II. KUMBU
In 1955, tien jaar na Patria, verschijnt de tweede
bundel Kumbu (Dwaallichtje,
vonk in de nacht) (6). Hierin
wordt in nog sterkere mate uiting gegeven aan vaderlandsliefde: de eigen
geschiedenis, de eigen cultuur, liefde voor de zwarte vrouw, etc. Verder komt
ook een soort levensbeschouwing om de hoek kijken. De liefde tot zijn geboorteland
heeft Lauffer een paar gedichten in de pen gegeven die als ‘historisch’
beschouwd kunnen worden. In ‘Keho di katibu’ (het klagen van de slaaf) worden
twee werelden tegenover elkaar gesteld: die van de plantagehouder en die van de
slaaf. Het lijkt alsof de dichter hier uiting wilde geven aan zijn afschuw van
de slavernij. Dichter bij de eigen tijd is het thema dat in ‘Quo vadis’ (waar
ga je heen?) gehanteerd wordt. De dichter betreurt hier het feit dat tijdens de
Tweede Wereldoorlog bepaalde Curaçaose vrouwen zich ‘ophielden’ met de op het
eiland verblijvende Amerikaanse soldaten. Hij trekt het zich erg aan en schijnt
– nogal sentimenteel – het gebeuren als de ondergang van Curaçao voor te willen
stellen. Om van de situatie een beeld te krijgen moge het volgende citaat van
Jules de Palm dienen. Als een getuige van dit sociaal fenomeen zet De Palm in
zijn boek over ‘Julio Perrenal’ het volgende uiteen:
![]() |
| Jules de Palm - Foto @ Jan van der Weerd |
Het
stadsbeeld van Willemstad werd na februari 1942 beheerst
door de Amerikaanse soldaten, die ons kwamen
beschermen (…) Deze werden letterlijk en figuurlijk met open
armen ontvangen tot misnoegen van de Curaçaose
jongemannen, die tot de trieste ontdekking kwamen, dat hun zo
hoog aangeslagen charme gedevalueerd bleek tot nul komma nul (…) (7).
En met zekere humor vervolgt hij:
Terwijl
de meisjes onze schutters geen blik waardig achtten,
zagen zij in iedere geuniformeerde Amerikaan een Robert Taylor of een Clark Gable (…)
.
Zich op dit gebeuren baserend spreekt Lauffer in ‘Quo vadis’
over de ‘schaamteloze beulen die mijn grond gemarkeerd hebben met zoveel
vlekken van leed’. Hij laat niet na te spreken van zijn ‘woede’ (‘rabia’).
De dichter is verontwaardigd en het lijkt alsof het gebeuren het begin van de
ondergang van Curaçao betekent:‘Curaçao, lief land van mij/ hoe diep moet je
nog gaan?/ Hoe lang moet ik nog wachten/ tot alle bloemen zijn gevallen?’(8). De verontwaardiging van Lauffer komt in deze
bundel op verschillende plaatsen tot uiting. In weer een ander gedicht,
getiteld “R”, schijnt hij het gemunt te hebben op een groep mensen die hij
uitmaakt voor ‘vervloekte Judassen van de gemeenschap’. Hij zegt dat hij ‘het
beu is onze wonden te verbergen’ (‘Nos ta fadá di skonde nos herida…’).
En iets verderop:’God geve mij de kracht / om mijn twee handen om zijn keel te
sluiten.…’. Wat opvalt is dat de woorden niet meer gekozen worden om hun
klankaspect, maar om hun zeggingskracht en de intensiteit van hun
betekenis-aspect.
Als hij het nu over de liefde voor zijn eiland heeft, dan wordt het niet uitgedrukt aan de hand van allerlei klankrijke en rijmende woorden, maar door middel van de gevoels-waarde van die woorden. Hij drukt nu zijn ‘woede’ uit en heeft het over de haat die anderen bij hem gewekt hebben. In ‘Mi tera’ (Mijn land) klinkt zijn stem heftig:
(…)
Mijn
wortels voeden zich aan haar borst
En
teren op het bloed en op de zonDie haar leven getekend hebben.
Door
het verdriet ben ik gerijpt
En
gelouterd door de vlammengolf van haat,Gestookt door een stelletje onverlaten.
Als
ik dus mijn stem verhef
En
uitschreeuw:’Diefstal!’Dan is het omdat dit stukje land
Van míj is! (9)
Was de houding van de dichter eerst beschouwend en
afstandelijk, waarbij een beschrijving gegeven werd van de natuur, het landschap
en de geschiedenis, nu spreekt hij over zijn innige band met het eiland
(‘mijn wortels voeden zich aan haar borst’). Er is nu sprake van vijandige
elementen waartegen het eiland beschermd moet worden. Het betreft nu niet meer
– structureel gesproken - een soort kapstok waaraan welluidende woorden
opgehangen worden. De dichter is nu overgegaan op het vrije vers en drukt zich
uit aan de hand van een vrij krachtige taal.
In Kumbu is er verder een gedicht dat ‘Korsou di nos’
(Óns Curaçao) als titel heeft. Ook hier gaat het niet meer om klankrijke
woorden. De dichter aarzelt nu niet met betrekking tot de kracht waarmee hij de
dingen zegt: Er bestaat geen kracht – zo stelt hij – die zijn ziel zou kunnen breken! (‘no tin forsa pa kibra
un alma’). Hierbij gaat de vertaling van dit gedicht (het heeft een nogal
strak ritme, hetgeen in de vertaling niet tot uiting komt):
Uit
het diepst van ons hart verheffen
Wij
onze stem voor ons Curaçao,Wij zingen om in alle grootheid
Ons vaderland te verheerlijken.
Ons gevoelsleven is verborgen
Voor hen die ons niet begrijpen
Maar wij, landskinderen,
Wij leven met ons ideaal.
Er
bestaat geen kracht om een ziel
Te
breken die uit stilte omhoog komtCuraçao van ons, je zult gauw
Opgemerkt worden tussen de naties
Als de ster van onze toekomst. (10)
Wat we merken is dat de stem nu niet meer zo neutraal en
vrijblijvend klinkt als in ‘Korsou’ uit Patria.
Foto: @ Dushi Photos
Ik zou hier graag één van de negen gedichten uit Raspá (1961), een verhalenbundel van
Lauffer, willen uitlichten en opvoeren, omdat het als thema heeft de liefde voor
de eigen taal, het Papiaments. Dit is - volgens mij - ook een uitdrukking van
de eigen Curaçaose cultuur, zoals het het geval is met de zeer ritmische
expressies in Kumbu, met name in
de gedichten ‘Balia Barí’ (de tambú) en ‘Tumba’. Zoals
deze gedichten geïnspireerd werden door de liefde tot het vaderland, zo is ‘Mi
lenga’ (Mijn taal) ook een uiting van Lauffers patriottisme. De eerste helft
van het gedicht is een toespeling op de oorsprong van het Papiaments en de
tweede helft verwijst in prachtige beelden naar de kracht, de schoonheid en het
vermogen van deze taal om alles te kunnen uitdrukken. Dit gedicht had een
prachtig onderdeel van Kumbu kunnen zijn, indien het bestond (of
ontstaan was) vóórdat deze bundel was verschenen. Hier volgt de Nederlandse
vertaling:
Mijn Taal
Mijn
taal,
uit nood geborenuit de geest van vrijbuiters,
door slavenlippen vorm gegeven,
verbeterde haar status
in de verhalen
van de zwarte yaya’s
Haar
tomeloze moed
- het teken van haar wilde afkomst –deed haar muilkorf barsten
en haar levenskracht
tilde haar op
in een wervelwind van woorden.
Haar
lied is vuur
haar eenvoud kleur.Haar woordenspel
gebruik ik om je stijf te vloeken.
Met haar ritme en vitaliteit
kan ik uit vrijen gaan.
In mijn creoolse taal
met haar pittige klanken
vertolk ik zowel vreugde als smart
en er bestaat geen enkel gevoel
waar ik mijn tanden niet in durf te zetten. (11)




Geen opmerkingen:
Een reactie posten