door Giselle Ecury
Op zondag 23 september vond onder auspiciën van de
Vereniging Ons Suriname, de Werkgroep Caraïbische Letteren en de Leerstoel
West-Indische Letteren van de Universiteit van Amsterdam een Letterendag
plaats.
 |
| Carl Haarnack |
Vier promovendi die hun proefschrift schrijven bij professor
Michiel van Kempen, presenteerden aspecten van hun onderzoek aan het publiek.
De vijfde, Benoît Verstraete-Hansen
(over “De Deense zendeling P.M. Legêne”) was helaas ziek. Daarna volgden interviews met en voordrachten van
schrijvers. Hoogtepunt was een rechtstreekse verbinding via Skype met Michaël
Slory vanuit Paramaribo, die inging op zijn zojuist bij uitgeverij In de
Knipscheer verschenen dichtbundel
Torent een man hoog met zijn poëzie.
Wat mij bij gelegenheden rond het Caribisch Gebied
aanspreekt, is dat het een feest van herkenning is, een reünie voor allen die
zich professioneel of anderszins betrokken voelen bij de West-Indische
Letteren: Een Letterenfeest.
 |
| Frontispice van Die Negerin in Guyana (1841); Buku |
Na het openingswoord door Michiel van Kempen beet Carl
Haarnack het spits af zich bewust van het feit, dat de term “Indianen”
discutabel is: “De Duitse beschrijvingen van Indianen in Suriname tussen 1700
en 1900”. Gebaseerd op o.a. reisbeschrijvingen, dagboeken, brieven en
literatuur, begon hij met de definitie van reizen: je gaat vanuit de omgeving
die je kent, naar een omgeving die nieuw voor je is. Over wat dit met je doet,
kun je schrijven. Zo gingen de eerste Duitse onderzoekers op pad, meestal
missionarissen, die moesten helpen de slaven te bekeren. Omdat die niet altijd
bekeerd wílden worden, ging men zich bezighouden met Indianen, die men destijds
“vooral niet moest zien als onbedorven mensen die nog niet te maken hadden met
het kwaad”. Let wel: men beschikte niet over de telecommunicatiemiddelen,
waarmee wíj ons kunnen voorbereiden. Hun ideeën over wat zij zouden kunnen
aantreffen, haalden zij uit de zestiende-eeuwse literatuur. Vlot hield Haarnack
een aantal Duitse onderzoekers in vogelvlucht tegen het licht: Wilhelm
Bauberger met het opmerkelijke
Die Negerin in Guyana over Blanca, die het
dramatische slavenleven zelfs nog verkiest boven een uitweg via een huwelijk
met een heidense Indiaan; Carl Lang; August von Schlözer; J.D. Kunitz (over
Suriname en zijn bewoners); uit Johann Friedrich Ludwigs
Neueste Nachrichten
von Surinam zou blijken, hoe de Indiaan aan zijn platte neus kwam: door voor-
en achterkant van het kinderhoofd tussen twee plankjes te klemmen. Een via
PowerPoint geïllustreerd betoog, waarbij ook de toehoorders zich bij de
afbeeldingen van lelieblanke Indianen met Duits/Europese gelaatstrekken uit
“Malerische Länder- und Völkerkunde” van W.F.A. Zimmermann (pseudoniem voor Carl
Gottfried Wilhelm Vollmer) mochten afvragen, of de goede man überhaupt wel eens
een Indiaan gezien had. Toch was dit boek een belangrijke bron voor Karl May
(1842-1912), voor velen bekend als dé auteur van avonturen over confrontaties
met Indianen – wie kent Old Shatterhand en Witte Veder niet?
 |
| Paul Hollanders |
Paul Hollanders zette aan de hand van Paul François Roos
(1751-1805) en de Surinaamse plantersletterkunde, de
Animus Revertendi af tegen
de
Animus Manendi (een pril begrip), ofwel: de wil om terug te keren [van de
uitgezonden blanke, G.E.] tegenover de wil om te blijven [in de kolonie, G.E.].
Hoewel Roos, geboren te Amsterdam, van huis uit de liefde voor de handels- en
koopmansgeest meekreeg, wilde hij predikant worden, om uiteindelijk als blanke
knecht/opzichter naar Suriname te gaan. Hij was werkzaam op diverse plantages
en klom op tot directeur en administrateur, om uiteindelijk een welvarend
koopman en planter te worden. In tegenstelling tot zijn collegae, die liefst zo
snel mogelijk terugwilden na hun zakken gevuld te hebben – de
Animus Revertendi
– begon Roos van Suriname te houden. Hij wilde er blijven en is slechts twee
maal teruggekeerd naar Holland. Hij schreef poëtisch over Suriname, over zijn
zorg omtrent het latere verval van het land. Als dé gelegenheidsdichter, die
een belangrijke rol vervulde in het dan aardig ontwikkelde en bloeiende
culturele leven van Suriname, heeft hij zich ingezet voor de samenleving.
 |
| Roos' Surinaamsche Mengelpoëzij (1804) |
Zo
richtte hij het Genootschap “De Surinaamse Lettervrienden” op. De leden wilden
met opbouwende verlichtingsideeën iets nalaten en zaaien in het geliefde
vestigingsland. Paul Roos sprak gouverneur Jan Jacobs Mauricius tegen, die
beweerde, dat de blanke kolonisten áltijd snel weg wilden uit het land met “die
zure naam”. Hollanders betoogde het lonend te vinden, te onderzoeken of er in
de geschriften meer is terug te vinden over de Animus Manendi. Hij refereerde
aan het heden, waarin migranten eveneens soms liever blijven, terwijl er tevens
een spagaat ontstaat door verlangens naar het land van herkomst. P.F. Roos
echter bleef: “Ik ben Suriname mijn welvaart schuldig.”
 |
| Jos de Roo |
Met enthousiasme lichte Jos de Roo “De invloed van de
Wereldomroep op Caraïbische auteurs” toe. Hij noemde het een voorrecht van 1983
tot aan zijn pensionering in 2002 werkzaam geweest te zijn als programmamaker
bij de Caraïbische afdeling van Radio Nederland Wereledomroep
tijdens
wat men noemt: “De periode Van de Walle”, waarin radio het meest populaire
medium was. De Roo verdiepte zich voor zijn onderzoek in de archieven van de
Wereldomroep, o.a. om inzicht te verkrijgen in de vroegste fase van de
geschreven moderne letterkunde van het Caribisch Gebied en het enorme belang
van de Wereldomroep daarin. In feite heeft die in de jaren vijftig van de
vorige eeuw veel méér gepubliceerd, dan via tijdschriften gebeurde, zoals de
ingezonden verhalen van auteurs die later grote bekendheid zouden verwerven
(onder wie Boeli van Leeuwen, Jules de Palm en Frank Martinus Arion) en de
orale literatuur van mensen als Raul Römer en Johan Ferrier. Dit blijkt nu van
groot belang. De bescheiden De Roo kijkt in zijn proefschrift onder meer of de
destijds reeds aangehaalde thema’s zullen terugkomen in hun latere werk. Met
veel kennis van zaken onderstreepte hij, dat er nog veel meer te halen is uit
die achtergebleven archieven. Wij kijken uit naar de afronding van zijn
onderzoek.
 |
| Tim de Wolf |
Over Tim de Wolfs “Muziek en muziekdragers van het
Nederlands Caraïbisch gebied” kan ik kort zijn, onderstrepend, dat zijn werk
daardoor alles behalve minder belangrijk zou zijn. Integendeel. Een charmant
betoog over een onderwerp dat letterlijk leeft: hij houdt zich bezig met het
beschermen van geluidsopnamen voor het nageslacht en ontsluit het materiaal
door het te digitaliseren. Meer nog is dit sinds 1982 zijn passie, toen hij een
paar 78-toeren-platen uit het Caribisch Gebied vond op een rommelmarkt in
Hilversum. Het onderzoeken begon, zonder te selecteren. Dit resulteerde in het
prachtboek
Discography of music from the Netherland Antilles & Aruba,
including a history of the local recording studios (Walburg Pers, Zutphen
1999).
 |
| Tim de Wolf bezig met een reddingsactie van bandmateriaal op Curaçao |
>
Hij verzamelt alles en wellicht richt hij zich ooit eveneens op
Suriname. Tim liet zijn toehoorders op humorvolle wijze genieten van
muziekfragmenten van platenlabels
als
Hoyco en Padú en onderstreepte eveneens het belang van het digitaliseren van
bandopnamen. Zo werd voor even de stem hoorbaar van Cola Debrot, die in 1969
als Gouverneur zijn nieuwjaarsrede uitsprak, en van Pierre Lauffer senior, die
een gedicht voorlas.
 |
| Michael Slory via een Skype-verbinding. Foto Anya Hollanders |
De tijd liep. Het gesprek via skype met Michaël Slory (1935)
was echter ondanks de soms uitvallende verbinding vanuit het huis van Ruth San
a Jong (auteur en nog veel meer, zoals oprichter van de Schrijversvakschool te
Paramaribo, zie
www.ruthsanajong.com)
bijzonder en zeer zeker hartverwarmend. Het door hem voorgelezen gedicht voor
de onlangs overleden John Leefmans, zijn rake opmerkingen en mooie woordkeus –
waar hoor je nog het fraaie woord”nimmer”? Michiel van Kempen noemde hem een
groot voorbeeld van wat idealisme kan zijn. “Tegenwoordig ben ik niet meer zo
idealistisch, dat begrijp je, het is allemaal niet meer zo leuk, hoor!” zegt
hij gevat, doelend op de ongemakken die zijn hoge leeftijd brengt. Hij is blij
met zijn nieuwe dichtbundel, is altijd nog bezig met poëzie: “Nu ook in het
Engels. Ik ben koloniaal, weet je, ik heb een zekere “erfenis”, zodat ik dat
kan.” De bekende fluitist Ronald Snijders vroeg hem hoe hij zo’n romanticus
heeft kunnen blijven, ondanks de vele teleurstellingen. Het antwoord was even
ontwapenend als mooi: “Ik ben een gelovig mens, ik lees ’s nachts uit de Koran.
Ik heb Spaans gestudeerd en ben altijd verbonden gebleven met die Arabische
invloeden binnen die cultuur. De troostrijke boodschap helpt me.” Geraakt
bedankte Michiel van Kempen hem voor al die jaren poëzie, een warm applaus
volgde. “Met deze nieuwe dichtbundel is mijn gezicht weer een beetje gered,”
volgde helder een toegift uit Paramaribo. “De mensen kennen me scheldend in het
Nederlands, Engels en Spaans. Nu zien ze dan weer mijn poëzie! Het is een
mijlpaal. In elk geval geen testament!” volgde levenslustig. “Er zijn veel méér
mensen die van je houden,” antwoordde Michiel. “Dat heb ik hard nodig, want je
begrijpt: dit is geen lolletje,”
reageerde Slory, weer doelend op de ouderdom. Hij sloot af met een
gedicht, waarvan de regels “Zoveel ik kon, heb ik de straat bezongen, […], maar
waar de hoop verdween, bleef liefde” mij zullen bijblijven. Zoals ook dat
laatste beeld op mijn netvlies gebrand staat: een zwaaiende Slory.
 |
| John Leefmans. Foto © Buku |
Professor Michiel van Kempen stond daarna aandachtig stil
bij leven en werk van John Leefmans, die eind augustus 2012 overleed. Uit zijn
bewogen gesproken tekst kwam steeds diens sprankelende lach naar voren, zoals
Michiel ook omschreef in het In Memoriam van zondag 26 augustus, geplaatst op
zijn blog Caraïbisch Uitzicht:
“Je wist
altijd vrij nauwkeurig waar John Leefmans zich ophield, als hij ergens aanwezig
was: je hoorde iemand druk praten, op een heimelijke toon die toch veel mensen
konden horen, de spanning liep op, de toon werd hoger en uiteindelijk klonk er
en een volle, luide schaterlach. Hoe druk een bijeenkomst ook was, je wist: dáár
is John Leefmans.” (Michiel van Kempen).
http://caraibischeletteren.blogspot.nl/search/label/Leefmans%20John
Het was
mooi hem hier op deze wijze te gedenken, zeker toen de improvisatie van de in
het publiek aanwezige dichter en musicus Raj Mohan erop volgde. Hij zong in het
Hindi en a capella “Song of the birds” met de slotwoorden: Op een dag zul je
vliegen.
 |
| Peter de Rijk interviewt Orchida Bachnoe. Foto © Anya Hollanders |
Peter de Rijk interviewde vervolgens de als altijd prachtig
geklede Orchida Bachnoe n.a.v. haar nieuwste roman
Azijn in mijn aderen (In
de Knipscheer, 2012) Hij, redacteur van de uitgeverij, complimenteerde haar om
het frisse van haar proza, terwijl het een zwaar onderwerp behandelt: suïcide.
Aanleiding was, dat een meisje, dat Orchida begeleidde, zich huilend bij haar
aan de deur meldde met de mededeling, dat ze pillen geslikt had. Door adequaat
te handelen, wist de auteur dit meisje deze keer te redden. Maar zij vond dat
ze er iets mee moest doen, want blijkbaar schieten de hulpverleningstrajecten
hun doel voorbij. Suïcide moet bespreekbaar zijn: Dit zijn de signalen en dan
moet je zó ingrijpen. Deze roman is het resultaat met als thema “Dromen is
prima, maar zorg dat je daarnaast een plan hebt. Blijf daarin geloven en eraan
werken.”
Het boek heeft veel los gemaakt en geleid tot Kamervragen,
omdat ook in Nederland veel jonge Hindoestaanse meisjes zelfmoord plegen. De
schrijfster heeft haar boek opgedragen aan Anil Ramdas, de
Surinaams-Nederlandse auteur die begin dit jaar eveneens een einde aan zijn
leven maakte.
2) |
| T. Martinus/Quinsy Gario |
Na een kort, voornamelijk Engelstalig, intermezzo door de
dichter en performer T. Martinus (pseudoniem voor Quinsy Gario) over
The
bearable ordeal of the collapse of certainties – mooi qua dictie, goed om te
zien hoe vast en zeker hij als het ware stond in zijn tekst – was het de beurt
aan Professor Dr. Michiel van Kempen, Hoogleraar West-Indische Letteren, om in
samenwerking met Peter de Rijk, zijn poëziedebuut met de titel
Wat geen teken
is maar leeft te presenteren.
Peter was vol lof over het fantastische werk dat is verricht
en dat – ik citeer – “in alles afwijkt van de Michiel van Kempen, zoals wij die
kennen uit de tientallen publicaties die hij op zijn naam heeft staan. De lezer
mag kijken in het hoofd van de auteur aan de hand van zijn openhartige, goede
poëzie, soms op het randje van proza. Heel veel woorden, lange gedichten over
verliefdheid en verdriet, met goed getroffen metaforen, bijvoorbeeld over een
voorbije liefde, waarbij je opeens als vreemden tegenover elkaar komt te
staan.”
 |
| Peter de Rijk interviewt Michiel van Kempen. Foto © Scott Rollins |
“Ik liet eens in een groep zo’n gedicht voorlezen door een
jonge vrouw. Halverwege begon ze te huilen en ik schrok daar erg van,” aldus
Van Kempen. “Later kwam ik er in rust op terug. Ik vroeg of er soms iets met
haar gebeurd was, dat haar zo raakte. Maar nee, zei ze. Het was het ritme.”
Peter liet weten al uit te kijken naar een volgende
dichtbundel. Michiel: “Eerst wil ik werken aan de biografie van Albert Helman.
Die wil ik afhebben. Dit blokkeert elke andere woordenstroom.”
 |
| Sanne Landvreugd |
Een passend moment mijn aantekeningenboek op te bergen. Het
is vroeg in de avond geworden. Ongemerkt. Buiten regent het. Binnen sluiten de
met verve gespeelde melancholische klanken uit de vakkundig door Sanne
Landvreugd aangestuurde saxofoon de middag af. Wat geen teken is, maar leeft!
[eerder verschenen in het
Antilliaans Dagblad]
Alle foto's:, tenzij anders aangegeven © Michiel van Kempen