maandag 31 oktober 2011

Website geeft info over journalisten

Washington (ANP) - Een nieuwe wikipedia-achtige website gaat informatie bieden over de journalisten achter het nieuws. De Amerikaanse site is maandag online gekomen en is een initiatief van de activist en journalist Ira Stoll.

News Transparancy moet gebruikers helpen ,,meer te weten te komen over de mensen die het nieuws maken", aldus een verklaring op de site. Het publiek moet kan zo journalisten ter verantwoording roepen ,,op dezelfde manier waarop de journalistiek andere machtige instituties ter verantwoording roept".

Profielen op de website tonen onder meer de politieke kleur, eventuele donaties en professionele en persoonlijke netwerken van journalisten.

© ANP/AFP

Nog een boek over Ramayana

Vijf katha’s (verhalen) uit het Ramcarita Manas Ramayana van Tulsidas met spirituele boodschappen heet de nieuwste pennenvrucht over het epos Ramayana. Het boek is door Carmen Merhai-Soedamah geschreven en werd op 22 oktober gepresenteerd in Mata Gauri in Paramaribo. Merhai is ruim 20 jaar bezig met het bestuderen van de Ramayana.

Voor haar boek koos ze vijf belangrijke verhalen die van toepassing zijn op de huidige samenleving. “Ik heb naar eigen visie en denkwijze, in simpele bewoordingen, de Hindoes en niet-Hindoes geprobeerd een beeld te geven van de spirituele waarden en normen die in het Ramayana voorkomen”, schrijft ze in het voorwoord. Het eerste verhaal in het boek gaat over de glorie van Prayaga (bedevaartsplaats waar de rivieren Ganges, Yanuma en Saraswati samenvloeien) en de eigenschappen van God. Daarna wordt aandacht besteed aan het gesprek tussen Lakshmana en de koning van de Nishada-stam.



Het derde hoofdstuk gaat over de samenspraak tussen Shri Rama en Lakshmana in Pancavati. Het laatste verhaal handelt over de wijze lessen die Shri Rama aan zijn onderdanen gaf. Het boek van Merhai bestaat uit 131 pagina’s. Op het kaft staat een illustratie van Goswami Tulsidas, de schrijver van het Ramcarita Manas. Tulsidas begon in 1574 aan het epos en deed er twee jaren, zeven maanden en 26 dagen over. In 1577 was het werk klaar. Zijn Ramayana heeft zeven hoofdstukken die zijn opgebouwd uit 24.000 tweeregelige verzen. Het eerste hoofdstuk gaat over de jeugdjaren van Rama (Bala Kanda). Daarna volgen de gebeurtenissen in Ayodhya en Rama’s verbanning (Ayodhya Kanda). De Aranya Kanda handelt over de jaren in het bos en de ontvoering van Sita. In Kishkinda Kanda wordt verteld over de bondgenoot Sugriva. Het vijfde hoofdstuk (Sundara Kanda) vertelt over de wonderbaarlijke dam in zee en de Lanka Kanda gaat over de oorlog met Ravana. De Ramayana wordt afgesloten met de Uttara Kanda die gaat over het leven van Rama in Ayodhya. Merhai heeft niet uit elke hoofdstuk een verhaal gekozen, maar op basis van de bruikbare wijsheid en lessen een keuze gemaakt uit drie hoofdstukken. De teksten staan in het Hindi (devnagri schrift) en het Nederlands. De schrijfster maakt vaker gewag van populaire bhajans (religieuze liederen) om de boodschappen te verduidelijken. Het boek van Merhai ligt al in de boekhandel. Met de opbrengsten zal een sociaal project worden uitgevoerd.

[uit de Ware Tijd, 31/10/2011
]

Clark Accord’s Plantage d’Amour gepresenteerd

Onder aanwezigheid van veel familie, vrienden en enkele notabelen is vrijdag het laatste boek Plantage d’Amour van Clark Accord gepresenteerd in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. “Een geliefde plek waar Clark kind aan huis was”, lichtte de directeur van de bibliotheek toe, “en hij was ook nog bezig met de organisatie van een internationaal literatuurfestival.”

De Surinaams-Nederlandse schrijver overleed in mei van dit jaar op vijftigjarige leeftijd. Zijn laatste boekwerk was niet af, maar Accord heeft nog tot zijn dood geschreven. Toen hij er zelf te zwak voor werd, heeft hij aan de redacteur van zijn uitgever verteld, hoe het verhaal zou moeten aflopen. Plantage d’Amour had de eerste van een drieluik van de familiegeschiedenis van Clark Accord moeten worden. Of inderdaad de twee resterende delen ooit geschreven worden, is niet duidelijk. Uitgever Nijgh en Ditmar speelt met de gedachte om een ‘ghostwriter’ in te huren. Het is koffiedik kijken of iemand zich wil waagt het verhaal van de familie Accord af te maken en ook nog in de stijl van de overleden schrijver.



De ‘Clark Tafra’ met op de achtergrond de in mei dit jaar over leden Surinaams-Nederlandse schrijver, Clark Accord en zijn laatste boek
Plantage d' Amour.


Philipus Andro Macknack


Verschillende sprekers roemden de persoon van Clark Accord met als absolute hoogtepunt zijn bestseller De Koningin van Paramaribo, waarvan ruim 120.000 exemplaren zijn verkocht. Directeur van NiNsee, dr. Artwell Cain, vertelde over zijn ontmoetingen met Accord en zoals hij het noemde culturele misverstand vorig jaar ontstaan tijdens zijn bezoek aan Suriname. In Para deed hij sociologisch onderzoek en zijn gids vroeg hem, aangekomen bij een kreek, zijn handen te wassen. Dat werd hem en andere onderzoekers enkele keren gevraagd zonder er de precieze bedoeling van te vertellen. Terug in Nederland gaf een Paraanse oud-bewoner hem de reden. “Het is traditioneel gebruik. Jullie zijn dom”, kreeg Cain te horen. Dat ritueel las Cain terug in het hoofdstuk over de watramama in Plantage d’Amour. Volgens de directeur van NiNsee heeft Clark Accord met zijn boek de tot slaaf gemaakten een menselijke identiteit gegeven. “Het zijn mensen van vlees en bloed geworden.” De zoektocht naar zijn familieverleden ziet Cain als een terechte. “Een boom zonder wortels bestaat niet”, bestempelde Cain dan ook de zoektocht van Clark Accord naar zijn wortels. “Afrikaanse koning, Surinaams verlangen, Nederlands vervolg en kosmopolitische keuze”, zijn enkele waarderingen die Nicole Terborg aan haar bloedverwant toeschrijft. Terborg, dochter van theatermaker Jetty Mathurin, en Clark Accord delen namelijk dezelfde betovergrootvader, Philipus Andro Macknack, die de boom is waar de schrijver naar op zoek gaat. In Plantage d’Amour gaat hoofdpersoon Kenneth Campbell na zevenentwintig jaar terug naar zijn geboorteland Suriname om zijn wortels te ontdekken. In die zoektocht ontmoet hij de taxichauffeuse Nadira, die hem als het ware bij de hand meeneemt en rondleidt op plantage Berlijn in het district Para. Daar maakt hij kennis met niet alleen zijn voorvaderlijke wortels, maar ook met de rijke cultuur die de tot slaaf gemaakten hun nazaten nalieten.-.

[uit de Ware Tijd, 31/10/2011]

Hat mamma vandag

door Karin Amatmoekrim

Buitenvrouwen die hun gebruikte slipje in de doodskist van een verongelukte minnaar proppen. Een verkrachting waarbij een kind wordt verwekt. Moeders die zichzelf ophangen voor de ogen van hun kroost - in haar debuutbundel De laatste parade schuwt schrijfster Ruth San A Jong (1970) de schaduwkant van de samenleving bepaald niet.

Volgens de flaptekst beschrijft San A Jong 'het Surinaamse leven in al zijn facetten'. Je kunt je afvragen of dit alles is wat Suriname te bieden heeft (zelfmoord, incest, overspel) maar zeker is dat San A Jong sociaal gevoelige onderwerpen aanroert.

Dat doet ze soms op een verrassende manier, bijvoorbeeld door een jong meisje in dagboekfragmenten aan het woord te laten; '27 aapril / Ik hat mamma vandag. Ze heeft niets gezegt toen ik haar zei dat oom Patrick ook met Elly haar billen speelde.' De spelfouten onderstrepen de breekbaarheid van het personage. In zulke vondsten is San A Jong sterk. Ze heeft oog voor detail, en kan onverwacht grappig uit de hoek komen.

Het is daarom jammer dat de schrijfster zich op even zo veel ándere momenten door haar eigen thema's laat overschreeuwen. Ze stapelt effect op effect in een poging de lezer bij de les te houden. Zo wordt in een scène waarin een dode man ligt opgebaard de rouwende dochter geconfronteerd met haar vaders buitenechtelijke zoon.

Alsof dat niet pijnlijk genoeg is, laat de schrijfster het tot een handgemeen komen waarbij de dochter haar haarstukje verliest, de kist met de dode vader omvalt en als klap op de vuurpijl het kunstgebit uit de mond van het opgebaarde lijk schiet.

Dergelijk spektakel doet de verhalen geen goed. In plaats van alles te willen vertellen zou San A Jong vaker mogen inzoomen op de details. Dan is ze op haar best.

Ruth San A Jong, De laatste parade
Uitgever: Uitgeverij In de Knipscheer
ISBN-nr: 9789062656721
Formaat: Gebonden, 2011, Prijs: € 16,50


[in de Volkskrant, 31-10-2011]

Bovenste foto: @ Cofani Funebri

Het onmogelijk bewijs van het ongerijmde

Hot Brazilian Wax en het Requiem van Arthur Booi, tweede roman van Eric de Brabander

door Wim Rutgers

“Zowel universitair opgeleide artsen als niet-artsen houden zich op Curaçao met ongeregistreerde therapieën bezig. En dat is ons probleem,” zegt de fictieve dokter Robert Casseres als voorzitter van het fictieve Medisch Tuchtcollege Nederlandse Antillen op bladzijde 250 van de tweede door Eric de Brabander (foto rechts) gepubliceerde roman met de dubbele titel Hot Brazilian Wax en het requiem van Arthur Booi. De arts en de niet-arts die kwakzalft is daarom een van de overheersende maar onoplosbare thema’s in de roman en daarvoor is er geen eenvoudig middeltje als ‘Hot Brazilian Wax’, een motief dat niet minder dan drie keer voorkomt: “Met een ferme ruk van je problemen af. Even pijn, maar dan permanent vrijheid. Een beslissing, no way back.” (p. 155) De reguliere arts en hoofdpersoon Arthur Booi die met het probleem worstelt het ongerijmde experimenteel en meetbaar te bewijzen, gaat er dan ook compleet onderdoor - het tweede deel van de titel en de diepere thematische laag van de roman.

Een dubbele titel, een dubbel gelaagde thematiek op twee niveaus van abstractie brengt een tweevoudig mogelijke leeswijze met zich mee. De lezer die zich met de oppervlakte van het verhaalgebeuren tevreden stelt, krijgt een vlot verteld, afwisselend en bepaald niet alledaags gegeven voorgeschoteld over een in zichzelf gekeerde en somtijds plotseling en fel opvliegende hoofdpersoon in een verhaal waarin beschouwingen worden afgewisseld met detectiveachtige elementen als zelfs een drievoudige moord. Die lezer zal ook genieten van een hilarische scène waarbij een kleine oude Renault in de Amsterdamse gracht verdwijnt en een luxe Mercedes van een paar zongebrilde patsers door de gedupeerde in elkaar wordt getrimd, terwijl de politie wel kijkt maar niets ziet. Wel zal die lezer daarbij de verschillen tussen Nederlandse onverschilligheid en Antilliaanse betrokkenheid niet ontgaan. Bovendien heeft het verhaal een opzet en structuur met herkenbare herhalingen en spiegelingen.

Maar degene die aan deze oppervlakkige leeswijze niet genoeg heeft en al lezend ook interpreterend te werk wil gaan, komt voor ingewikkelde duidingsproblemen te staan. Dat is aan de ene kant een belangrijk kenmerk van goede literatuur, maar aan de andere kant blijkt de auteur hier toch niet tot een volkomen ‘singleness of purpose’ geslaagd te zijn omdat hij zich laat verleiden tot bijvoorbeeld in mijn ogen uitweidende exotiserende bruha-elementen door een Braziliaans-Haïtiaanse (waarom?) kruidendame die de uiteindelijk ondergang van de hoofdpersoon bewerkstelligt (andermaal: waarom zij? Zonder haar had het ook gekund). Hier en daar legt de auteur in zijn verhaal nogal eens wat uit voor niet-Antilliaanse lezers, maar met die bruha-beschrijvingen doet hij mijn inziens niet minder dan een knieval voor de Nederlandse lezer. Ook het gegeven dat de hoofdpersoon door mevrouw Da Silva aan de drugs raakt is zo’n zwaktebod. Zonder die drugs zou de thematiek van het onbewijsbare van het ongerijmde sterker geweest zijn.

Of hebben we hier te maken met een intercultureel gegeven waarbij de Westerse kwakzalvers worden afgemaakt, terwijl de hoofdpersoon het moet afleggen tegen de Curaçaos-Braziliaans-Haïtiaanse kruidenvrouw die aan het einde zegeviert en waarbij de gekwelde Westerse zoeker slechts zijn zielenrust vindt in de dood? En waarom wil de kruidenmadam de dokter eigenlijk zo graag dood hebben, terwijl hij toch een van haar geregelde en goed betalende afnemers is? Dan zijn er ook nog de Nederlandse magnetiseur Karel Peters en de Curaçaose figuur Rico Boelbaai, alias Barabbas die toch niet onderdoen voor de overige charlatans in het verhaal maar die daar mee weg komen – in tegenstelling tot de anderen. Het zijn vragen waar ik als lezer mee bleef zitten maar die daarom tegelijkertijd intrigeren, zoals de functionaliteit van het gegeven dat arts Booi een gruwelijke hekel heeft aan alles wat met dweperige en zich zelf superieur achtende godsdienstige individuen te maken heeft. Het ligt weliswaar in het verlengde van de algemene thematiek maar zonder dat zou het ook best gekund hebben – denk ik. Tussen dit alles door lezen we ook nog wat koloniale (taal)problematiek, volksgeloof en reminiscenties aan de periode van slavernij op het eiland. Intertekstuele verwijzingen in het verhaal naar Jack Kerouac’s klassieker On the road en Patrick Süsskind: Das Parfum worden daarentegen weer niet uitgewerkt en blijven voer voor de goede verstaander die daar iets mee wil en kan.

Terug naar het verhaal zelf. In zes hoofdstukken die elk zijn verdeeld in korte paragrafen wat de leesbaarheid in hoge mate veraangenaamt, maken we kennis met de medische student en latere ‘holistische’ huisarts Arthur Booi en zijn vrouw, de psychologe Estelle Winklaar. Het verhaal begint in Nederland, waarna vervolgens een bootreis naar Curaçao wordt verteld om te eindigen op het eiland waar Booi een zelfstandige praktijk op Boca Sint Michiel begint. Door zijn zwalken tussen meten en weten raakt hij echter steeds meer geïsoleerd en verloopt zijn aanvankelijk zo bloeiende praktijk compleet. Hij hallucineert en raakt het contact met zijn vrouw en de medemens in het algemeen kwijt, waarna hij zich een boomhut bouwt waarin hij bivakkeert en dromend zijn dagen doorbrengt. Het is verleidelijk te constateren dat hij letterlijk de boom in kan met al zijn onbewijsbare en ongrijpbare theorieën en niets opleverende ridicule experimenten die het onbewijsbare raadsel van lichaam, ziel en geest onbetwistbaar zullen moeten aantonen.

Arts Arthur Booi raakt zo verstrikt in het web van onoverbrugbare en niet te harmoniëren tegenstellingen tussen de in zijn ogen eenzijdige arrogante Westerse academische geneeskunst en de alternatieve dogmatici: De mens is op zoek naar systematiek, ook daar waar deze niet bestaat of met onze zintuigen niet aantoonbaar is. Hij probeert rusteloos greep te krijgen op het ongrijpbare, om de dreigende chaos te bestrijden. Een verschil tussen de wetenschap en de pseudowetenschap die de kwakzalverij eigenlijk is, ligt in de bereidheid tot herziening en de kritische weging van verworven inzichten. Met een oplichter kan je nog een biertje drinken. En meesmuilen om zijn inventiviteit een ander de centen uit de zak te kloppen,. Maar iemand die zijn eigen bullshit gelooft, dat is een werkelijk gevaarlijk iemand. Zo iemand, die kan beter doodgeknuppeld worden, aldus dokter Ernst Jansen tegen het eind van het verhaal tegenover zijn collega, de tandarts John Arends.

Meergelaagdheid van verhalen leidt tot vragen en discussie, iets wat aan een eendimensionaal verhaal ontbreekt. Zei de bekende Nederlandse auteur Simon Vestdijk niet ooit: een roman die het niet waard is twee keer te lezen, is het ook niet waard een keer te lezen? Ik heb de roman inderdaad met een flinke tussenpoos twee keer gelezen, de tweede keer intensiever en met evenveel plezier. In de wetenschap dat interpretatie nooit definitief is, zal ik het boek ooit nog een derde keer gaan lezen.

Eric de Brabander: Hot Brazilian Wax en het requiem van Arthur Booi
Haarlem: Uitgeverij In de Knipscheer
2011
291 pagina’s
ISBN 978 90 6265 675 3

Beelden van de presentatie van Eric de Brabander: Hot Brazilian Wax… en Elis Juliana: Hé Patu/Waggeleend in Podium Mozaïek.

Klik hier

Het filmpje is gemaakt door Alex D. Alberto.

zondag 30 oktober 2011

Broos geluk

door Klaas de Groot

De nieuwe roman, Broos geluk, van Henry Toré bestaat uit drie delen. De eerste twee delen hebben elk tien hoofdstukjes. Deel één beslaat iets meer dan de helft van het boek; deel drie telt slechts enkele bladzijden. De indeling verspringt van personage naar personage of per plaats van handeling, wat het boek een aangenaam tempo geeft. Ondanks de bescheiden omvang gaat het echt om een roman, want de lezer maakt de hoofdpersoon, Dennis de Andrade, mee tijdens diens op- en ondergang. Ook het tijdsverloop hoort eerder bij een roman dan bij een lang verhaal of novelle. De handeling vertoont wel tijdsprongen. Deel drie begint bijvoorbeeld met de zin: ‘Het kan een maand of twee na het ongeluk geweest zijn dat ik mij volledig bewust werd van mijn situatie’ (p. 111). De gebeurtenissen spelen zich af op Curaçao eind 1999 en begin 2000.
Dennis de Andrade vertelt zijn eigen verhaal meestentijds in de vorm van een inwendige monoloog. In deel één houdt hij zich bezig met zijn vriendin Naomi, het spelen in de loterij, zijn moeder en zijn werk. Hij brengt bestellingen rond voor het grootste handelshuis op het eiland. dat van de gebroeders Pereira. Zijn belangrijkste klanten zijn Ruth Drabinski, boetiekhoudster en Catleen Maduro, werkzaam in een botika. Dennis luistert graag naar hen, vooral naar hun verhalen over hun liefdesleven.

18de IVN colloquium: Andere werelden

Voor veel leden van de Internationale Vereniging van Neerlandistiek (IVN) vormt het driejaarlijks colloquium neerlandicum dé gelegenheid om op internationaal niveau resultaten, ideeën, ervaringen en 'best practices' uit te wisselen. Daarnaast biedt het colloquium bij uitstek de mogelijkheid om het netwerk van de internationale neerlandistiek te verstevigen en uit te breiden. In 2012 zal de IVN naar verwachting wederom met zo'n 300 docenten en onderzoekers bij elkaar zijn. Dit keer ontmoet men elkaar in Antwerpen, waar de IVN gastvrij onthaald wordt door de Universiteit Antwerpen.


Het thema van het 18de colloquium is Andere werelden. Het fiere VOC-devies Qua patet orbis mag dan in de Gouden Eeuw in Nederland verzonnen zijn, de geschiedenis van de Lage Landen tot en met deze eeuw bewijst dat voor de Nederlandse taal en cultuur nog steeds geldt: "Zo wijd de wereld strekt." Wel wordt het tijd om het begrip 'de wereld' van dichterbij te bekijken. De wereld wordt vaak verdeeld in 'mijn wereld' en 'de andere wereld', maar vanuit internationaal perspectief kan men beter denken in termen van een eigen wereld en andere werelden.

'Neem cultuur Bonaire serieus'

door Erik Locht

De Nederlandse Antillen zijn opgedoekt en Bonaire is een Openbaar Lichaam geworden. Nederlandse wetten en maatregelen overspoelen het eiland. Er is al veel veranderd, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs en infrastructuur. Toch heerst er geen juichstemming op het eiland.

Veranderingen gaan gepaard met emoties zoals gevoelens van onzekerheid en onvrede. Verwijten kunnen als volgt worden samengevat: Nederland dringt allerlei zaken op die niet passen bij de cultuur van Bonaire. In dit artikel staat de volgende vraag centraal: Vormen de staatkundige veranderingen een bedreiging voor de culturele identiteit op Bonaire? Hierbij komen meerdere overwegingen op: Wat behoort dan tot de Bonairiaanse cultuur? Waarom wordt dit debat gevoerd en wat dient de uitkomst te zijn?
Ongelukkige combinatie
Gaat Nederland als een olifant tekeer op Bonaire? Dit beeld geeft uitdrukking aan gevoelens van angst en onvrede: Nederland overrulet de Bonairianen. Toch gaan metaforen altijd mank. Goed, Nederlanders staan niet altijd te boek als even tactvol. ‘Recht door zee’ en ‘doe maar gewoon’ zijn kreten die passen bij het beeld dat van veel Nederlanders bestaat. Aan een olifantenhuid zou dan ook nog gedacht kunnen worden, maar een dito geheugen? Het kan aantrekkelijk zijn een negatief beeld op te roepen van iemand in wie men een tegenstander ziet. Daarmee zeg je ook iets over jezelf. Maar wie denkt bij Bonaire meteen aan een porseleinkast? Stereotiepen kunnen het beeld en debat vertroebelen. Niemand komt verder door vast te blijven houden aan het beeld van die olifant en de porseleinkast.

'Bevangen door koorkoorts'

door Marja Berk

Als je al 31 jaar en 3 maanden koordirigent bent van Santa Rosa di Lima, dan heb je wel iets te vertellen. Tegenover mij zit Pablo Walter die tijdens zijn studie in Nederland werd bevangen door de koorkoorts.


In Tilburg om precies te zijn. Hij kwam terecht bij een Antilliaans studentenkoor aldaar, dat elke zondag bij elkaar kwam. “Maar ik was hier al ruim tien jaar dirigent geweest van een koor in Suffisant. In die tijd werkte ik ook bij de Broeders van Dongen, als onderwijzer. Broeder Ignatius van die school was destijds dirigent van het koor van Santa Rosa di Lima, maar wilde ermee stoppen”, vertelt hij. “Terwijl ik in Nederland zat hadden we goed contact en hij heeft mij voorgedragen als zijn opvolger bij het koor. Na mijn terugkeer op Curaçao heb ik het dan ook van hem overgenomen.” Al bijna 48 jaar beoefent Walter deze hobby en hij heeft er nog steeds geen genoeg van. Het repertoire van het koor is zuiver religieus en hij ziet de repetitieavond als een uitje. “Het gaat er heel gemoedelijk aan toe en iedereen vindt het even leuk om te doen.” Het koor bestaat uit 42 mensen en het oudste lid is 84 jaar. Deze persoon doet nog steeds trouw elke repetitieavond mee.
Inmiddels bestaat het koor dit jaar 50 jaar en dat moet natuurlijk gevierd worden.

Het Saamaka Marronmuseum

Centrum van de Marroncultuur

In Pikin Slee, een oorspronkelijk en vriendelijk dorp aan de Boven Surinamerivier, vindt u een bijzondere bezienswaardigheid: het splinternieuwe Marronmuseum Saamaka,gewijd aan het culturele erfgoed van de Saramaccaanse Marronbevolking. Het museum leert u alles over de rijke Marroncultuur en -beleving. Het is een plaats waar het verleden tot leven komt en de toekomst de ruimte krijgt. Want de Marroncultuur bloeit nog steeds, ook in onze tijd.
Marronmuseum Saamaka
Het museum bevat een fraaie galerie met de kunst van de Totomboti. Functionele kunst, geschikt en bedoeld voor veelvuldig gebruik. In de bijbehorende winkel vindt u een keur aan bijzondere en handzame producten uit het gebied. Het museum en het dorp zijn omgeven door het regenwoud met een rijkdom aan flora en fauna.

Theater: Een dag Suriname

Theatergroep Rutoe [sic] presenteert op 11 december Een dag Suriname. Het eerste deel, getiteld Srefidensi van 16.00 tot 17.30 uur, het tweede deel De reis van 18.30 uur tot 19.45

Srefidensi:
Hier gaan twee twee Surinaamse schoolmeisjes, in discussie over het onderwerp Srefidensi. Een van deze meisjes komt uit Nederland, en is zich er niet van bewust wat Srefidensi in houdt, en wat voor moois de Surinaamse cultuur te bieden heeft, vooral als het gaat om bekende Surinamers van toen & nu.

De reis:
Dit stuk gaat over de slavernij die wordt verteld door een slavin. Hier ziet men scènes vanuit: De start Ghana, Het Slavenschip, Fort Elmina, Aangekomen in Suriname.

1 kaart 12,50, een combikaart voor deze dag 20 euro
Voor reserveringen & info: 06-23 89 05 81

Tekst: Lucinda Sedoc
Cast: Margaretha Wilemse, Orlando Ceder, Xhosa Trustfull, Gerold Macnack, Jordy Danning, Simone van Doorn, Stacey Esajas, Stephan Willemse, Lorzenzo Haltman, Margery Wiet, Tania Woerdings, Xiomare Berrestein, Elvin Woerdings, Samora Pinas, Lorraine Esajas, Romario Panka, Lucinda Sedoc

Locatie: Pleintheater
Sajetplein 39
Amsterdam-Oost, tram 3 & 7

Is het postkolonialisme dood?



‘Het postkolonialisme is dood’, verklaarde de Leuvense hoogleraar Theo D’haen in zijn eerste lezing op het colloquium (Post)koloniaal nieuws, dat op vrijdag 28 oktober j.l. werd gehouden in het Amsterdamse politiek-cultureel centrum Spui25, ter gelegenheid van het eerste lustrum van de leerstoel West-Indische Letteren. Maar zijn collega’s weerspraken die opvatting met verve: Ieme van der Poel (UvA) over sprak over de verwerking van postkoloniale stereotypen in de Franse exotische iconografie en Franstalige strips. Ena Jansen (VU/UvA) bekeek de verwerking van het slavernijverleden in een nog uit te komen roman van de grote Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink. Wim Rutgers (Universiteit van Curaçao) keek naar de nieuwe Masters Literatuur en schoolboeken op de voormalige Antillen. Pamela Pattynama (UvA) analyseerde de film Ver Van Familie van Marion Bloem als document van Indische herinnering. En leerstoelhouder Michiel van Kempen besprak trans-atlantische invloeden op de canon van de West aan de hand van werk van Albert Helman en Clark Accord. De zaal zat vol en kreeg op de door prof. Marita Mathijsen geopende middag, een fraaie staalkaart getoond van hoe de literatuurwetenschap tegenwoordig omgaat met de cultuur van voormalige koloniën. Is het postkolonialisme dood? Discussie wordt vervolgd. Een foto-impressie.

Theo D'haen



Ieme van der Poel

Ena Jansen

Wim Rutgers

Pamela Pattynama

Michiel van Kempen

Een deel van het publiek

De pers juicht over Amatmoekrims Het gym

LINDA van oktober 2011:

recensie-linda.jpg

LINDA: ‘Wranggeestig inkijkje in het multiculturele drama. Maar ook een mooi coming of age-verhaal, van een meisje dat langzaam haar kracht en schoonheid ontdekt.’ (Marja Pruis)


Ook vier sterren in Vrij Nederland

vrij-nederland-recensie.jpg

‘Niet zielig, eenzaam’ kopt Vrij Nederland. Volgt een samenvatting van het boek, met als belangrijkste waardeoordeel; ‘Er valt heel wat te lachen bij dit in helder en strak proza geschreven boek.’ O ja, en die vier toegekende sterren natuurlijk.


Het gym in De Volkskrant: 4 sterren ****



Amatmoekrim is niet alleen genadeloos, maar ook bijzonder grappig.

Een fragment uit de recensie van Greta Riemersma in de Volkskrant van 8 oktober;

‘Genadeloos schetst Karin Amatmoekrim in haar nieuwe roman Het gym het leven van een Surinaams meisje tussen twee culturen. Ze spaart niets en niemand, ook niet de eigen Surinaamse gewoontes. (…) Amatmoekrim debuteerde in 2004 en sindsdien is zij geprezen om haar vaardige pen. Diezelfde vlotheid zit in haar nieuwe boek, alleen heeft zij er nu iets aan toegevoegd: ironie, humor. Het gym is niet alleen genadeloos, maar ook bijzonder grappig. (…) Het gym houdt allerlei groeperingen in de multiculturele samenleving een spiegel voor en laat zien hoe verwarrend het leven voor een kind in zo’n wereld kan zijn. Maar het verhaal wordt nergens zwaar. Dartel huppelt het voort en wat overblijft is vooral bewondering, voor de kleine Sandra met het pluizige haar, de platte borst en dikke kont, die absoluut niet zielig is.’ ****


NRC: `Tering, ik ben God'

schermafbeelding-2011-09-23-om-161258.png

De eerste recensie van Het gym verscheen op vrijdag 23 september in het NRC/Handelsblad, door Janet Luis. Hier een fragment:

‘Het gym is een lichtvoetige en ook nogal geestige roman. Het aangenaam luchtige zit vooral in de heldere, spreektalige zinnen en in de trefzekere dialogen. Als Sandra, op aandringen van haar vriendinnen, auditie doet voor het schooltoneel, omdat dat ‘ab-so-luut onmisbaar’ zou zijn voor haar ontwikkeling, krijgt ze een rol toegewezen in een eigentijdse versie van Faust. Dan roept ze verschrikt uit; ‘Tering, ik ben god.’
Haar grote voorbeeld op school is de leraar Nederlands. Hij maakt geen onderscheid tussen rang of stand en trekt niemand voor. Als hij tegen haar zegt dat ze schrijftalent heeft, voelt ze zich voor het eerst in haar leven machtig. Zij kan iets dat alleen van haar is, en dat niets te maken heeft met onbetaalde rekeningen of met de lapzwans die zich haar vader noemt. Ze leest dan met nog meer aandacht de sombere boeken waar de leraar zo van houdt; ‘Boeken over jongemannen die opgroeiden. En dat het dan allemaal tegenviel.’ Het gym gaat over een jong meisje dat opgroeit. En ook haar valt het vaak tegen. Het aardige van dit boek is vooral dat Sandra geen typetje is geworden. Ze is geen woordvoerster van een belangengroepering, maar een kwetsbare, onzekere puber, die het allemaal niet zo goed weet. Amatmoekrim portretteert hier een ontheemde die steeds opnieuw tussen wal en schip valt. Ze is nooit helemaal Nederlands geworden, maar ze is ook niet echt meer Surinaams. Geen slet, maar ook geen nerd. Geen anita of sjonnie, maar ook geen zelfverzekerde gymnasiast. (…) Amatmoekrim kiest hier, zou je kunnen zeggen, voor een dubbel paspoort, een dubbele identiteit. Ze staat niet toe dat Sandra ‘een bruine kakker’ wordt - iemand die achterstandswijk en gymnasium soepeltjes met elkaar weet te combineren. Om haar heldin scherp te houden, zal ze moeten lijden.’

Een week later plaatste nrc.Next de recensie door en kende er meteen ook maar vier sterren aan toe.

“Hij is niet meer, hij is nog hier”

door Carry-Ann Tjong-Ayong

Zo werd Clark Accord steeds herdacht door familie, vrienden en bewonderaars die de presentatie van zijn postume roman Plantage d'Amour bijwoonden.

Het Theater van het Woord van de OBA, de Openbare Bibliotheek van Amsterdam, was vol gestroomd met kleurrijke fans van de onlangs overleden schrijver, die meer dan levensgroot op de foto prijkte, die op het podium werd geprojecteerd. Clark keek glimlachend neer op de menigte, vanaf de omslag van zijn boek. Hij was er.

De tafel met diverse familiefoto’s in lijstjes en Surinaamse vruchten, met op de voorgrond drie met kleurige linten versierde exemplaren van zijn boek straalde zijn sfeer uit. De drie zangeressen in koto completeerden het beeld van exotisch Sranan en de plantage.


Clark Accord en Karin Amatmoekrim

In de toespraken weerklonk de bewondering voor deze veel te vroeg overleden schrijver van Surinaamse folklore. Ik herinner mij het enthousiasme waarmee hij mij in november vorig jaar vertelde van de roman die hij over zijn familie schreef. Ik zei hem dat ik het graag zou lezen. Hij lachte en zei: ”Wacht maar, het komt er aan!”

Dat hij niet meer bij de presentatie zou zijn, had ik niet verwacht.

Of was hij er toch.....?

cat 29/10/2011

Een onbekend portret van Albert Helman

De Stichting Surinaams Museum heeft een gevarieerde collectie beeldende kunst. Naast oude gravures en originele prenten (zoals van Gerrit Schouten, Willem Winkels of Nicolaas Box), zijn ook moderne Surinaamse schilders in ruime mate vertegenwoordigd. Het is echter geen afspiegeling van de Surinaamse schilderkunst door de tijd heen maar de collectie bevat aardige werken, en soms zelfs heel verrassende.

Op dit moment wordt een tentoonstelling voorbereid over de geschiedenis van Suriname. Er zijn 45 ‘luiken’ gekozen: onderwerpen waaraan je het overzicht van de tijdslijn op kunt hangen. De onderwerpen behelzen allerlei facetten van Suriname: bevolkingsgroepen, economische aspecten, cultuurzaken en ga zo maar door. Een van de luiken is de ingang tot de Surinaamse literatuur. En als vertegenwoordiger is daar Albert Helman voor gekozen, omdat zijn roman De Stille Plantage (1931) het meest herdrukt is, en ook in het buitenland het meest bekende literaire werk van een Surinaamse schrijver is.

Albert Helman is op 7 november 1903 geboren in Paramaribo als Lodewijk (Lou) Alphonus Maria Lichtveld. Hij had voorouders uit diverse bevolkingsgroepen; twee oma’s met indiaans bloed. Op zijn elfde, in 1914, ging hij met zijn ouders, die op groot verlof gingen, naar Nederland, waar hij na hun terugkeer op kostschool kwam in Roermond. Ziek van heimwee werd hij eind 1917 teruggestuurd. Na de Paulusschool doorlopen en de onderwijzersakte behaald te hebben, vertrok hij alsnog naar Nederland met de bedoeling om nooit meer naar Suriname terug te keren. Hij studeerde muziek en Nederlandse taal- en Letterkunde. Zijn eerste werk was een poëziebundel, maar hij verkreeg vooral bekendheid met Zuid-Zuid-West (1926). In de laatste pagina van deze novelle deed hij een oproep aan de kolonisator, om behoorlijk met de kolonie om te gaan (zoals Multatuli dat ook deed in de Max Havelaar). In 1949 keerde Helman (aan wie dit pseudoniem was toegedicht door een collega-auteur) terug naar Suriname. Als minister van Onderwijs kwam hij in 1951 in conflict met de Staten. Hierna vulde hij zijn leven met literaire activiteiten: hij zette onder andere diverse bladen op en hij was directeur van de Volksuniversiteit toen hij het bureau Volkslectuur opzette. Hij hield zich bezig met de spelling van het Sranantongo en stichtte het Taalbureau. Ook schreef hij speeches voor premier Pengel. Helman bleef echter niet in Suriname, en na enkele diplomatieke posten te hebben vervuld vestigde hij zich uiteindelijk weer in Nederland.

In Wederkerige Portretten. Albert Helman: een alternatieve autobiografie schrijft Helman kleine portretten van kunstenaars die hem op hun beurt hebben vereeuwigd. Het zijn vooral schilderijen van hem op latere leeftijd. Er is echter een zwart-wit tekening van Helman, gemaakt door Wim Schumacher in 1938, waar hij is geportretteerd als jonge schrijver.
Toen in het depot ‘beeldende kunst’ gezocht werd naar objecten voor de tentoonstelling over de Surinaamse geschiedenis, sprong een klein paneel met een door Anton Faverey geschilderd portret van een jongeman direct in het oog, waarop de spontane reactie kwam: ‘Dat is Helman!’. Wat een verrassing om zo onverwacht een onbekend portret van deze toen nog jonge schrijver in het depot van het Surinaams Museum tegen te komen. Oordeelt u zelf.

[uit de Ware Tijd, 29/10/2011, Museumstof 193]

Tagore-avond in Tori Oso

In verband met 150 jaar Rabindranath Tagore organiseerde de Indiase ambassade in samenwerking met verschillende organisaties, waaronder Schrijversgroep ’77, een Tagore beeldende kunst- en literatuurcompetitie. Vooruitoplopend op de prijsuitreiking, die op 12 november plaatsvindt, organiseert Schrijversgroep’77 op woensdag 2 november een avond over deze wereldberoemde Nobelprijswinnaar. Tagore was de eerste Aziaat die deze prestigieuze prijs in ontvangst mocht nemen voor zijn literaire prestaties. Hij is de enige dichter die van twee landen het volkslied, India en Bangladesh, heeft geschreven. Tagore is ook bekend vanwege zijn visie op onderwijs en intellectuele ontwikkeling. Tagore groeide op in een bergachtige omgeving, waar de natuur vrij spel had. De relatie tussen natuur en ontwikkeling is dan ook een belangrijk onderdeel van zijn onderwijsvisie. Tijdens de avond in Tori Oso zal een historische film worden vertoond over zijn leven. Daarna is er een interview met Moenisha Hiwat, literatuurdocent en al 40 jaar een bewonderaar van de poëzie van Tagore. Jeffrey Quartier, een van de prijswinnaars, zal zijn winnend werk voordragen. Ook wordt er aandacht besteed aan de betekenis van Tagore voor Suriname. Natuurlijk wordt het publiek uitgenodigd deel te nemen aan de discussie.

Afbeelding: gold tone picture of Tagore by Edward S. Curtis

zaterdag 29 oktober 2011

Dertigduizend dagen (4)

door Joop Bonnemaijers

Ze hadden mij een functie aangepraat. Die van kantinebaas. Nou stelde dat niet zo veel voor maar ik moest zorgen voor de frisdranken. Die waren opgeborgen in een koelkast die met petroleum gestookt werd!
Ik heb daar zelfs nog gevoetbald. Een “interlandwedstrijd” gespeeld tegen indianen, die uit Frans Guyana kwamen. Zij speelden op blote voeten. Wij op gympies. Reservespelers hadden we niet, want we waren maar met zijn elven en allemaal samen waren we de scheidsrechter! Wie er gewonnen heeft weet ik niet meer. Het maakt mij trouwens niet zo veel uit want ik ben niet bepaald een voetbalenthousiasteling. Dus sorry voor de liefhebbers, die het wel zijn. En in de rust moest ik nog even dienst doen als kantinebaas.


Indiaanse woning in Galibi, 1949

Tijdens de wacht in de nacht, moest je de elektriciteitscentrale in de gaten houden.
Dat is een weidse benaming voor een aggregaat dat het dorpje van stroom voorzag en dat even buiten de bebouwing lag. Vanwege de herrie ervan. De hele nacht zat daar een man bij en wij moesten er op toezien dat hij niet in slaap viel zodat de elektriciteitsvoorziening permanent zou blijven functioneren.
Er was ook een gevangenis in Albina. Dat was een apart gebeuren want gevangenbewaarders waren er niet. Het was eigenlijk een “zelfregulerend bedrijf”.
Om zes uur in de morgen werd de gevangenis van het slot ontdaan. De gedetineerden konden zich dan door het dorp bewegen voor het uitvoeren van allerlei klusjes. Wat vegen of repareren of andere zaken. Een prachtig systeem toch? Ze kostten niet veel en maakten zich nog nuttig ook. De “taakstraf”, is dus al veel eerder uitgevonden.
Als ze buiten het gebouwtje kwamen hesen ze eerst de Nederlandse vlag en gingen aan het werk. Hoe ze aan eten kwamen weet ik niet.
‘s Avonds om 6 uur streken ze de vlag en gingen weer het gevang in. De politie deed de boel op slot. Opgeborgen staat netjes, hè?
Zoals gezegd lag aan de overkant van de rivier Saint-Laurent. Daar was tegen spotprijzen drank te krijgen. We huurden dan van een bosneger een korjaal en vroegen schriftelijk toestemming aan de douane om erheen te gaan. Saint-Laurent was heel anders dan ons Albina. Het was geheel uit steen opgebouwd, terwijl in Albina de huizen van hout zijn. Voor Frankrijk was het toen de gedetineerde dwangarbeiders er waren, een koud kunstje om die mankracht te gebruiken voor de bouw van die stenen woningen.
Dan sprongen de Nederlanders toch wat milder om met hun delinquenten, door ze wat simpele klusjes in Albina te laten doen. Dat Saint-Laurent had geen sfeer en Albina wel, al was het dan armoediger. Ik denk ook dat het komt omdat dat plaatsje nu door vrijgelaten gedetineerden bewoond werd, die misschien jaren opgesloten hadden gezeten en geen “jeu de vivre” meer hadden. Saint-Laurent was namelijk sinds 1946 geen strafkolonie meer maar de vrijgelaten gestraften mochten niet terug naar Frankrijk. De film Papillon, die over een onterecht veroordeelde gaat, speelt zich daar af.

Wij wilden echter wat meer inhoud aan ons leven geven en spoedden ons dus, al pagaaiend met de korjaal, naar de overkant voor de aankoop van wat levenselixer…
Ik denk dat we bezig waren met smokkelen, want voordat we ons bij terugkomst in Suriname bij de douane afmeldden, hadden we eerst de flessen vuurwater uitgeladen op ons kampement. Ik kan het nu wel bekennen want het is toch verjaard. Met de lege boot meerden we aan bij de douane.
Die avond was het gezellig. We hadden er een kampvuur bij aangestoken en de verhalen kwamen los, doordrenkt met sentiment over het meisje dat velen van ons in Holland achterlieten. De drank smaakte ons goed en werd op een bepaald moment wat schaars.
Het was al donker en een paar dorstigen wilden met de korjaal terug naar Frans Guyana, om nieuwe voorraad te halen. Dat zou levensgevaarlijk zijn. In de nacht, die twee kilometer brede diepe rivier oversteken. Er waren er die toch de boot ingingen en aanstalten maakten om weg te varen. Een paar anderen, jongens die nog bij hun volle verstand waren, doken het water in en hielden de boot tegen. Door er wat mee te schommelen, vielen de dorstigen uit de boot en wij legde die op het droge. De boot, wel te verstaan, hoewel de drankzuchtigen ook drooggelegd werden.


Indianen In Berlijn (Suriname), 1949

Op een avond had ik een romantische bui. Ik had een gitaar die mij “van dienstwege was verstrekt” en nam die mee naar buiten.
De maan scheen. Ik peddelde wat weg in een korjaal en ging een eindje de rivier op om gitaar te spelen. Een liedje voor mijn meisje in Nederland. Ze kon het wel niet horen, maar ik zou haar erover schrijven. Over die romantische avond.
Nu waren die uitgeholde boomstammen niet zo diep, dus werden er wel eens planken tegenaan getimmerd om als boorden te dienen. Ik denk dat ergens een lek was, want tijdens die romantische bui begon opeens de korjaal water te maken. Tot het volop tussen de planken en de boot naar binnen gutste, waardoor de boot snel begon te zinken. Om mijn gitaar niet te bederven legde ik die dwars over het vaartuig en zelf ging ik het water in. Aan de kant stonden een paar maatjes te lachen, toen ik zwemmend achter de boot aan kwam varen.
Binnen, op de slaapzaal wilde ik op mijn tampatje, een soort bed, gaan zitten, maar mijn maten, die nog niet tevreden waren, hadden dat op “scherp” gezet. Ik zakte er doorheen. Dat was me nog eens lachen voor de anderen. Wat een lol hadden ze van mijn ellende! Mijn romantische bui was abrupt over.
Dat is juist het fijne met een groep kerels: Je hebt plezier mét en óm elkaar.
In Albina hebben we ook een keer een verjaardag meegemaakt. Het was een oudere vrouw. Dat feest begon midden in de nacht en de gasten slopen eerst zonder geluid te maken naar het huis toe, waar de jarige woonde. We sleepten van alles mee, bier, etenswaren en ook een versierde stoel voor de jarige. Toen we allemaal onze plaats hadden ingenomen liepen we rond het huis en werden er hardop verjaardagsliedjes gezongen, “Verjari Singi” heette dat, totdat de jarige open deed en wij het huis binnen gingen. Ik ging verkleed als kotomissie en die outfit stond me goed.

[wordt vervolgd]


Foto's van de auteur

Slavotainment

door Fred de Haas


Emeritus professor P.C. Emmer van de Universiteit Leiden ergert zich al jaren aan het emotionele gezeur over de Nederlandse slavenhandel. In een artikel in de Volkskrant van woensdag 19 oktober jl. drukt hij dan ook zijn volle tevredenheid uit over de TV-serie De Slavernij die de afgelopen weken in vijf afleveringen is uitgezonden. De serie, gebaseerd op de laatste wetenschappelijke kennis, was luchtig gehouden en zodoende uitstekend geschikt voor consumptie door het grote publiek. Volgens Emmer had de serie in een paar weken meer voor de bewustwording bij het Nederlandse publiek gedaan dan het Tropenmuseum in jaren.

Dit laatste mag dan waar wezen, maar neemt niet weg dat de zwarte, vlot Nederlands sprekende Surinaamse acteur die met hulp van vele anderen in archieven, in Afrika (hij was een Ashanti, hoera!) en ‘op locatie’ in Suriname naging op welke plantage zijn voorouders hadden gewerkt (Barbados, hoera!), NET IETS TEVEEL LACHTE. Hij wekte daardoor de indruk dat het natuurlijk niet was voor te stellen dat zoiets ergs ooit mogelijk was geweest, maar dat het ook héél ver achter de huidige Surinamer en Antilliaan lag. Niet zeuren dus. Zand erover, lachen maar. Er was zelfs een slecht gespeelde scène te zien waarbij een oude, half blinde Surinaamse geschiedenisleraar als veilingmeester optrad en de acteur op een ton stond en op bevel van de veilingmeester zijn gespierde lichaam aan de fictieve kopers liet zien. Leuk, hoor, MAAR NET IETS TÉ LEUK. Bovendien had de oude geschiedenisleraar het over ‘Pico de Indio’ in plaats van over ‘Pieza de Indias’, maar dit terzijde. Een Surinaamse vrouw demonstreerde met wat voor takjes de slaaf soms werd geslagen. Aan de uitdrukking op haar gezicht te zien kreeg je niet bepaald de indruk dat het nou allemaal zo erg was geweest (het waren ook nog dunne takjes) en de vrouw speelde niet overtuigend. Alsof ze haar hadden moeten overhalen. Mooie plaatjes, blauwe luchten, fraaie jungle, gezond ogende en glimlachende vertellers (op wat uitzonderingen na, onder wie een nogal hysterisch pratende mevrouw op een boot).
Slavotainment, dus. Op zich niet erg, maar het doet echt tekort aan wat er in werkelijkheid is gebeurd.

Ook professor Oostindie van de Leidse Universiteit en directeur van het KITLV, Aspha Bijnaar en Alex van Stipriaan, wetenschappelijk adviseurs van de serie, vonden de serie iets te ‘gemoedelijk voortkabbelen’. Achteraf bezien, weliswaar. Vooraf of halverwege zou beter zijn geweest.
De geleerden zijn het dus niet met elkaar eens en professor Emmer, schrijver van het zeer lezenswaardige boek De Nederlandse Slavenhandel (AP, Amsterdam, 2003) verheugt zich erover dat de geschiedenis van de slavenhandel nu eens niet was gebaseerd op emoties maar op ‘de resultaten van wetenschappelijk onderzoek’. Emoties, bah! Niks voor wetenschappers.
Dat laatste mag dan waar zijn, professor, maar je hoeft die wetenschappelijke resultaten nou ook weer niet te presenteren met een blijde lach die aangeeft ‘jongens, het is voorbij, niks meer aan de hand en nu aan het werk!’. Dat wekt nu nèt de verkéerde emoties op en dan zijn we dus weer precies waar we volgens u niet moeten wezen.

Beste Piet, zoals u als geen ander weet, is de slavernij de mentale en fysieke genocide van een ras geweest en, alsof dat nog niet genoeg was, heeft Europa jarenlang geprobeerd die misdaad met de mantel der vergetelheid en vergoelijking te bedekken en bovendien de ‘neger’ overladen met minachting door hem/haar voor te stellen als lelijk en behoorlijk dom. Tot op de dag van heden wordt de zwarte overal gediscrimineerd, misschien niet in de buurt waar Piet Emmer woont, maar wel overal elders.


Piet, hoe komt het, denkt u, dat er op Curaçao – behalve om zuiver opportunistische redenen - zoveel emotioneel verzet tegen de Nederlandse Overheid is? Juist! Omdat er nog steeds een gevoel van minderwaardigheid bij de zwarte bevolking leeft en veel mensen daarom de pest hebben aan het meerderwaardigheidsgevoel van de blanke. Daarom kan je nog steeds niet met een glimlach, wetenschappelijk of niet, over de slavenhandel vertellen. Omdat het beeld van de gekoloniseerde, de slaaf en de vernederde nog steeds onder de oppervlakte zit en niet zomaar oplost door de slavenhandel voor te stellen als een fenomeen waar zelfs elke ‘Nederlandse’ zwarte nu hartelijk om kan, nee móet lachen.

Naakt in de fotografie

door Kevin Headley

Kunst of ranzig?

Velen in Suriname kijken verontwaardigd óf seksueel geprikkeld naar een naakt lichaam dat op een schilderij of fotokunstwerk staat afgebeeld. Maar die reactie opwekken is meestal niet de intentie van de kunstenaar. Toch wordt naakt in Suriname niet zelden geassocieerd met porno of ranzigheid.

Het menselijk lichaam is door de eeuwen heen altijd een bron van inspiratie geweest voor kunstenaars. Als we de kunstgeschiedenis onder de loep nemen, komen we erachter dat grootheden als Michelangelo en Leonardo da Vinci veelal naakt presenteerden in de schilder- en de beeldhouwkunst. Auguste Rodin zorgde voor ophef en een revolutie in de beeldhouwkunst, door zijn bijna perfecte anatomische weergave van het menselijk lichaam. Hij werd er zelfs van beschuldigd lijken te gebruiken om zijn werken te produceren. Rodin was echter gewoon een kunstenaar die met oog voor detail het menselijk lichaam goed kon namaken in een beeldhouwwerk.

Volgens Patrick Tjon Jaw Chong, cursusleider aan de Academie voor Hoger Kunst- en Cultuuronderwijs (AHKCO) is het tekenen of schilderen van een naakte vrouw vaak aantrekkelijker voor kunstenaars dan een naakte man.



[lees hier verder in de Parbode]

Foto: rechtsboven: Imani Halfhide, @ Raúl Neijhorst

Inheritage School over De slavernij

Op zaterdag 19 november vindt er bij het NiNsee een debat plaats van de Inheritage School over de televisieserie De slavernij. Klik op de afbeelding voor een groter formaat.

Me & Madam Walker


Op 30 oktober a.s. zal de tweede zondagspecial plaatsvinden van het project Me & Madam Walker. In het project staat haar en de Afrikaanse diaspora in Nederland centraal. De dag zal weer volstaan met gesprekken, muziekoptredens, rondleidingen door de tentoonstellingen, video presentaties en column voordrachten plaatsvinden. Oktober is de nationale Maand van de Geschiedenis en met het thema van dit jaar 'Ik en Wij' legt NiNsee de culturele identiteit in het perspectief van het slavernijverleden bloot. Het thema wordt vanuit één van de uitvinders uit de tentoonstelling Zwarte Uitvinders ingevuld: Madam CJ Walker. Wie was Madam Walker? In 1911 bracht Madam CJ Walker, de eerste vrouwelijke miljonair van Amerika, een product op de markt die voorgoed de haarindustrie over de hele wereld zou veranderen. Zij ontwikkelde een product waarmee Afro Amerikanen hun haar makkelijker doorkambaar konden maken. Nu, 100 jaar later, is dat product nog steeds te vinden. Er zijn in de tussentijd ook duizenden andere producten erbij gekomen en inmiddels brengt de haarindustrie gespecialiseerd op de Afrikaanse diaspora biljoenen op. ‘Ik en Wij’gevoelens Deze producten zorgen ervoor dat er verschillende Ik en Wij gevoelens ontstaan zijn. Sinds de jaren ‘60 is er ook een natural hair movement vanuit verschillende drijfveren onstaan met verschillende Wij groepen. In de tussentijd is ook de Jheri Curl erbij gekomen die zowel met natuurlijke-, als met kunstmatige stoffen wordt geproduceerd.

In de biopic over Tina Turner What's Love Got To Do With It (1993) zien we ook het belang van de pruik voor vrouwen uit de Afrikaanse diaspora. Elk kapsel zorgt voor een andere relatie met de omgeving. Elke haardracht en elk haartype heeft ook een andere verzorging nodig waarbij andere mensen op verschillende manieren erbij betrokken zijn. Tijdens deze middag verzamelen we verhalen over dit thema. Optredens Op zondag 30 oktober is er een column voordracht, performance door Windowbird, straatinterview film door VMP TV, kunst van ROC Amsterdam studenten, twee archeologische vondsten van Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten en Archeologie, rondleidingen door de tentoonstellingen Doorbreek de Stilte en Zwarte Uitvinders en is de presentatie in handen van Quinsy Gario.

Locatie: het NiNsee Linnaeusstraat 35 F, 1093 EE Amsterdam |Tijdstip: deur open 15.00 uur, aanvang 16 uur | Entree: gratis |Contactpersoon: Maria Karg, m.karg@ninsee.nl

Symposium 'De stem van de wetenschap'





Datum en tijd:

14 november 2011, 16.30 uur

Plaats

Amsterdam, het Trippenhuis, Kloveniersburgwal 29

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) houdt op 14 november aanstaande een symposium over de KNAW en de Nederlandse wetenschap in de twintigste eeuw. De aanleiding is de publicatie van De stem van de wetenschap (deel 2), over de geschiedenis van de KNAW in de periode 1914-2011, geschreven door Akademielid Klaas van Berkel.


http://www.knaw.nl/Content/Internet_KNAW/images/490x220_Oude_vergaderzaal.jpg

De Groningse hoogleraar geschiedenis stelt in het boek de vraag of de Akademie in de tweede eeuw van haar bestaan de positie als de stem van de wetenschap heeft weten te behouden. Journalist en presentator Wim Brands gaat in discussie met de auteur over de hoogtepunten en valkuilen van schrijven over wetenschapshistorie. Daarnaast geven de hoogleraren Pieter Dhondt en Ida Stamhuis hun visie op de positie van de KNAW.


Programma


16.30 uur

Opening door prof. dr. Pearl Dykstra, voorzitter van de Afdeling Letterkunde en vicepresident van de KNAW.

16.35 uur

Spiegeling boven de Daad? Vrouwen, de Akademie en de wetenschap, door prof. dr. Ida Stamhuis, honorair hoogleraar aan de Universiteit van Aarhus en universitair hoofddocent aan de Vrije Universiteit.

16.55 uur

Eenheid van onderzoek en onderwijs, ook voor de academie? Uiteenlopende visies in België en Nederland, door prof. dr. Pieter Dhondt, hoogleraar aan de Universiteit Gent.

17.15 uur

Vraaggesprek met prof. dr. Klaas van Berkel, Rijksuniversiteit Groningen, door Wim Brands.

17.45 uur

Afsluiting en borrel.



Aanmelden

Het symposium is gratis toegankelijk. U kunt zich hiervoor opgeven via het
elektronische aanmeldformulier.


Met vriendelijke groeten,

Afdeling Genootschap
KONINKLIJKE NEDERLANDSE
AKADEMIE VAN WETENSCHAPPEN


Het Trippenhuis
Kloveniersburgwal 29
Postbus 19121
1000 GC Amsterdam

Telefoon 020 551 0702
Fax 020 620 4941
www.knaw.nl




Bovenste foto: @ Jesus Oranday

Mexicaanse onderscheiding voor Kathleen Ferrier


CDA-politica Kathleen Ferrier ontvangt woensdag 26 oktober de Águila Azteca - de Azteekse Adelaar - uit handen van de Mexicaanse ambassadeur in Nederland. De ambassadeur prijst de politica namens president Calderón voor de manier waarop ze Latijns-Amerika op de politieke agenda in Nederland weet te houden.

Ferrier is blij verrast met de onderscheiding: “Een enorme verrassing en een heel bijzonder blijk van waardering. Voor mij is de Azteekse Adelaar opnieuw een bevestiging dat we de blik over de duinen en dijken van ons kleine land moeten richten, zeker ook richting Latijns-Amerika. Er is veel meer te doen met de banden die ons met dat continent verbinden.”


Het is de eerste keer dat een Nederlandse volksvertegenwoordiger deze onderscheiding van de Mexicaanse regering krijgt. In Nederland zijn er naast Koningin Beatrix, Kroonprins Willem-Alexander en Prinses Máxima vijf mensen Ferrier voorgegaan in het ontvangen van de onderscheiding.

[RNW, 26 oktober 2011]

Foto: @ Rolf Skrypzak

Honderden activisten bezetten megastuwdam in Amazone

 Demonstranten van de inheemse bevolking dansen op het bezette project gisteren. © epa

Demonstranten van de inheemse bevolking dansen op het bezette project gisteren. Foto: © epa

Meer dan vierhonderd activisten hebben de bouwplaats voor een grote stuwdam in Brazilië bezet. De demonstranten, onder wie veel inheemse omwonenden en natuurbeschermers, willen dat de bouw van de Belo Monte-dam in het hart van de Amazone helemaal wordt stilgelegd.

 © epa

Foto: © epa

De betogers hebben aangekondigd voorlopig op de bouwplaats te blijven. Ze stellen dat de dam zal leiden tot schade aan de natuur en de verhuizing van duizenden bewoners. De overheid zegt daarentegen dat de dam cruciaal is om Brazilië in de toekomst van voldoende energie te voorzien. Ook voor de werkgelegenheid zou de aanleg van de stuwdam goed zijn.
Eind september besloot een federaal gerechtshof in Brazilië dat de bouw van de dam in de rivier de Xingu wordt stilgelegd. Volgens de rechters zou de dam de visserij van de plaatselijke Indiaanse stammen verstoren. Tegen de uitspraak kan nog in beroep worden gegaan.
De bouw van de dam is al meerdere keren stilgelegd, maar werd tot nog toe altijd hervat. De betogers willen nu een definitief einde maken aan de aanleg.


[uit de West, 29 oktober 2011]

De laatste parade van Ruth San A Jong

door Eric de Brabander

Een aantal jaren geleden ondernam ik met wat vrienden een kanoreis in de binnenlanden van Suriname. Zo kwamen we in het animistische dorp Pekin-Slee. Het allerechtste Afrikaanse dorp buiten Afrika. We werden hartelijk welkom geheten door de stamoudste die ons een rondleiding door het dorp gaf. De man sprak een Nederlands van vooroorlogse vormelijkheid. Op het dorpsplein stond op vier palen een baar. De dorpsoudste legde uit dat daar een oudtante van hem opgebaard lag. Hij vertelde dat alles wat leeft onlosmakelijk met de natuur verbonden was en na de dood dit de manier was om het overschot weer te doen terugkeren in de natuur. Inderdaad vlogen apen uit de bomen van het tropische woud af en aan naar de baar en terug de
bomen in, met een of ander lichaamsdeel tussen hun voorpoten. In andere delen van de wereld komt dit ook voor. Hindoes in India die het Zoroastrianisme aanhangen laten hun stoffelijke overschotten van heuvels rollen waar ze opgegeten worden door aasgieren.

Terug in het comfortabele Hotel Torarica aan de Surinamerivier in Paramaribo stelde een vriendin van Surinaamse afkomst me voor aan een vriend van haar vader. De man had een merkwaardige bijbaan, het afleggen van lijken. Die avond vertelde hij vol vuur over zijn vak, en alles wat daarbij kwam kijken in Suriname. Zo vertelde hij dat, als een man gestorven was, zijn maîtresses hun ondergoed kwamen brengen zodat dit in de binnenbekleding van de kist kon worden weggewerkt. Dit alles om te voorkomen dat de man na zijn dood hen zou verrassen met nachtelijke bezoekjes. Hij merkte aan mij mijn oprechte en macabere belangstelling en bracht de volgende ochtend, voor ons vertrek naar Curaçao, zijn ‘handleiding tot het prepareren van het stoffelijk overschot’.

Hoe verrast was ik toen mij een boekje met korte verhalen ter hand kwam van Ruth San A Jong. De Laatste Parade is een handjevol verhalen over de doodsbeleving in Suriname. Enkele verhalen hebben een andere hoofdthematiek maar hebben indirect te maken met de dood. Een kort verhaal is geen kort uitgevallen lang verhaal, het zegt niets over de lengte en breedte van het verhaal. Het is de stijl die een kort verhaal kort en goed maakt. In weinig zinnen moet veel verteld worden. Er moet kort en bondig geschreven worden. En daar is Ruth San A Jong uitmuntend in geslaagd.

San A Jong stond aan de basis van de in 2008 in Paramaribo opgerichte schrijversvakschool. Jonge aspirant-auteurs kunnen zich daar aanmelden voor schrijfcursussen in alle stijlen, terwijl hun manuscripten kunnen worden begeleid. Ook hier op Curaçao is talent te over en misschien is het tijd om in navolging van Ruth San A Jong een Schrijversvakschool op Curaçao te beginnen. Zowel in het Nederlands als in het Papiaments.

[uit Antilliaans Dagblad, 27 oktober 2011]

Foto: @ Michiel van Kempen

vrijdag 28 oktober 2011

Driehoeksreis [2]

Eind januari opent in het Curaçaosch Museum een overzicht van het grafisch werk van Bert Kienjet. Deze Leidse kunstenaar laat zich in zijn grafisch werk inspireren door de Dutch Caribbean. Dit leidde tot een reeks etsen met de titel Driehoeksreis.

De reeks bestaat uit tientallen portretten van ‘personages’ die de driehoeksreis bevolk(t)en. Deze reis van Europa via West Afrika naar het Caraïbisch gebied en weer naar Europa werd in de 17de eeuw door de West-Indische Compagnie begonnen. Deze reis wordt door Kienjet als metafoor gebruikt voor de sociale, culturele en bestuurlijke beïnvloeding en banden tussen Westerse, Afrikaanse en Caraïbische culturen.
Soms betreft het personages die zich feitelijk op en tussen de drie continenten manifesteerden, soms gepersonifieerde cultuurdragers, soms bestaande figuren die een grote of kleinere rol spelen/gespeeld hebben in het grote geheel van cultuuroverdracht en identiteitsbevestiging. Door het groepsgewijs tonen van de portretten worden verhalen zichtbaar, wordt een hernieuwd combineren en vergelijken mogelijk.

In het Curaçaosch Museum zal de serie Driehoeksreis in zijn geheel getoond worden. Vanaf 21 oktober, vrijdags zes weken lang, alvast een voorproefje van dit bijzondere kunstwerk op Caraïbisch Uitzicht, voorzien van korte onderschriften door Kienjet zelf.



Links: Portret van een Voodoobeeldje in het Museum Kurá Hulanda, 2011, ets/aquatint – Rechts: Portret van de dichter Hemayel Martina, 2011, ets/drogenaald

Ansestro Preokupá Sosegá, bezorgde voorouder, rust zacht, zong de jonge dichter met timide stem. Daags voordat ik in januari 2011 naar Curaçao vertrok, reed hij op de vroege zondagmorgen zijn noodlot tegemoet. Hij bezocht in Leiden een school. Ik moet hem regelmatig in de stad zijn tegengekomen. Wat had ik hem graag gesproken. Zijn zachte stem droeg ver. Aan hem moest ik denken toen ik in Kurá Hulanda, Willemstad, oog in oog stond met een even bescheiden en toch ook even indringende voorvader, ansestro. De leeftijd van mijn zoons; wie is voorouder, wie is kind? [BK]
.
Link voor de Driehoeksreis no. 1

woensdag 26 oktober 2011

Fred de Haas: Grote verdiensten voor de literatuur

door Quito Nicolaas

fdehaas.jpgDe Antilliaanse literatuur heeft veel te danken aan Fred de Haas, oud-leraar Frans op de middelbare school op Curaçao. Jarenlang heeft hij werken van bekende en minder bekende Curaçaose dichters vertaald. Grote bekendheid kreeg hij na de vertaling van het werk van auteurs als Jorge Luis Borges, Pablo Neruda, Luis Daal en Franstalige auteurs als Maryse Condé. Hij is ook alom bekend om zijn artikelen in de Ñapa, het weekend bijlage van de Amigoe. Hij snijdt thema’s aan die een dialoog op gang brengen en hanteert een scherpe pen als het onrechtvaardigheid betreft, Antilliaanse taaldiscussie etc. Ter gelegenheid van de 84ste verjaardag van Elis Juliana heeft hij de bundel Hé Patu/Waggeleend vertaald en het licht doen zien. Reden genoeg om Fred de Haas over zijn nieuwste creatie te interviewen

Hoe bent u op het idee gekomen om de gedichten van Elis Juliana te vertalen en te bundelen?
In het verleden, om precies te zijn in 1981, werd ik door Poetry International gevraagd om een selectie uit de gedichten van Elis Juliana te vertalen. Elis was toen uitgenodigd om een presentatie te geven op Poetry International, het jaarlijkse literaire festival in Rotterdam. Ik was sinds die tijd altijd al van plan om sommige gedichten nog eens opnieuw - en beter - te vertalen, vooral de ritmische gedichten van Juliana. Maar de tijd verstreek en pas twee jaar geleden besloot ik eindelijk om uitvoering aan mijn plan te geven. Het resultaat was ‘Hé Patu / Waggeleend’, dat verschenen is bij uitgeverij In de Knipscheer.

Waarin onderscheidt Elis Juliana zich van andere Curaçaose dichters?
De poëzie van Juliana is wat thematiek betreft vooral gericht op de Ander. Hij is slechts zelden met zichzelf bezig. Juliana is een ‘opvoeder’. Hij probeert zijn mensen via zijn poëzie een spiegel voor te houden en op milde wijze kritiek uit te oefenen op hun gedragingen, o.a. op hun geestelijke en lichamelijke luiheid, hypocrisie, misplaatste trots en machogedrag. Overigens identificeert hij zich helemaal met zijn volk. Zoals hij zelf heeft gezegd: ‘Mi mes ta pareu na tur kos, tambú i letra’ (Ik ben precies als de rest, in alles, in lied en tekst). Juliana’s poëzie heeft een doel, hij dicht niet om het dichten, maar hij dicht om mensen bewust te maken. Geen l’Art pour l’Art.

De laatste alinea's van zijn gedichten bevatten vaak een boodschap. Wat is die boodschap en filosofie daarachter?
Hij heeft de Curaçaose maatschappij eens gedefinieerd als een ‘Sistema di kamuflahe’, een verstoppertjescultuur. Dat gold vooral voor de oudere generatie. Dat had ook voordelen, omdat, als je de waarheid verhult, je ook niet gauw een ander op zijn tenen trapt. Maar dat kan ook hypocriet overkomen. Hij heeft wel eens gezegd: ‘Berdat no tin stul pa sinta’ (de waarheid heeft geen stoel om op te zitten). Niet al zijn gedichten bevatten een boodschap, trouwens. Hij speelt ook met de taal louter om de mogelijkheden van het Papiaments te onderzoeken, zoals in ‘Kanta kueru kayente kanta’.


elis_juliana.pngElis Juliana schreef ook veel korte verhalen. Is het de bedoeling om die ook te publiceren en wanneer?
Het is alleen mijn bedoeling geweest om Elis Juliana onder de aandacht van een groter publiek te brengen dan alleen het Curaçaose, Arubaanse of Bonairiaanse. Ik heb voor dit doel gedichten uitgekozen omdat Juliana zelf ooit gezegd heeft dat hij gedichten het medium bij uitstek vond om zijn gedachten bondig samen te vatten. Korte verhalen zijn natuurlijk leuk om te lezen maar eisen toch meer tijd en ‘zin’ om te lezen. Ik denk dat Juliana voor het grote publiek beter uit de verf komt via gedichten dan langs de weg van zijn verhalen. Gedichten zijn ook zeer geschikt om in de klas te bespreken en te analyseren. Dat zou ook helemaal in overeenstemming zijn met de impliciete wens van de dichter.


Zijn de thema's Caribisch getint of juist beperkt tot de landsgrenzen?

De thema’s zijn Caribisch en de gebeurtenissen spelen zich af in een Caribische sfeer. Maar de thema’s zijn ook vaak universeel van karakter. De verhalen zouden ook geschreven kunnen zijn door iemand van de andere eilanden of zelfs door een Europese schrijver.’Wazu riba ròndu’, bijvoorbeeld, is een boek met korte verhalen die een algemeen karakter dragen en vaak een grappige pointe hebben of een leuk tafereeltje beschrijven. Die verhalen kunnen het best worden gewaardeerd door mensen die de sfeer op de Antillen kennen en die zich helemaal kunnen inleven in de situatie die door Elis wordt beschreven. Antillianen hebben nu eenmaal een ander gevoel voor humor dan de Europeaan of de Amerikaan. Ze houden van gekke, menselijke situaties waar je schaterend om kan lachen. De Europeaan houdt meer van ‘intellectuele’ humor. Het een is niet beter dan het ander, maar het een kan geschikter zijn om verhalen te appreciëren dan het ander. Voor lezers die ‘van buiten’ komen is het dus lastiger om dezelfde waardering te kunnen opbrengen voor een bepaald verhaal omdat ze het Antilliaanse referentiekader missen.

Welke plaats neemt Elis Juliana in de top tien van Curaçaose dichters. Geef een toelichting? Moeilijk te zeggen. Lauffer en Juliana eindigen eigenlijk ex aequo voor mijn gevoel, maar de kwaliteit van Juliana’s gedichten is constant goed. Lauffer laat nog wel eens een steekje vallen. En, nogmaals, Juliana is niet zo met zichzelf bezig, maar is meestal gericht op de Ander. En zijn taal is voorbeeldig, in alle opzichten. Lauffer is een groot dichter, maar Juliana een tikkeltje groter. Maar dat is zuiver persoonlijk.

Is hij als dichter eerder als aanstichter of een pacifist te beschouwen?
Als je je afvraagt hoe hij zijn kritiek verpakt in zijn gedichten, ja, dan is hij een mild en vredelievend mens in zijn gedichten. Je zal bij hem geen heilige woede tegen het kolonialisme vinden zoals je die wel aantreft bij Frans-Caribische dichters als Césaire of Dumas. Zelfs in zijn meest beschuldigende gedichten (‘Proklamashon’) is hij nog ironisch. Juliana is geen dichter die op de barricades staat. Zijn boodschap is niettemin helder.

Wat kunnen jonge dichters van Elis Juliana leren?
Vakmanschap. Vooral zorgvuldig taalgebruik. Elis Juliana is een typische volgeling van het voorschrift van de Franse dichter Boileau: ‘vingt fois sur le métier remettez votre ouvrage; polissez-le et le repolissez’ (span twintig keer je werk op het weefgetouw; poets het op en poets het nóg eens op). Hij kiest zijn woorden zorgvuldig en is niet tevreden met half werk. Daarbij maakt hij gebruik van allerlei stijlmiddelen zoals rijm, assonantie en alliteratie. Lauffer, daarentegen, heeft iets tegen rijm omdat hij niet in een dwangbuis wil zitten, maar hij vergeet dat rijm ook juist vanwege die dwang heel mooie resultaten kan geven. In zijn vroege werk heeft Pierre Lauffer wèl gebruik gemaakt van rijm, maar dat zijn niet zijn beste producten geworden. Dat verklaart ook, in elk geval deels, zijn weerzin tegen rijm. Lauffer was de meester van het ritme. Maar dat was Juliana ook en daarin was Juliana zelfs schatplichtig aan Lauffer. Ook was Juliana in staat om die stijlmiddelen door zijn perfecte voordracht goed te laten uitkomen. Je hoort de trommels in zijn voordracht en de muziek in de zangerige klanken van de taal, klanken die ook kenmerkend zijn voor Afrikaanse toontalen. Uiteindelijk heeft het Papiaments ook zijn wortels in Afrika. Dat is een van de charmes van die taal. Ook een stuk erfgoed dat je moet koesteren.

Is men op Curaçao eigenlijk bekend met het werk van de dichter?
Het Antilliaanse volk is geen volk van lezers. Juliana is vooral bekend geworden door de persoonlijke manier waarop hij zijn gedichten voordroeg. Hij was een geweldig voordrachtskunstenaar. Hij heeft in 1958 eens, met Norman Morón achter de piano, een show gegeven in Roxy op Pietermaai die tweeënhalf uur duurde. De mensen zaten op het puntje van hun stoel. Ook zijn z’n gedichten door hem op de plaat en later op CD gezet. Dus op Curaçao is hij bekend vanwege zijn voordracht. Daarom is ‘Hé Patu’ zo bekend geworden. Het is door Padú Lampe (‘Padú del Caribe’) op muziek gezet en door honderden schoolkinderen in alle klassen van de Antillen gezongen.


juliana-he_paturgb72.jpg Onlangs hield u een pleidooi om een standbeeld voor Elis Juliana op te richten. Waarom?
Elis Juliana is in veel opzichten een rolmodel voor iedereen. Hij heeft laten zien wat je allemaal kan bereiken door je hele leven hard te werken en bescheiden te blijven. Juliana is een autodidact. Hij heeft heel veel zelf moeten ontdekken, leren en ontwikkelen. Dat verdient bewondering. En des te meer bewondering omdat hij zijn talenten echt heeft benut. Hij was niet alleen dichter, maar ook schrijver, voordrachtskunstenaar en tekenaar. Ook heeft hij zich beziggehouden met het bestuderen van de Curaçaose geschiedenis via archeologisch onderzoek. Hij ging, samen met pater Brenneker, op bezoek bij oudere mensen om hun verhalen en liederen te noteren. Hij heeft heel veel materiaal verzameld dat nog allemaal bestudeerd kan worden. Kortom, Juliana is een landgenoot op wie je trots kan zijn. Een prima vervanging voor het standbeeld van Stuyvesant zou ik zeggen.


[uit Caribe Magazine, 26 oktober 2011]