zondag 21 augustus 2011

Michaël Slory - Alsof er vlinders...

Alsof er vlinders
fladderden in je haren
en een licht ballet dansten
om je heen
van één twee drie
één twee drie
verrukking bewerkend
in mijn bloed.

Oh één stonde,
één stonde ik dan
tot hemel verheven!

[uit de bij In de Knipscheer, Haarlem, te verschijnen bundel Torent een man hoog met zijn poëzie, met vertalingen uit het Sranantongo door John Leefmans en een nawoord van Michiel van Kempen]


Foto: @ Sarina Gito

Snoepen


door Carry-Ann Tjong-Ayong

Al jong merkte ik dat mijn humeur drastisch leed als ik niet snoepte. Ik werd dan chagrijnig en nors. Kreeg ik daarentegen een lekkernij, dan straalde ik en werd ik weer goedlachs en vrolijk. Ik maakte grappen en iedereen genoot van mijn humor. Dan maar mollig, besloot ik.

Ik ontleende het voorbeeld aan mijn moeder en tantes, die allemaal gezellig dik en vrolijk waren. Zij kwamen op zondag vaak bij elkaar met afgedekte schalen zelf gemaakte lekkernijen, die ze vrolijk babbelend of schaterlachend uitwisselden. Ik zat graag bij hen en genoot mee. Mijn slanke zusje keek mij minachtend aan en deed haar balletoefeningen. Ze at een bakje yoghurt, even zuur als haar humeur.

Toen ik in de rolstoel terecht kwam moest ik regelmatig haar goede raad aanhoren. Dat ik moddervet was en dat zou merken. Ik voerde aan dat ik drie maal per week optimaal beweging had, dinsdag en donderdag te paard en zaterdag in het zwembad en daarbij al mijn spieren gebruikte. Ze trok haar buikje in, rechte haar rug en verdween op de fiets. In de stromende regen, een nieuwe verkoudheid tegemoet. Ik keek haar na en zette een kopje thee. Nam er twee koekjes bij. En genoot.

Vogels

door Geert Koefoed

(een weerwoord op Woordloos)


Een voorval van ruim drie jaar geleden.
Felix en ik wandelden in het bos, ons bos. Het was lente, een zonnige dag. Vogels zongen dat het een aard had.
We waren een andere kant opgegaan dan gewoonlijk en liepen langs het meertje. We waren afgedaald naar de waterrand om de eenden te groeten en weer omhoog geklommen naar het pad.
Felix liet de wandelwagen voor wat-ie was en stapte dapper een eind voor mij uit, het donkere bospad op.
Na een poos bleef hij staan, als iemand die door iets getroffen wordt. Hij stond met zijn hoofd een beetje schuin naar beneden. Hij luisterde, luisterde intens.
Ik was hem intussen genaderd en hoorde hem zeggen: “vogels” – niet tot mij, voor zichzelf, bijna fluisterend.



Een van mijn lievelingsgedichten is santa van de Surinaamse dichter Trefossa, dat als volgt begint:


santa

a pis’ papira disi,
d’e wakti nanga pasensi
fu tyari den marki fu mi yeye,
a santa,
a santa lek’ Gado fesi


heilig

dit stuk papier,
dat geduldig wacht
om de tekens van mijn geest te dragen,
is heilig,
het is heilig als Gods gelaat


Voor mijn gevoel zeggen deze regels iets over het moment waarop ik Felix “vogels” hoorde zeggen. Niet dat ik er toen al aan dacht. Maar later zijn ze voor mij bij elkaar gaan horen, Felix’ vogels en Trefossa’s santa.

Het papier is voor de dichter heilig, er mogen alleen zuivere, oorspronkelijke woorden op komen te staan.
Taal creëert zo vaak afstand tot de dingen, tot de werkelijkheid. Ook als er geen sprake is van bijbedoelingen: verdoezelen, willen overtuigen, effectbejag – is de kans groot dat taal, alleen al door haar rationeel en abstraherend karakter, je van de werkelijkheid en je beleving ervan vervreemdt.
Maar er zijn momenten waarop in wat iemand zegt of schrijft, ‘alles’ lijkt samen te komen: werkelijkheid, beleving en taal. De taal brengt dan geen scheiding aan, is geen analyse van een situatie, geen reflectie op de ervaring. De woorden zijn enkel uiting en onderdeel van het verwonderd ondergaan van de werkelijkheid.
Dat was wat ik in Felix’ “vogels” hoorde.
Zuivere, oorspronkelijke taal – zoals de woorden van het nog ongeschreven gedicht waar Trefossa’s vel papier geduldig op wacht.


(28-06-07)

[uit Geert Koefoed, Album, 2011]

Foto: @ Michiel van Kempen

Bingo!

door Carry-Ann Tjong-Ayong

Dit wou ik wel eens meemaken. Een grote Bingo in Paramaribo. Een vriendin verkocht kaarten voor een benefiet in Groen Dyari ten bate van het interieur van de Petrus en Paulus Kathedraal.

De hele straat rondom stond vol auto’s en men keek verontwaardigd toen ik aan kwam rijden in een ordinaire taxi, tot zij mijn rolstoel zagen. Het partijgebouw plus aanleunende tent gonsde van de meer dan duizend vrouwen en een handjevol mannen, die verwachtingsvol aan lange tafels zaten samengeperst. De organisatie had echter een plekje vooraan voor mij gereserveerd, zoals op twee kartonnetjes stond te lezen, dus liet ik mij daarheen voeren.

Hier had ik meteen het volle gezicht op pater Esteban Kross van het RK Bisdom en spelleider Henk van Vliet, die wekelijks op TV is met zijn praatprogramma. De plankjes konden gekocht worden. Ik vond twee genoeg, maar er waren dames met acht tot tien. exemplaren. Duidelijk professionals die gingen voor de grote prijzen, die op het podium te kijk stonden. Een volautomatische wasmachine, een vierpitsgasfornuis, een dubbele koelkast, een reis naar Amsterdam en een snelle brommer, die een kennis Pater Kross had zien aanschaffen. Er was nog veel meer te winnen, het podium stond vol en er was ook nog een loterij. Dat beloofde wat.

Pater Kross ging voor in het gebed, het was immers een bingo voor de Kathedraal en het spel kon beginnen. Direct bij aanvang bleek al dat de geluidskwaliteit van de microfoons niet optimaal was, zodat je de spelleider slecht kon verstaan. Er werd gemord: “Vervang die man! Hij is niks waard!” Maar die klachten werden overschreeuwd door het enthousiasme van de spelers die ijverig de nummers herhaalden. De prijzen vlogen weg. Binnen vijf minuten werd er al “Bingo!” geroepen. Een van de weinige mannen kwam maar liefst drie maal naar het podium, streng begluurd door wat achterdochtige, minder fortuinlijke spelers.

Al snel zoemde het in mijn hoofd van de stemmen, het gekraak van de microfoon, gepraat en gelach, geroep en de cijfers buitelden over elkaar heen. Ik liet mij zwakjes meevoeren door de bingostroom en dacht: ”Dat was eens en nooit weer....” Maar mijn tafelgenoten zaten met glinsterende ogen en ijverige vingers hun plankjes te bespelen. Zij genoten zichtbaar. We moesten nu eens een H, dan weer een P of een O vormen, als variant op een vol plankje, ter ere van de heilige Petrus en Paulus Kathedraal, Onze Heer, zodat God ook aanwezig bleef op deze gezegende bingo.

Gebroken verliet ik na vier drukke uren Groen Dyari. De plotseling oprazende sibibusi was toen al weer voorbij getrokken. “Bingo!” riep ik enthousiast.

Vader Carry-Ann Tjong-Ayong


Bronzen beeld, vervaardigd door Erwin de Vries, van de vader van Carry-Ann Tjong-Ayong (foto door haar gemaakt).

Bernardo Ashetu - Hocuspocus


Als sop
vielen wij uit
de toverspreuk...

Schuimend zeepsop.

Hulpeloos
was alleen
soldaat Parlevliet
omdat hij nog
wilde luisteren
naar fluitende
vogeltjes in de
golvende zomer.


[uit de ongepubliceerde bundel Disso]


zaterdag 20 augustus 2011

Biografie als verjaardagsgeschenk

door Jeroen Heuvel

Geef Wim Statius van Eps als verjaardagsgeschenk een biografie over zichzelf, dat idee had zoon Randolph geopperd. De bekende publiciste Els Langenfeld-van Capelle heeft deze taak met toewijding op zich genomen.




Wim en zuster Coletta bij het bed van een patiënt in het Sehos





Op basis van talloze gesprekken met de beschrevene, familieleden, collega’s en goede vrienden wordt het leven van professor dr. Lodewijk Wilhelm van Eps beschreven vanaf het moment dat de eerste Van Eps als militair op Curaçao aankomt, bijna tweehonderd jaar geleden. Els Langenfeld heeft de openhartige en humorvolle gesprekken verwerkt tot een boeiend boek, niet alleen over een man en zijn familie, want door deze bijzondere combinatie van oral history en archiefonderzoek is er gelukkig weer een deel van een periode uit de Curaçaose historie vastgelegd. Met veel gevoel voor detail geeft Langenfeld de kinderjaren weer van Wim op Dokterstuin en Bonaire, zijn schooljaren op het Sint Thomas College en het Peter Stuyvesant College en zijn studententijd in het net bevrijde Nederland van de Tweede Wereldoorlog.
In acht hoofdstukken plus tien vriendschappelijke notities neemt Langenfeld de lezer mee op kennismakingstocht naar de man en medicus die zoveel voor Curaçao heeft betekend. Eerst maken we kennis met de voorouders. Jan Marinus van Eps, geboren in Middelburg in 1792, kwam begin 1816 op Curaçao aan aan boord van het oorlogsschip de ‘Prins van Oranje’, samen met de nieuwe gouverneur-generaal Albert Kikkert. Het schip werd door de bevolking vol bewondering baranka di shon Kèkè genoemd. Twee jaar later huwde Van Eps Johanna Sophia Muller. In juli 1830 overleed Johanna Sophia en liet Jan Marinus met zeven kinderen achter. Vier jaar later hertrouwde de m an met de zuster van zijn eerste vrouw, maar deze Christina overleed helaas al in 1839.
De oudste zoon van Jan, Isaac Christiaan Statius, werd ook militair. Statius is eigenlijk een voornaam. Oorspronkelijk werd deze voornaam alleen aan de oudste zoon gegeven, maar in de loop van de jaren is het een vast onderdeel geworden van de achternaam: Statius van Eps. Deze Isaac werd, toen hij gepensioneerd was, districtsmeester van het 5de district, in die tijd een onbezoldigde functie, wel met een onkostenvergoeding. Het gezin ging wonen in landhuis Pannekoek.
Daarna laat Langenfeld ons kennismaken met de grootvader van de beschrevene, Lodewijk Wilhelm (1855 – 1924) die onderwijzer werd. In 1889 is hij getrouwd met de 17-jarige Georgette Frederika Zeppenfeldt. Veel kan zijn kleinzoon en naamgenoot ‘Wim’ zich niet van hem herinneren. Hij was twee jaar vóór de geboorte van de hoofdpersoon van deze biografie overleden. De drie kinderen uit het huwelijk van Lodewijk met Georgette herinnert ‘Wim’ zich nog goed: Jacomina (tante Mina), Louis Willem (eigenaar van onder andere de winkel ‘Variety Shop’) en zijn vader Johan Marin, die de roepnaam Bobo kreeg. “Het besluit om ambtenaar te worden en niet in de handel te gaan, zoals mijn broer Louis, moet men zien als een kwestie van eer voor de familie.” Bobo trouwt in 1925 op Aruba met Etna Arends. Een jaar later wordt Lodewijk Wilhelm Statius geboren, daarna Randolph ‘Doppie’, en Jacques Marin ‘Koki’ en, in 1938, Georgette ‘Zeppie’. De kinderen Van Eps spreken thuis Nederlands met Pai en Papiamentu met Mai.


Wim Stati us van Eps, tweede van rechts; tweede van links: Tip Marugg, voor de AMS, Curacao, 1942

Bonaire
In 1935 wordt vader Van Eps gezaghebber op Bonaire. Dit geeft de auteur van de biografie de kans om een beeld van dit zustereiland van die tijd te schetsen. Na de lagere schooltijd op Bonaire gaat Wim, alleen, weer naar Curaçao, om naar de Mulo (het St. Thomas College) te gaan. Op Bonaire kon je in die tijd geen rundvlees krijgen, alleen schapen- of geitenvlees. Elke veertien dagen stuurde oma haar kleinzoon Wim met een flinke biefstuk naar de s.s. ‘Baralt’. “De hofmeester nam de biefstuk in ontvangst en stopte die in de ijskast op het schip om de delicatesse op Bonaire weer af te geven aan de huishoudelijke hulp van gezaghebber Van Eps.” Toen ook Randolph klaar was met de school op Bonaire ging het gezin weer op Curaçao wonen. Vader Van Eps kreeg zijn oude baan van districtsmeester terug en het gezin betrok weer landhuis Dokterstuin. Na de Mulo gaat Wim van 1942 tot 1945 naar het Peter Stuyvesant College. Eenmaal afgestudeerd gaat hij naar Nederland, dat net begon aan het wonden likken van de oorlog. Met de drie jaar oudere Christiaan Michael ‘Boy’ Winkel was hij de eerste Curaçaoënaar die na de oorlog vo or studie naar het moederland ging.

Studie in Nederland
Wim nam zijn studie serieus en hij genoot van het studentenleven. Hij sportte veel, zoals roeien en hij was actief in verschillende verenigingen. Als voorzitter van de vereniging Sanctus Thomas Aquinas moest hij een keer het dansfeest openen. Hij sprak: “Hierbij open ik de bal. Sindsdien was zijn bijnaam onder de studenten “de bal”. Wim was ook nauw betrokken bij de oprichting van de eerste vereniging voor Curaçaose studenten in Amsterdam. Deze vereniging was een voorbeeld voor andere studentensteden en in april 1947 volgde de oprichting van de landelijke Vereniging van Antilliaanse Studenten in Nederland, met Wim als voorzitter. In december 1953 studeerde hij af en een half jaar later promoveerde hij over het onderwerp baringspijn. Kort na de promotie trouwde Wim van Eps met Marie Jeanne Renée Hofte. Ze gin gen spoedig naar Curaçao.

Werk op Curaçao
Wim werkte van 1954 tot 1957 als arts-assistant bij het Sehos. Hoewel zijn proefschrift over bevallingen ging, hield hij zich als arts daar nauwelijks mee bezig, omdat de meeste vrouwen in die tijd voor een vroedvrouw kozen. Wim hielp wel bij de geboorte van twee van zijn kinderen, hoewel dat helpen volgens zijn vrouw niet veel om het lijf had. In 1957 ging Wim weer naar Nederland om zich te specialiseren. Wim was een man die niet alleen aan zichzelf dacht, hij regelde bijvoorbeeld in 1958 alles voor de promotie van Harry Hoetink en de publicatie van diens proefschrift Het patroon van de oude Curaçaosche samenleving. Hij trad ook op als paranimf bij deze promotie. Eind 1961 kwam het gezin Van Eps terug naar Curaçao. Wim ging als eerste Antilliaanse internist bij het St. Elisabeth Hospitaal werken. Zijn werk in het ziekenhuis beperkte zich niet tot de behandeling van zieken, hij begon ook met het opzetten van een (medische) bibliotheek, een medisch archief en een medische staf. Met dokter Kroon spande hij zich in voor een hartbewakingsafdeling en een afdeling intensive care. In 1969 richtte hij de afdeling nierdialyse op, waarvan hij het hoofd was tot zijn vertrek in 1976.

Schrijven
Wim hield van schrijven en heeft heel veel gepubliceerd. Achter in het boek staat van bladzijde 154 tot en met bladzijde 168 de zeer indrukwekkende lijst van ongeveer tweehonderd publicaties van hem alleen of waaraan hij heeft meegewerkt en voordrachten tijdens internationale m edische conferenties. Maar de publicaties gaan niet alleen over medische onderwerpen, hij heeft ook samen met E. Luckmann-Maduro Bolivar op Curacao geschreven.

Het Slotervaart Ziekenhuis
In 1975 ging het gezin weer naar Nederland, omdat Wim was gevraagd afdelingshoofd Interne Geneeskunde te
worden van een splinternieuw ziekenhuis in Amsterdam. Deze functie sloot uitstekend aan bij zijn opvattingen over de medische zorg. Zijn hele carrière zou hij zich richten op drie pijlers: patiëntenzorg, onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. In 1991 kwam het moment waar hij zo tegen op zag: zijn pensionering. De Nederlandse maatschappij was daarin duidelijk: je moest stoppen met werken als je 65 was geworden. In 1993 werd hij benoemd tot bijzonder hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. Zijn intreerede was getiteld Gezondheid op de Nederlandse Antillen: Beschermd en toch bedreigd?

Vervolgens maakt Els Langenfeld de lezer deelgenoot van de laatste jaren van de man die zich zijn leven lang in dienst heeft gesteld van de medische wetenschap, waarbij het overlijden van Renée van Eps aan bod komt en het huwelijk, een kleine tien jaar later, met Lilian Winkel, een oude jeugdliefd e.
Achter in het boek schrijven tien vrienden van Wim hun dierbare herinneringen aan hem op, onder andere Nicole Henriquez, Ligia Hoetink-Espinal en Wim Statius Muller.
Wim, voor wie het boek als een verjaardagsgeschenk bedoeld was, heeft op zijn laatste ziekbed nog wel drukproeven kunnen inzien, maar het boek zelf als eindresultaat, hebben zijn aardse ogen niet meer mogen aanschouwen, omdat Lodewijk Wilhelm Statius van Eps op 4 juni naar een andere wereld is overgegaan. Wat een mooie en tastbare herinnering heeft hij dankzij Els Langenfeld door deze biografie voor de nabestaanden achtergelaten.

UvA akkoord met verlenging West-Indische Letteren

Het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam (UvA) gaat akkoord met de herbenoeming van Michiel van Kempen (foto rechts) als bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren. Voor de komende drie jaar is de financiering van de bijzondere leerstoel West-Indische Letteren gewaarborgd. Van Kempen verwacht dat de universiteit dit zal verlengen tot vijf jaar.

Het voortbestaan van de bijzondere leerstoel hing enkele maanden geleden aan een zijden draadje door het wegvallen van de belangrijkste sponsor. Door een actie van promovendi van Van Kempen en particulieren die de Westindische letteren een warm hart toedragen, kon de herfinanciering van de leerstoel alsnog gerealiseerd worden.

Enige leerstoel
Vooral voor zijn promovendi en het werk dat de afgelopen vijf jaar is gedaan is het volgens de bijzonder hoogleraar goed nieuws. "Je hebt erin geïnvesteerd en dat zou ineens worden afgebroken." Voor de promovendi was er eigenlijk geen uitwijkmogelijkheid: "Het is de enige leerstoel ter wereld op het gebied van de literatuur van Suriname en de Antillen."

De hoop dat de bijzondere leerstoel wordt omgezet naar een gewone leerstoel heeft Van Kempen voorlopig uit zijn hoofd gezet. "Dat is wel eens gebeurd, maar niet in tijden van bezuinigingen." Zelf vindt hij dat West-Inidische letteren belangrijk genoeg is voor een vaste plek aan de universiteit.

Extra inzet
Ook professor Marita Mathijsen, voorzitter van het curatorium dat toezicht houdt op de bijzondere leerstoel, is opgelucht over het voortbestaan van de bijzondere leerstoel West-Indische Letteren. Ze vindt dat er zeker een gewone leerstoel moet komen: "Dat zou helemaal terecht zijn. Maar men geeft liever geld uit aan nieuwe wegen dan aan onderwijs." Ze ziet ook een positieve kant aan het particulier initiatief: "Het draagt ertoe bij dat dit met extra inzet gedaan wordt."

[RNW, 18 augustus 2011]

Presentatie Hé Patu van Elis Juliana

Op de foto vlnr Lucille Berry-Haseth, Mayra (oudste dochter van Elis), Elis Juliana plus echtgenote en Sidney Joubert. Lucille en Sidney hebben de inleiding bij de bundel geschreven.

De vertaling van het boek Hé Patu van Elis Juliana zal 25 september in Nederland gepresenteerd worden. Ook het boek Hot Brazilian Wax en het Requiem van Arthur Booi van schrijver Eric de Brabander wordt die dag gepresenteerd in Amsterdam. Fred de Haas, samensteller en vertaler van Hé Patu/Waggeleend zal bij de presentatie aanwezig zijn. Begin deze maand kreeg Elis Juliana (midden) de vertaling overhandigd.

Foto: @ Jeu Olimpio

vrijdag 19 augustus 2011

In memoriam Chris de Beet


Op 28 juli j.l. overleed in Bilthoven de antropoloog Chris de Beet. De Beet was geen man die het moest hebben van zijn flamboyante presentatie, in tegendeel: zijn voordrachten waren in de regel oersaai, voorzover ze al verstaanbaar waren. Maar dat neemt niet weg dat hij belangrijke bijdragen heeft geleverd aan de kennis van de marronculturen van Suriname, en het zijn die studies die uiteindelijk zullen blijven tellen.

Christoffel de Beet (Bunnik, 19 november 1944 - Bilthoven, 28 juli 2011) vervulde na de middelbare school in Wageningen zijn diensttijd in Suriname, wat maakte dat hij voor de rest van zijn leven geboeid raakte door het land en zijn bevolking. Terug in Nederland studeerde hij culturele antropologie bij H.Th. Fischer, J.van Baal en H.U.E. Thoden van Velzen aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Kort na zijn afstuderen in 1972 vertrok hij met zijn partner Miriam Sterman naar Suriname voor een antropologisch veldwerk onder de Matawai, een gemeenschap van Marrons, gevestigd langs een deel van de Saramaca in het binnenland. In 1981 promoveerden zij op dit onderzoek bij Thoden van Velzen met een gezamenlijke dissertatie.



Bibliografie
Aantekeningen over de geschiedenis van de Kwinti en het dagboek van Kraag (1894-1896) (met Miriam Sterman). Utrecht: Rijksuniversiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie, 1980 [Bronnen voor de Studie van Bosneger Samenlevingen, deel 6].
People in Between: The Matawai Maroons of Suriname (met Miriam Sterman). Proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht, 1981.
De Saramakaanse vrede van 1762: geselecteerde documenten (met Richard Price). Utrecht: Rijksuniversiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie, 1980 [Bronnen voor de Studie van Bosneger Samenlevingen, deel 8].
De eerste Boni-Oorlog 1765-1778. Utrecht: Rijksuniversiteit Utrecht, Instituut voor Culturele Antropologie, 1984 [Bronnen voor de Studie van Bosneger Samenlevingen, deel 9].
Skrekiboekoe. Boek der verschrikkingen. Visioenen en historische overleveringen van Johannes King. Utrecht: Universiteit Utrecht, Vakgroep Culturele Antropologie, 1995 [Bronnen voor de Studie van Afro-Suriname, deel 17].
'Oorlog en vrede: Matawai en Saramaka in conflict', in: Ik ben een haan met een kroon op mijn hoofd; pacificatie en verzet in koloniaal en postkoloniaal Suriname, Peter Meel en Hans Ramsoedh (red.) Amsterdam: Bert Bakker, 2007, pp. 35-54.

donderdag 18 augustus 2011

Bibi

door Tommy Wieringa

In Zomergasten liet de journaliste Step Vaessen vorige week een fragment zien waarin Indonesische moslims onder het aanroepen van hun god de lijken van tegenstanders vertrapten onder hun voeten. Met het islamitische geloof had dat niks te maken, betoogde de journaliste. De amokmakers waren betaald door lokale machthebbers, het geloof werd hier misbruikt voor persoonlijke doelen die met macht en geld te maken hadden.

Zoals er voor sommige mensen geen enkel verband bestaat tussen de woorden van Wilders en de moorden op Utøya, heeft de inhoud van de Koran niets te maken met misdaden die in naam van het geloof door moslims worden begaan.

Het zou een interessant onderwerp van studie zijn om het verband aan te tonen tussen geweld en mensen die woorden letterlijk opvatten – tussen misdaden en wat in taal wordt uitgedrukt.

Iedere moslim zal moeten accepteren dat het geloof dat hij aanhangt niet alleen oproept tot samenleven in vrede, maar ook tot het vernietigen van mensen die een ander geloof aanhangen. Het is een kwestie van persoonlijke smaak en humeur of de gelovige de gewelddadige geloofsartikelen letterlijk of figuurlijk opvat. De bewering ‘Islam is vrede’, zoals ik eens zag op een protestbord bij de herdenking van Theo van Gogh, is niet zozeer een leugen als wel een halve waarheid. Geen moslim kan de geloofsartikelen ontkennen die oproepen tot haat en het doden van christenen, homoseksuelen en overspelige vrouwen – dogma’s die op elk moment actief gemaakt kunnen worden om hun schadelijke inhoud te laten gelden. Islam is zowel vrede als oorlog, zowel liefde als haat. Het ligt een beetje aan de tijd en de omstandigheden hoe een geloof wordt opgevat. Daarin schuilt het wezenlijke, eeuwige gevaar van de monotheïstische godsdiensten.

Nathalie Righton schreef in de Volkskrant van maandag een knappe reportage over Aasia Bibi (foto links), een christelijke Pakistaanse vrouw die ter dood werd veroordeeld omdat ze de profeet zou hebben beledigd. Op de foto zien we drie vriendelijke, oude mannetjes uit hetzelfde dorp als Bibi; in een reisgids zou de foto ons aansporen een bezoek te brengen aan dit pittoreske Oost-Pakistaanse dorp met zijn gastvrije inwoners. Nu luidt het onderschrift: ‘Inwoners van streng islamistische gehucht Ittanwali in Oost-Pakistan vinden dat de christelijke Aasia Bibi ter dood gebracht moet worden. Mocht de staat het doodvonnis niet voltrekken, knopen ze haar persoonlijk op aan de hoogste boom’.

Dit zijn geen goede moslims, zullen sommigen zeggen. Dit zijn de zuiverste onder de moslims, zeggen weer anderen. Omdat het allebei waar is, verdient het geloof ons eeuwige wantrouwen. Betrand Russell schreef: ‘Ik beschouw de godsdienst als een ziekte, ontstaan uit vrees, en als een bron van enorme ellende voor het menselijk ras.’

Un antropólogo pionero

Puerto Rico is still mourning the death of Ricardo Alegría, esteemed proponent of the island’s national culture. I wanted to share a thoughtful description of this great man’s legacy—“Un antropólogo pionero”—by fellow anthropologist Dr. Jorge Duany. Here is my translation with a link to the original article below.



Ricardo Alegría was the first Puerto Rican to receive a PhD in anthropology in 1954. In addition to multiple administrative roles, Don Ricardo—as everyone knew him—published extensively in the field of anthropology, especially archaeology. His most important works include a pioneering study on the feast of Santiago Apóstol [St. James the Apostle] in Loíza, an elementary textbook on the Taíno Indians, a collection of folk tales, and numerous archeological essays about Puerto Rico and the West Indies.

Despite his nationalist sympathies, Alegría worked closely with the Popular Democratic Party and particularly its leader Luis Muñoz Marín. As the founder of the Institute of Puerto Rican Culture in 1955, he played a key role in the formulation and implementation of cultural policy of the Free Associated State [Estado Libre Asociado/ELA]. Under his leadership, the Institute identified the dominant version of Puerto Rican culture with the autonomist tradition since the 19th century. Accepting that the Commonwealth was a form of non-colonial association with United States, Alegría argued that Puerto Rican national identity could flourish under the current political situation, although he preferred an independent or associated republic.

Alegría produced many of the ideological premises of official discourse on Puerto Rican identity during the 1950s. First, he deployed an anthropological approach to culture, including both its popular and elitist expressions, focused on the intellectual, moral, and spiritual values of the people. Second, he denounced colonial disregard for local customs and their erosion by external influences, especially those from the United States. Thirdly, Alegría defined contemporary Puerto Rican culture as the harmonious integration of indigenous, African, and Spanish traditions before the U.S. invasion of the island in 1898. Finally, he stated that national identity was basically of Hispanic origin, and that vernacular Spanish should be the primary language of instruction both in private and public schools.

In its first 18 years, the Institute implemented Alegría’s perspectives on the aspects of “high culture” (including literature, theatre, plastic arts, concert music, ballet, architecture, and cinema) and popular cultures (including crafts, oral traditions, music, and folkloric dance, and cultural festivals). Along with the Puerto Rican Athenaeum, the state university, and public schools, the Institute became one of the privileged spaces for the production and dissemination of nationalist narratives on history and insular culture. The image of the three “roots” (indigenous, Spanish, and African) are reflected on the official seal of the Institute, designed by Lorenzo Homar. The cult of the Hispanic past, particularly the defense of the Spanish language, became not only a concern of an intellectual minority, but also a project sponsored statewide with a broad impact on the island population.

Alegría was the only professional anthropologist (with the partial exception of Eugenio Fernández Méndez) that held a powerful position in the Government of Puerto Rico. Alegría’s ideas influenced many of the actions of the Commonwealth on national culture, especially on language, folklore, and the arts. Much of the cultural legislation since 1955 promoted the conservation of the cultural heritage of the island through monuments, museums, parks, commemorations, libraries, archives, exhibits, research, publications, and recordings. Many places of historical interest, such as La Fortaleza in San Juan and the Indigenous Ceremonial Center in Utuado, were preserved under his supervision. In 1958, the Institute began an ambitious project of architectural restoration of the historic center of San Juan.

As a result, the Puerto Rican people acquired a greater awareness and pride in their cultural heritage through patriotic celebrations, collective symbols and founding myths, which distinguish a nation. In my view, this was Don Ricardo’s most lasting contribution.

[Many thanks to Ariana Hernández Reguant for bringing this item to our attention.]

For original article (in Spanish), http://www.elnuevodia.com/voz-unantropologopionero-1040636.html


[Dit bericht werd eerder geplaatst op www.repeatingislands.com)]