zaterdag 28 april 2012

Vaderlandsliefde en melancholie in de poëzie van Pierre Lauffer (II)

door Henry Habibe

 

 

II. KUMBU




In 1955, tien jaar na Patria, verschijnt de tweede bundel Kumbu (Dwaallichtje, vonk in de nacht) (6). Hierin wordt in nog sterkere mate uiting gegeven aan vaderlandsliefde: de eigen geschiedenis, de eigen cultuur, liefde voor de zwarte vrouw, etc. Verder komt ook een soort levensbeschouwing om de hoek kijken. De liefde tot zijn geboorteland heeft Lauffer een paar gedichten in de pen gegeven die als ‘historisch’ beschouwd kunnen worden. In ‘Keho di katibu’ (het klagen van de slaaf) worden twee werelden tegenover elkaar gesteld: die van de plantagehouder en die van de slaaf. Het lijkt alsof de dichter hier uiting wilde geven aan zijn afschuw van de slavernij. Dichter bij de eigen tijd is het thema dat in ‘Quo vadis’ (waar ga je heen?) gehanteerd wordt. De dichter betreurt hier het feit dat tijdens de Tweede Wereldoorlog bepaalde Curaçaose vrouwen zich ‘ophielden’ met de op het eiland verblijvende Amerikaanse soldaten. Hij trekt het zich erg aan en schijnt – nogal sentimenteel – het gebeuren als de ondergang van Curaçao voor te willen stellen. Om van de situatie een beeld te krijgen moge het volgende citaat van Jules de Palm dienen. Als een getuige van dit sociaal fenomeen zet De Palm in zijn boek over ‘Julio Perrenal’ het volgende uiteen:
Jules de Palm - Foto @ Jan van der Weerd
 

          Het stadsbeeld van Willemstad werd na februari 1942 beheerst door de Amerikaanse soldaten, die ons kwamen beschermen (…) Deze werden letterlijk en figuurlijk met open armen ontvangen tot misnoegen van de Curaçaose jongemannen, die tot de trieste ontdekking kwamen, dat  hun zo hoog aangeslagen charme gedevalueerd bleek tot  nul komma nul (…) (7).
  
En met zekere humor vervolgt hij:

          Terwijl de meisjes onze schutters geen blik waardig achtten, zagen zij in iedere geuniformeerde Amerikaan een Robert Taylor of een Clark Gable (…) .

Zich op dit gebeuren baserend spreekt Lauffer in ‘Quo vadis’ over de ‘schaamteloze beulen die mijn grond gemarkeerd hebben met zoveel vlekken van leed’. Hij laat niet na te spreken van zijn ‘woede’ (‘rabia’). De dichter is verontwaardigd en het lijkt alsof het gebeuren het begin van de ondergang van Curaçao betekent:‘Curaçao, lief land van mij/ hoe diep moet je nog gaan?/ Hoe lang moet ik nog wachten/ tot alle bloemen zijn gevallen?’(8). De verontwaardiging van Lauffer komt in deze bundel op verschillende plaatsen tot uiting. In weer een ander gedicht, getiteld “R”, schijnt hij het gemunt te hebben op een groep mensen die hij uitmaakt voor ‘vervloekte Judassen van de gemeenschap’. Hij zegt dat hij ‘het beu is onze wonden te verbergen’ (‘Nos ta fadá di skonde nos herida…’). En iets verderop:’God geve mij de kracht / om mijn twee handen om zijn keel te sluiten.…’. Wat opvalt is dat de woorden niet meer gekozen worden om hun klankaspect, maar om hun zeggingskracht en de intensiteit van hun betekenis-aspect.

Als hij het nu over de liefde voor zijn eiland heeft, dan wordt het niet uitgedrukt aan de hand van allerlei klankrijke en rijmende woorden, maar door middel van de gevoels-waarde van die woorden. Hij drukt nu zijn ‘woede’ uit en heeft het over de haat die anderen bij hem gewekt hebben. In ‘Mi tera’ (Mijn land) klinkt zijn stem heftig:       


                  (…)


               Mijn wortels voeden zich aan haar borst
               En teren op het bloed en op de zon
               Die haar leven getekend hebben.

               Door het verdriet ben ik gerijpt
               En gelouterd door de vlammengolf van haat,
               Gestookt door een stelletje onverlaten.

               Als ik dus mijn stem verhef
               En uitschreeuw:’Diefstal!’
               Dan is het omdat dit stukje land
               Van míj is! (9) 


Was de houding van de dichter eerst beschouwend en afstandelijk, waarbij een beschrijving gegeven werd van de natuur, het landschap en de geschiedenis, nu spreekt hij over zijn innige band met het eiland (‘mijn wortels voeden zich aan haar borst’). Er is nu sprake van vijandige elementen waartegen het eiland beschermd moet worden. Het betreft nu niet meer – structureel gesproken - een soort kapstok waaraan welluidende woorden opgehangen worden. De dichter is nu overgegaan op het vrije vers en drukt zich uit aan de hand van een vrij krachtige taal.   

In Kumbu is er verder een gedicht dat ‘Korsou di nos’ (Óns Curaçao) als titel heeft. Ook hier gaat het niet meer om klankrijke woorden. De dichter aarzelt nu niet met betrekking tot de kracht waarmee hij de dingen zegt: Er bestaat geen kracht – zo stelt hij – die zijn ziel zou kunnen breken! (‘no tin forsa pa kibra un alma’). Hierbij gaat de vertaling van dit gedicht (het heeft een nogal strak ritme, hetgeen in de vertaling niet tot uiting komt):


              Uit het diepst van ons hart verheffen
              Wij onze stem voor ons Curaçao,
              Wij zingen om in alle grootheid
              Ons vaderland te verheerlijken.  

              Ons gevoelsleven is verborgen
              Voor hen die ons niet begrijpen
              Maar wij, landskinderen,
              Wij leven met ons ideaal.

              Er bestaat geen kracht om een ziel
              Te breken die uit stilte omhoog komt
              Curaçao van ons, je zult gauw
              Opgemerkt worden tussen de naties              
              Als de ster van onze toekomst. (10)

Wat we merken is dat de stem nu niet meer zo neutraal en vrijblijvend klinkt als in ‘Korsou’ uit Patria.


Foto: @ Dushi Photos


Ik zou hier graag één van de negen gedichten uit Raspá (1961), een verhalenbundel van Lauffer, willen uitlichten en opvoeren, omdat het als thema heeft de liefde voor de eigen taal, het Papiaments. Dit is - volgens mij - ook een uitdrukking van de eigen Curaçaose cultuur, zoals het het geval is met de zeer ritmische expressies in Kumbu, met name in de gedichten ‘Balia Barí’ (de tambú) en ‘Tumba’. Zoals deze gedichten geïnspireerd werden door de liefde tot het vaderland, zo is ‘Mi lenga’ (Mijn taal) ook een uiting van Lauffers patriottisme. De eerste helft van het gedicht is een toespeling op de oorsprong van het Papiaments en de tweede helft verwijst in prachtige beelden naar de kracht, de schoonheid en het vermogen van deze taal om alles te kunnen uitdrukken. Dit gedicht had een prachtig onderdeel van Kumbu kunnen zijn, indien het bestond (of ontstaan was) vóórdat deze bundel was verschenen. Hier volgt de Nederlandse vertaling:


            Mijn Taal


            Mijn taal,
            uit nood geboren
            uit de geest van vrijbuiters,
            door slavenlippen vorm gegeven,
            verbeterde haar status
            in de verhalen
            van de zwarte yaya’s

            Haar tomeloze moed
           - het teken van haar wilde afkomst –
            deed haar muilkorf barsten
            en haar levenskracht
            tilde haar op
            in een wervelwind van woorden.

            Haar lied is vuur
            haar eenvoud kleur.
            Haar woordenspel
            gebruik ik om je stijf te vloeken.
            Met haar ritme en vitaliteit
            kan ik uit vrijen gaan.
            In mijn creoolse taal
            met haar pittige klanken
            vertolk ik zowel vreugde als smart
            en er bestaat geen enkel gevoel
            waar ik mijn tanden niet in durf te zetten. (11) 


Foto: @ Dushi Photos

Naast het optimistisch geluid dat uit deze gedichten opklinkt, komen wij andere gedichten tegen die een weergave zijn van de ontgoocheling van de dichter. In ‘Desepshon’ (teleurstelling), bijvoorbeeld, zegt hij dat hij, ofschoon hij alles gegeven had, toch geen vriendschap heeft ondervonden. Van zijn pessimistische visie getuigt het gedicht ‘Mi kontesta’ (Mijn antwoord). Hij beweert dat het leven ‘alleen maar smart en pijn’ te bieden heeft. Hoe je er ook mee omgaat – zegt hij – het leven is alleen maar ‘een grote wonde’. En hij benadrukt:‘Je tobt ermee, reinigt en verzorgt het om het vervolgens te zien groeien totdat de dood erop volgt’. In weer een ander gedicht, ‘Doló dushi’ (zoet lijden), vinden we de uitdrukking van een melancholische visie. Zo te zien wordt de vaderlandsliefde afgewisseld met thema’s van strikt persoonlijke aard. Wat de stijl betreft constateren wij dat de woorden in Kumbu niet meer om hun klank-effect gekozen worden. Er is nu een tendens om de zeggingskracht daarvan te laten overheersen. Het gaat dus om de intensiteit van hun betekenis- aspect en om hun emotionele waarde. Door het vrije vers (over het algemeen gesproken) werd het voor de dichter mogelijk dat hij tot een grotere expressie kwam. Door de rijmdwang leken de eerste gedichten soms in een bepaalde keurslijf te zijn gegoten. In Kumbu echter komen zij spontaner tot stand. Juist door het vrije vers is de dichter tot een originele en rijker beeldenspel geraakt. We treffen daar zodoende eenvoudige beeldspraak aan als ‘de voering van mijn hart’, ‘een wonde is het leven’,‘de as van mijn leven’, etc., naast enkele hoogstandjes als ‘Mijn wortels voeden zich (letterlijk: zuigen) aan haar borst’, ‘de vlammengolf van haat’, ‘de tailles van de zwarte wesp’ (beeldspraak voor ‘jonge zwarte vrouwen’) en ‘de grote waskom van azijn’ (beeldspraak voor ‘een grote hoeveelheid verbittering’).   

[wordt vervolgd] 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten