maandag 19 mei 2014

Shrinivási - De dichter en het woord (Kavi aur shabd)

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een land.
Het vaderland van de dichters.
De woonplaats van de dichters.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een mond.
Zij schenken troost
en scheppen geluk.
Vrucht van de gedachten
en uiting van het hart zijn zij.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een ploeg.
De menselijke gemeenschap is de grond.
De dichter de ploeger ervan.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een krans.
Van dankbaarheid
de toetssteen.
Het kenmerk van dichters geheim.
Teken en schepping van zijn mond.

Wat zijn woorden eigenlijk?
Een land.
Het dierbare Vaderland van
de dichters.
Zij vormen de grootheid van de dichters.



[in: Pratikshá, 1968]


De ondernemer-auteur Clark Accord

Waarom schreef Clark Accord niet over
homoseksualiteit?
door Christine F. Samsom

Afgelopen zondag, elf mei, was het alweer drie jaar geleden dat Clark Accord, de schrijver van een aantal spraakmakende boeken, op vijftigjarige leeftijd overleed. De stichting met zijn naam, de Clark Accord Foundation (CAF), die ongeveer een jaar na zijn dood onder voorzitterschap van zijn zus Mavis Accord werd opgericht, heeft de herinnering aan Clark levend gehouden en in die korte tijd veel werk verzet. Dat kwam tot uiting tijdens de lezing die de neerlandicus Jerry Dewnarain onlangs hield tijdens de ondernemersavond van de KKF en tijdens de Clark Accord-lezing door de zakenvrouw Karin Refos vier dagen later in Tori Oso.

Elke dinsdagavond worden in het KKF-gebouw lezingen georganiseerd die interessant kunnen zijn voor ondernemers. Jerry Dewnarain, secretaris van de CAF, heeft op zes mei met een powerpoint-presentatie duidelijk gemaakt dat het schrijven en publiceren van een boek of het opzetten van een stichting als de CAF net zo’n onderneming kan zijn als het opzetten van een bedrijf. Hij noemt de doelstellingen van de CAF: aandacht geven aan de literaire erfenis van Clark Accord en jongeren stimuleren om te gaan schrijven. Via de Clark Accord-lezingen, werkt de CAF aan het eerste doel. Het tweede doel probeert de foundation te bereiken door het organiseren van workshops creatief schrijven, presentaties op scholen, lesbrieven, literaire tours voor leerlingen en het houden van de ‘Clark Accord Sori Yu Talenti’-schrijfwedstrijd voor jongeren tussen vijftien en dertig jaar. De eerste wedstrijd resulteerde in 2013 in de bundel Het geheim van Ston Oso en andere verhalen, de titel ontleend aan het winnende verhaal van Hetty Amatodja die onlangs met nieuwe publicaties uitkwam.

Jerry Dewnarain. Foto © Michiel van Kempen

Jerry Dewnarain laat dan het leven van Accord de revue passeren: Als Clark na de middelbare school naar Nederland vertrekt, gaat hij verpleegkunde studeren en daarna visagie, een vak dat zich bezighoudt ‘met het accentueren van de sterke kanten van een gezicht en het camoufleren of corrigeren van de minder sterke kanten’, zegt de vrije encyclopedie ‘Wikipedia’. Is dat niet wat hij ook als schrijver zal toepassen en waaruit zijn ondernemerszin al blijkt? Jarenlang maakt hij als visagist furore in Wenen, de charmante hoofdstad van Oostenrijk en komt de modewereld hem tegen in vooraanstaande bladen als Marie Claire, Elle en Vogue. De koningin van Paramaribo, intussen vertaald in het Engels, Duits, Spaans en Fins, waarvan in 2011 de 31ste druk verschijnt. Dewnarain legt de nadruk op de keuze van Accord voor taboedoorbrekende en maatschappijkritische thema’s in zijn boeken: prostitutie in een preutse, schijnheilige samenleving in zijn eerste roman, een onmogelijk liefdesverhaal in het bos in Tussen Apoera en Oreala (2005) en gokverslaving in Bingo!, zijn derde roman (2007). Het kiezen van herkenbare, boeiende, uit het leven gegrepen thema’s en het gebruik van een eenvoudige, beeldende schrijfstijl verhoogt volgens Dewnarain het leesplezier, het aantal lezers en daarmee de verkoopcijfers, en is dat niet waar het ondernemers om gaat? Blijft één vraag bij mij hangen: waarom schreef Clark Accord - zelf gay - niet over homoseksualiteit om een ander taboe in onze samenleving te noemen?
Terug in Amsterdam legt hij zich via cursussen toe op de schrijfkunst en na veel onderzoek komt hij in 1999 uit met zijn debuutroman die al snel een groot succes wordt:


Op vrijdag negen mei herinnert de voorzitter van de CAF in haar inleiding het vooral jonge gehoor aan de lijfspreuk van haar broertje: ‘Kan niet bestaat niet!’ Osje Braumuller, bigiman fu Tori Oso, geeft aan, hoe Clark, als liefhebber van een bourgondische levensstijl én als ondernemer, heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van het culinair toerisme in Suriname. De monoloog, De gevallen vrouw bestaat niet, door Clark zelf geschreven en ooit uitgevoerd door Helen Kamperveen, wordt in Tori Oso prachtig vertolkt door Renate Galdij onder regie van Michael Austin. Zelfverzekerd, zakelijk, verleidelijk, leidt zij het publiek naar de keynote speech van Karin Refos die onder de titel ‘Jong ondernemerschap in relatie tot vrouwelijk leiderschap’ de Clark Accord-lezing verzorgt (in een outfit die Clark zeker zou zijn bevallen, als hij erbij was geweest). Met verve brengt Karin drie uitgangspunten naar voren voor de jonge schrijvers-in-spe die in spanning de uitslag van de ‘Sori yu Talenti’-wedstrijd nog even moeten afwachten. Voor succesvol ondernemerschap, ... en schrijven is ondernemen..., moet je een aantal zaken goed in de gaten houden: je moet ambitie hebben, de juiste attitude in de omgang met mensen en een goed financieel beheer. Daarnaast moet je maatschappelijk betrokken zijn en je ondernemerschap kunnen combineren met creativiteit. Je moet vasthouden aan je droom, spaarzaam zijn, discipline hebben, je kennis willen vergroten en vooral’... je moet hard werken! KAN NIET BESTAAT NIET! 

Souvenir van een verleden

Poelepantjebrug Paramaribo
door Jerry Dewnarain

‘Ik probeer zo waarheidsgetrouw mogelijk te zijn, zodat de historische waarde ervan niet verloren raakt’, schrijft Tjait Ganga in de inleiding (episode 1) van zijn boek dat eind april 2014 uitkwam. Ganga’s boek Souvenir van een verleden. Autobiografische verhalen omvat persoonlijke herinneringen vanaf de vooroorlogse jaren tot het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw. Het is belangrijk dat Ganga zich bewust is van de noodzaak om zijn herinneringen juist weer te geven, want levensverhalen zijn wetenschappelijk ‘lastig’, ze zijn subjectief en gekleurd. Ter voorkoming van de valkuilen ‘subjectiviteit’ en ‘gekleurde bril’, dienen deze altijd gecheckt te worden. Bovendien moeten ze in een context geplaatst worden. Verifiëren en vergelijken kan dus door middel van ‘harde middelen’, zoals kranten, archieven en internet. Bovendien zullen de oudere lezers van dit boek vaak Ganga’s herinneringen herbeleven. Mijn moeder is zo een voorbeeld. Ze is ongeveer tien jaar jonger dan Ganga en heeft het boek met plezier gelezen. Zij vindt de herinneringen van Ganga herkenbaar en deze zijn nostalgisch. Als meisje van de Koningstraat en zelf ook ex-onderwijzeres herkent zij vele episodes die in het boek zijn beschreven.

Souvenir van een verleden is een egodocument. Egodocumenten zijn documenten over persoonlijke gebeurtenissen en levenservaringen. Het begrip is een verzamelterm om autobiografieën, memoires, dagboeken, persoonlijke brieven en dergelijke teksten mee aan te duiden, kortom, alle teksten waarin de auteur schrijft over eigen handelen en gevoelens. De nadruk wordt gelegd op het ego, het ik, dat de kern van het egodocument uitmaakt. Deze definitie maakt ook duidelijk dat de auteur het egodocument bewust creëert met een welbepaald motief. Dit motief is het overbrengen van zijn verhaal om anderen zowel te informeren als te beïnvloeden. Wat is het historische belang van Ganga’s persoonlijke herinneringen oftewel het documenteren van gewone mensen in het recente verleden?
Houten woningen van Brits-Indische contractarbeiders

Er zijn weinig schriftelijke bronnen over gewone mensen. In archieven is materiaal te vinden ‘over’, maar nooit ‘door’ de gewone man. Levensverhalen bieden een menselijke maat om processen, die het verstand vaak te boven gaan, te kunnen begrijpen. Ze bieden ook mogelijkheden om grote zwart-wit tegenstellingen te nuanceren, zoals de horrorverhalen uit de dertiger en veertiger jaren te Baka Crepy (episode 3) of over liefde en huwelijk (episode 14), enzovoort. Via levensverhalen kom je dichter bij de ‘grote geschiedenis’. Herkenning en empathie daarvoor kunnen daardoor tot stand komen. In het onderwijs kun je jongeren hiermee sneller bij de officiële historie betrekken. Een voorbeeld: ‘De toenmalige minister van Onderwijs de heer drs. Ronald R. Venetiaan heeft tijdens zijn twee ambtsperioden alles in het werk gesteld om dat nobele doel [van onderwijsvernieuwing] te bereiken... het is goed om deze [en andere] namen te vermelden, aangezien deze schoolbegeleiders van het eerste uur, het land hebben doorkruist om de nieuwe curricula op alle basisscholen te implementeren. Het model van de Didaktische Analyse heeft zeker het didaktisch handelen van leerkrachten verbeterd!’ schrijft Ganga. (pp. 193-194)

Van mijn vader hoorde ik zo vaak de verhalen over de ‘Poerpangie-broki’ waar mijn grootvader uit Saramacca aan het begin van de vorige eeuw landbouwproducten verkocht. Ganga schrijft het volgende over deze brug: ‘De Poelpantje brug was de belangrijkste verbinding tussen Paramaribo en Para pasie, Domburg, Paranam, en de rest van het binnenland. Deze brug was een ijzeren ophaalbrug die, zo ver mij bekend, door de Amerikanen was gebouwd. Deze brug over de Domineekreek is in de historie bekend als “Poerpangi-broki”.’ (pp. 106-107) Een foto van deze brug staat op pagina 107. Het is jammer dat Ganga niet over de economische activiteiten rondom de Poerpangi-broki vertelt. Hindostaanse landbouwers uit Saramacca voeren enkele dagen over de Saramaccarivier en het Saramaccakanaal om uiteindelijk hun producten op ‘Poerpangi’ (Domineekreek) te verkopen. Zij raakten bevriend met hun creoolse klanten en vaak genoeg overnachtte mijn grootvader ook bij deze creoolse broeders totdat hij zijn producten had verkocht. Toen al begon de verbroedering en samenwerking tussen de hindostanen uit de districten en de stadscreolen!

Souvenir van een verleden is onderverdeeld in 29 episoden. Bij het lezen van het boek snap ik waarom Ganga niet kiest voor hoofdstukken maar voor episoden. Elke episode staat op zichzelf en zou als het ware een aflevering van een soap- of tv-serie kunnen zijn. De foto’s verduidelijken het verhaal en sommige zijn waardevol voor de Surinaamse geschiedenis, zoals de foto van de brug over de Domineekreek (zie ook omslag van het boek). Het boek leest prettig en is zeker een aanwinst die onder meer het leven schetst van personen en een beeld geeft van bepaalde delen van Paramaribo en districten, met name ook Nickerie en de zeereis ernaartoe, enkele decennia lang van de vorige eeuw, bekeken vanuit het vertelperspectief van Tjait Ganga.

Tjait Ganga: Souvenir van een verleden. Autobiografische verhalen, 244 pp. Paramaribo, 2014. ISBN 978-99914-7-287-4


De slaaf met de stem

Tessa Leuwsha
 door Tessa Leuwsha

De vrouw die mijn Surinaamse oma opvoedde heette Angelica Louisa Brouwn. Ze was tot haar twaalfde jaar slavin, haar slavennaam was Beckie. Solomon Northup die het boek 12 jaar slaaf naar zijn eigen ervaringen liet opstellen, overkwam in 1841 in Amerika hetzelfde. Toen Northup in slavernij verviel, kreeg hij een andere naam, Platt Epps. Epps, naar een latere eigenaar. Slavernij draaide om het ontnemen van iemands eigenheid. Slaven waren naamloze wezens zonder stem. Met Solomon Northup lag dat anders. Northup was als vrij man geboren. Hij kon lezen en schrijven, speelde viool en beschouwde zich niet minder intelligent dan de blanken die hij had ontmoet en voor wie hij later kwam te werken.

Northups verslag over zijn periode doorgebracht in slavernij was al bij publicatie in 1853 bijzonder. Het verscheen een jaar na Uncle Tom’s Cabin/ De negerhut van oom Tom van Harriët Beecher Stowe, dat handelde over de lotgevallen van slaven die vluchten. De negerhut van oom Tom was de eerste Amerikaanse roman met een zwart persoon in de hoofdrol. Het boek sloeg in Amerika een diepe kloof tussen voor- en tegenstanders van slavernij. Verzon Beecher Stowe, een blanke dochter van een predikant, haar roman, Northup ondervond zijn relaas aan den lijve. Toen Northup in 1841 tot slaaf werd gemaakt, was in het Noorden van Amerika slavernij al afgeschaft. In het Zuiden bestond die nog volop. Aanvoer van verse slaven voor de zuidelijke katoenplantages vormde een probleem. Het kidnappen van vrije zwarten door slavenhandelaren gebeurde regelmatig. Dit overkomt ook Solomon Northup uit de noordelijke staat New York. Northup is gehuwd en heeft twee kinderen, maar hij belandt duizenden kilometers van huis op een slavenmarkt. Daar moet hij helder uit de ogen kijken en zijn mond openen, zodat kopers ook zijn gebit kunnen keuren. Gelukkig voor zijn verkopers heeft Northup aan de zweep in het slavendepot niet al te veel littekens overgehouden. Die zouden blijk geven van een rebelse, weerspannige inborst: geen goed verkoopmateriaal. Toch behoudt Northup, nu Platt, in zijn vreselijke omstandigheid oog voor detail. Hij ruikt de schimmellucht in het ondergrondse vertrek waar hij gevangen wordt gehouden, hoort het kraaien van een haan die de ochtend aankondigt en het ratelen van een koets. Die precisie in waarneming en Platts talent zijn situatie haarscherp te beoordelen maken zijn verslag zo waardevol. Uit een monddood gemaakte, anonieme groep is daar opeens een slaaf die zijn ervaringen voor anderen invoelbaar maakt. Northup bevond zich als slaaf in hetzelfde gebied, waarin Beecher Stowe haar roman situeerde. Hij werkte op verschillende plantages aan de Red River. Een warme, vochtige streek, vergeven van moerassen en van bomen waar een grimmig baardmos uit hangt. Ontsnappen is een illusie die Platt twaalf jaar zal koesteren. In die twaalf lange jaren wandelen mensen in en uit zijn leven. De slavenhouder William Ford, die zijn slaven goed behandelt, maar die opgroeide met de overtuiging dat de ene mens het recht heeft de andere te onderdrukken. ‘Massa’ Ford noemen zijn slaven hem, meester Ford; masra in het Surinaams. Fords tegenhanger is John Tibeats, de gemene blanke, ‘white trash’. Tibeats jaagt op weggelopen slaven om te verkopen. Als Platt het met hem aan de stok krijgt, moet die het bijna ontgelden. ‘Waar zullen we die nikker ophangen’, vraagt een van Tibeats metgezellen. Massa Ford schiet te hulp. Platt is ten slotte een goede nikker, hij werkt hard en is intelligent. In Platts leven spelen ook medeslaven een rol. Niet anders dan een slavenhouder beschouwt Platt zijn lotgenoten, die in slavernij zijn geboren, als los van zichzelf: ongeschoold maar doordrongen van een sterk besef van wat vrijheid moet inhouden. Eliza wordt gescheiden van haar kinderen en verkommert van verdriet. De jonge, opgewekte Patsey trekt de aandacht van haar eigenaar Epps, aan wie ook Platt is doorverkocht. Epps misbruikt haar. Slavernij verdedigt hij met de bijbel: het aan het blanke ras door ‘God’ gegeven recht een ander volk te knechten. Dat Epps seks heeft met zijn slavin is zelfs voor hem moeilijk verkoopbaar. Epps’ vrouw, die de situatie door heeft, zint op wraak: Epps moet Patsey afranselen. Epps besteedt dit uit aan Platt, die gehoorzaamt. ‘Het is nauwelijks te bevatten hoe onderdanig een slaaf die in angst en onwetendheid is grootgebracht geneigd is te kruipen onder de blikken van een blanke’, zegt Northup in zijn verslag. Die opmerking blijkt ook voor Northup zelf te gelden, al was hij ooit een vrij man; hij slaat zich niet als held op de borst.

Northup verdicht de tijd in zijn levensverhaal, zodat de meest kernachtige gebeurtenissen eruit springen (het gros van die twaalf jaren waren ongetwijfeld een eentonige dreun). Daarnaast maken zijn detaillistische observaties dat het relaas leest als een roman, maar dan waar gebeurd. Bijzonder zijn ook de beschrijvingen van het werk en leven op de plantage. Iedere dag maïskoek en spek, slapen op een plank met een stuk hout als kussen, voortdurend angst voor van alles: voor te laat opstaan, voor zweepslagen wanneer er niet genoeg katoen is geplukt, voor ’s nachts bij volle maan te moeten doorwerken. En toch kan Northup haast poëtisch zijn: ‘Er is bijna geen uitzicht zo aangenaam als dat op een uitgestrekt katoenveld dat in bloei staat. Het biedt een aanblik van zuiverheid, als een smetteloze vlakte met lichte, vers gevallen sneeuw.’ Ook is hij in staat begrip op te brengen voor de andere kant. Epps’ zoon van tien rijdt al parmantig rond op zijn pony met een zweep in de hand. Aangeleerd, niet aangeboren, volgens Northup. Het kroost van de doorsnee slaveneigenaar weet niet beter dan dat slavenruggen er zijn om af te ranselen. Dat Northup kan lezen en schrijven, kennis die hij angstvallig voor zijn eigenaren verborgen houdt, blijkt zijn wapen. Na twaalf jaar gevangenschap weet hij zich er zijn vrijheid mee terug te veroveren. Pas dan wordt Platt Epps weer een individu: Solomon Northup.

De Nederlandse historica en journaliste Bianca Stigter herontdekte het in vergetelheid geraakte boek, toen haar partner, filmregisseur Steve Mc Queen, op zoek was naar een verhaal over slavernij. Northups relaas draagt alle elementen voor een succesvol script: schurken die slaven stelen, goede en slechte meesters, de liefde die Solomon Northup blijft koesteren voor zijn vrouw en kinderen. Steve Mc Queen maakte er een verfilming van die hem de Oscar voor beste film opleverde. In de Nederlandse vertaling van Northups levensverhaal, gebracht door uitgeverij Atlas Contact, is een voorwoord opgenomen van Steve Mc Queen en een inleiding van Bianca Stigter.


Solomon Northup: 12 jaar slaaf; Nederlandse vertaling: Leen Van Den Broucke, Inge Kok, Arjaan van Nimwegen, Thijs van Nimwegen; voorwoord Steve Mc Queen, inleiding Bianca Stigter. Uitgeverij Atlas Contact, 2014. ISBN 9789025443603. Oorspronkelijke titel: Twelve Years a Slave. Uitgave van Derby and Miller, 1853

APS opent Inheems restaurant


Indianen aan de kokerij. Gravure van Thédore de Bry

Bij het centrum van de Amazone Partij Suriname (APS) aan de President Da Costalaan is een inheems restaurant 'Knabbel & Babbel' geopend. De politieke partij meldt dat het publiek dagelijks onder het genot van een traditioneel Inheems hapje en drankje over de politiek kan discussiëren of gewoon lekker chillen.

Het secretariaat van APS is op 3 mei op traditionele wijze geopend. Deze partij gaat voor de tweede keer deelnemen aan de parlementsverkiezingen, na een stilstand van tien jaar. “Wij willen medezeggenschap bij het vormen van besluiten. Alleen als je in de coalitie zit, kun je dat doen", zei voorzitter René Artist bij ingebruikname van het secretariaat. 
Pepre watra met cassavebrood


De uitbater van 'Knabbel & Babbel', Suzanne Muller, die tevens hoofdbestuurslid is van de partij, kan alle informatie verschaffen over de doelstellingen van APS. Eén van de voornaamste doelen van de partij is om de Inheemse gemeenschappen een beter vooruitzicht te bieden door zelfwerkzaamheid en geloof in eigen kunnen, zegt de APS.

[van Starnieuws, 18 mei 2014]


22 meter aan rood haar


door Hilde Neus

Gabriel García Márquez was een groot deel van zijn leven journalist, en heeft dat beroep nooit afgeschud, het was zelfs de basis van zijn literatuur. Het motto van de roman Over liefde en andere duivels (1994) is een stelling van de roomse kerkgeleerde Thomas van Aquino, die schrijft over ‘de gaafheid van herrezen lichamen’: ‘Het schijnt dat de haren veel minder goed herrijzen dan de andere delen van het lichaam.’
In 1949 wordt de journalist Márquez gevraagd de ruiming van de grafkelders van het klooster van Sint-Clara te verslaan, omdat er een nieuw hotel zal worden gebouwd (nu een sofitel). Hij gaat ernaar toe en kijkt de werkzaamheden met verbazing aan. Maar wat de werkelijkheid tart, is het nieuws: ‘Al bij de eerste slag van de pikhouweel sprong de deksteen in stukken, en kwam uit de crypte een levendige haardos met een diepe koperkleur naar buiten golven ... die nog vastzat aan een meisjesschedel. Uitgerold mat het haar 22 meter en 11 centimeter.’

Hier toont zich de meester in Márquez. Hij maakt gebruik van een verlichtingsfoefje, een redactiestukje om datgene wat erna komt, vast te ankeren in de werkelijkheid. Dat erna is de roman: het verhaal over de prachtige Sierva Maria de Todos los Angeles, de verwaarloosde dochter van een markies en een creoolse handelaarster in slaven. Het twaalfjarige meisje wordt gebeten door een dolle grijze hond met een witte vlek op zijn kop. Ze heeft aanvankelijk geen ziekteverschijnselen, maar haar vader laat haar op bevel van de bisschop in het klooster van Sint-Clara opnemen om de duivel in haar uit te drijven. Dit wordt het werk van Cayetano Delaura, een knappe jonge pater met zwart haar en een witte pluk op zijn voorhoofd. Zijn doel bereikt hij niet, omdat de twee waanzinnig verliefd worden op elkaar. In de tragedie die volgt schetst Márquez vooral de hypocrisie van de kerk en stelt hij het celibaat aan de kaak. De slavernij speelt een belangrijke rol in dit verhaal dat zich ruim twee eeuwen geleden afspeelde in de Columbiaanse stad Cartagena. Voor mij is dit het ultieme Márquez-boek, vanwege de barokke taal in buitengewone samenhang met de materie.

Misschien heeft de auteur voor een andere roman een prachtige openingsregel geschreven. Maar ik vind dit wel het allermooiste slot ooit: ‘De bewaakster die haar kwam voorbereiden op de zesde sessie van de duiveluitdrijving trof haar gestorven van liefde aan in bed, met stralende ogen en de huid van een pasgeborene. De stekeltjes van haar haren verrezen als bruisende belletjes uit haar kale schedel, men zag ze groeien.’

Gabriel García Márquez: Over de liefde en andere duivels, oorspronkelijke titel: Del amor y otros demonios, Nederlandse vertaling: Adri Boon. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, 1994


Cholera en Liefde: dezelfde symptomen

door Christine F. Samsom

Voor wie niet weet, wat voor vreselijke ziekte cholera is, wat de oorzaak is, wat de verschijnselen zijn, hoe de ziekte in de negentiende en twintigste eeuw tot epidemieën leidde met tienduizenden doden en hoe de ziekte werd bestreden, is ‘Liefde in tijden van cholera’ van Gabriel García Márquez gedeeltelijk een soort medisch handboek. Voor wie niet weet, wat echte, eeuwige liefde is, al duurt het drieënvijftig jaar, zeven maanden en elf dagen en nachten voordat die liefde echt wordt beleefd, is de roman een meesterlijk handboek over de liefde, waarin dezelfde symptomen als bij cholera moeten worden bestreden (p. 95).
De stralende ogen van een stervende geliefde uit ‘Liefde en andere duivels’ vinden we terug in ‘Liefde in tijden van cholera’. Op een nogal hilarische manier sterft dokter Juvenal Urbino, bejubeld bestrijder van de gevreesde cholera, terwijl hij zijn vrouw Fermina Daza ‘voor het allerlaatst [aankeek] met de stralendste, treurigste en dankbaarste ogen die zij ooit had gezien in een halve eeuw gemeenschappelijk leven’ (p. 69). 

De tijdelijke hoofdpersoon Urbino in het eerste hoofdstuk van het boek maakt plaats voor Florentino Arizo. Die wisseling naar de werkelijke hoofdpersoon blijkt functioneel te zijn in het geheel van de roman. Florentino blijkt al als jongeman ongeneeslijk verliefd te zijn op de toen dertienjarige, beeldschone Fermina. Alhoewel niet moeders mooiste, ongezond, miezerig, hulpeloos, met zijn brilletje, is Florentino Arizo toch populair bij de jonge vrouwen door zijn romantische vioolspel, zijn danskunst en zijn meeslepende liefdesgedichten, die allemaal alleen maar bestemd zijn voor Fermina. Haar vader ziet niets in die liefde, stuurt haar voor een paar jaar naar een tante en overtuigt er haar tenslotte van om te trouwen met dokter Juvenal Urbino. Florentino kan zijn geliefde niet vergeten, hij heeft wel ‘622’ affaires, maar blijft Fermina trouw. Weduwe geworden, wordt Fermina uiteindelijk toch veroverd door Florentino. Op het schip waar dat gebeurt, wappert de choleravlag, zodat ze ongestoord kunnen doorvaren, voor de rest van hun leven...
Het graf van de 'melaatsenpater' Petrus Donders in de
kathedraal van Paramaribo. Foto © Michiel van Kempen

Intussen laat de meesterverteller ons niet alleen weten hoe het zit met cholera en met de liefde, wij beleven met hem in zijn beeldende taal het leven in het Columbia van toen, in Parijs en het Caraïbisch Gebied. Zelfs Paramaribo wordt genoemd als plek waar de geliefde, veel talen sprekende papegaai van Urbino vandaan komt. Het is zo’n boek dat je in één adem uitleest en waarvan je daarna met moeite afscheid neemt, waaruit je allerlei wijsheid haalt, wijsheid die volgens de schrijver ‘pas komt als ze nergens meer goed voor is’! (p. 44)


Gabriel García Márquez: Liefde in tijden van cholera. Vertaling: Mariolein Sabarte Belacortu. Amsterdam: Meulenhoff, 10de druk, 1989. ISBN 90 290 2851 3

De grote Márquez-roman


door Jerry Egger

De openingszin van de Engelse vertaling van Honderd jaar eenzaamheid luidt: ‘Many years later, as he faced the firing squad, colonel Aureliano Buendía was to remember that distant afternoon when his father took him to discover ice’. Ik had de bekende Penguin-paperback van het boek in mijn hand toen ik deze zin las. Schitterend vond ik het. Een jongen die door zijn vader wordt meegenomen om ijs ‘te ontdekken’. Terwijl Buendía voor het vuurpeloton staat, denkt hij juist aan dat moment. Later las ik de Nederlandse vertaling die ik minder spannend vond, de jongen wordt meegenomen ‘om kennis te maken met het ijs’. Dat was toch iets anders dan ‘te ontdekken’. Vanaf die dag heb ik wel geprobeerd alles van Márquez te bemachtigen. Of het nou de Nederlandse of Engelse vertaling was, als deze naam op het omslag voorkwam, wilde ik het kopen en lezen. Hij heeft me zelden teleurgesteld. Toch bleven de familie Buendía en het plaatsje Macondo (dat in meerdere romans en verhalen voorkomt) mijn grote favorieten. In die eerste zin leek het alsof Márquez verklapte wat er met een van de romanfiguren zou gebeuren. Toch vond ik het niet erg, want de ene fantastische zin volgde de andere op. Het is verleidelijk om nog meer te citeren, maar daar is geen ruimte voor. Later toen ik geschiedenis ging studeren, begreep ik ook waarom deze roman veel meer lagen heeft dan alleen maar gebeurtenissen rondom een familie en een plaats. Hij verwerkte een belangrijk stuk historie en wist duidelijk te maken waarom in eerste instantie zoveel fout is gegaan in Zuid-Amerika. Het continent mocht dan al in de eerste helft van de 19de eeuw onafhankelijk zijn geworden, maar de effecten van de Spaanse aanwezigheid en de structuren die na 1492 zijn ontwikkeld, bleven nog heel lang bestaan. Zelfs in de eenentwintigste eeuw zijn die niet verdwenen. Vooral de meedogenloze oorlogen soms binnen de grenzen van één land of tussen twee of meerdere buurlanden zijn kenmerkend geweest, en helaas vaak nog steeds. Het is begrijpelijk waarom juist deze roman de literatuur van Zuid-Amerika op de kaart heeft geplaatst. Natuurlijk waren er al andere schrijvers van het continent die bekendheid genoten, maar Márquez pakte groots uit, liet dingen gebeuren die eigenlijk helemaal niet konden gebeuren, liet ontdekkingen doen die dat helemaal niet waren. Alles werd heel overtuigend neergepend in de ene na de andere soms lange zin. Zo een roman kan geen enkele serieuze lezer ooit vergeten.


Márquez heeft eveneens belangrijke reportages geschreven waar de Latijns-Amerikaanse werkelijkheid niet in romanfiguren werd gevangen. Een daarvan is News of a kidnapping, de Engelse vertaling van zijn boek over de terreurdaden en de uiteindelijke dood van een van de bekendste Columbiaanse drugsdealers Pablo Escobar. Het is een indrukwekkend boek, waarin de door Escobar ontvoerde mannen en vrouwen aan het woord komen. Hij deed dit om de Columbiaanse regering onder druk te zetten, hem niet uit te leveren aan de Verenigde Staten. Een heel land was in de houdgreep van een man, die met zijn drugsnetwerk waarschijnlijk meer dan 3 miljard Amerikaanse dollars bij elkaar wist te vergaren. Het heeft niet geholpen want uiteindelijk werd hij opgejaagd en in december 1993 doodgeschoten door een elite-eenheid van de politie van Columbia. Márquez registreerde op sobere, maar indrukwekkende wijze de verhalen van onschuldige mensen die heel bewust waren geselecteerd en ontvoerd door de drugsmaffia om hun eigen hachje te redden. Het heeft gelukkig niet geholpen.


Gabriel García Márquez – Zomaar een dag

De maandag begon zoel en droog. Aurelio Escovar, niet bevoegd tandarts, die altijd vroeg opstond, opende zijn spreekkamer om zes uur. Hij pakte uit de glazen kast een kunstgebit dat nog in de gipsen vorm zat en legde een handvol instrumenten op tafel, die hij van groot naar klein rangschikte, als in een etalage. Hij had een gestreept overhemd aan zonder boord dat vanboven met een gouden knoop gesloten was en een broek die werd opgehouden met elastieken bretels. Het was een stramme, magere man en de blik in zijn ogen paste zelden bij de situatie van het ogenblik, zoals dove mensen dat wel hebben.
Toen hij alles had uitgestald op de tafel, trok hij de boor naar de behandelstoel en ging het kunstgebit zitten polijsten. Het leek of hij met zijn gedachten niet bij zijn werk was, maar hij ging gestaag door en hield het pedaal steeds in beweging, zelfs als hij de boor niet gebruikte. Na achten pauzeerde hij even om door het raam naar de lucht te kijken en hij zag twee stinkgieren die dromerig op de dakrand van het huis van de buren in de zon zaten te drogen. Hij ging met de gedachte dat het voor het eten wel weer zou gaan regenen, terug naar zijn werk. De schelle stem van zijn elfjarig zoontje haalde hem uit zijn gepeins.
‘Papa!’ ‘Wat is er?’ ‘De burgemeester vraagt of je een kies bij hem wilt trekken’. ‘Zeg maar dat ik er niet ben.’
Hij was nu een gouden tand aan het polijsten. Hij hield hem op armslengte afstand en bekeek hem met half dichtgeknepen ogen. Vanuit het wachtkamertje schreeuwde zijn zoontje weer: ‘Hij zegt dat je er wél bent, hij kan je horen.’
De tandarts bleef de tand bekijken. Pas toen hij hem op de tafel gelegd had bij de dingen die al klaar waren, zei hij: ‘Des te beter.’ Hij zette de boor weer in werking. Uit een kartonnen doosje waarin hij het werk bewaarde dat nog gedaan moest worden, haalde hij een brug die uit meerdere stukken bestond en begon het goud te polijsten.
‘Papa!’ ‘Wat?’ Zijn gezicht had nog steeds dezelfde uitdrukking. ‘Hij zegt dat hij je overhoop zal schieten als je zijn kies niet trekt.’ Zonder zich te haasten haalde hij met een rustige beweging zijn voet van het pedaal, duwde de boor van de stoel weg en trok de onderste la van de tafel helemaal open. Daar lag de revolver. ‘Best’, zei hij. ‘Dat moet hij dan maar komen doen.’ Hij draaide de stoel zo ver om, dat hij recht tegenover de deur kwam te zitten en liet zijn hand op de rand van de la rusten.
De burgemeester verscheen in de deuropening. Zijn linkerwang was geschoren, maar op de andere, die pijnlijk gezwollen was, stond een baard van vijf dagen. De tandarts las in zijn doffe ogen de wanhoop van vele slapeloze nachten. Hij schoof de la met zijn vingertoppen dicht en zei zachtjes: ‘Gaat u zitten.’ ‘Goedemorgen’, zei de burgemeester. ‘Morgen’, zei de tandarts.
Terwijl de instrumenten stonden uit te koken, leunde de burgemeester met zijn achterhoofd tegen de hoofdsteun van de stoel en voelde zich al wat beter. Een ijskoude angstgeur ging van hem uit. Het was een armoedig vertrek: een oude houten stoel, een trapboor en een glazen kast met porseleinen potjes. Tegenover de stoel was een raam met een stuk stof ervoor gespannen, tot op schouderhoogte. Toen hij merkte dat de tandarts naderbij kwam zette de burgemeester zich schrap en deed zijn mond open. Aurelio Escovar draaide het hoofd van zijn patiënt naar het licht. Nadat hij de pijnlijke kies had bekeken, deed hij met een lichte druk van zijn vingers de mond weer dicht.
‘Het moet zonder verdoving’, zei hij. ‘Waarom?’ ‘Omdat er een abces zit.’ De burgemeester keek hem recht in de ogen. ‘Vooruit dan maar’, zei hij en probeerde te glimlachen. De tandarts reageerde er niet op. Hij zette de pan met de uitgekookte instrumenten op de tafel en haalde ze met een koude tang uit het water, nog steeds zonder zich te haasten. Daarna trok hij met de punt van zijn schoen de spuwbak dichterbij en ging zijn handen wassen in de waskom. Hij deed dit alles zonder naar de burgemeester te kijken. Maar deze volgde hem voortdurend met zijn ogen.
Het was een verstandskies in de onderkaak. De tandarts ging wijdbeens staan en klemde de hete tang om de kies. De burgemeester greep zich beet aan de leuning van de stoel, zette zich schrap en voelde een ijzige leegte in zijn buik, maar er kwam geen geluid over zijn lippen. De tandarts bewoog alleen zijn pols. Zonder wrok, eerder teder, met een bittere ondertoon in zijn stem, zei hij: ‘Hiermee boet je voor twintig doden, luitenant!’
De burgemeester voelde het kraken in zijn kaak en de tranen sprongen hem in de ogen. Maar hij slaakte pas een zucht toen hij de kies eruit voelde komen. Toen zag hij hem door zijn tranen heen. Het leek hem dat die kies niets met zijn pijn te maken had en hij kon niet begrijpen dat die hem de afgelopen vijf nachten zo had gekweld. Over de spuwbak hangend, bezweet en hijgend, knoopte hij zijn uniformjasje open en tastte naar zijn zakdoek in zijn broekzak. De tandarts gaf hem een schone doek. ‘Veeg uw tranen maar af’, zei hij.
De burgemeester deed het. Hij zat te beven. Terwijl de tandarts zijn handen stond te wassen, zag hij boven zich het beschadigde plafond en een stoffig spinnenweb met spinneneitjes en dode insecten. De tandarts liep terug naar de stoel en droogde onderwijl zijn handen af.
‘U moet naar bed gaan’, zei hij, ‘en flink spoelen met zout water.’ De burgemeester stond op, bracht onverschillig de militaire groet en liep met houterige stappen naar de deur, zonder zijn uniformjasje weer dicht te knopen.
‘U stuurt de rekening wel.’ ‘Aan u of aan de gemeente?’ De burgemeester keek hem niet aan. Hij deed de deur dicht en zei toen door het gaas: ‘Dat is toch één pot nat.’


[uit: Gabriel García Márquez, Alle verhalen, derde druk. Meulenhoff/‘de Volkskrant’, 2008.]


Een groot schrijver uit ons continent is heengegaan

Gabriel García Márquez in 1975. Foto © Steva Hernandez/Corbis.

door Els Moor

De op 17 april 2014 in Mexico overleden schrijver Gabriel García Márquez van Columbiaanse afkomst, is een van de groten uit de wereldliteratuur, maar ook een schrijver die als geen ander de realiteit van Latijns-Amerika weergeeft in zijn werk. Márquez groeide als kind op bij zijn grootouders, die diep geworteld waren in de lokale cultuur en vooral zijn oma kende veel verhalen die ze haar kleinzoon vertelde. Dat is een belangrijke basis geworden van het werk van deze schrijver, het eigene. Met zijn grootouders woonde hij in het Columbiaanse stadje Aracataca, dat in Honderd jaar eenzaamheid Macondo heet. Als jongeman ging hij naar de hoofdstad Bogotá om journalistiek te studeren en daarna naar de kustplaats Barranquilla, waar hij leerling-journalist werd en later journalist. Hij had daar drie goede vrienden, ook aankomende journalisten en ’s avonds in een café discussieerden ze eindeloos over het werk van grote schrijvers uit de wereldliteratuur. Een tweede inspiratiebron voor de aankomende schrijver. In veel landen heeft hij gewoond, ook, zoals veel andere Latijns-Amerikaanse auteurs, in Parijs. Hij was een wereldburger, net als ‘onze’ Albert Helman.
Márquez was schrijver van fictie (die hij altijd baseerde op de realiteit). Anderzijds bleef hij journalist en heeft hij ook veel non-fictie-werken geschreven.

Ver kon hij gaan in zijn fantasie. In zijn studietijd las hij Kafka. Diens verhaal De gedaanteverwisseling sloeg als het ware een gat in zijn bewustzijn. Hij las, liggend op zijn bed, de eerste zin: ‘Toen Gregor Samsa na een onrustige nacht wakker werd, ontdekte hij dat hij in een reusachtige kever was veranderd.’ Verdomme, dacht hij, dus dat kun je maken. (Uit: De geur van guave, 1982, gesprekken met Plinio Mendoza, een jeugdvriend. Márquez had in 1982 de Nobelprijs voor literatuur gekregen.) Márquez ging dus heel ver met zijn fantasie, maar de bron was altijd de door hem waargenomen werkelijkheid. Een duidelijk voorbeeld hiervan is een scène uit zijn beroemdste roman, Honderd jaar eenzaamheid (1972). Binnen de grote familie met stammoeder Úrsula als leidende figuur zijn er ongelooflijk veel klein-, achterklein- en achterachterkleinkinderen. Een van de jongsten is ‘Remedios de Schone’, een beeldschoon meisje met nogal wat afwijkingen, maar dat veel mannen aantrok, van wie sommigen niet lang meer leefden. Had ze dodelijke krachten? Schrijver Márquez zocht een middel om haar weg te krijgen. Hij ging het erf op en zag daar vrouwen bezig lakens te vouwen en de wind speelde nogal op. In de roman steeg ‘Remedios de Schone’ op aan lakens die door de wind bewogen werden en verdween in de lucht!

Kleuren en symbolen uit de Zuid-Amerikaanse - van oorsprong inheemse - cultuur spelen ook een belangrijke rol, zoals ‘gele vlinders’. Die gele vlinders vervulden al een belangrijke rituele rol in de cultuur der Azteken, en omringen met honderden een jonge vrouw, Meme, uit Honderd jaar eenzaamheid, als de op haar verliefde Mauricio Babilonia, in aantocht is. En als Márquez ging schrijven, moest zijn vrouw altijd gele bloemen op zijn tafel zetten. Als de voormalige kolonel Aureliano Buendía uit de grote familieroman Honderd jaar eenzaamheid al heel oud is, maakt hij visjes van goud. Die verkoopt hij en dan krijgt hij in plaats van geld goud ervoor, en daar maakt hij weer visjes van en die verkoopt hij en zo gaat het door... Werkelijk, we herkennen de cyclische visie op de tijd van de inheemsen al vanaf de Azteken: niet rechtdoor... rechtdoor... maar rond... rond...

Veel schreef Márquez ook over de politiek in Latijns-Amerika: herkenbare fictie en werkelijkheid die op fictie lijkt. Hoort Suriname bij Latijns-Amerika?

zondag 18 mei 2014

Kinderen slachtoffer van piranha’s

De verwonding aan de voet van het zesjarig meisje.
Wat een leuk uitstapje moest zijn voor de familie Rambhadjan is geëindigd in een drama. Twee kinderen van 6 en 8 jaar zijn op het recreatieoord Overbridge gebeten door piranha’s. 

Vader Adjai Rambhadjan vertelt aan Starnieuws dat zijn zoon van acht en zijn dochter van zes jaar op maandagmiddag 5 mei aan het spelen waren in het door netten afgesloten gedeelte in het water. Zijn vrouw was ook in het water bij de kinderen, terwijl hij op het strand de hangmat aan het losmaken was. 

Op een bepaald moment begonnen zij te gillen en renden het water uit, zegt Rambhadjan. “Een toegesnelde Franse toerist heeft mijn dochter opgetild en ik zag het bloed over haar benen lopen. Ik heb de wond in haar voet met mijn hand dichtgemaakt en wij zijn samen met mijn zoon gerend naar de eerste hulppost.” Bij de hulppost hebben de Fransman en Rambhadjan de wonden schoongemaakt en verbonden. “Het personeel van Overbridge was niet in staat eerste hulp te verlenen. Zij wisten niet wat zij moesten doen.”

Samen met zijn vrouw is Rambhadjan met zijn kinderen naar het Academisch Ziekenhuis Paramaribo gereden voor medische hulp. Het verplegend personeel heeft op grond van de wonden bevestigd dat het piranha-beten zijn, zegt de vader. Hij heeft de vakantie van zijn gezin afgebroken en zijn ze allen zo snel als ze konden naar Nederland teruggereisd voor “verdere medische verzorging en verwerking van de [sic] trauma.” Uit Nederland vertelt Rambhadjan dat het nu beter gaat met de kinderen, maar dat het helingsproces nog een tijd zal duren.

Hij heeft intussen Overbridge-directrice Susan Wong gesproken en ook met haar vader. “Zij vinden het erg wat er is gebeurd, maar wijzen alle verantwoordelijkheid van zich af. Zij hebben een advocaat in de arm genomen om zich te beraden op hun verantwoordelijkheid.”

Districtscommissaris (dc) Jerry Miranda zegt aan Starnieuws dat zijn team een half uur na het incident op de plek was. De afdeling Milieu en Gezondheid van het districtscommissariaat is uitgerukt en is gelijk een onderzoek begonnen, vertelt de dc. Hij zegt dat toen het team op Overbridge kwam, het personeel van het recreatieoord al bezig was de netten te controleren op eventuele beschadigingen. Miranda zegt dat het probleem serieus werd aangepakt.


[van Starnieuws, 18 mei 2014]

Mag het een onsje milder zijn?

Innerlijke criticus of zelfbevlekking?
door Wim Berends

‘De stinkende hypocrisie bij veel stadscreolen in Suriname’. ‘Wat maalde er door je door cocaïne verlamde neuronale cellen toen je deze rotzooi opschreef?’ ‘De dwangneurotische leugenaar Guillermo Samson’. ‘Mijn leven is een prachtig voorbeeld van succes’. Dit zijn vier - geheel uit hun verband gehaalde - uitspraken van drs. Julian S. With in zijn nieuwste boek. Hier is een polemist aan het woord, zoveel is duidelijk. Eentje die er niet op uit is om vrienden te maken met zijn kritieken.

Je tegenstander wegzetten met een neerbuigende of zelfs beledigende kwalificatie en jezelf bewieroken als een deskundig en geslaagd mens is bepaald niet nieuw in de polemiek. Maar of dat wel effectief is om je eigen inzichten bij anderen aanvaard te krijgen, lijkt iets te zijn waaraan Julian With geen al te hoge waarde hecht. In het eerste deel van zijn 436 pagina’s tellende boek, ‘Correspondentie met intieme vrienden’ geheten, gaat With de pennenstrijd aan met journalisten, recensenten en andere publicisten die zijn verbazing of gramschap hebben gewekt en dat gaat er hard aan toe. Stukken worden niet alleen inhoudelijk maar ook taalkundig gefileerd en de opstellers krijgen scheldwoorden toegevoegd waarvan je je afvraagt of die nu wel nodig zijn om je argument kracht bij te zetten.



In ‘Opiniepeilingen en andere wetenschappelijke onderzoeken in Suriname’ legt With inderdaad opmerkelijke domheden en blunders bloot in onderzoeken van IDOS en het Algemeen Bureau voor de Statistiek. Dus krijgen John Krishnadath en Iwan Sno ervan langs. Of die dat persoonlijk kan worden aangerekend, al zijn ze verantwoordelijk voor de publicaties, is voor mij een vraag maar voor With blijkbaar een vaststaand gegeven. Het is wel leuk ‘leesvoer’, net als ‘Stommiteiten en merkwaardigheden in de media’, waarvan de titel de inhoud uitstekend dekt. Wat With daar ten tonele voert moet menig krantenlezer of radioluisteraar toch ook hebben verbaasd, zou je denken. Of ten minste hopen.

Het hoofdstuk ‘De anti-With-kliek’ speelt zich voornamelijk in de Amsterdams-Surinaamse kringen af. Onder andere wordt een vete met ‘Mart Radio’ uitgevochten. Meer iets voor de insiders.
 
Foto © Annette Lamothe Ramos
Weer leuk worden de ‘Persberichten’, waarvan With er een aantal heeft gevonden die zowel lachwekkend als tenenkrommend zijn. ‘De man is anders gebouwd dan de vrouw’, staat er in zo’n bericht, blijkbaar in de veronderstelling dat men daarmee interessant nieuws brengt.

In ‘De slavernijklucht’ is With geheel op dreef, net als in ‘Inzake de Marrons’. Beide onderwerpen liggen With na aan het hart en hoewel hijzelf in het binnenland is geboren, spaart hij marron-politici geenszins. Hij legt de vinger op zere plekken in het onderwijs en hij gaat uiteraard in op de typering ‘djoeka’.

Zijn laatste hoofdstukken vormen een bonte verzameling van misstanden, merkwaardige opvattingen die hij scherpzinnig analyseert en mensen die hij inzake hun uitspraken of handelingen nog even over de hekel wil halen. Op zichzelf wel een boeiend tijdsbeeld.

Het is opmerkelijk hoe fel With wordt aangevallen door degenen die hij eerder heeft bekritiseerd. Hij neemt hun stukken vaak integraal op alvorens erop te reageren. Vervolgens maakt hij er qua inhoud en taalbeheersing gehakt van. Dit is zowel vermakelijk als leerzaam, hoewel ik vermoed dat de betrokkenen er niet werkelijk iets van zullen (willen) leren.

Julian With: 'Mijn leven is een prachtig voorbeeld van succes.'


En daarin zie ik de tragiek van de criticus en polemist Julian With. Hij kan wel degelijk argumenteren. Zijn analyses en zijn argumenten kloppen, hoewel je het met zijn standpunten uiteraard niet altijd eens hoeft te zijn. In zijn argumentatiestrategie gebruikt hij vrijwel alleen ‘ethos’. Hij valt de tegenstander zowel persoonlijk (ad hominem) als op hun inhoud aan en hij schermt graag met zijn eigen kwaliteiten als psycholoog en taalbeheersingsdeskundige. Dat mág overigens in de polemiek als dat zinnig is voor het debat. Op ‘logos’-drogredenen zul je Julian With niet betrappen. Misschien wel op de ‘autoriteitsdrogreden’, al zal With onmiddellijk aanvoeren dat je dan moet bewijzen dat hij zijn uitspraken (waar, niet waar?) ten onrechte koppelt aan zijn deskundigheid. Nee, de kern zit ’m meer in het gebrek aan ‘pathos’ bij de schrijver. With spreekt zowel de tegenstander als de lezer voornamelijk aan op het ‘verstand’ en niet of nauwelijks op het ‘gevoel’. Tenzij je daarbij het opwekken van haatgevoelens meerekent, daarin slaagt Julian With helaas uitstekend.



Het is menselijk om een warm gevoel te willen hebben bij de spreker of schrijver, zelfs al brengt die een boodschap waar je niet blij mee bent. Denk aan de ‘strenge doch rechtvaardige’ leraar die je misschien niet direct, maar later wel dankbaar bent voor de opbouwende kritiek. Of aan de politicus die je vertelt dat je nu de broekriem moet aanhalen, maar ook uitlegt wat jij en je kinderen daar te zijner tijd voor terugkrijgen.

De academicus en criticus Julian With wordt echter door eigen toedoen weggezet als een polemist die het meer om de strijd dan om de overwinning of het inzicht gaat. Op de eerste pagina’s van zijn boek verdedigt hij zijn stijl door te wijzen op schrijvers van polemische literatuur die ook niet mals waren, zoals Willem Frederik Hermans, Hugo Brandt Corstius en Gerrit Komrij. With geeft expliciet noch impliciet aan in dat rijtje thuis te horen, maar breekt een lans voor schrijvers die domheid, onkunde, hoogmoed en vileine intenties aan de kaak stellen en er daarbij geen been in zien, man en paard te noemen. Dus ook voor Julian With zelf.

Maar wat is dan de tragiek? Ten eerste dat Julian With wel degelijk zinnige dingen te zeggen heeft. En dat die dingen vaak nog onderhoudend en leerzaam zijn ook. Ten tweede dat zijn boek, hoewel wat intellectualistisch van toon, heel goed leesbaar is. Ten derde dat zijn boek een heel aardige kroniek vormt van wat er zoal speelt onder de Surinamers van deze tijd. Alleen al daarom vind ik het boek een aanrader. De weerzin die With weet op te wekken bij zijn tegenstanders en ook bij (een deel van) het publiek zou overigens heel wat minder kunnen zijn als hij een wat mildere toon zou aanslaan en wat meer sympathie zou proberen op te wekken voor zowel zijn standpunten als zijn persoon. Vandaar mijn vraag: ‘Mag het een onsje milder zijn?’

Drs. Julian S. With: Kritieken, het schoonmaakmiddel van de geest. Utrecht: eigen beheer, 2014. ISBN 978 90 817585 1 2