zaterdag 31 december 2011

Geen schandaal aan mijn oren

door Ezra de Haan

Over De laatste parade van Ruth San A Jong

Ruth San Jong (1970) woont en werkt in Suriname waar ze de drijvende kracht achter de Schrijversvakschool Paramaribo is. In 2007 debuteerde San A Jong met het verhaal ‘De onderbroek’ in de bloemlezing Waarover we niet moeten praten (redactie Peter de Rijk). Tevens werd een verhaal van haar opgenomen in de bloemlezing Voor mij ben je hier (redactie Michiel van Kempen, 2011).

Weinig verhalenbundels zul je in de boekhandel tegenkomen die de dood behandelen. De dood vindt zijn plek op de schappen door praktische benadering of door geweld. Zeker nu de literaire thriller uiterst populair is. Een literaire benadering is bijzonder, vooral als het negen verhalen betreft die de Surinaamse omgang met de dood beschrijven. Dat Ruth San A Jong zoveel variaties op een thema heeft weten te bedenken is een compliment waard. Dat de lezer ondanks het onderwerp tot het laatste verhaal geboeid blijft, is een grote verdienste.

Met het verhaal ‘De laatste parade’ duwt Ruth San A Jong de lezer meteen het diepe in. We zijn getuige van de begrafenis van Baas Hugo, een man die er, als zoveel Surinaamse mannen, een dubbelleven op nahield. De hele buurt was daarvan op de hoogte, behalve zijn echtgenote en dochter. De lijkenwassers hebben alles gedaan om van alle vrouwen met wie de overledene een relatie had, het onderbroekje los te krijgen en die verwerkt in de bekleding van de kist. Een routineklus, die desondanks toch in het geheim moet gebeuren. Alleen zo kan bewerkstelligd worden dat de geest van de dode de vrouwen met rust zal laten. Het mag duidelijk zijn, we lezen hier over de wereld van de Surinaamse traditie, over het mee begraven van sigaren en sterke drank, het plaatsen van een glas water en kaarsen. Met veel vaart en humor weet San A Jong het allemaal op papier te krijgen.

Typisch Surinaams en daardoor voor de Nederlandse lezer bijzonder zijn de beschreven rituelen.

Op de begraafplaats wacht een groep mensen van zijn koor. Wanneer de kist op de draagbaar van de begraafplaats gaat, wordt Baas Hugo op de schouders genomen door de andere dragers, die tegen betaling prachtige danspasjes maken. De liedjes zijn vuriger.
Een paar passen naar voren, dan weer zijwaarts, achterwaarts en steeds ingewikkelder. Nanga palm wi de go wordt ingezet tot de plek van de teraardebestelling bereikt is. Daarna gaat alles snel. De metselaars schuiven behendig heen en weer, reiken een houten stokje aan Buurman Seypi die in zijn mooiste handschrift in het cement ‘Baas Hugo’ schrijft.

De verhalen van Ruth San A Jong zijn divers. Zo komen we erachter waarom ongeletterde marronvrouwen uit het binnenland op de markt in Paramaribo hun cassave, kruiden en napi verkopen en begrijpen we wat hen naar de grote stad dreef. Direct en zonder er doekjes om te winden lezen we wat de mensen denken, doen en zeggen. 'Er werd op los genaaid door jong en oud en abortus gepleegd alsof je naar de kapper ging om even je haar te laten knippen.'

In het verhaal ‘Inferno’ stelt ze de helse taferelen aan de kaak die patiënten en familie moeten doormaken wanneer iemand in de isoleerkamer van een gesticht belandt . Het is een verhaal vol van sociale betrokkenheid en die valt vaker op in deze bundel. Schrijnend is bijvoorbeeld het verhaal ’Lelijkedingenschrift’ waarin de auteur flarden van het verhaal als een kind schrijft. Zelfs taalfouten gaat ze daarbij bewust niet uit de weg. Weer neemt de auteur ons mee in een wereld die we niet kennen. Een die vol geweld, seks en kindermisbruik is. Ze toont ons een wereld die normaal voor ons verborgen blijft. Mooi is ook hoe San A Jong hier en daar woorden uit het Sranan gebruikt. Ook als je de taal niet spreekt, begrijp je precies waar het om gaat.

Papa dook op Oom Patrick en gaf hem een flinke kofu.
‘Als jij mijn dochter nog een keer aanraakt kap ik diezelfde hand van je af!’ Ze vochten en vielen beiden op de glazen tafel die al een barst had maar gelijmd was met brede tape, totdat mijn moeder tussenbeide kwam. Pappa hoefde eigenlijk niet zo te doen; zo erg was het ook niet geweest. Om Patrick heeft me daarna nooit meer aangeraakt.

Opvallend goed zijn de regels waarmee Ruth San A Jong haar verhalen begint. Ze roepen verwachting op en zorgen ervoor dat je gaat lezen. Zo begint het verhaal ‘Aan de dood ontsnapt’ met: Met de handen rond haar keel probeerde ik haar gehuil stil te krijgen. Het is een verbijsterend verhaal over de moeder van een door verkrachting verwekt kind. ‘Inferno’ begint met: Vol afgrijzen keek ik naar het lichaam van mijn moeder die in haar eigen urine op bed lag. Maar ook haar dialogen zijn natuurlijk en geven je echt het idee dat je erbij bent. In het verhaal ‘Dood door schuld’ maken we een groep jongeren mee. Ze zitten in een vakantiehuisje op Republiek en hangen de beest uit. Hun gedrag heeft grote gevolgen. Voor het zover is lezen we een gesprek dat ze hebben. Grappig daarvan is dat de auteur kans ziet het verhaal te vertellen en tegelijkertijd commentaar op haar eigen bundel lijkt te geven.

‘Ehe, de geest blijft voortbestaan. Ee, ga met je tollie spelen. Heb je ooit gezien hoe iemand doodging? Nee toch? Dus no klèts’ zei ik bits en stak mijn tong uit voor hem. In mijn vakantie wilde ik het niet hebben over interessante onderwerpen en al helemaal niet over de dood! Ik kneep Vincent in zijn tollie die ‘Ga door’ antwoordde.

Eigenlijk is het verrassend hoeveel Ruth San A Jong in deze negen verhalen weet kwijt te raken. En natuurlijk gaan het niet alleen maar over de dood. Want ook het leven komt aan bod en de liefde, het alledaagse Surinaamse leven. Juist al die doodgewone dingen die je zelden in een roman tegenkomt. Door geen taboe uit de weg te gaan en veel humor te gebruiken is De laatste parade een mooi en erg bijzonder boek geworden. Misschien schreef de auteur de verhalen met de laatste woorden van Baas Hugo in het achterhoofd 'Mi no wani no wan babari'. Mocht ik ooit sterven dan geen schandaal aan mijn oren, maar wel vrolijkheid en plezier. Na deze geslaagde meesterproef mogen we alleen nog maar hopen dat Ruth San A Jong ook nog eens met dezelfde scherpe pen een dikke roman gaat schrijven.


[Bron Literatuurplein.nl]

vrijdag 30 december 2011

26 januari 2012: 30 + 30 Dichtersmarathon

Met Maarten van der Graaff, Martijn den Ouden, Erik Solvanger, Elma van Haren, Samuel Vriezen, Jan Willem Anker, Lieke Marsman, Hans Groenewegen, Piet Gerbrandy, Jannah Loontjens, Miek Zwamborn, Stella Bergsma, Robert Anker, Maria van Daalen, Marieke Winkler, Diana Ozon, Floris Solleveld, Roberta Petzoldt, Han van der Vegt, Narcis Zohrehnassab, Nic Castle, Guido Favié, T. Martinus, Michael Tedja, Michiel van Kempen, Adriaan Krabbendam, Kira Wuck, Thomas Möhlmann en Tsead Bruinja.

Aanvang: 19.45 u.
Zaal open: 19.00 u.

Entree: 10 euro / 5 euro (met o.m. vrienden- en studentenpas)

Reserveren is noodzakelijk en kan alleen via de knop onderaan dit bericht.

Dat poëzie niet moeilijk is, bewijst Perdu jaarlijks op Gedichtendag. Niet door zich op die dag te beperken tot de eenvoudigste poëzie, maar juist door de poëzie in al haar diversiteit aan te bieden op een manier die vooral de nieuwsgierigheid prikkelt. Podiumbeesten en prevelaars, anekdotici en hermetici, vaklui en avonturiers, groentjes en grijsaards: ze staan naast elkaar en door elkaar op deze nieuwe editie van de 30 + 30 Dichtersmarathon. Zestig zeer uiteenlopende dichters komen in ongeveer tweeënhalf uur in een onverbiddelijk ritme voorbij.

Het concept is uitermate eenvoudig: dertig Nederlandse dichters lezen elk drie gedichten voor: twee van henzelf en één van een zelfverkozen collega uit het buitenland. Bij het voorlezen wordt de poëzie niet onderbroken door aan- of afkondigingen, bio- of bibliografische informatie of entr’actes en intermezzo’s. Zo kan de aandacht van de luisteraar zich volledig op de poëzie zelf richten, die zich aan hem presenteert als een constante stroom in een onverbiddelijk ritme van ruim tweeënhalf uur.

Wiens aandacht toch even verslapt, haakt zo weer aan bij de eerstvolgende dichter. Een uitstekende gelegenheid om je onder te dompelen in poëzie uit Nederland en de rest van de wereld.

Mensenwerk

Ellen Klinkers en Aart Broek verdienen lof voor de boeken die zij op de valreep van het nieuwe jaar publiceerden. Enige weken geleden presenteerden zij De geschiedenis van de politie in Suriname, 1863-1975 en De geschiedenis van de politie op de Nederlandse Caribische eilanden, 1839-2010 in de Rolzaal van het Binnenhof in Den Haag. Beide als hardback uitgegeven delen zijn goed gedocumenteerde en inzichtelijk geschreven studies, die zich vlot laten lezen en nieuw licht werpen op aspecten van de koloniale en postkoloniale bestuurspolitiek van Nederland in de Caraïben.

In hun monografieën laten de auteurs zien dat het politiekorps, veelal met beperkte middelen en een tekort aan menskracht, altijd in een complex krachtenveld heeft moeten opereren. Zij maken duidelijk dat het korps vóór 1954 een ongedeeld Nederlands belang diende. Politiefunctionarissen werden verondersteld de orde en rust te bewaken en de politieke status quo te handhaven. Het politiekorps bediende zich van repressie en preventie, maar in het koloniale tijdperk sloeg de balans vooral door naar het gebruik van repressieve middelen. Tegelijk tonen Klinkers en Broek aan dat Nederland in de autonomiefase, toen Den Haag formeel niets meer te vertellen had over de politie in de Caraïbische rijksdelen, via soft power invloed op het korps bleef uitoefenen. Het uitwisselen van expertise, het opleiden van personeel en het adviseren van de politietop maakten deel uit van het instrumentarium waarmee Nederland effectief wenste bij te dragen aan het bevorderen van stabiliteit in de regio.

Een eyeopener bij het lezen van de twee studies was voor mij dat er in Suriname en op de Nederlands-Caraïbische eilanden (zoals de Nederlandse Antillen na 10-10-10 zijn gaan heten) altijd een grote verwevenheid heeft bestaan tussen politie en leger. Omdat de politie uit de marechaussee is voortgekomen en leger en politie tot de gewapende arm van de staat behoren, is die verwevenheid op zichzelf goed te verklaren. Maar dat in de voormalige West-Indische koloniën beide gewapende machten zich niet zelden op elkaars terrein bewogen, soms zelfs in die mate dat militaire en civiele taken niet goed van elkaar te onderscheiden waren, werd mij pas na lezing van de twee boeken duidelijk.

In Suriname komen die verwevenheid tussen politie en leger, en het militaire karakter van de politieorganisatie, duidelijk naar voren in het interbellum. De gevestigde orde beschouwde in die periode het opkomende communisme en nationalisme als een serieuze bedreiging voor de staatsveiligheid. Militairen traden in Suriname toe tot de politie en het leger ondersteunde het korps bij het verrichten van politiediensten. Op die manier lukte het om het koloniaal regime overeind te houden en verklaarde tegenstanders van dit bewind als Doedel en De Kom buitenspel te zetten. In de autonomieperiode trad die verwevenheid van taken het meest pregnant naar voren in de jaren zestig toen de Surinaamse regering onder leiding van Johan Adolf Pengel een defensiepolitie in het leven riep. Naar het oordeel van Paramaribo diende deze defensiepolitie Suriname tegen agressie vanuit het buurland Guyana te beschermen. Uit vrees in ongewisse avonturen te worden gestort, had Nederland geweigerd de Troepenmacht in Suriname (TRIS) voor dit doel beschikbaar te stellen. In de korte tijd dat de defensiepolitie heeft bestaan, deed zich de tamelijk unieke situatie voor dat politiemensen mede met de grensbewaking en de verdediging van de territoriale integriteit van Suriname werden belast.

In haar studie analyseert Klinkers in het bijzonder het politieoptreden in Suriname in de autonomieperiode op een overtuigende wijze. Dat komt omdat zij behalve aan de institutionele aspecten van het politieoptreden ook veel aandacht besteedt aan de insider’s view. Klinkers: ‘”Stiltes” in de bronnen zijn bijna inherent aan elk historisch onderzoek, maar mogen geen reden zijn om niet op zoek te gaan naar de minder luide stemmen uit het verleden.’ Door middel van interviews reconstrueert zij hoe politiemannen en -vrouwen hun taakuitoefening hebben beleefd en hoe zij als schakel tussen staat en samenleving hebben gefungeerd. Als zodanig hebben deze interviews een duidelijke meerwaarde en laten zij nog eens ten overvloede zien hoe onontbeerlijk oral history is voor het adequaat beoefenen van contemporaine geschiedenis. De menselijke kanten van het politiewerk raken aan zaken als inzet, loyaliteit, taakopvatting en stressbestendigheid, maar ook aan de omgang met gezagsverhoudingen, bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Door in te zoomen op deze aspecten weet Klinkers over het grensconflict met Guyana en over de stakingen van 1973 interessante nieuwe gegevens boven tafel te krijgen. De opname van de minder luide stemmen in De geschiedenis van de politie in Suriname, 1863-1975 geven het boek het karakter van een institutionele en van een sociale geschiedenis.

Als onderzoeker was het mij ooit vergund een bezoek te brengen aan de penitentiaire inrichting Santo Boma, even buiten Paramaribo. Ik kreeg er een uiteenzetting over het gevoerde beleid, informatie over het dagprogramma en een rondleiding over het gevangenisterrein. Achter het bureau van de directeur hingen in houten lijstjes twee teksten. Eén luidde als volgt: ‘Een gedetineerde is geen statistisch gegeven. Hij is een mens van vlees en bloed met gevoelens en emoties als wij hebben.’ De volgende regels maakten deel uit van de andere (langere) tekst: ‘Laat niet toe, dat dorst naar gewin, jagen naar roem en aanzien zich mengen in mijn beroep. Want deze vijanden der waarheid en mensenliefde kunnen mij makkelijk bedriegen en onttrekken aan mijn hoge bestemming: Mijn plicht te doen naar eer en geweten.’ Tegeltjeswijsheden? Aansporingen? Geheugensteunen? Waarschijnlijk alle drie. Maar bovenal spreekt uit bovengenoemde woorden de vaststelling dat politiewerk mensenwerk is. Ook De geschiedenis van de politie in Suriname, 1863-1975 en De geschiedenis van de politie op de Nederlandse Caribische eilanden, 1839-2010 zijn met recht van deze zienswijze doortrokken.


Aart G. Broek, De geschiedenis van de politie op de Nederlands-Caribische eilanden (1839-2010); Geboeid door macht en onmacht. Amsterdam: Boom, 2011. € 24,90
Ellen Klinkers, De geschiedenis van de politie in Suriname, 1863-1975; Van koloniale tot nationale ordehandhaving. Amsterdam: Boom, 2011. € 24,90

Toré’s vreemdeling op aarde

door Klaas de Groot

De nieuwe roman van Henry Toré, Broos Geluk, bestaat uit drie delen. De eerste twee delen hebben elk tien hoofdstukjes. Deel één beslaat iets meer dan de helft van het boek; deel drie telt slechts enkele bladzijden. De indeling verspringt van personage naar personage of per plaats van handeling, wat het boek een aangenaam tempo geeft. Ondanks de bescheiden omvang gaat het echt om een roman, want de lezer maakt de hoofdpersoon, Dennis de Andrade, mee tijdens diens op- en ondergang. Ook het tijdsverloop hoort eerder bij een roman dan bij een lang verhaal of novelle. De handeling vertoont wel tijdsprongen. Deel drie begint bijvoorbeeld met de zin: ‘Het kan een maand of twee na het ongeluk geweest zijn dat ik mij volledig bewust werd van mijn situatie’ (p. 111). De gebeurtenissen spelen zich af op Curaçao eind 1999 en begin 2000.
Dennis de Andrade vertelt zijn eigen verhaal meestentijds in de vorm van een inwendige monoloog. In deel één houdt hij zich bezig met zijn vriendin Naomi, het spelen in de loterij, zijn moeder en zijn werk. Hij brengt bestellingen rond voor het grootste handelshuis op het eiland. dat van de gebroeders Pereira. Zijn belangrijkste klanten zijn Ruth Drabinski, boetiekhoudster en Catleen Maduro, werkzaam in een botika. Dennis luistert graag naar hen, vooral naar hun verhalen over hun liefdesleven.

Het eerste deel begint met een scène die vooruitwijst naar zijn eigen breuk met Naomi. De scène heeft vooral betekenis, omdat Dennis zich hierin als een soort superman voorstelt. In zijn gedachten duiken geregeld cartoonhelden op, met wie hij zich graag vergelijkt. De Andrade is een verwoed lezer van stripbladen. In dit verband is het opvallend dat het taalgebruik van Dennis, of hij nu tegen zichzelf praat of tegen iemand anders, niet dat van de strip is. Hij gebruikt doorgaans de taal van een ontwikkeld mens. Als hij al een opvallend woord gebruikt - hij heeft het op een gegeven moment over ‘op de pot’ (p. 26) zitten - dan kan dat net zo goed een bijzondere keus van de auteur geweest zijn. Stilistisch is hier nog meer aan de hand. De hele beschrijving van wat op de wc gebeurt staat bijvoorbeeld in schrille tegenstelling tot de karakteristiek die Dennis geeft van het naakte lichaam van Naomi. Die laatste beschrijving ademt de stijl van een damesblad.

De meeste tijd besteedt De Andrade aan het kopen van lootjes. Hij bezoekt daarvoor diverse snèks, want zo probeert hij de juiste cijfercombinaties van de lootjes die hij wil gaan kopen te achterhalen. Hij heeft geluk: hij wint een bescheiden bedrag. Met een deel van dat bedrag stort hij zich op de landsloterij en weer slaagt hij, zijn droom komt uit: hij wordt rijk. Bij de beschrijving van de snèks heeft de auteur helaas de neiging om erg veel details te geven. Het lijkt alsof de verteller rekening wil houden met lezers die deze wereld niet kennen, terwijl op andere momenten Curaçao als bekend wordt verondersteld. De beschrijving remt zo de handeling af en is weinig functioneel.

In deel twee is Dennis rijk. Ironisch is dat zijn vriendin Naomi vlak voordat de loterij Dennis rijk maakte, heeft gekozen voor een rijke man. Deze ironie speelt in het verhaal maar één keer een rol in de gedachten van Dennis en wordt jammer genoeg niet uitgewerkt. Het toeval slaat ook hier toe en daarmee basta. Hij gaat in een mooi huis wonen op een heuvel op Montaña. Hij neemt ook zijn moeder in huis. Hij vertelt dat hij rondrijdt in een dure SUV. Zijn overhemd draagt hij het liefst open om een dikke gouden ketting te tonen aan de wereld die hij nu leert kennen. Dat is de wereld van Sheila Booi, zijn nieuwe vriendin. Ze is een nogal wereldse schooljuffrouw. Haar belangstelling gaat vooral uit naar de Kama Sutra en spiritualiteit. Die spiritualiteit trekt ook Dennis aan. Hij gaat andere boeken lezen. Daardoor groeit bij hem het besef dat hij eigenlijk conservatief is, dat is één van de oorzaken van de breuk met Sheila. Als hij het idee krijgt in haar wereld met horentjes te lopen, is de breuk compleet.

Door die spirituele belangstelling komt Dennis dichter bij de wereld van zijn moeder.
Tegelijkertijd heeft er nog een opvallende wending plaatsgevonden: Dennis heeft sinds hij rijk werd, nooit meer gegokt. De gokverslaafdheid, die hem toegedicht wordt op de flap van het boek is voorbij. Het gokken vult nu het leven van zijn moeder die de casino’s bezoekt en heel berekenend speelt. Zij verdient er genoeg mee om op een gegeven moment een reis naar Nepal te kunnen maken. In dit tweede deel bezoekt Dennis nog één keer Catleen Maduro en Ruth Drabinski, die allebei nadrukkelijk afstand van hem nemen. Zo blijft Dennis achter, alleen met zijn moeder. Hij is niet meer de man tussen vijf vrouwen.



Het leven verglijdt daar bovenop de heuvel in Montaña. Dennis denkt en droomt. In één van die dromen zit hij met een grote sneeuwwitte kat op schoot. Het lijkt wel een beeld uit een James Bondfilm, en zo zit de lezer weer bij de cartoonheld. Die witte kat verandert in een scharminkel dat heftig blazend Dennis bespringt en openkrabt, vooral diens gezicht. Hiermee zijn we bij de volgende wending in het verhaal, die wel erg plotseling is, maar dat was de wending in de droom ook. Dennis wordt namelijk door een auto geschept als hij op een donkere avond uit zijn auto stapt om een kat te helpen die met zijn kop vastzit in een blikje. Dit lijkt de climax te zijn, want nu is vooral te zien hoe het broze geluk (van de titel) eruit ziet. Toch lijkt mij de gebeurtenis op de laatste bladzijde van het boek nog ingrijpender.

Dennis is na het ongeluk veranderd van een luisteraar in een man die voortdurend vloekt en scheldt. Hij zit in een revalidatiecentrum en zijn moeder bezoekt hem daar geregeld. Tussen het vloeken en schelden door, de moeder is trouwens de enige persoon die hem rustig kan maken, merkt hij dat zij steeds schimmiger wordt. Zij wordt zo schimmig dat ze op een gegeven moment hem en zichzelf niet meer herkent. Dan komt het schrijnendste moment in het boek, als zij zegt: ‘Jongeman, hoe gaat het met je moeder?’ (p. 113). Zijn eenzaamheid is absoluut geworden.
Zoals in alle verhalen in de ik-vorm leren we eigenlijk alleen de hoofdpersoon goed kennen. Alle andere figuren ziet de lezer door de ogen van die ik. De Andrade laat zichzelf zien als een voorzichtige gokker die weet wat hij doet als hij lootjes koopt. Ondanks het feit dat hij zich door het toeval laat leiden, houdt hij zich planmatig aan dat wat het lot hem toespeelt. Dat is een interessant gegeven. Hij moet dat van zijn moeder hebben, die in deel twee ‘rationeel’ aan het gokken slaat. In de liefde is hij niet gelukkig, op dat gebied heeft hij nogal last van jaloezie. Daarom noemt hij zichzelf waarschijnlijk ook conservatief.



De moeder van Dennis, Jeanne Verbruggen, is van meet af aan de belangrijkste vrouwenfiguur. Zij boezemt haar zoon angst en eerbied in. Ze staat bekend als gifmengster en heeft al heel wat huisdieren uit de weg geruimd. Eenmaal wordt de suggestie gewekt dat zij de hand heeft gehad in de dood van Dennis’ vader, die kapitein was van een Venezolaanse barkje. Het feit dat zij tarotkaarten legt en leest, krijgt in het boek steeds meer betekenis voor Dennis. De delen waarin zij de kaarten legt, behoren tot de beste van het boek. De vier andere vrouwenfiguren zijn teveel typen, zonder verrassende trekjes. De momenten waarop Dennis vertelt over Naomi en Sheila zijn te eenduidig. De beschrijving van de ontmoetingen met Ruth Drabinski en Catleen Maduro zijn weinig functioneel, behalve misschien dat hierbij benadrukt wordt dat Dennis liever een luisteraar is dan een prater. De tweede reden zou kunnen zijn dat zo bepaalde Curaçaose bevolkingsgroepen geïntroduceerd worden.

Hoe Curaçaos is dit boek eigenlijk? Het eiland lijkt vooral aanwezig te zijn als decor, niet als essentieel onderdeel van de thematiek. De barkjes liggen langs de Handelskade. Dennis gaat zelf op een heuvel op Montaña wonen, hij bezoekt restaurants in De Boogjes achter Fort Amsterdam enzovoorts. Eilandelijke bevolkingsgroepen worden genoemd, maar spelen als groep geen rol. De moeder bijvoorbeeld, is vanwege haar omgang met een eenvoudige Venezolaan door haar familie verstoten uit de blanke protestantse bovenlaag, een groep met op het eiland diepe wortels. Zij is terecht gekomen in een armoedige buurt: de Batavierenwijk. Maar die maatschappelijke tegenstelling speelt in het verhaal geen rol. De naam Batavierenwijk staat trouwens niet op de kaart van Curaçao. Vermoedelijk gaat het hier om de wijk Steenrijk, waar veel straten Nederlandse plaatsnamen hebben. In dit decor gaat het vervolgens over gokken, loterijen, broos geluk en mislukte liefdes, elementen die niet per definitie bij Curaçao horen. Doorslaggevend is het feit dat de hoofdpersoon Dennis zichzelf niet presenteert als Curacaoënaar. Hij heeft het vaker over zijn vader, de Venezolaanse barkjeskapitein, die een paar keer ‘indiaan’ genoemd wordt. Ook voor de andere personages speelt hun identiteit als inwoner van Curaçao nauwelijks een rol.

Wat verder opvalt is dat Dennis een paar keer zegt niets af te weten van de broers en zusters van zijn moeder, terwijl die dus tot een blanke protestantse familie behoren. En dat terwijl, als we Boeli van Leeuwen mogen geloven, Curaçao iedereen alles van iedereen weet. Dennis zou dus heel eenvoudig iets te weten kunnen komen. Maar misschien wil de auteur zo laten zien hoe passief Dennis is. Hij is eigenlijk alleen actief als het om het kopen van lootjes gaat of om de lichamelijke liefde. Tenslotte: Broos geluk heeft niet de sfeer van het fragment Een tropische kruisiging dat Toré onder het pseudoniem Arnold Sefrina publiceerde in Preludium 3/4 (1992-1993). Dat stuk met zijn mythisch-sprookjesachtige karakter, zit veel dichter op de Curaçaose geschiedenis en daarom hoort bij het eiland. Een opvallende overeenkomst tussen beide prozawerken is het voorkomen wat ik nu maar even het vlieg- en zweefmotief noem.

De verdienste van deze, vierde roman van Henry Toré schuilt in de tekening van de hoofdpersoon. Dennis lijkt een vreemdeling op aarde te zijn. Zijn tragiek zou echter beter tot zijn recht komen als het verhaal door een strengere redactie op stilistisch en taalkundig vlak versterkt zou zijn. Te vaak mislukt de beeldspraak en ontspoort de woordkeus.

Henry Toré, Broos geluk, Zoetermeer: Free Musketeers, 2010. 116 p., ISBN 978 90 4841 589 2, prijs € 16,95.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Fotos: @ Facebook, Dennis van Aerde, Mikhail Mokrushin, Hyatt Regency Curaçao

Het Open Boek van Cynthia Abrahams - doctor in de letteren

Cynthia Abrahams, met doctorsbul, tijdens haar Amsterdamse promotie


door Chandra van Binnendijk

Wat ligt er momenteel naast uw bed?
Een stapel recent gepubliceerde boeken zoals Kuis van Rihana Jamaludin waar ik nog niet aan toegekomen ben. Altijd ligt er ook iets van James Joyce waar ik een liefhebber van ben. En steeds ook Omeros van Derek Walcott, zijn gedichten in Caraïbische setting die het klassieke Griekse verhaal weer vertellen, schitterend. Maar er ligt ook een romannetje van Saskia Noort.

Welk boek neemt u mee naar een onbewoond eiland?
Een spannende thriller om mijn zinnen te verzetten. Zoals Terug naar de kust van Saskia Noort wat ik helemaal achter elkaar uitlas. En ik denk ook de Kaywana-trilogie van Edgar Mittelholzer. Dat speelt in het onherbergzame Guyanese bos, spannend en herkenbaar.

Met welke schrijver zou u een avondje uit willen?
Ik zou graag met Dobru uit dineren gaan en hem vragen stellen over dingen die ik bij het schrijven van zijn biografie niet helemaal helder heb gekregen. Bijvoorbeeld hoe het komt dat hij, ondanks dat hij geen Spaans sprak, toch zo diep geworteld is in de Cubaanse gemeenschap en zo geliefd was dat hij nog steeds herdacht wordt.

Wat was uw lievelingskinderboek?
Dik Trom van Cornelis Johannes Kieviet. Hij beleefde altijd avonturen die ik leuk vond. En bij het begin van de puberteit was dat Joop ter Heul van Cissy van Marxveldt.

Van welk boek vond u de film beter?
The Godfather van Mario Puzo. In de film kwam het familieleven van de Italianen veel beter tot zijn recht. Maar misschien ook omdat ik de acteurs zo innemend en charismatisch vond en gefascineerd was door de mannelijke hoofdpersonen.

Wat is uw favoriete leeshouding?
Liggend in bed, voor ik ga slapen. En ’s morgens als ik te vroeg wakker ben ga ik ook weer lezen. Het mocht vroeger niet van mijn oma, want dan zouden mijn ogen slecht worden. Maar dat kwam wel goed, ik lees nu nog zonder bril...

Bij welk boek heeft u moeten huilen?
Bij Schindlers List van Thomas Keneally. Dat heeft me heel erg aangegrepen. Het hele Holocaust-gebeuren, het leven in de kampen, de behandeling van de mensen en uiteindelijk hun teloorgang - dat vond ik zeer tragisch.

Welk boek hoort eigenlijk niet thuis in uw boekenkast?
Een of twee boekjes uit de Bouquet-reeks. Die waren van mijn dochters. Als ik ze las was het om te ontstressen want je hoeft er niet bij na te denken.


Derek Walcott; foto @ Bert Nienhuis


Wat zou iedereen gelezen moeten hebben?
Omeros van Derek Walcott. In elk geval een paar delen eruit, om te zien hoe knap hij dat heeft gedaan met de opbouw van de strofen. Het boek verdient echt aandacht in het Caraïbisch literatuuronderwijs.

Eten en lezen?
Soms gaat dat samen. Als een boek heel spannend is en ik het niet kan loslaten, dan eet en lees ik tegelijk.

donderdag 29 december 2011

Curaçaosch Museum stuurt zeer controversiële nieuwjaarskaart rond

Willemstad — Het Curaçaosch Museum heeft dit jaar een onconventionele kerst-/nieuwjaarskaart doen uitgaan naar zowel vrienden, zakenrelaties als sponsoren. Op de voorkant van de kaart is een muur van het museum afgebeeld, waarop bekladding met provocerende teksten is waar te nemen. Menig ontvanger vroeg zich in eerste instantie af of de Kerstkaart überhaupt zo hoorde te zijn, want de teksten lijken wel naderhand met een pen te zijn aangebracht. De politie neemt de tekst op de kaart – ‘fuck the cops’ – serieus en beraadt zich op stappen.


De afbeelding hiernaast is niet die op de muur van het museum, noch die van de nieuwjaarskaart.


Gegist werd of er sprake was van kwaadwillendheid. Navraag bij de bestuursvoorzitter van het museum en tevens ontwerper van de kaart, architect Carlos Weeber, leert dat de kaart echt zo hoort te zijn. Weeber heeft het concept voor de kaart bedacht en liet de afbeelding vastleggen door fotografe Ellen Spijkstra. “Op de voorkant staat een muur met twee raampjes afgebeeld en omdat de mensen wellicht niet zouden opmerken dat het daadwerkelijk om een muur van het museum gaat, is er besloten om de muur, zoals deze is, in beeld te brengen. De muur is waarschijnlijk door jeugdigen beklad”, aldus Weeber. Een medewerkster van het museum, Tamara Vervuurt, laat weten de kaart persoonlijk ongepast te vinden en inmiddels verschillende telefoontjes te hebben ontvangen van ontvangers die hun verontwaardiging over de ‘kerstboodschap’ uitspraken.

Ze stelt voorafgaand aan het drukken van de kaart haar bezwaar te hebben geuit: “Maar de voorzitter heeft toch gemeend dat dit kan en heeft uit eigen beweging de kaart laten drukken. Er zijn mensen die hebben gesteld, terecht vind ik, volgend jaar liever geen kaart van het museum te willen ontvangen. Ik hoop niet dat het museum hier de dupe van wordt. Er hebben zich vooralsnog geen sponsoren gemeld met bezwaar, maar dat kan nog komen. De kaarten komen immers nog bij mensen binnen of ze zijn met de feestdagen vrij en de kaart wordt op kantoor bezorgd. Er was zelfs een kunstenaar die meende dat als men dit zo graag in beeld had willen brengen, dat binnen een tentoonstelling eerder zou kunnen, maar dat het gedurende de kerstperiode ‘not done’ is”, aldus een bezorgde Vervuurt.

Reactie politie

Politiewoordvoerder Reginald ‘Reggie’ Huggins stelt dat de waarnemend korpschef, Marlon Wernet, van het bestaan van de kaart heeft kennisgenomen en nu uit laat zoeken in welke mate de kaart verspreid is, of het alleen aan een aantal vrienden en zakenrelaties is, om de daadwerkelijke impact te kunnen meten. ”De korpschef zal juridische stappen overwegen, mocht de kaart een negatieve uitwerking/afbreuk voor het politiekorps opleveren. We zullen nu uitzoeken in welke mate een dergelijke verspreiding strafbaar is en mogelijk ook de kwestie bij de minister van Justitie aankaarten”, aldus Huggins

De vraag werpt zich op: als de wens bestond om een muur van het museum in beeld te brengen, waarom viel de keuze op dit gedeelte van de muur en waarom niet eventueel op een geheel andere muur. De uitwerking was vooraf te voorspellen: “Wie weet hoeveel mensen niet hebben gebeld en hun verontwaardiging binnenshuis hebben gehouden?”, aldus Vervuurt.

[uit Amigoe, donderdag 29 december 2011]

Surinaams rekenonderwijs voortreffelijk

Gisteren deelde waarnemend korpschef Humphrey Tjin Liep Shie van de Surinaamse politie mee dat ruim 18,8 miljoen overuren voor dit jaar zijn geboekt in het korps. Op de Facebookpagina van Starnieuws rekent Stanley Raghoebarsingh uit dat 18,8 overuren gedeeld door 1816 politieambtenaren voor 365 dagen neerkomt op 28 overuren per persoon per dag. Hierbij zijn ook alle zon- en feestdagen meegerekend.

Gemengde reacties bij première 5e Big Comedy Jam

door Rosita Leeflang

Paramaribo - De première van de vijfde editie van de Big Comedy Jam was een avond vol lachmomenten en het publiek maakte daar dan ook gretig gebruik van. Roué Verveer, die dit jaar voor de vierde keer meedeed en de mc voor de avond was, vroeg aan het begin een hartelijk applaus voor Stephen ‘Wesje’ Westmaas die zelfs twee keer heeft meegedaan aan de Big Comedy Jam. Daarna kreeg Verveer het publiek aardig op zijn hand.

“Ik merk dat de mensen van de assemblee naar me luisteren. Want vorig jaar maakte ik een grap over een te grote blazer en toen ik gisteren weer keek, was het een pak op maat”, grapte hij over de assemblee. Maar ook zijn vrouw blijkt steeds weer bron van inspiratie te zijn voor zijn grappen, terwijl hij ook inging op de discussie over wel of geen zwarte piet. Een grappig moment was zeker toen een mevrouw letterlijk de slappe lach kreeg en daarmee ook de zaal aan het lachen bracht door zijn uiteenzetting over hindostaanse gewoonten.


Roué Verveer had de lachers op zijn hand. Foto: @ Cedric Cooman

Verveer rafelde bij zijn aankondiging van Ryan Panday, de eerste Surinaams-hindostaanse komediant, helemaal uit hoe hindostaanse families met twee bussen van elk 24 personen naar de Pengelluchthaven gaan, terwijl er maar één persoon vertrekt. Voor de rest van de avond zouden hindostaanse gewoonten voor meer lachmomenten zorgen. Want ook Panday zelf ging hiermee aan de haal. Die meent namelijk dat Hindostanen echt niet met een accent praten. “Wij praten helemaal niet zo”, zei hij met hetzelfde accent. Panday heeft ook zangtalenten en ook daar mocht het publiek eveneens van genieten.


Ryan Panday had het over Hindostaanse gewoonten en scoorde goed. Foto: @ Cedric Cooman

Inburgeringscursus
De avond werd geopend door Jeffrey Spalburg, die het vooral had over de vrouwen. “De vorige keer toen ik in Suriname was, zocht ik een vrouw, maar heb die niet gevonden”, jammerde hij, om vervolgens uit te leggen dat hij heel hoge eisen heeft waardoor het vinden bemoeilijkt werd. De Surinaamse spoken word-talenten Faro en Kwasi kregen de zaal met hun bijdragen aan het denken. Het sluitstuk voor de avond was Den boy fu a birti, die kwamen met een inburgeringscursus voor Nederlanders en Nederlandse -Surinamers die terugkomen naar Suriname. Hun uitleg over typische Surinaamse woorden zoals dieken, dokken, baksen, bremsen en het verschil tussen ‘eu’ en ‘ik ben’ zorgden voor nog meer hilarische momenten. Hun danslessen waren aangepast aan Surinaamse situaties en de dansi-voorbeelden konden er gelukkig wel om lachen. Aan het eind van de drie uur durende show waren er bezoekers die verschillend hebben genoten en onder de indruk waren van Den boy fu a birti en van Rayen Panday. Sommigen gaven aan meer van de avond te hebben verwacht, terwijl weer anderen niet erg onder de indruk waren. De komedianten stonden er aan het eind wel tevreden bij. Panday beloofd zelf om nog meer komedie toe te voegen bij de resterende shows. De Big Comedy Jam van organisator Big Entertainment is morgen nog te zien in Thalia.

[uit de Ware Tijd, 29/12/2011]

Culturele sporen van de koloniale ervaring

door Angelie Sens

Hoe vaak lopen we niet door een museum en bekijken de objecten die er hangen, staan of liggen, lezen de tekstbordjes of luisteren naar de uitleg via de audiotour, en vinden het doorgaans allemaal machtig interessant of op zijn hoogst informatief. In de meeste musea zijn de verhalen achter de objecten veelal summier weergegeven – men wil de bezoeker niet overladen met grote hoeveelheden tekstuele informatie – en wordt de context meestal eendimensionaal verteld.

Ogenschijnlijk min of meer vanzelfsprekende (kunst)historische voorwerpen – een eind-achttiende-eeuws borduurwerk, een gegraveerd drinkglas, een batikdoek, een foto, een schilderij, een Surinaamse 'bezem' (‘obia’) – kunnen we aantreffen in de zalen van historische en kunstmusea. Bezoekers trekken eraan voorbij, kijken ernaar, lezen de summiere teksten en vormen zich een beeld, soms ook een mening, over de objecten die conservatoren en tentoonstellingsmakers voor het publiek bijeen gebracht hebben. Is er een catalogus voorhanden, dan kan wie wil thuis verder kijken en lezen, om zich te verdiepen in de museale opstelling, de objecten en hun onderlinge samenhang.

In haar boek Spiegelreflex; Culturele sporen van de koloniale ervaring duikt historicus Susan Legêne echter nog veel verder in de verhalen, de wisselende context(en) en betekenissen achter 'koloniale' museale objecten en de weg die deze soms eeuwen hebben afgelegd. Ze beschrijft haar wetenschappelijke zoektocht naar de betekenis van het kolonialisme vanuit, in haar woorden, het ‘denken over erfgoed, nationale identiteit en de ervaring van culturele diversiteit in Nederland’ (p. 11). Legêne, momenteel hoogleraar Politieke geschiedenis aan de Vrije Universiteit (VU), was in de periode 1997-2008 hoofd Museale Zaken van het Tropenmuseum in Amsterdam en van 2004 tot 2008 tevens bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). In beide hoedanigheden hield zij zich bezig met ‘de hedendaagse dynamiek van de koloniale geschiedenis, met als centraal thema de culturele doorwerking van het koloniale denken over verschil’ (p. 18). Legêne hanteert een breed cultuurbegrip: zowel materiële als immateriële cultuur en zowel de uitingen zelf als de historische en hedendaagse reflectie erop en de (museaal)historische context en dynamiek ervan.

Zoals bekend is het – Surinaamse – slavernijverleden in Nederland tot voor kort niet als onlosmakelijk onderdeel van 'onze' nationale geschiedenis beschouwd; het hoorde overzee thuis, ver weg van het moederland. Legêne haalt in het eerste hoofdstuk, getiteld 'Natuur en godsdienst', onder andere Albert Helmans De Stille Plantage (1931) aan om die lange stilte rondom slavenhandel en slavernij te benadrukken.

Die stilte omgeeft ook het gegraveerde achttiende-eeuwse glas dat Legêne ten tonele voert, waarop, onder de titel ''t Welvaren van Surename', slavenarbeid wordt verbeeld. Dergelijke glazen en bekers zijn in de loop der tijd in museale collecties terecht gekomen en bijvoorbeeld geregistreerd onder 'glaswerk', rococco (naar de stijl), maar niet onder (geschiedenis van de) 'slavernij'. De aldus ontstane 'onzichtbaarheid' van dit soort objecten, die vaak ook nog eens jarenlang daadwerkelijk in de depots van musea lagen te verstoffen, draagt bij aan die stilte.

Een ander voorbeeld van een object dat wél in een museale opstelling een plek heeft gekregen, is een borduurwerk tegen de slavernij uit 1794 dat op de voormalige geschiedenisafdeling van het Rijksmuseum hing en dat tussen 1999 en 2002 in het NiNsee (Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis) een plaats kreeg. Kwetsbaar als het is voor exposure, ligt het inmiddels al weer jaren in de donkere, geklimatiseerde depots van het Rijksmuseum opgeborgen. In haar beschrijving van het borduurwerk snijdt Legêne meerdere lagen aan, waarbij het genderaspect een prominente plaats heeft. In een periode – einde achttiende eeuw – dat vrouwen (nog) geen significante rol speelden in het publiek-politieke debat, bedienden zij zich van andere middelen om hun stem te laten horen. Het borduurwerk is daar een uiting van. Het was, in de woorden van Legêne, ‘een openlijk politiek statement om een einde te maken aan de misstand van slavernij’ (p. 39).

In de negentiende eeuw, de eeuw van de oprichting van musea en het verwerven van collecties, vinden vele voorwerpen uit Oost en West hun weg naar Nederlandse (particuliere) verzamelaars. Met het aanleggen van deze 'koloniale' collecties wilden de verzamelaars vooral de diverse culturen laten zien door middel van 'typische' objecten, zoals de kris, de batikdoek en andere voorwerpen uit Nederlands-Indië, en bijvoorbeeld de 'obia' uit Suriname, waarvan het Tropenmuseum enkele exemplaren in de collectie heeft. De 'obia' of 'magische bezem' is een ritueel voorwerp gebruikt door wintipriesters en kent een lange geschiedenis die teruggaat naar slaven in het achttiende-eeuwse Suriname, uiteraard met wortels in de Afrikaanse geschiedenis. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw raakt de connotatie met slavernij – bewust – op de achtergrond en verdwijnt zelfs geheel uit het slavernijverhaal. Wederom stilte dus. De 'obia's' worden voortaan toegeschreven aan vrije Marrons die ver van de 'beschaafde' wereld hun eigen cultuur in stand houden. Door ze weg te halen uit het domein van de slavernij wordt het signaal afgegeven dat (voormalige) slaven de weldadige invloed hebben ondergaan van het blanke kolonialisme, dat beschaving heeft gebracht en de zwarte medemens bevrijd heeft van bijgeloof.

Legêne ontrafelt de intrigerende geschiedenis van dit en andere objecten en uitingen uit Oost en West op overtuigende wijze. Zo besteedt ze aan de hand van negentiende- en twintigste-eeuwse foto's aandacht aan de (im)migratie van Hindostanen naar Suriname. Ze vertelt de geschiedenis van de batiktechniek op Java met speciale aandacht voor de patronen, motieven en betekenissen die in de batikdoeken verwerkt zijn en de koloniale stereotiepe beeldvorming die deze nijverheid en haar culturele betekenis omgaf en omgeeft.

De twintigste eeuw is een periode van transities, migraties, emancipatoire bewegingen en de reacties daarop, die het denken over (post)kolonialisme complexe extra dimensies hebben gegeven. Nederlanders, Indische en Surinaamse Nederlanders, Indonesiërs, Surinamers en wat dies al niet meer zij, allen zijn ze op zoek gegaan naar hun eigen, veelal nieuwe identiteit en positie in de samenleving waar ze deel van uitmaken of uit zijn gaan maken. De individuele zoektocht en inburgering van de in Indië geboren beeldend kunstenaar Jan Toorop (1858-1928) en de collectieve zoektocht en inburgering van de naoorlogse generaties 'Indischgasten' en Surinamers staan centraal in de laatste hoofdstukken. Hun omgang met het en hun verleden, met hun tradities van herinneren, is, evenals de geschiedenis zelf, een dynamisch proces, dat deels 'versteend' is in fysieke monumenten die als bakens van collectief herinneren fungeren.
Legêne besluit haar – zeer lezenswaardig en aan te raden – boek met de oproep ‘het niet te laten bij deze hedendaagse – veelal gemusealiseerde, geritualiseerde of gepolitiseerde – omgang met het verleden, maar om in de geschiedenis te blijven graven, geschiedenis te blijven schrijven’ (p. 228), met behulp van álle tot onze beschikking staande bronnen; naast de geijkte tekstuele (archief)bronnen zijn dit museale voorwerpen, verhalen van mensen en de het hele scala aan materieel en immaterieel erfgoed. Uw recensent sluit zich hier van harte bij aan.

Susan Legêne, Spiegelreflex; Culturele sporen van de koloniale ervaring. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 2010. 294 p., ISBN 978 90 351 3355 6, prijs € 29,95.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Bijzondere foto’s op bijzondere kalender


Willemstad - ,,Twee jaar geleden kreeg ik van Frank Kunneman de geweldige opdracht om
gedurende drie jaar het relatiegeschenk van Van Eps Kunneman Van Doorne te verzorgen,
in de vorm van een kunstkalender”, vertelt Ellen Spijkstra als haar gevraagd wordt naar de kalender 2012 van het genoemde advocatenkantoor op het Julianaplein. Uit een aantal conceptfotoseries is vorig jaar in overleg met Kunneman de ‘Waterserie’ gekozen. ,,Stille, ingetogen, blauwige foto’s”, zegt Spijkstra er zelf over. Voor de tweede kalender was het de vraag of die een vergelijkbare sfeer moest oproepen of juist een totaal andere. Duidelijk is gekozen voor het laatste. ‘Looking for red’ is energiek, warm en expressief.

De foto’s zijn gemaakt daar waar Van Eps Kunneman Van Doorne een vestiging heeft: Curaçao, Aruba, Bonaire, Sint Maarten en Amsterdam. De grafische vormgeving van beide kalenders is verzorgd door Irving Schenker.

[uit Antilliaans Dagblad, 29 december 2011]

Verhalen van de ‘gewone man’ van Curaçao


door Dick Drayer

Met de komst van de historische bundel Verhalen uit het Verleden ontsluit Els Langenfeld (58) de geschiedenis van de ‘gewone man’ van Curaçao. Het door haar zelf uitgegeven boekje is een selectie van verhalen die eerder in het Antilliaans Dagblad te lezen waren. Langenfeld verzorgt sinds 2003 historische verhalen in de krant. Inmiddels zijn er meer dan 200 artikelen verschenen. Op veler verzoek heeft zij weer een aantal van deze verhalen bewerkt en gebundeld. De onderwerpen zijn heel divers, maar samen geven de verhalen een goed beeld van de Curaçaose samenleving in de 18e, 19e en begin 20e eeuw. Verhalen uit het Verleden deel 2 is een vervolg op het succesvolle boek Verhalen uit het Verleden (deel 1), dat in 2007 verscheen en waarvan zowel de eerste als de tweede druk volledig is uitverkocht. Van elk verkocht boek gaat 2,50 gulden naar de Fundashon Prevenshon, het centrum in de Klipstraat van Willemstad dat preventief screent op borstkanker.

Gewone mensen
Langenfeld is geen historica. Haar intensief graafwerk naar gewone verhalen over gewone mensen, in de archieven van het Nationaal Archief op Scharloo, is echter zeer gedetailleerd en scherp opgeschreven. Met recht mag ze nu ervaringsdeskundige worden genoemd. Een deskundige die de kleine geschiedenis van Curaçao heel dichtbij de lezer brengt. Zo worden in dit nieuwe boek rechtszaken besproken waaruit blijkt dat de strenge en soms wrede straffen niet alleen aan slaven en kleurlingen werden opgelegd. Verhalen over ruziënde kooplieden, dronken burgers die elkaar uitschelden, of over diefstal, moord en geweld. Maar ook over een dominee met losse handjes en een gouverneur die met volslagen willekeur tegenstanders liet opsluiten. En over de grote orkaan van 1877, de hygiëne op de publieke wegen en de eerste kennismaking met de fotografie op Curaçao.

“Met vallen en opstaan heb ik geleerd een archief te begrijpen. Sinds 1995 ben ik regelmatig te vinden op Scharloo. Het begon met mijn interesse voor gebouwen, maar als snel kreeg ik oog voor de mensen in die gebouwen.”


Foto rechts: schepen laden en lossen in de Annabaai, eind 19de eeuw



Slavernij
Dit gevoel voor detail, de aandacht voor ‘de kleine luyden’, zoals ze dat zelf noemt, zegt soms vaak meer over de geschiedenis van Curaçao dan de grote bekende boeken en naslagwerken, die alleen oog hebben voor de rode draad in het verleden. Als voorbeeld voor dit gewone leven noemt Els de slavernij: “Slaven die zelf slaven hielden en vrijen die voor een bestaan in slavernij kozen: het slavenbestaan op Curaçao zag er anders uit dan de geijkte verhalen over de verhouding tussen wit en zwart suggereren.”

De middengroep
“Ik probeer de geschiedenis levend te maken door te kijken naar de gewone mensen. Er is veel geschreven over de slavernij in het algemeen, de rijke joodse en protestantse families, maar de grote middengroep is altijd buiten beeld gebleven: de vrije negers en kleurlingen en de arme blanken”.

Els vertelt het verhaal over een slaaf die ’s avonds naar de kroeg gaat, kaartspeelt met de kroegbaas en twee andere Nederlanders. Een aanwezige militair is lastig en wordt door de uitbater naar buitengewerkt. De slaaf vertrekt even later naar Pietermaai om te dansen en ziet op de terugweg de militair nog steeds voor de kroeg liggen. Met behulp van een andere zeeman brengt de slaaf de militair naar zijn eigen huis en legt hem in zijn eigen bed. Zelf vertrekt hij naar zijn byside op Pietermaai om daar dan maar de nacht door te brengen.

Bijzondere kijk
“Dit verhaal geeft alles weer wat wij niet kennen uit de tijd van de slavernij. Hij was vrij om te gaan en te staan waar hij wilde”, aldus Langenfeld. In het Nationaal Archief op Curaçao zijn volgens Langenfeld niet alleen voorbeelden te vinden van zwarten of kleurlingen die slaven bezaten, maar ook van slaven die eigendom waren van vrije familieleden.”

De informatie die zij verzamelt, wordt niet alleen gebruikt voor het schrijven van historische artikelen en boeken. Ze verzamelt, ordent en digitaliseert ook waardevolle informatie die anderen kan helpen bij hun onderzoek. Zo heeft ze onlangs een boek gepubliceerd met een overzicht van transportaktes van plantages, tuinen en kunuku’s en met financiële steun van het Prins Bernhard Fonds Nederlandse Antillen & Aruba zijn de door haar verzamelde gegevens over de bevolkingscijfers van 1838-1883 in boekvorm verschenen. Aan alle Curaçaose onderzoeksbibliotheken heeft zij deze boeken geschonken.

Het boekje is te krijgen bij de verschillende boekhandelaren op het eiland en kost 35 gulden.

[gebaseerd op berichten in de Amigoe, Radio Nederland Wereldomroep en de Knipselkrant Curacao]

2013 wordt jaar van Tula


Tula-monument te Rif; foto: @ Dick Drayer

Willemstad — Het jaar 2013 zal het jaar van Tula worden. Dit verklaarde premier Gerrit Schotte (MFK) gisteren tijdens een openbare vergadering van de Staten. Het uitroepen van dit jaar van Tula, gebeurt op voordracht van de stichting Ban Sembra Pas (BSP), die zich inzet voor vrede op Curaçao en in de wereld.

Het voorstel van BSP was oorspronkelijk om 2012 te vernoemen naar Tula, de leider van de mislukte slavenopstand van 1795. Maar volgens premier Schotte is ervoor gekozen om het jaar van Tula een jaar later te laten vallen omdat de slavernij dan 150 jaar is afgeschaft op Curaçao (1 juli 1863). In het jaar 2013 zullen ter tal van evenementen worden georganiseerd.

Gilbert ‘Gibi’ de Windt, voorzitter van BSP, reageerde vanochtend zeer verheugd op het nieuws dat de regering met het voorstel van zijn stichting akkoord was gegaan. “Wij hadden voorgesteld om volgend jaar tot het jaar van Tula uit te roepen. Maar tijdens een overleg met de premier hebben wij zelf naar voren gebracht dat 2013 een goed alternatief zou zijn. We moeten nog de officiële bevestiging krijgen, maar we zijn heel blij met dit bericht. Komend jaar gaan we al met enkele activiteiten beginnen, vooruitlopend op de grote viering in 2013.”

Tula was een onafhankelijkheidsstrijder, en één van de bekendste aanvoerders van de grote slavenopstand uit 1795. De opstand begon op 17 augustus 1795 en duurde tot 19 september van hetzelfde jaar, toen Tula en de leiders van de opstand gevangen werden genomen. Tula werd op 3 oktober samen met de andere leiders van de slavenopstand publiekelijk terechtgesteld. Een monument ter herdenking aan Tula en de andere leiders van de slavenopstand staat te Rif.

[uit Amigoe, woensdag 28 december 2011]

Jossy Tromp maakt zijn halve dozijn publicaties vol met dertien nieuwe verhalen

door Wim Rutgers

“E personahenan mester por convence bo mes como escritor pero principalmente e lesado. Nan mester bira real bo dilanti. Bo mester por yora cu nan, hari cu nan, bo mester por hole nan y mi no sa kico mas, pareu cu bo ta lesa ...”

Met zijn vijfde verhalenbundel onder de eenvoudige titel 13 cuenta heeft de Arubaanse auteur Jossy Tromp een aantal verhalen van uiteenlopende aard, lengte en kwaliteit gepubliceerd. Ik denk dat hij de vijf verhalen over het jeugdige meisje Flora beter apart had kunnen uitgeven. Dan was de bundel wel veel dunner geworden, maar zeker consistenter van inhoud en vorm.
Jossy Tromp geeft zijn werk uit in eigen beheer door middel van een vorm van publishing on demand waarbij een relatief klein aantal exemplaren wordt gedrukt en er vervolgens naarmate er vraag is, mondjesmaat wordt bijgedrukt. Zo slaagt hij erin weliswaar eenvoudige maar goed verzorgde uitgaven op de Arubaanse markt te brengen zonder met grote stapels onverkocht werk te blijven zitten – zoals nogal wat in eigen beheer publicerende auteurs tot hun narigheid overkomt. Dit concept vraagt dat de auteur zelf alles in eigen hand neemt: van manuscript tot lay out, omslagontwerp en –uitvoering en vervolgens druk- en bindwerk. Meestal is dat laatste bij Jossy Tromp een paar eenvoudig nietjes in de rug. Wel is de auteur daarbij zo verstandig steeds voor iemand te zorgen die de manuscripttekst becommentarieert en zo nodig corrigeert.


Jossy Tromp

Jossy Tromp lezen vergt veel van de concentratie van de lezer. Op de achterkaft van deze dertien verhalen staat een lachende auteur en me lijkt het soms toe dat hij de lezer niet alleen welwillend toelacht maar ook een beetje uitlacht om al diens interpreterende spitsvondigheden. Ik waag me hierna desondanks toch aan een aantal impressies van mijn leeservaring.

Jossy Tromp is een schrijver van korte verhalen die het moeten hebben van een korte inleiding en een snel vervolg daarop, waardoor er vaak een contrasterende tweedeling in de vertelling ontstaat, die eindigt in een meestal nogal abrupt en onverwacht slot. Het loont de moeite om van de verschillende verhalen eens de begin- en eindzinnen apart te lezen. Ze trekken de lezer direct het verhaal binnen en sluiten het af op een manier die de lezer dwingt tot verder nadenken en filosoferen over wat er nu eigenlijk gebeurd is en hoe het verder zou kunnen gaan.

De auteur studeerde biologie en rechten. Het eerste speelt een grote rol in zijn verhalen door de vele natuurbeschrijvingen en de intense aandacht die hij in zijn verhalen voor plant en dier toont. Van de tweede studie ontdek ik tot nu toe niets in zijn literaire werk.

Het eerste en meteen het langste van de dertien verhalen in de ruim zeventig pagina’s tellende bundel is met de beschrijving van een dronkaard en diens in alcohol gedrenkte fantasieën nogal flauw en voorspelbaar voor de lezer. Hij veronderstelt in zijn dronkenmansverdriet dat zijn vrouw hem een oor aannaait.

Maar dan komen we direct daarna het verhaal ‘E suplador di tabaco’ tegen dat aansluit bij de sfeer en thematiek van de vorige bundels: intrigerend en voor de literatuur van Aruba uniek in taal en stijl. De verteller verbindt traditie en moderniteit in dit verhaal waarbij het oude en traditionele Aruba niet vrij van moralisme wordt afgezet tegen dat wat voor moderniteit moet doorgaan, maar dat de vernietiging van alles wat ooit van waarde was inhoudt. Maar het roken van ‘tabak’ biedt anderzijds ook een mogelijke interpretatie als de ironisering van een gedroomd groots verleden – in de Arubaanse literatuur een nagenoeg onuitroeibaar thema.

De auteur benadrukt in zijn verhalen gebruiken en tradities waaromheen hij een vertelling fabriceert die naar het einde toe een heel eigen wending neemt. Zo gebruikt hij traditionele Arubaanse folkloristische elementen op een nieuwe en verrassende manier en blijft hij niet steken in een kritiekloze weergave van traditionele gegevens – die vaak foutief als cultuur gekarakteriseerd worden – maar verwerkt hij deze oude gebruiken creatief tot nieuwe gezichtspunten en promoveert de folklore op die manier tot in de traditie gewortelde vernieuwende culturele elementen.

Het mooiste voorbeeld daarvan is volgens mij het korte verhaal ‘Despues di despues’ dat in zijn metakarakter, waarbij de verteller zich rekenschap geeft van zijn eigen schrijfmogelijkheden en voorkeuren, die naarmate het slot van het verhaal in zicht komt een voorspellende waarde blijken te hebben voor de vertellende persoon zélf in het verhaal – terwijl de primaire verteller op een veilige afstand toeschouwer blijft. Hij gaat daarbij al vertellend een verbond met de lezer aan door soms even uit het verhaal te stappen en zich rechtstreeks tot de lezer te richten met observerende opmerkingen. Dat gebeurt vaker. Zo is het eerste verhaal ‘E soldachi shorombo’ een ik-verhaal waarbij de verteller dit ik-perspectief enkele keren onderbreekt door als observator van buiten opmerkingen over de vertellende ‘ik’ te maken, zoals “Atrobe el dal un hari duro.”

In de meer eenvoudig opgezette verhalen neemt de auteur de lezers mee naar specifieke en veelal nogal onbekende plekken op het eiland, vaak ver weg naar afgelegen gebieden en plaatsen in de mondi – nooit naar de stad. Op die plaatsen situeert de verteller zijn verhalen die aansluiten bij oude al dan niet bestaande legendes waarbij fantasie en werkelijkheid zo intens verweven zijn dat ze voor de lezer niet of nauwelijks uit elkaar te houden zijn, zoals in het slotverhaal met de legende van Catashi over de vroeg negentiende-eeuwse goudkoorts op het eiland. De verteller begint dit verhaal dan ook met ‘Alle legendes hebben een kern van waarheid behalve die van Catashi’ en dan begint hij te vertellen over Willem Rasmijn en zijn vondst van het goud in Rooi Fluit – een verhaal dat in de huidige tijd uitloopt op als volkomen realiteit gebrachte volstrekte fantasie. Zo eindigt ook het verhaal ‘E bruid di Teng’ over een tegen de wil van de familie gesloten huwelijk tussen een losbol en een verliefd meisje in en mysterieuze verdwijning van het paar.

‘Bula morto’ - waarin een van moord beschuldigde de traditionele psychologiserende rechtspraak moet ondergaan om over het lijk te moeten springen - is een op historische gegevens van de Curaçaose auteur en cultuurkenner Elis Juliana gebaseerd gegeven van slavernij en gruwelijke wreedheid van een slaveneigenaar en slavenopzichter ten aanzien van zijn onschuldige slaven die het slachtoffer worden van het overspel van de plantage eigenares, waardoor een onschuldige vrouw wordt opgehangen en een mannelijke tot slaaf gemaakte wordt doodgeschoten. De auteur noemt ‘Bula morto’ geen verhaal maar een verslag – daarmee het werkelijkheids- en het waarheidsgehalte benadrukkend.

Genoeg geciteerd uit de inhoud van de verhalen. Ik schreef al dat de verhalen concentratie van de lezer vereisen. De auteur is in zijn verhalen zowel beschouwer als verteller. Zijn schrijfstijl en woordkeus zit vol met herhalingen en metaforen in een vaak gecompliceerde zinsbouw – alhoewel dat laatste minder ingewikkeld dan in eerdere bundels. Enkele sprekende voorbeelden hiervan zijn “Lo demas, ta sa bo mester sa pa sa con pa haya sa bo sa, n’ta berdad?” en “bo ta cacho di pasto. Pues, no bin cu ‘bo’ riba don Pedro. Mi no ta bo ‘bo’. Tampoco mi ta Bo-Bo.” Jossy lacht ons met dit soort voorbeelden van gecompliceerde, ironiserende stijlfiguren van het achterkaft toe als hij zich dergelijke taalbouwsels permitteert.
De verteller gebruikt vertelvormen die op de orale structuur van vertellen gebaseerd zijn door in het raamwerk van een verhaal een secundaire verteller te introduceren. Het gebruik van gezegdes en vaste uitdrukkingen versterkt dat orale karakter.

De verhalen geven aanleiding tot allerlei beschouwingen en opmerkingen van de lezer. De verteller stuurt de lezer allerlei kanten op, waardoor het lezen noodzakelijkerwijs een actieve en creatieve bezigheid van de lezer wordt waarbij je echter nooit volledig weet of je nu tot een juiste lezing volgens de bedoeling van de auteur – zodat dat al mogelijk zou zijn - of tot een sluitende interpretatie komt.

Het verhaal ‘Despues di despues’ past in een voor de Arubaanse literatuur unieke internationale postmodernistische traditie. Jossy Tromp’s werk blijft zo intrigeren, dat het dan ook niet zo verwonderlijk is dat aan de Universiteit van Amsterdam de Arubaanse hispanist Joe Fortin een proefschrift voorbereidt op het werk van Jossy Tromp vanuit een narratologische methodologie en het theoretische uitgangspunt van de imagologie – de eerste dissertatie die bij mijn weten aan een Arubaanse auteur gewijd wordt. In de pas verschenen essaybundel Iguana’s Newfound Voices geeft Joe Fortin al een mooie voorproef met zijn analyse van twee door Jossy Tromp in zijn eerste bundel Cetilalma verschenen verhalen.

Jossy Tromp, 13 cuenta. [Aruba] 2011. 72 pagina’s

Joe Fortin: Uncanny Paradise: Imagology of Aruba in the work of Jossy Tromp. In: Nicolas Faraclas e.a. (red.): Iguana’s Newfound Voices; Continuity, Divergence and Convergence in Language, Culture and Society on the ABC-Islands. Curaçao – Puerto Rico: FPI – UNA – UPR 2011, pagina 161–172. ISBN 978 99904 2 308 2

Jossy Tromp (1954) studeerde biologie in Nederland en rechten in Aruba. Hij publiceerde de verhalenbundel Cetilalma y otro cuentanan arubiano (Charuba 1988) en in eigen beheer E biento di atardi y otro cuentanan Arubiano (1998), Un anochi y otro cuentanan Arubiano (2005), E barbulet preto y otro cuentanan Arubiano (2007) en de dichtbundel Gabilan (2009) Onlangs verscheen een nieuwe verhalenbundel onder de korte titel 13 cuenta.

Slachtoffer, dader, schaamte



Deel 2 van het vierde hoofdstuk van Cariben, laten we het onmogelijke vragen van Willem van Lit (te verschijnen).

door Willem van Lit

In een dergelijke woordenstrijd [over de naamswijziging van het Peter Stuyvesant College, een discussie gevoerd op de site van de Wereldomroep - red.] komt in veel gevallen de van oorsprong “slachtoffer”-beschaamde naar voren. Hij is in de woordenstroom het meest nadrukkelijk aanwezig. De “dader”-beschaamde lijkt zich gedeisd te houden, maar alle elementen van beschaming zitten wel in deze serie. Degenen die zich beschaamd hebben afgewend en die zichzelf geen stem kunnen of durven te geven zijn ook wel degelijk aanwezig. Uit de artikelen is op te maken dat zich een groep heeft gevormd die zich wil verzetten tegen de naamswijziging, maar die durft niet publiekelijk voor de dag te komen.[1] Er werd een enquête gehouden en een ruime meerderheid van de scholieren bleek tegen de naamsverandering te zijn. Toen de Curaçaose regering echter besloot dat de naam tóch veranderd moest worden, werd de actiegroep “PSC for democracy” opgericht[2]. Het feit dat deze groep zich niet openlijk wil presenteren, duidt op angst voor geweld. In deze groep zijn zeker leerlingen (en ex-leerlingen of ouders e.d.) vertegenwoordigd die geboren en getogen Curaçaoënaar zijn. De druk en het verbale geweld dat hier te lezen is, zijn grove beschaming en wederbeschaming; de scheidslijnen zijn echter niet haarscherp te trekken. Er is in verschillende gevallen niet precies aan te geven wie precies blank of zwart is, wie koloniaal is en wie antikoloniaal, Nederlander (makamba) of autochtoon Curaçaoënaar, behalve degenen die uiterst expliciet zijn in hun betoog en dit zijn veelal schrijvers van de slachtofferkant. [3] De omhelzing is complex van aard en samenstelling. Er zitten nuances in, maar bij de uitdrukking van opvattingen in de emotionele boog zijn de tegenstellingen grof en spijkerhard neergezet: van schofferend kleinerend tot direct dreigend.

De echte schuldbewuste Nederlander is in deze serie weliswaar nergens expliciet aanwezig (misschien houdt hij zich ook wel schuil); tussen de regels kunnen we wel iets aflezen. Een voorbeeld hiervan is de passage: “geef elkaar de hand en werk samen bouw je eiland op,maak t een mooi veilig eiland waar toerisme gaat bloeien en er voor iedereen werk is, harmonie, warmte liefde en goede omgangsvormen naar elkaar toe, respect(…).” De schrijver van de reactie probeert de situatie te bezweren en mensen op te roepen hun vizier op de toekomst te zetten. Een dergelijke oproep kan natuurlijk ook geplaatst zijn door een Afro-Caribische man of vrouw, maar duidelijk is dat de toon hier verzoenend wil zijn, bijna verontschuldigend.

Duidelijker voorbeelden van zelfbeschuldiging zijn wel te vinden. Op het internetmedium LinkedIn liep de discussie over een documentaire Curaçao [4]. Hierin werden de patronen van de beschamende tegenstellingen tussen daders en slachtoffers op het desbetreffende eiland nogal sterk uitgelicht. Dialogen op LinkedIn worden ietwat rustiger gevoerd, maar ook hier gaven Nederlanders en Antillianen (Curaçaoënaars) hun opvattingen weer over de situatie (met commentaar op de genoemde documentaire). Een Nederlander zegt onder andere: “Curaçao toont het collectief verzwegen verleden van de Nederlandse oud-kolonie en laat op een pijnlijke manier zien hoe dit de hedendaagse Curaçaose samenleving beïnvloedt (…). In deze film wordt langzaam duidelijk dat de Nederlanders nauwelijks notie blijken te hebben van hun eigen aandeel in de geschiedenis op het eiland. En al helemaal niet van de verstrekkende gevolgen daarvan op de huidige samenleving. Curaçao legt daarmee de onaangename kanten bloot van het karakter van een handelsvolk dat altijd denkt als enige het juiste voorbeeld te geven”. Een ander zegt: “De documentaire slaat vele spijkers op zijn kop en is terecht confronterend voor veel Nederlanders op Curaçao. Het is niet gemakkelijk in de spiegel te moeten kijken. En het verleden? dat is er nog elke dag en over die olifant in de kamer moet een goede discussie komen tussen alle bevolkingsgroepen. Dat is hard nodig”.

Bij LinkedIn lopen de emoties niet zo hoog op. Ten eerste zijn de mensen die er komen om te discussiëren bekend; ze zijn er onder hun eigen naam. Ten tweede zijn degenen die elkaar op dit podium ontmoeten, dikwijls mensen die elkaar ook werkelijk kennen. Daarbij is waarschijnlijk het feit dat de meesten hier hoogopgeleid zijn of kaderfuncties hebben in bedrijf of overheid mede bepalend voor de rustiger toon van debat. (Hoewel dit laatste ook nooit een echte garantie is). Hierdoor voelt men zich ook veiliger om kwetsbaar naar voren te komen en de zelfschuldigheid of – beter gezegd – de zelfbeschaming onder woorden te brengen.

Wat wel heel duidelijk opvalt bij RNW, is dat de agressie van de ontkende schaamte er daar wel torenhoog bovenuit komt. Hier is geen terughoudendheid meer: “Vind je bijv. ook dat nieuwsgierige Curaçaose kinderen ook niet mogen vragen waarom ze zwart zijn en waarom er standbeelden van Tula en andere zwarte Curaçaoënaars bestaan? en hoe het komt dat hun standbeelden zover van het centrum van Willemstad staan? Je bent volgens mij n iet goed snik man! (…)”. Deze schrijver veronderstelt dat de vorige (waar hij op reageert) hier misschien wel iets over vindt en hij suggereert daarbij dat deze misschien wel zou vragen of de kinderen van Curaçao niet mogen vragen waarom ze zwart zijn. Dit is in feite al een absurditeit; het verwijst naar het denkbeeld dat men al vroeg in het leven de beschamende last van de huidskleur zou moeten ervaren. Daarbij vraagt hij die ander – in één adem door – of hij wel weet waarom de helden van weleer (zij die hun leven gaven voor de raciale vrijheid) geen ereplaatsen hebben gekregen op het eiland. (De vorige schrijver heeft daar helemaal niet over gehad). In feite zegt hij: “Ga je schamen”! Hij spuugt het eruit. Daarna komt hij met zijn eigen trots: het yu di Korsoú als een nieuwe heldennaam, een strijder. Hij gebruikt ook de Spaanse benaming Curasoleño om dit te verbijzonderen en te bevestigen: onaantastbaar, enig en gegrift in schrift. Hier heeft de trots om de nationale identiteit nog geen ranzige nasmaak. [5]



Een van de meest beschamende uitspraken is: “Give them enough rope to hang themselves”. Het is niet nodig aan te geven welke partij in de kwestie deze suggestie doet; hij blijft zelf ook op de vlakte. Het is een inktzwarte opmerking die getuigt van de meest nihilistische kant van ironie. Het is een opmerking die we in onze “beschaafde” modus van verdraagzaamheid en mededogen bijna niet meer kunnen invoelen qua betekenis, maar het is wel een opmerking die wil bedoeld zijn als uiting van uiterste wreedheid van beschaming (zoals in het vorige hoofdstuk de wreedheid die bij Geeraerts naar voren kwam). De reacties zitten overigens boordevol ironie en sarcasme, waarbij men de lezer oproept afstand te nemen en de zaak of de ander niet serieus te nemen: “ De helft van de bevolking woont in het gehate Nederland…” en “ de circusachtige drama” zijn slechts twee korte passages. De lezer vindt er voldoende naar keuze. De teksten krioelen ervan.

Er zitten verwijzingen in naar de genocide van het Joodse volk: “… verdwijnen jullie getooid met davidsterren straks allemaal naar het kamp op de vlakte van San Pedro. Heil.” Deze passage is een verwijzing naar een demonstratie die de politieke partij Pueblo Soberano (PS) in het verleden heeft georganiseerd als protest tegen Nederland, waarbij de demonstranten davidsterren op hun kleding hadden geplakt: beschaming en wederbeschaming in gitzwarte ironie gekleurd.

Zelfbeschaming zit er ook in de reacties: “(wij discrimineren elkaar onderling en dat weet je drommels goed!)”. De zin staat er wat terloops en letterlijk tussen haakjes buiten de context van de rest van het betoog van de schrijver van deze reactie, maar de intentie ervan is duidelijk; hij geeft aan dat de mensen (waarschijnlijk uit het kamp van de slachtoffers) aan zelfbeschaming doen.


[1] RNW Caribiana “Peter Stuyvessant actiegroep ‘bang voor represailles”, 12 april, Dick Drayer. “De anonieme actiegroep ‘PSC for democracy’ durft uit angst voor vergelding uit de politiek haar identiteit niet prijs te geven (…) De groep is het niet eens met de gedwongen naamswijziging van het Curaçaose Peter Stuyvesant College per augustus”.

[2] RNW Caribiana “Prijsvraag over nieuwe naam Peter Stuyvesant College”, 19 februari 2011, Lisette Wellens. “Uit een enquête die alle leerlingen van het Peter Stuyvesant College vorige week invulden, bleek dat een grote meerderheid van 76 procent het niet eens is met de naamsverandering”.

[3] “En mocht je zelf ook een Curaçaoënaar zijn, wat ik sterk betwijfel, dan ben je ook nog indentiteitsloos”, zegt een van de schrijvers van een reactie. Het duidt erop dat hij – ondanks zijn woede die in de rest van zijn verhaal zit – voorzichtig wil zijn met het uitdelen van zijn zure schaamtebonbons omdat hij niet weet wie hij uit welke kant van de omhelzing voor zich heeft. Hij duidt het ook nog sterk aan door op te merken dat die ander dan iemand is zonder identiteit en dat lijkt helemaal erg te zijn.

[4] Curaçao, regie Sarah Vos en Sander Snoep, Nederland 2010, 75 min. NL gesproken.

[5] Ik stel me voor hoe men op een Nederlander zou reageren die in dezelfde verhoudingen, context en in dezelfde felheid van bewoordingen roept dat hij een “Hollander” is. Velen – en ook ikzelf – zouden daar wat laatdunkend en ietwat plaatsvervangend beschaamd omheen lopen met de wijsvinger tikkend tegen het voorhoofd.



Illustratie: Anya van Toorn

Marion Bloem - Vrijheid/Fri

Vrijheid

Als vrij zijn is: hou jij je mond
want ik heb iets te zeggen

Als vrij zijn is: jij achter tralies, want
dan hoeven wij niet bang te zijn
voor al jouw anders zijn en doen en anders
laten

Als vrij zijn is: de dag van morgen
strak bepalen door de dag vandaag
iets minder dag te laten zijn

Als vrij zijn is: de deuren sluiten
en op het beeldscherm vrij bekijken
wat veilig uit de buurt moet zijn

Als vrij zijn is: steeds rustig slapen
omdat de anderen hun tong moedwillig
is ontnomen

Als vrij zijn is: eten wat en wanneer je wilt
maar de schillen laten vallen in de kranten
waar de honger wordt verzwegen

Als vrij zijn is: niet hoeven weten wat mij
heeft vrijgemaakt, mij vrij houdt, mij
in vrijheid elke dag gevangen neemt

Als vrijheid is: wachten tot de ander
mij bevrijdt van angsten waar ik
heilig op vertrouw

Als vrijheid mijn gedachten pleistert
Als vrijheid om mij heen overal rondom
en in mij waait,
maar voor jou niet is te vangen

Als vrijheid mij beschermt
tegen jouw ideeën die voor mij te
anders zijn

Als vrijheid voor mij vandaag zo
vanzelfsprekend lijkt, en jij niet
weet wat dat betekent

Dan is vrijheid munt voor mij
en kop eraf voor jou
Dan is vrijheid lucht en willekeurig

Maar staat het mij misschien wel vrij
om iets van mijn riante vrijheid -met
wederzijds goedvinden natuurlijk-
tijdelijk of voor langere duur
af te staan om jou
van mijn verstikkende vrijheid
te bevrijden



Fri



If fri de na: ori yu yu mofo
bika mi abi wan sani fu taki
If fri de na: ya a baka trali
bika da wi no sa abi fu frede
fu ala yu tra de na yu
Ef fri de na: na dey fu tamara
dyonsro a sa psa nanga a dey
fu tide pe pikinso dey sa de
Ef fri de na: tapu den doro
luku nanga ala pasensi
a tupu a duku
san mu de prinspari ini a birti
Ef fri de na: ala ten yu kan
sribi nanga rostuf u di den
puru den tongu fu trawan
Ef fri de na: nyan san nanga o ten
yu wani ma den buba yu meki
fadon ini den korantip e angri
e dugrun ondro bangi
Ef fri de na: no abi fu sabi
san meki mi kon fri, mi fri ori,
mi ini fri teki ala dey ini wan yoko
Ef fri de na: no abi fu sabi
san meki mi kon fri, mi fri ori,
mi ini fri teki ala dey ini wan yoko
Ef fri de na: wakti te den trawan
kon fri mi fu frede
pe mi e bribi santa a tapu

Ef fri tapu mi denki
Ef fri lontu mi ala sey
e way ini mi
ma fu yu noiti de fu kisi
Ef fri e kibri mi
fu yu denki di de gi mi
tra fasi
Ef fri fu mi tide de so
fu no fu taki en yu now
sabi san dati wan taki
Da fri de moni fu mi
en ede saka fu yu
de fri de noiti nanga bruya

Ma gi mi sonten bun fri
fu pikinso fu mi prodo prodo fri
nanga ala tu sey bun fasi – grontapu
efu fu langa ten
sa libi en fu yu
fu mi kwineri fri
fu mi kan koti a keti



Sranantongo vertaling door Sombra (Stanley Slijngard)

Foto: @ Delano Gerling

Ruim 100 vertalingen van gedicht Vrijheid

Amsterdam - Het gedicht Vrijheid dat Marion Bloem in 1997 schreef op verzoek van het Nationaal Comité 4 en 5 mei is al in ruim 100 talen en dialecten vertaald. Dat heeft de schrijfster zondag gezegd.

Negen maanden geleden nodigde Bloem via internet wereldwijd dichters en vrijwilligers uit om het gedicht Vrijheid in zoveel mogelijk talen en dialecten te vertalen. Het gedicht is onder meer vertaald in het Bosnisch, Grieks, Duits, Fries, Hindi, Japans, Arabisch en enkele Surinaamse talen. Er komen nog steeds vertalingen bij. Ook van indianen in het oerwoud die volgens Bloem verstoken zijn van internet.

Muziek

De componist Bob Wander heeft een muziekstuk geschreven waarop het gedicht in alle talen kan worden ingesproken. Bekende muzikanten, onder wie de gitarist Jan Akkerman, werkten hieraan mee.

Ook is er onder meer een videoclip met een compositie van Tjeerd Oosterhuis waarop bekende Nederlanders als Jan Mulder en Katja Schuurman het gedicht voorlezen .

De gedichten zijn nu nog te zien op facebook.com/freedombymarionbloem, maar een eigen website van het project is in de maak.

[Van Nu.nl, 25 december 2011]

Foto: @ Anton Corbijn

Rossano ‘Jim’ Westfa: ‘Geen leven zonder muziek’

door Stuart Rahan


Paramaribo - Dertig jaar geleden won hij de SRS talentenjacht als zanger. Nu is een leven zonder gitaar ondenkbaar. Twee talenten die zich verenigen in de persoon van Rossano ‘Jim’ Westfa, bij wie het gitaarspel het van zijn zangtalent heeft gewonnen. Een enkele keer zingt hij nog. Met Sondro Yu, een nummer geschreven door Harold Gessel voor een van de eerste edities van Suripop, werd hij derde. De andere keren dat hij zingt zijn in het achtergrondkoor bij verschillende muzikale bezettingen.

Jim Westfa heeft weinig echte muzikale hoogtepunten, maar zijn bijna onopvallende gitaarspel heeft hem tot een van de grotere Surinaamse gitaristen gemaakt. Hij is een begrip geworden, hetgeen hem veel respect en waardering heeft opgeleverd onder zijn muziekvrienden. “Ik zal niet zeggen dat ik tot de top van de Surinaamse muziekscene behoor, maar ik heb nu een soort voortrekkersrol”, reageert Westfa bescheiden. Het is volgens hem een proces geweest van jaren. De autodidact heeft zich de muzikale basis als het lezen van noten eigen gemaakt en geeft nu zelfs les. “Nu help ik mensen, opdat zij niet zelf het spel hoeven te ontdekken. Het bespaart tijd.”




Rossano ‘Jim’ Westfa zittend op een gitaarcase in zijn woning. En zoals het een rasechte artiest betaamt gitaren in de woonkamer en zijn onafscheidelijke sigaret. Foto: dWT

Toeti Schenkers
Als je de muziekportfolio van Jim Westfa bekijkt dan zijn er niet veel grote namen met wie hij gespeeld heeft of bijzondere in het oog springende optredens. Toch prijken Denise Jannah, Birgit Lewis en Boris op zijn lijstje van artiesten met wie hij de laatste jaren het podium heeft gedeeld. Ondanks deze karige score voelt hij zich niet gepasseerd. Op muzikaal gebied heeft de man niets te klagen. Hij leeft van en voor de muziek, wat weinig van zijn vakgenoten kunnen zeggen. Jim Westfa is een rasartiest. Voor een beperkte samenleving als Suriname leeft hij wel degelijk van de muziek. Hij heeft nooit een andere baan gehad, ook niet toen hij net van school was. Reeds op jonge leeftijd wist Westfa precies welk vak hij voor de rest van zijn leven wilde uitoefenen: muziekmaken. Toen had hij gitarist Toeti Schenkers als idool en voorbeeldfiguur. Geen grote buitenlandse namen als George Benson, Lee Ritenour of Earl Klugh als idool wier muziek hij heel hoog heeft zitten. Allemaal wereldklassegitaristen waarvan Westfa aangeeft dat als de gelegenheid zich voordoet hij hun shows maar al te graag zou bezoeken. En Stevie Wonder is de wereldartiest met wie hij graag samen op het podium muziek zou willen maken. “De man is zo creatief, hij ademt muziek, een muzikaal genie”, praat Westfa vol trots.

Torarica Houseband
Voor iemand die zo goed als zijn hele leven op het podium staat, hij bij wijze van spreken ook in het harnas zou willen sterven, blijkt de man van nature toch behoorlijk verlegen. “Op het podium voel ik mij relaxed; geen zenuwen.” De enige keer dat Westfa zich onzeker voelde, was kort na zijn ontslag bij de Torarica Houseband. Na acht jaren stond de hele band in een keer op straat. Het is een periode die hem nog steeds heel erg zwaar op de maag ligt. Toen maakte hij samen met Marcel Balsemhof, Guillaume Bracelli, Frank Davis, Kenneth Hawker en Iwan van Hetten muziek. “Mijn zoontje was toen twee maanden oud. Ik moest van alles aanpakken.” Hij heeft ook een tijdje meegespeeld in de begeleidingsband van de toen opkomende cabaretier Jörgen Raymann. Daarnaast werden het bazuinkoor en kasekobandjes met mannen als Chelius en Arduin. “Ik ben ze erg dankbaar voor de tijdelijke opvang. Het was voor mij geen degradatie maar wel een behoorlijk onzekere periode.” Gelukkig duurde deze onzekere periode niet al te lang. Met Marcel Balsemhof werd toen de groep Time Out geformeerd.
Het ergste van het ontslag was dat directeur Frank Robles van Torarica, met wie er dagelijks amicaal contact was, tijdens de rechtszaak aangaf de bandleden niet te kennen. “We leefden zowat in Torarica. Zelfs in onze vrije tijd kwamen wij over de vloer”, irriteert Westfa zich aan Robles’ ontkennend gedrag. De bandleden hadden een voltijds contract met het hotel wat ook inhield dat er buiten de houseband om niet met anderen gemusiceerd mocht worden. Of de bandleden nou ziek, zwak of misselijk waren, zij hoorden op overeengekomen tijdstippen strikt aanwezig te zijn. “The show must go on”, bestempelt Westfa de periode van toen, waarbij het populaire Suripop ook taboe was. “We mochten niet eens tijdelijk meedoen met het grootste componistenfestival van Suriname. En dat gaat wel aan je vreten.”

Muziek filteren
Na ruim dertig jaar professioneel muziekmaken, komt Jim Westfa tot de ontdekking dat hij zich tot nu toe als de welbekende ‘temreman’ heeft gedragen. “Ik heb weinig van mezelf vastgelegd. Ik heb op bijna honderdtwintig nummers van Suripop meegespeeld en bijdragen geleverd aan talloze studio-opnamen. Ik ben die bekende ‘temreman di oso n’a bangi’. Ik heb voor velen gewerkt maar weinig voor mezelf”, bekent hij eerlijk. De tijd is aangebroken om te werken aan eigen professioneel goede en sterke opnamen. Westfa legt er de nadruk op, want wat er in zijn oren op de radio en televisie wordt afgespeeld, heeft niet altijd het predicaat van goed. “Er moet meer gefilterd worden, het kaf moet van het koren gescheiden worden want dit zit me best wel dwars”, besluit de gitarist zijn muzikaal betoog. De naam Jim is er in zijn kinderjaren ingeslopen. Nu draagt zijn zoon officieel deze naam.

[uit de Ware Tijd, 28/12/2011]