Recensenten: de critici, de boekbesprekers, de boekjournalisten, de boekbabbels, de luizen van de literatuur (Tip Marugg: Amigoe, 26 maart 1977)
De “funeste positieve discriminatie die in bepaalde kringen
zowel hier als in het noordoostelijk deel van het koninkrijk wordt bedreven
door elk Antilliaans geschrift dat op een rood-wit-blauwe maandag in druk
verschijnt, met triomfbogen en luid hoerageroep
binnen te halen” is wel een van de bekendste en meest geciteerde
uitspraken van Tip Marugg als criticus.
Silvio Alberto Marugg was niet alleen creatief auteur van de
drie bekende romans Weekendpelgrimage
(1957), In de straten van Tepalka (1967)
en De morgen loeit weer aan (1988) en
een relatief klein aantal veel minder bekende want moeilijk interpreteerbare
gedichten, maar ook op enkele ver uiteen liggende momenten van zijn leven een
kritische criticus van recente publicaties: eind jaren veertig in Today, in La Prensa ,
een enkele keer in de Beurs- en
Nieuwsberichten, en in de jaren zeventig in de Amigoe. In zijn recensies besprak hij zowel lokaal als
internationaal werk. Het hiervoor gegeven citaat komt voor in zijn bespreking
van Norman de Palm: Onderweg / Na kaminda,
een dichtbundel die in 1977 verscheen.
Hoewel Marugg zich wel eens badinerend uitliet over
recensenten - de critici, de boekbesprekers, de boekjournalisten, de
boekbabbels, de luizen van de literatuur - (VW 2009: 499) nam hij dat werk
persoonlijk echter wel serieus. Waarover schreef Tip Marugg, voor welke auteurs
en werken interesseerde hij zich en wat was zijn opvatting over wat goede
literatuur naar aard en functie diende te vertegenwoordigen?
[De Nederlandse auteur] Van
het Reve en ik schelen
nauwelijks veertig uur
van elkaar in geboorte-uur.
De Heer moet wel erg
toornig zijn geweest in
de maand december van
dat verschrikkelijke jaar.
(Beurs- en Nieuwsberichten,
21 juni 1979)
[De Nederlandse auteur] Van
het Reve en ik schelen
nauwelijks veertig uur
van elkaar in geboorte-uur.
De Heer moet wel erg
toornig zijn geweest in
de maand december van
dat verschrikkelijke jaar.
(Beurs- en Nieuwsberichten,
21 juni 1979)
Het literaire terrein waarop hij zich bewoog was zo breed en
internationaal georiënteerd dat het bijvoorbeeld besprekingen van lokale
tijdschriften als De Stoep
(1940-1951), het Mikvé Israëls Rosh
Hashana-nummer (1949) en het dikke gedenkboek Oranje en de zes Caraïbische parelen (1948) omvatte, maar ook een
regionale auteur als de Surinamer T.J Arkieman (Tjark Rudolf Petzoldt), de
Nederlandse Adriaan Hulshoff (Jo van
Ammers-Küller), de Noord-Amerikaanse kunstenares Helen Frank en de romanciers
Philip Roth en Erica Jong, de Engelse Virginia Woolf en de Russische schrijver Ljev Nikolajevitsj
Tolstoj. Tip Marugg was zowel een creatief schrijver van kaliber, maar ook een
erudiete veellezer van heel divers werk.
Wat waren zijn opvattingen over literatuur? Wat vond hij in
het werk van anderen belangrijk? Wat bracht hem er toe het werk van collega
schrijvers te kritiseren? Tip Marugg was in de Tweede Wereldoorlog in militaire
dienst, waar hij onder meer René de Rooy en Luis Daal ontmoette, met wie hij
veel over literatuur sprak. Het zal Luis Daal geweest zijn die hem na de oorlog
tot het recenseren in diens blad La Prensa heeft
aangezet: “De essayist Luis Daal en de dichter Marcel de Bruin: de een
stijfkoppig, ietsje hoogmoedig en met een ergerlijk gevoel voor zindelijkheid,
de ander Surinaams-verwaand en continu in vuur gerakend, maar allebei van een
grote liefde voor de bellettrie bezeten, die al hun overige zielsgebreken
vergeeflijk maakte. (VW 2009: 450)
Twee perioden
Het recensiewerk valt grofweg gezien uiteen in twee, niet
minder dan bijna dertig jaar uiteen liggende perioden, maar vertoont desalniettemin een opvallende consequentie van opvatting. In zijn recensies toont
Marugg zich een nauwkeurig intrinsiek lezer die de tekst zoveel mogelijk recht
wil doen. Van tijd tot tijd lardeert hij deze vorm van recenseren met
persoonlijke opmerkingen over wat in zijn ogen aard en functie van literatuur
dient te zijn en te bevatten. Hij pleit onveranderlijk voor serieus werk en
heeft een hekel aan alles wat zich als ten dienste van de commercie voordoet.
Zo wijst hij gemakkelijke sensatie resoluut af bij Adriaan Hulshoff’s
‘Curaçaose’ roman Dorstig Paradijs (1948),
want hierin “treffen wij noch sympathie noch antipathie aan, doch hetgeen erger
is, een geroutineerde sensatiezucht. (La Prensa , 26 augustus 1949)
Ook het erotiserende werk van Erica Jong moet het ontgelden,
niet om het erotische maar om het commerciële ervan: “Haar tweede als
afrodisiacum verpakte roman is een vervolg op de eerste sexistentialistische
drievuldigheid.” (Amigoe, 8 oktober 1977)
In een van zijn vroege beschouwingen pleit hij daarom voor
ruimte die de maatschappij een kunstenaar dient te verschaffen, waar tegenover
staat dat “elke ware kunstenaar (…) weet dat erkenning hoort af te hangen van
de diepte van zijn schepping …” (La
Prensa , 30 mei 1949) De ‘diepte van zijn schepping’ niet
het oppervlakkige de lezer naar de ogen zien.
In dezelfde lijn ligt een op het eerste oog hiermee
tegenstrijdige opmerking als “Een boekhandel is ook een commerciële instelling
en is verplicht ook Mickey Spillanelectuur en zelfs Toon Hermansnonsens te
verkopen. (Beurs- en Nieuwsberichten, 24 september 1953) Waarmee een
zelfde oordeel tegen gemakkelijke en zelfs gemakzuchtige oppervlakkigheid wordt
uitgesproken.
Daartegenover vindt veellezer Tip Marugg dat de
Zuid-Amerikaanse literatuur een enorm potentieel heeft, want “geen enkele
literatuur ter wereld is zo uitgesproken doordrenkt van en verwant met politiek
en natuur, en dan natuurlijk de overwinning van de mens op de politiek en
natuur. Ik ken geen literatuur waarin een zo duidelijke plaats is ingeruimd
voor de onderdrukte mens en het medeleven met hem.” (VW 2009: 633)
Consciëntieus
In zijn recensiewerk was Tip Marugg zeer consciëntieus. Hij
weidt uit over het leven van een auteur (Virginia Woolf, Kurt Vonnegut) maar
leest ook alles van zijn te bespreken auteurs vooraf. Voor hij aan zijn
recensie over Philip Roth’s negende roman begint geeft hij eerst een korte
karakteristiek van de acht voorafgaande. Hij bewondert de natuurbeschrijvingen
van de Surinamer Arkieman en duikt in de zieleroerselen van Tolstoj.
Zijn twee bijdragen over het lokale tijdschrift De Stoep getuigen van een brede kennis
van de plaatselijke literatuur, als hij schrijft over Luc Tournier (dokter
Chris Engels) die een “huzarenstukje uithaalde door een eind te maken aan de
Spaansgerichtheid van een al of niet bestaande Antilliaanse literatuur. Pierre
Lauffer publiceerde daarin gedichten die mij destijds levend en louterend
leken, maar later sentimenteel voorkwamen; Charles Corsen ontleedde zijn
onthutste ziel in wilde surrealistische kreten; Oda Blinder schreef
wenend-zangerige verzen over de meest reine liefde, de onbeantwoorde; zelf
ontpopte ik mij ook als verssmeder en Cola Debrot brandmerkte prompt mijn
prijsprodukten als ‘Gehirnpoesie’.” (VW 2009: 453)
Taalgebruik
Evenals in zijn creatieve werk getuigen zijn recensies van
een origineel taalgebruik en een verbluffende kennis van de Nederlandse
woordenschat. Daarom heb ik hem ooit een Van Dale woordenboek uit 1884 cadeau
gedaan.
Het is verleidelijk uit zijn recensies te gaan citeren en
stijlvondsten aan te halen, maar daarvoor kan de lezer ook terecht bij Pim
Heuvels artikel ‘Van aanloeien tot zielstuimel’ in de verzamelbundel Drie Curçaose schrijvers (1991:
358-366). Deze geeft een hele waslijst van taalparticularismen.
Op Curaçao leest niemand.
Iemand die schrijft vinden
ze hier gek, niet normaal.
Dat is natuurlijk ook zo,
ze hebben gelijk. Een
normale man schrijft
geen boeken, die werkt
op het land of in de fabriek.
(Tip Marugg: De Volkskrant,
20 mei 1988)
Op Curaçao leest niemand.
Iemand die schrijft vinden
ze hier gek, niet normaal.
Dat is natuurlijk ook zo,
ze hebben gelijk. Een
normale man schrijft
geen boeken, die werkt
op het land of in de fabriek.
(Tip Marugg: De Volkskrant,
20 mei 1988)
Naast het oordeel over het werk van anderen was Marugg zich
ook sterk bewust van eigen creatief schrijverschap. Hij onderging na het succes
van Weekendpelgrimage ook “het
traditionele lot van zovele tweede boeken van schrijvers met een opzienbarend
debuut”, hij wist dat het oppassen was “wanneer een schrijver, elke schrijver,
het over zichzelf heeft”, maar was ook overtuigd van nut en macht van het
schrijverschap: “wat heeft een schrijver anders dan zijn pen, voor creatief
werk in de eerste plaats, maar ook als defensief en aanvalswapen als dat moet.”
Hij zag zijn beperkingen als auteur ten opzichte van de lezer, wegens “de
discrepantie tussen schrijversintentie en de interpretatie die lezers uit een
bepaalde hoek aan zijn werk willen geven.” (Amigoe, 26 maart 1977)
Nog persoonlijker wordt hij wanneer hij zich over het
eigenlijke schrijfproces bezint: “Ik moet in de ik-vorm schrijven, heel
persoonlijk. Mijn taalgebruik is wat archaïsch. (…) Wanneer ik in het
Nederlands schrijf, ben ik een absoluut ander mens dan wanneer ik in het
Papiamento schrijf, ook al hebben die twee werelden nog zoveel met elkaar van
doen.” (VW 2009: 653; 661)
Tip Marugg: De hemel
is van korte duur. Verzameld werk 1945-1995.
Amsterdam: De Bezige Bij 2009
[uit Maritza Coomans-Eustatia, Wim Rutgers en Henny Coomans: Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud. Boeli
van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus Arion.
Zutphen: De Walburg Pers 1991: 277-403.]




