwijst zij wel naar geïsoleerde
gevallen van beschuldigingen van hekserij.
![]() |
| Een agáng, muziekinstrument gemaakt van een versleten ploegschop en bespeeld met een metalen staafje. Uit Sambumbu 2, van Paul Brenneker |
Brua / Brujería
(= o.a. het verrichten van ‘magische’ handelingen)
Hoewel de term ‘Brua’ een veel voorkomende en haast niet te
vermijden manier is om ‘goede of slechte magische handelingen’ uit te drukken,
verdient het aanbeveling om voorzichtig met die term om te gaan. Rose Mary
Allen schrijft in haar artikel ‘Hende a hasi malu p’e’ (mensen hebben iets
slechts met hem/haar gedaan) over volksgeloof in de Curaçaose cultuur dat ze
heeft aangeboden op het International Congress ‘Quality of Psychiatric Care in
the Caribbean’ (oktober 2009) het volgende (niet helemaal letterlijk): ‘vanwege
de negatieve lading die de term ‘brua’ in de samenleving heeft, gebruiken de
beoefenaars een minder beladen term als ‘trabou di misterio’ (mysteriewerk) en
de specialisten noemen zichzelf ‘trahadó di misterio’ (mysteriewerkers) en geen
‘hasidó di brua (brua-plegers)’.
Ansano vindt het een non-probleem, ziet geen verschil tussen
‘brua’ en het Curaçaose ‘montamentu’ (waarover meer hieronder), en Harms
verbindt brua zijdelings aan religieuze ceremoniële bijeenkomsten.
Het is een wat verwarrende terminologie, maar laten we
eerlijk zijn: een ‘milieuverzorgster’ blijft een werkster, een ‘milieumedewerker’
blijft een vuilnisophaler en een ‘arbeidsreservist’ blijft een werkloze. Laten
we er niet al te moeilijk over doen.
![]() |
| Borstbeeld Paul Brenneker. Foto © Guus Kokx |
Het onderwerp ‘Brua’
in de Amigoe di Curaçao
Het zou te ver voeren om alles wat er ooit aan rijp en groen
over Brua is geschreven in de Amigoe in het kader van dit artikel te
behandelen. Ik zal slechts enkele meningen naar voren halen uit kranten die
verschenen zijn in de tweede helft van de 20e eeuw.
Degene die veelvuldig heeft geschreven over ‘Brua’ (en vele
andere zaken die de Curaçaose volkskunde betreffen) is Pater Paul Brenneker (1912-1996) met wie
ik het voorrecht heb gehad kennis te maken in de jaren 60. Samen met Elis
Juliana was Brenneker een van de grootste verzamelaars van oude Curaçaose
verhalen en artefacten. Hun werk kan niet genoeg worden geprezen.
In de Amigoe van 17 december 1965 schrijft Brenneker dat de
meeste opvoeders, geestelijken zowel als leken, de neiging hebben te doen alsof
het fenomeen ‘Brua’ niet bestaat, terwijl het verschijnsel toch diep geworteld
is in de beleving van de Curaçaose bevolking. De brua-makers zelf vinden dit uitstekend
omdat ze liever niet in het centrum van de belangstelling staan. Dat zou hun ‘praktijken’
alleen maar schade toebrengen. En die praktijken bedreigen, aldus Brenneker, de
geestelijke volksgezondheid. Brenneker
pleit er overigens voor om de ‘Brua’ goed te bestuderen. Verbieden werkt, zo
schrijft hij, alleen maar averechts.
Op 8 februari 1966 wijdt hij opnieuw een stuk in de krant
over Brua. Het is de moeite waard hem hier even letterlijk te citeren:
‘Brua leeft meer in de stad en de omgeving van de stad dan
op de knoek. Meer op Bandariba dan op Bandabao, en meer op Bonaire en Aruba dan
op Curaçao. Er bestaat een lichte vorm van Brua: geluksmiddelen, voortekens en
amuletten. Hieraan doet wel bijna iedereen zo min of meer. En het is de vraag
of al deze praktijken volkomen onredelijk zijn. Sommige hebben enige grond van
bestaan. Daarnaast bestaat de zware Brua. Deze wordt intens beleefd. Ze is
overheersend in iemands levenshouding en er is grof geld mee gemoeid. Praktisch
kan men wel zeggen dat Brua die veel geld kost, altijd oplichterij is. Een
gunstige bodem voor Brua is de innerlijke onzekerheid die we toch wel als een
volksmanco moeten erkennen voor de bewoners van deze eilanden. Brua belooft
oplossing, belooft zekerheid en maakt de onzekeren onzekerder dan ooit. En zo
blijft de vicieuze cirkel intact. En ook de bron van inkomsten voor de
bruamakers. De waas die de Brua omgeeft is haar bescherming: hoe vreemder en
raadselachtiger hoe beter. De bruaman geeft zijn geheimen niet prijs, anders
gooit hij zijn eigen ruiten in; hij zou inboeten aan gezag. En wie brua
ondergaat, is er niet spraakzaam over, uit angst voor de gevolgen, voor wraak’.
Tot zover Pater Brenneker die niet bang was om te zeggen wat
hij ervan dacht. Laten we niet vergeten dat Pater Brenneker een priester was,
die, hoewel controversieel in de ogen van zijn superieuren, toch deel uitmaakte
van het hiërarchisch geordende katholieke systeem dat gewoon was alles te
bestrijden wat buiten de grenzen van de door de katholieke kerk gestelde regels
ging. En Brua viel natuurlijk heel duidelijk buiten die regels.
Wie een idee wil krijgen van de wijze waarop Pater Brenneker
in het leven stond kan de Amigoe Kerstkrant van 23 december 1991 er eens op
naslaan. Daarin staat ook dat Brenneker met toestemming van de brua-maker ‘montamentu’
ceremonies heeft bijgewoond. Het boeide hem, wat zijn bedenkingen ertegen ook
waren, in hoge mate.
![]() |
| Vier mensen die in trance zijn geraakt door tambú, geschilderd door Elis Juliana. Uit Sambumbu 2 van Paul Brenneker |
Op 9 juni 1973 staat er een stukje in de krant over Rhonnie
Sillé en zijn toneelstuk Até, ata zoembie (= Kijk, daar heb je een zombi).
Daarin zegt de auteur in een interview dat Tambú (Afrikaans geïnspireerde zang
en dans. In Brennekers ‘Sambumbu’ no. 2 van 1970 kunt u op bladzij 494 een
mooie tekening zien waarop Elis Juliana vier mensen heeft geschilderd die in
trance zijn geraakt tijdens een tambú bijeenkomst) en Montamentu
(‘bezetenheid’) onverbrekelijk zijn verbonden met de Curaçaose cultuur en dat
deze fenomenen daarom alleen al respect verdienen. Sillé: ‘[…] ik heb voordat
ik mijn stuk schreef zeer veel van deze Montamentu ceremoniën meegemaakt. En ik
heb er keer op keer gezien hoe ongelooflijk veel kracht en een enorme troost
een groot deel van onze bevolking hieruit kan putten’.
Maar, zo gaat hij verder, ‘er zijn natuurlijk altijd
negatieve punten te vinden zoals de bewering dat gehaaide personen het geloof van
de mensen in de Montamentu uitbuiten door ze af te zetten.
Sillé is dus genuanceerder in zijn opvattingen dan
Brenneker. Overigens zegt Sillé wel heel eerlijk in hetzelfde stukje dat ook
hij, gelovig als hij is, zijn twijfels heeft bij het verschijnsel Montamentu.
In 1988 schrijft Pablo Walter een stuk in de Kerstkrant
(Kerstkrant, Bonaire, Katern D van 28-12-1988) over Brua. Hij schrijft
voornamelijk over ziektes die door magische krachten als Brua zouden kunnen
worden veroorzaakt (zwarte magie, dus). Ook hij dringt aan op nader onderzoek
naar het doen en laten van traditionele genezers. Niet alles moet negatief
worden geduid, aldus Walter. In het beste geval zijn de bonafide genezers een
soort ‘volkspsychologen’ die nuttig werk kunnen verrichten bij het genezen van
psychosomatische ziektes. Op deze opvatting zal ik aan het eind van dit
artikel nog nader ingaan.
[wordt vervolgd]








