De Surinaamse auteur Ellen Ombre (Paramaribo, 1948) heeft de
verhalenbundels Maalstroom (1992), Vrouwvreemd (1994) en Valse Verlangens (2000) geschreven. In
1996 schreef zij een autobiografisch reisverslag Wie goed bedoelt (2de uitgebreide druk 2007) en in 2004 verscheen haar
debuutroman Negerjood in moederland.
In het oeuvre van Ombre staan centraal de verlangens en teleurstellingen van
migranten in Nederland. Maar een ander belangrijk thema is ook zelfbeeld. Haar
autobiografisch boek Wie goed bedoelt
vind ik Ombres mooiste boek. Het is een reisverslag en hiervoor heeft ze ook
nog wat onderzoek gedaan. Het verhaal wordt onderbroken door lange flashbacks
en literatuurverwijzingen die ook hun nut hebben. Ze gebruikt verschillende
stijlen en daarom is het voor mij een reisverslag. Door haar manier van verslag
doen, goed gedocumenteerd, krachtig van observatie, en opgesmukt met een
veelheid aan ontluisterende details weet Ellen Ombre de lezer veel duidelijk te
maken omtrent haarzelf. Ze voert de lezer mee naar een zeereis op een
vrachtschip met alleen maar mannen. Als sterke en zelfbewuste vrouw bereikt ze
haar bestemming: Benin.
Ombre kent het gebied van een vorige keer. Ze verbleef er enkele
maanden tijdens haar bezoek aan een bevriende Nederlandse arts die zich daar
tijdelijk samen met haar man had gevestigd. Ombre veegt de vloer aan met tal
van even goedbedoelde als mislukte ontwikkelingsprojecten, analyseert de
moeizame verhoudingen tussen Afrikanen en westerse hulpverleners, toont de
treurigheid van zwarte Amerikanen op zoek naar hun Afrikaanse roots en
beschrijft - mede aan de hand van herinneringen aan haar jeugd in Suriname -
een deel van haar eigen (familie)geschiedenis.
![]() |
| Voodoo-danser in trance in Quidah, Benin. Foto © Kwekudee |
In totaal was Ombre drie maanden weg. Eerst tien dagen op
zee. De reis per schip ervoer ze als heel prettig. Ze kon zich langzaam
voorbereiden op waar ze heen ging. Bovendien werd ze verzorgd; de maaltijden
kreeg ze op tijd en dat voortdurende heen en weer wiegen was voor haar heel
behaaglijk. ‘Het is alsof je niet gek bent en toch bent opgenomen in een
rusthuis. Ik was de enige passagier op een groot vrachtschip. Daardoor kon ik
redelijk anoniem blijven, want de andere mensen aan boord moesten gewoon hun
werk doen en dat geeft een enorme afstand, die ik overigens zeer waardeer. Als
passagier kun je bijvoorbeeld samen met de officieren eten, maar ik wilde dat
niet. Ik vind gezamenlijk eten nogal intiem, het ligt heel dicht bij andere
vormen van intimiteit en dat wilde ik vermijden. Die boot bleek volgeladen met
allerlei rotzooi. Oude auto's, oude computers tot en met koelkasten die vol
zaten met cfk’s. Ik had weleens horen mompelen dat Afrika de chemische
dumpplaats van Europa was, maar ik had niet verwacht daar zo direct mee
geconfronteerd te worden. Dat ik in Benin en dus aan de Slavenkust terechtkwam,
was echt toeval. Als die kennis van mij die ik jaren geleden heb opgezocht niet
naar Benin maar naar Kenya was uitgezonden, was ik waarschijnlijk daarheen
gegaan’, vertelt Ombre aan verslaggever Marja Vuijsje in april 1996. (http://www.opzij.nl)
![]() |
| Voodoo-markt Abomey, Benin. Foto © Kwekudee |
Wat Ombre in eerste instantie bezighield was
ontwikkelingssamenwerking. Ze was geboeid door het feit dat er al zolang
Nederlandse hulpverleners naar Benin gingen. In een voorlichtingsboekje las zij
dat er een directe relatie was tussen die ontwikkelingshulp en het feit dat
Benin na de treinkapingen in de jaren zeventig een aantal Molukse nationalisten
had opgenomen. Dus wilde zij onderzoeken wat er van die hulp terechtkwam. Maar
deze interesse kwam ook vanwege Suriname natuurlijk. Hier maakte ze zelf mee hoe
een land van het ene vijfjarenplan naar het volgende tienjarenplan
voortsukkelde. Haar bezoek aan Quidah was dus niet zozeer bedoeld de plek te
zien waar vandaan misschien ook een aantal van haar voorouders naar Suriname
werd gebracht.
Reisverslagen zijn sinds de koloniale expedities en
ontdekkingsreizen in de zestiende eeuw onlosmakelijk verbonden met een
autobiografische ik-verteller die zich op onbekend terrein begeeft. Deze ik-verteller
en hoofdpersoon is heldhaftig en avontuurlijk en de hoofdpersoon krijgt als het
ware ‘mannelijke’ eigenschappen. De onbekende oorden waarheen gereisd wordt, worden
vaak beschreven als van verlangen in klassiek vrouwelijke termen zoals
schoonheid. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw hebben feministische
literatuurwetenschappers in Amerika en in Engeland een groot aantal reisteksten
met vrouwelijke ik-verteller/reiziger belicht. Vergeten negentiende-eeuwse
reisteksten van vrouwen werden herontdekt en uitgegeven. Voor Suriname is
bijvoorbeeld belangrijk het reisverslag van Elisabeth van der Woude (1657-1698).
In haar Memorije van ’t geen bij mijn
tijt is voorgevallen beschreef Elisabeth van der Woude haar reis naar
Guyana, de Wilde Kust, in 1676 en 1677. Als 19-jarige verliet zij het vaderland
om samen met haar vader, broer, zus en honderden anderen een kolonie te
stichten aan de rivier de Oyapoc in het huidige Frans-Guyana. Een expeditie die
al snel op een mislukking uitliep. Een half jaar na aankomst keerde Elisabeth
alweer terug in haar geboortedorp Nieuwe Niedorp. Haar vader en zus waren
overleden, haar broer was achtergebleven in de West. Zelf werd Elisabeth op
haar thuisreis enige tijd gevangen gehouden door de beruchte Duinkerkse kaperkapitein
Jean Bart. Het opmerkelijke en intrigerende verslag is onderdeel van een
kroniek die zeventig jaar beslaat. In een boekje in zakformaat beschreef
Elisabeth van der Woude familieaangelegenheden, plaatselijk nieuws, maar ook
(inter)nationale gebeurtenissen.
Kim Isolde Muller studeerde af op de Memorije van Elisabeth van der Woude. Haar speurtocht naar de
historische context leverde interessante informatie op. Niet alleen Elisabeth
en haar familie kregen zo meer gestalte, ook over de reis naar Guyana werd
bijzonder materiaal gevonden wat voor Surinaamse literatuurwetenschappers en
historici heel belangrijk kan zijn. (http://www.dbnl.org)
![]() |
| Gravure uit Posts Reinhart |
Een ander voorbeeld van
een bijzonder reisverslag is van Maria Elisabeth Post (1755-1812). Zij schreef
onder andere De negerslaaf als goede
wilde en Reinhart, of natuur en
godsdienst.
Reinhart of natuur en godsdienst (Amsterdam,
1791-92), een roman, is gedeeltelijk een bestrijding van de slavernij,
gedeeltelijk echter ook een verdediging van de goede slavenmeester. In het
levensverhaal van Violet, de
eerste slaaf van haar held Reinhart,
treffen wij het klassieke beeld van de goede wilde aan. De roman Reinhart werd
geschreven naar aanleiding van het verblijf van haar broer H.H. Post in Guiana. Hij bezat
waarschijnlijk een plantage in Demerara. (Zie H.D. Benjamins, ‘Oude verdichte verhalen over Guiana’,
in de ‘West-Indische Gids’, jrg. VII
(1925/26), pp. 17-30, [en zie potverdrie vooral het proefschrift van Bert
Paasman – red. CU].) Reinhart beschrijft met afschuw de slavenhandel en
slavernij op de plantage, tijdens een reis in het binnenland geeft hij
nauwgezet het leven van de Indianen weer, enigszins geïdealiseerd in de geest
van de goede-wilde-traditie. Opvallend is het hoe de woeste, tropische natuur
en het landschap, met flora en fauna, tot leven gewekt wordt. Vanuit haar stad
Arnhem vertoefde de auteur in haar verbeelding in het moerassige
Wildekustgebied, de savannen en de door de rivieren doorsneden oerwouden - haar
geheel onbekend.
De verhalen van ontdekkingsreizigers en missionarissen
wekten grote beroering onder de Europese geleerden. Daarin werd verhaald van
onbeschaafde, heidense wilden, die een veel gelukkiger leven leidden dan de
beschaafde, christelijke Europeaan. Men trok in de 18de eeuw de voor de hand
liggende conclusie: de beschaving is de bron van alle kwaad, retournons à la
nature. Dit bracht grote veranderingen in leven en streven van het 18de-eeuwse
Europa. Ook in de literatuur: de belangstelling der schrijvers werd gericht op
de primitieve mens in het tropische decor. Eerst vooral op de Indianen.
Langzamerhand was het onvermijdelijk, dat ook de neger en dus de negerslaaf
deel kreeg aan de Europese mythe van de goede wilde. Een vroeg voorbeeld is de
bekende 17de-eeuwse roman van Aphra Behn: Oroonoko,
or The royal slave, waarin de held een Surinaamse slaaf is. Het spreekt
vanzelf dat men moeilijk in de slavernij kan blijven geloven, wanneer de slaaf
als goede wilde (als voorbeeld voor de verdorven Europeaan) beschouwd wordt.
Dit verhaal vormt dan ook tevens een kroniek van de vroegste geschriften tegen
de slavernij.





