woensdag 28 september 2011

Thumbs Up voor Ruth San A Jongs De Laatste Parade


Paramaribo - Ruth San A Jongs debuutbundel De Laatste Parade is de moeite waard! Aan die indruk viel niet te ontkomen dinsdagavond tijdens de presentatie van het boek bij Eftee Boekhandel in The Back Lot-mall. De sofa op het podium leek soms te klein, en de gebrekkige belichting bleek soms een uitdaging, maar dat mocht de pret niet drukken; in haar openbare interview met journalist Marvin Hokstam dat feilloos werd bijeengeknoopt door conferencier Marisa Pieplenbosch en muzikanten Jim Westfa en Gordon Brandon, vertelde Ruth over de ervaringen die negen verhalen van gedachtenspinsel tot bijeengebundelde “pageturner” begeleidden. Een aangrijpend boek, gepresenteerd op een boeiende avond die menig aanwezige zich nog lang zal heugen; daar zorgde het passende, satirische optreden van dichter Celestine Raalte wel voor.



De Laatste Parade schotelt de lezer een overmaat aan verhalen over de dood en het tijdelijke van het leven voor, lijkt op het eerste gezicht. “Dood hoort bij het leven; net als seksualiteit en religie,” verklaart San A Jong. Desondanks is ze door haar meesterlijke vertelkunst in staat het onderwerp zodanig te brengen dat het lugubere, griezelige van het onderwerp niet de hoofdtoon voert in het boek. Ze is heel gedetailleerd over het ritueel omtrent overlijden, afleggen, begraven en zelfs grafschennis bij Creolen, maar breidt er moeiteloos aangrijpende verhalen omheen. Ieder stuk ademt zijn eigen karakter uit; de nasleep van een brute verkrachting die een kind ter wereld bracht, de verzwegen reden dat een overleden vriend de dromen van zijn overlevende makker tot kwelling maakt … met gemak presenteert de schrijfster haar verrassende onderwerpen op verfrissende manier. San A Jong zegt dat ze taboes bespreekbaar maakt door de drie onderwerpen – dood, seksualiteit en religie - in haar boek te verweven. “Ja, in sommige verhalen komen inderdaad mijn eigen irritatie en verontwaardiging over bepaalde onderwerpen in onze samenleving naar voren,” geeft ze toe.


Ze beaamt ook dat ze aandacht eist voor actuele maatschappelijke onderwerpen, zoals het leed van in de voormalige ‘s Lands Psychiatrische Inrichting wegkwijnende geestesgestoorden en de uitdagingen van de binnenlandse vrouw die ongewild naar Paramaribo moest vluchten tijdens de binnenlandse oorlog.

“De oude, gebruikelijke onderwerpen van kolonialisme en discriminatie boeien mij en de Surinaamse lezer niet meer; we hebben zoveel andere verhalen te vertellen,” zegt ze, een onverholen uitdaging naar onontdekt talent.


Het boek, dat is opgedragen aan haar vormgever John Falix die vorig jaar plotseling overleed, is uitgegeven bij uitgeverij In de Knipscheer in Nederland. Het kost SRD 75 en is te koop in alle boekwinkels. San A Jong vertelt dat er nog veel meer uit haar pen zal voortvloeien. “Ik heb dozen vol verhalen op papier; ben nu bezig met de synopsis van een roman,” zegt ze. Met het onderwerp “dood” is ze voorlopig klaar.

In gesprek met kinderboekenschrijvers: Sjoerd Kuyper en Roland Colastica

Een kijkje in het kinderboekenschrijven-laboratorium...

Sjoerd Kuyper is één van de belangrijkste kinderboekenschrijvers in Nederland, maar ook op de Caribische eilanden van het Koninkrijk. Hij heeft verschillende keren tijdens het kinderboeken-festival kinderen op scholen en in bibliotheken op de eilanden bezocht en voorgelezen. Hij heeft niet alleen kinderboeken, maar ook voor volwassenen geschreven. Daarnaast is hij bekend van zijn tv-series en films, zijn laatste film: 'Mijn Opa is een bankrover.' Meermalen bekroond met prijzen! Hij coachte aankomende schrijvers o.a. Roland Colastica van Curaçao en Liliane Erasmus van Aruba.

Om meer te weten van Sjoerd Kuyper ga naar: http://www.sjoerdkuyper.com
En voor Roland Colastica: http://www.rolandcolastica.com

Datum: 15 oktober 2011
Tijd: 13 u – 16.00 u
Plaats: PROFOR, Keienbergweg 3, 1101 EZ Amsterdam-zuidoost
Toegangsprijs: 5 euro (ook voor leden)

dinsdag 27 september 2011

Suriname, South America’s Hidden Treasure













foto: Tomas Munita for The New York Times: Sunrise on the Suriname River, near the Anaula Nature Resort

THE road to Atjoni got more interesting as the wind grew stronger, making the surrounding ceiba trees of the Surinamese jungle murmur with whispers of an impending storm. We were hours into the country’s interior when we came across a solitary hunter. He had a shotgun slung from his shoulder and a machete sheathed at his waist. We stopped to talk. After brief introductions, things became complicated.
Asked about his luck so far in stalking that day’s prey, he laughed and said a few words in Saramaka, the language of his Maroon people, who are descended from slaves who escaped into Suriname’s jungles. Sensing our inability to get by in Saramaka, he switched to Dutch, pointing at a nearby tree where he had just spotted some movement, laughed again and said, “boom kip,” which literally means “tree chicken.” Our blank stares prompted him to switch languages yet again, this time to Sranan Tongo, the extraordinarily playful Creole language that borrows from English, Dutch and Portuguese and is Suriname’s lingua franca. “Legwana,” he said, and finally we understood that he meant iguana. He then explained that he was after something a bit more satisfying, some “pingo” (wild boar), perhaps, or “hei,” a coveted forest rodent called paca in English. With a broad smile, he waved us on our way down that jungle road to Atjoni, a crossing at a bend of the Suriname River.

Kwelgeesten rond de kapokboom

Wel eens met afgehakte hanenvleugels in je handen gestaan? Gewoon gevonden tijdens een wandeltocht in het bos. Of bij toeval een plek met een bijzonder sterke energie tegen gekomen? Een plek waar je steeds naar terug moet keren?


Auteur Charlotte Doornhein en beeldend kunstenaar Frouwkje Smit schetsen met de crossover roman en de kunstvideo Kwelgeesten rond de kapokboom uitzonderlijke verhalen die zich afspelen rond een natuurgebied op Curaçao waar in vroegere tijden Indianen woonden.

Festival Hollandse Nieuwe

Op vrijdag 4 november 2011 om 18.30 uur vindt de lancering plaats van de roman en de kunstvideo tijdens het festival Hollandse Nieuwe in Amsterdam. Uiteraard wordt op deze avond de video bekeken en wordt het boek door eregasten Sjoerd Kuyper en John Leerdam op Curaçaose wijze gedoopt. Gevolgd door korte theatrale voordrachten uit het boek gebracht door de jonge kunstenaars Lianne Karel en Jörgen Gario (insiders kennen hem als UNOM) en de doorgewinterde verhalenvertellers Igma van Putte – de Windt en Henk de Reus. Locatie: MC theater op het Westergasfabriekterrein, in de Grote Studio. Toegang voor de boeklancering is gratis, aanmelden verplicht viakassa@mconline.nl

Lancering op de eilanden



Na de lancering in Amsterdam reizen Charlotte Doornhein en Frouwkje Smit meteen door naar Curaçao en Bonaire. Van 5 tot en met 16 november is de kinderboekenweek op deze eilanden. De roman en kunstvideo Kwelgeesten rond de kapokboom wordt dan gepresenteerd aan middelbare scholieren in Teatro Luna Blou.



Uitgeverij en QR-codes


i>Kwelgeesten rond de kapokboom is een boek voor 16+ en uitgegeven door Caribpublishing / uitgeverij SWP. In het boek hebben lezers met hun smartphone onbeperkt toegang tot de kunstvideo via QR-codes. ISBN 978 94 6154 018 8.














Sponsors







De kunstvideo is tot stand gekomen dankzij de Curaçaose sponsors Sigmund & Marina Jansen, Stichting Signaal Sosial, Charlotte’s WeBB, Inter-Assure Insurances, NetPro Group – IT Solutions & Education en Bamali fashion.















Website Kwelgeesten rond de kapokboom







Meer kwelgeesten ontmoeten? Kijk dan opwww.kapokboom.info

'Curaçaoënaars van de oude stempel zijn een beetje huichelachtig'

Hij gaf Franse les aan het Radulphus College op Curaçao. Een leerling van zijn klas keek even door het glas van de deur waarmee de twee lokalen verbonden waren en ging weer zitten. “Even later kwam de collega uit de andere klas binnen. Een Nederlander. Hij zei: ‘Welke makaku stond bij mij door het raam in de klas te kijken!’ Ik sta nog perplex, als ik hieraan terugdenk”, vertelt Fred de Haas. “Ik vroeg me af waarom de leerlingen zijn collega niet aanvlogen, maar opeens drong het tot me door. Ze waren bang. Ze dachten, bewust of onbewust, dat ze nooit van school of van het eiland zouden raken als ze moeilijkheden zouden maken. Die angst stamt nog uit de slaventijd.”

Een vergelijkbare herinnering heeft De Haas aan de rellen van 30 mei 1969, vier jaar later. De Nederlandse leraren overwogen de mogelijkheden om weg te komen van de school, bang dat het geweld in de stad zich persoonlijk tegen hen zou richten. “De gezichten stonden somber en één leraar zei: ‘Geef me een geweer. Dan schiet ik ze allemaal kapot.’ Hij begrijpt er helemaal niets van,dacht ik toen.”

Dergelijke incidenten vormden de directe aanleiding voor De Haas om cultuur een nog belangrijkere rol te laten spelen tijdens en buiten de les. “Ik vatte het plan op om een tambú-groep op te richten met leerlingen. Ze wilden het eerst niet, maar ik hield hen voordat de tambú echt iets van hen was, van de Antilliaanse cultuur. Uiteindelijk kregen ze er plezier in en traden ze op, uitgedost in door henzelf gemaakte min of meer traditionele kleding.” De Haas richtte ook een Aguinaldo-groep op, zorgde ervoor dat een leerling van Luciano ‘Chan’ Koots, de benta leerde bespelen en organiseerde culturele shows in samenwerking met Toni Halabi op Curaçao en met Robbie Schouten en Halabi op Aruba.

Inmiddels is De Haas 73 en al jaren met pensioen, maar eigenlijk geeft hij nog altijd les. Niet op school, maar door middel van krantenartikelen over de Caribische literatuur, ingezonden brieven en vertalingen van Papiamentstalige, Franstalige en Spaanstalige gedichten. Op 25 september wordt in Amsterdam zijn vertaling gepresenteerd van de dichtbundel Hé Patu/Waggeleend van Elis Juliana, een dichter van onschatbare waarde voor de bewustmaking van de Curaçaose bevolking, een man die volgens De Haas een standbeeld verdient.

Juliana stelt in zijn werk niet zichzelf centraal en weet als geen ander de gevoelens van schaamte en minderwaardigheid van Curaçaoënaars te verwoorden. “Curaçaoënaars van de oude stempel zijn onzeker, een beetje huichelachtig. Ze durven niets direct te zeggen, maar gebruiken verhullende taal. Juliana merkte dat in de gesprekken die hij voerde met oudere generaties. Ze spraken zonder daarbij hun echte gevoelens over te brengen. Ik sprak ooit een keer met een Antilliaanse politicus in Nederland hierover en hij zei: Curaçaoënaars zijn negentig procent harimentu (gelach) en tien procent bullshit. Hij meende het. Ik snap het. Kijk maar hoeveel er gelachen wordt door Antillianen.

Natuurlijk, veel Antillianen functioneren gewoon goed in de maatschappij, maar die lacherige houding zit er gewoon in. Dat betekent dat er iets fout zit met het zelfbeeld. Curaçaoënaars kregen decennia lang te horen dat hun cultuur niet deugde, hun tradities niet deugden en dat hun taal inferieur was. Die gedachte hebben ze overgenomen. Ze hebben jarenlang een imitatiecultuur gehad.Schrijvers op de Antillen zijn begonnen met schrijven in het Nederlands. Ik meen dat het Luis Daal was, die nog in 1941 zei dat ‘verheven’ ideeën beter konden worden uitgedrukt in het Nederlands, Engels of Spaans dan in het Papiaments. Tegelijkertijd nam Nederland nooit de moeite om de Nederlandse taalgoed te onderwijzen op de eilanden. Dat gebeurde pas na de komst van de Shell en de Nederlandse werknemers. De Fransen onderwezen wel de Franse taal in hun kolonies. De bevolking die naar school is gegaan, spreekt perfect Frans. Dat betekent niet dat ze niet de pest hebben aan de Fransen.”

Maakte dat een groot verschil?
“De Fransen zijn honderd keer arroganter dan de Nederlanders. Dat irriteerde de zwarte intellectuelen zo dat ze zich hoelanger hoe meer bewust werden van de waarde van hun eigen tradities. De geprivilegieerde inwoners van de Franse kolonies gingen al heel vroeg studeren in Parijs,richtten tijdschriften op en schreven felle poëzie en artikelen tegen dementale kolonisatie. Zo was er de ‘négritude’-beweging van Aimé Césaire die draaide om de zwarte identiteit en die op Afrika gericht was. Maar de kolonies in het Caribisch gebied hebben niets gemeen met Afrika. Op de Franse Caribische eilanden was er sprake van een geheel eigen cultuurbeweging, die bepaald werd door mensen van Afrikaanse afkomst, maar ook door Indiërs en Chinezen. Op Curaçao kwam de bewustwording van een eigen identiteit veel later tot stand en toonden de meeste critici zich toch vol begrip voor de koloniale machthebbers.Maar in de tambú-liederen leefden de zangers zich uit en spuiden naar hartenlust hun kritiek op de regering. Zo had je Shon Kolá met zijn kritiek op de Democratische Partij, de partij van de blanke protestanten, de Nederlandse passanten en de Surinaamse immigranten. Shon Kolá veegde de vloer aan met de politici van de Democratische Partij. Maar daar bleef het bij. Een van de eersten die zich echt boos maakte, was Frank Martinus Arion. Hij beschuldigde de Nederlanders ervan dat ze in de afgelopen 350 jaar geen greintje beschaving hadden gebracht. Niet helemaal ten onrechte.

U was vast bij de herdenking van de slavernijopstand.

“Ik heb over mijn aanwezigheid bij zulke gelegenheden dubbele gevoelens. Ik interesseer me wel voor het fenomeen, maar ik vind dat herdenken meer een zaak is van mensen die er meer bij betrokken zijn.Ik kan toch niet voelen wat mensen beleven die hier meer verwantschap mee hebben. Ik wil geen bermtoerist zijn, iemand die uit nieuwsgierigheid komt kijken. Het is goed om de slavernij te blijven herdenken, zolang mensen nog steeds moeite met het verleden hebben. Alleen moet herdenken wel uit het hart komen. En de slachtofferrol moet worden vermeden. Herdenken heeft ook een functie als waarschuwing tegen discriminatie, want die is met de slavernij in alle hevigheid begonnen en duurt nog altijd voort. Maar ja, je moet ook niet verwachten dat er op woensdag geen sprake meer is van slavernij als ie op dinsdag wordt afgeschaft. Nederland is 350 jaar aan de macht geweest. Helmin Wiels kan dat vacuüm niet zomaar opvullen en anderen ook niet. Curaçao zal echt wel eens onafhankelijk worden, alleen nu nog niet.”

Het zijn ideeën die ik eerder zou verwachten bij een iemand met een donkere huidskleur in traditionele kleding.
“Ik krijg veel scheldbrieven. Ze noemen me een racist, een negervriend en soms een fellow traveler, een vroegere benaming voor mensen die met de communisten heulden. Wat een niveau! Mensen gaan meteen schelden en komen niet met argumenten. Ik vind dat Wiels soms verstandige dingen zegt. Vooral als hij in besloten kring tegen zijn mensen spreekt. Hij neemt de moeite om de mensen bewust te maken van hun geschiedenis.Hij heeft ook ooit een spotje opgenomen, waarin hij een banaan opeet achter tralies. Ik vond dat een goede grap. Hij houdt sommige mensen gewoon een spiegel voor en maakt duidelijk dat ze vroeger als apen gezien werden.Natuurlijk maakt Wiels ook fouten. Hij doet, bijvoorbeeld, Hugo Chávez na. Nadoen is altijd zwak. Er is een ander politiek tijdperk voor Curaçao aangebroken. Dat gaat van ‘au’. En het feit dat je door je eigen mensen geregeerd wordt, betekent nog niet dat je goed geregeerd wordt. Goed regeren betekent dat de belangen van de Curaçaose bevolking worden gediend, niet alleen die van jezelf. En het allerbelangrijkste blijft natuurlijk het belang van het kind, de toekomstige burger. Het zou verstandig zijn als de regering besloot om Engels de instructietaal van de school te maken om het Antilliaanse kind zoveel mogelijk kansen in de wereld te geven.”

Waarom Engels?
“Engels is een wereldtaal en voor een Antilliaan gemakkelijker dan Nederlands, want er zitten veel Romaanse woorden in en mensen horen het veel meer om zich heen. Nederlands als instructietaal slaat in deze tijd nergens meer op en leraren hebben ook geen zin meer om Nederlands te spreken tegen hun leerlingen. Spaans is niet echt een wereldtaal.Dat spreekt men eigenlijk alleen in Spanje en Zuid-Amerika. Als de regering besluit om Engels als onderwijstaal te gebruiken, dan krijgen docenten ook een echte uitdaging en hebben kans om zichzelf te ontwikkelen via cursussen elders in het Caribisch gebied of daarbuiten; ze kunnen dan ook over goede leerboeken beschikken. De Antilliaanse regering zou contact kunnen leggen met goede universiteiten in de Verenigde Staten om zo’n overgang te begeleiden. In het lager onderwijs zou natuurlijk Papiaments moeten worden gebruikt en als kinderen eenmaal een goede basis hebben in de moedertaal, kunnen ze spelenderwijs bekend gemaakt worden met Engels, bijvoorbeelddoor aardrijkskunde- of geschiedenislessen in het Engels.”

Tegenstanders zeggen dat het Papiaments een te kleine woordenschat heeft.

“Het Frans, het Engels en het Spaans zijn oude talen. Die hebben allerlei woorden kunnen absorberen, in de eerste plaats uit het Latijn. De woordenschat en de grammatica hebben zich over 1500jaar ontwikkeld. Het Papiaments bestaat nog niet zo lang en is pas 500 jaar geleden begonnen in de slavendepots, maar het is nu wel een volwaardige taal.Het is echter ook een taal die maar door 300.000 mensen wordt gesproken en daar kom je niet zo ver mee in de grote wereld. Je moet kinderen opvangen in hun moedertaal. Dat stelt ze op hun gemak en dat ben je ook aan hun onzekere gevoelens verplicht. Je moet ze bewust maken van hun eigen geschiedenis in hun moedertaal en veel verhalen en gedichten lezen, bijvoorbeeld Atardi van Jozef Sickman Corsen, Balada di Buchi Fil van Pierre Lauffer en Hé Patu van Juliana en nog zoveel andere juweeltjes uit de Papiamentstalige literatuur. Je moet kinderen leren waar ze vandaan komen en wat hun plaats in de wereld is. Dat biedt hen houvast. Je moet zorgen voor belangrijke bewustwordingsmomenten in hun leven. Zeg niet dat ze iets moeten doen omdat jij het zegt, maar leg uit waarom het zin heeft dat ze bepaalde dingen leren. Dat ze zich later dankbaar herinneren wat meester Huppeldepup zei. Bied ze perspectief. Kinderen moeten niet denken dat Curaçao de navel van de aarde is. Maar ze moeten weten waar Curaçao ligt en wat er allemaal voor mensen en landen om Curaçao heen liggen. Begin maar met de geschiedenis van de indianen. Vertel ze over Columbus, over de Spanjaarden, de Nederlanders, de opstand in Haïti, de slaventijd, de vrijwording en de invloeden die dat allemaal heeft gehad op het volkskarakter. Ze hebben niets meer te maken met Afrika,maar wel met flarden van de Afrikaanse cultuur. Niet iedereen hoeft de tambú te dansen, maar bewaar dat erfgoed en maak de kinderen bewust van het feit dat ze over dit erfgoed kunnen beschikken en er trots op kunnen zijn.”

Gaat u niet voorbij aan de aanwezigheid van de Nederlandse gemeenschap op Curaçao?

“Het is niet uitsluitend de taak van de Antilliaanse regering om ervoor te zorgen dat de Nederlandse gemeenschap het naar z’n zin heeft. Nederlanders maken maar een heel klein deel van de bevolking uit, dat heel goed voor zichzelf kan opkomen. Daar zijn ze slim genoeg voor. Dat betekent natuurlijk zeker niet dat je ze moet discrimineren vanwege het verleden. De huidige generatie Europeanen kan er niets doen wat hun voorouders gedaan hebben. Ik vind trouwens, dat Nederland de morele plicht heeft om tot het eind te helpen bij de ontwikkeling van de voormalige koloniën. Net zoals je een kind helpt, ook al schopt het tegen je aan.”

Politici zullen het wel eens zijn met het geven van prioriteit aan onderwijs. Waarom lijkt het dan toch niet te lukken?
“De regering moet zorgen voor meer sturing. Men moet goede opleidingen creëren, goede leerboeken beschikbaar stellen op school en docenten verplichten om ze te behandelen. Desnoods zetten ze er maar een sanctie op, als een soort stok achter de deur. Voor de hoofden van school, niet voor de leraren. Dat zijn over het algemeen geen erg weerbare types, geen mensen die luid protesteren. Onderwijzers en leraren moet je beschermen. Ze worden altijd als sluitpost gezien, terwijl ze zo’n essentieel onderdeel zijn in de opvoeding. Maar ja, met onderwijs kan de politiek niet scoren, hè? Aan de andere kant moeten onderwijzers en leraren wel leren om samen te werken, want het zijn vaak allemaal baasjes in hun eigen klas. Dat was ook de kern van het internationale leerplan dat ik samen met collega’s van internationale scholen uit Argentinië, Canada, Oostenrijk, Frankrijk en Nederland mocht helpen ontwikkelen. Leraren moeten hun eigen vak onderwijzen,maar er ook voor zorgen dat ze daarbij allemaal een aantal onderwerpen behandelen als, bijvoorbeeld, burgerschap, geschiedenis, de inventiviteit van de mens, enzovoorts. Daar kun je het bij muziekles over hebben, bij taal, bij alle vakken. Aan het einde van vier jaar middelbare school laat je ze een groot opstel schrijven om ze de kans te geven te laten zien dat ze er iets van hebben begrepen. Geef leraren een focus om onderlinge samenwerking te bevorderen. Goede opleidingen voor leraren en onderwijzers zijn cruciaal. Geen gebeunhaas voor de klas. Maar dat kost geld en moeite.”

Zou u eigenlijk niet veel liever nog steeds voor de klas staan?
“Nee. Ik schrijf nu artikelen, waarmensen misschien iets aan hebben. Ik heb niet de idiote pretentie dat mensen volgende week gaan doen wat ik zeg, maar misschien worden er een paar mensen,een paar leraren aan het denken gezet. Ik weet dat sommige politici ook mijn stukken lezen. Ik hoor het soms als ze formuleringen gebruiken die ik kort daarvoor heb opgeschreven. Dus een beetje invloed heb ik wel. Ik hoop dat mensen er hun voordeel mee kunnen doen. En daar ga ik mee door zolang ik kan.”

De band die Fred de Haas heeft met Zuid-Amerika, komt voort uit zijn liefde voor Zuid-Amerikaanse muziek. Reeds als tiener was hij een groot bewonderaar van Los Paraguayos, Los Panchos en de Sonora Matancera. “Ik hield van het ritme. Tegelijk met mijn taalstudie ben ik begonnen met het beoefenen van de Zuid-Amerikaanse muziek. Ik zocht mensen om muziek mee te maken en kwam in contact met Angel Salsbach, die in die tijd in Utrecht landmeetkunde studeerde. Hij had een nicht die voor onderwijzeres studeerde, een fantastische meid, met wie ik later verloofd was en met wie ik zou gaan trouwen. Toen besloot ik om ook het Papiaments te leren.” Omdat Antillianen destijds terug naar de Antillen moesten om te helpen bij de opbouw van hun land, raakte de verloving uit, maar de liefde voor het Caribisch gebied bleef.

Tot op de dag van vandaag is De Haas leider, zanger, gitaristen presentator van het Latijns-Amerikaanse Ensemble Alma Latina. Hij is nu getrouwd met een Arubaans-Curaçaose vrouw.



[uit Amigoe Ñapa, 24 september 2011]

PRINSES IVANA



















Er was eens een prinsesje. Ze heette prinses Ivana; de dochter van koning Bawe en koningin Sinfra. Prinses Ivana was een prachtige baby. Ze had heldere donkerbruine ogen, een perfecte platte neus en mooie volle lippen. Zoals alle meisjes moest ook prinses Ivana elke dag haar haren kammen. Haar gevlochten haren werden mooi gemaakt met kraaltjes, speldjes of strikjes.
Het prinsesje vond haren kammen vervelend. Al dat getrek aan haar haren, deed pijn.
Op een dag besloot ze dat ze haar haren niet meer wilde kammen. Nooit, nooit meer.


Prinses Ivana werd ouder en ouder en haar haren werden kaya kaya; een warrige bos haar, op haar hoofd. Ze beleeft hierdoor verschillende avonturen tot zij op een dag een mooie prins ontmoet.

Prinses Ivana is een eigentijds sprookje met herkenbare situaties voor jonge lezers of luisteraars. De vrolijke, gekleurde illustraties spreken tot de verbeelding van jong en oud.
Een leuk cadeau voor uw kind, kleinkind, neefje , nichtje of buurkind!

Prinses Ivana is een sprookje geschreven door Hilli Arduin.
Het boek, is vanaf eind oktober verkrijgbaar bij de schrijfster.

Voor vragen kunt u contact opnemen via onderstaande gegevens:

Hilli Arduin, schrijfster/vertelkunstenares
Emailadres:
h.f.arduin@gmail.com
Kijk ook eens op: www.hillivertelt.nl






maandag 26 september 2011

Aart G. Broek : Mooie mannen in de mondi (een hekeldicht)

Gepresenteerd in het programma Curaçao! Curaçao! Mozaïek Podium, Amsterdam, 25 september 2011.

De Nederlands-Caribische eilanden hebben geen Nederlandse passanten nodig om kritische kanttekeningen te plaatsen bij het wel en wee van het eilandelijk samenleven. Daar zijn zij zelf bijzonder goed in. Toch bemoei ik mij al dertig jaar met de eilanden. We vormen tenslotte met elkaar het Koninkrijk der Nederlanden en bijgevolg kijken we bij elkaar in de keuken. Ik heb op de eilanden heel veel smaakvolle ervaringen opgedaan. Verleidelijk smaakvol – waardoor ik er twintig jaar ben blijven wonen en mij er nog iedere dag mee bezighoud.
Ik deed echter ook ervaringen op, die mij dwongen om anders naar hartstocht, liefde en vriendschap te kijken: met ironie, licht sarcasme, zelfs cynisme. Die toonaarden vonden hun weg naar hekeldichten als ‘Mooie mannen in de mondi’.

Aan beide zijden van de oceaan zijn we de afgelopen decennia volop bezig geweest om te benadrukken dat er aanzienlijke verschillen bestaan tussen de mensen uit de diverse culturen. We leken onbereikbaar ver uiteen te staan. Zeker om subsidie te krijgen, is die speelkaart vaak ingezet.
Niets is minder waar, we hebben als mensen bovenal heel veel zaken gemeen en verschillen enigszins in, bij wijze van spreken, het patroon van de verpakking: op Curaçao pak je een snack met een servet in Nederland met je handen, maar eetlust hebben we allemaal. We verschillen helemaal niet in ons basale emotionele huishouden en niet in onze basale behoeftes. Zelfs de wijze waarop we die bevredigen kent maar een beperkt aantal variaties. Over het algemeen zijn we genetisch en neurologisch op dezelfde wijze ‘gefabriceerd’.
We lijken onbereikbaar ver uiteen te staan. Zeker om politiek gewin, is die speelkaart vaak ingezet. Het gemekker op de Nederlands-Caribische eilanden dat homoseksuele en lesbische relaties niet ‘eigen’ zijn aan het eilandelijk samenleven, stuit dan ook tegen de borst. Het is sowieso eigen aan de menselijke natuur. In de wijze waarop mensen ermee omgaan – de verpakking dus – kunnen we enigszins verschillen. Over die verpakking wil ik het niet hebben, maar wel over de Antilliaanse weerzin tegen de ‘natuur’. De ‘opportunistische weerzin’ tegen deelaspecten van de menselijke natuur, moet ik zeggen. Vandaar het spotdicht ‘Mooie mannen in de mondi’, dat geënt is op De Leeuws ‘Blote mannen in het park’.
Bij homofobe tegenwind op de eilanden worden ‘mooie mannen in de mondi’ gewoon ‘blote mannen in het park’ : dat behoort de geneugten van het Koninkrijk der Nederlanden toe. Het moederland als toevluchtsoord.
[Zie ook 'Bestuurlijke zinnen' - elders op Caraibisch Uitzicht of carilexis ]

MOOIE MANNEN IN DE MONDI 1]
Aart G. Broek

Mon ultime prière: O mon corps, fais de moi toujours un homme qui interoge!
Frantz Fanon, Peau noire, masques blancs. 1952

Ze lopen nonchalant
of ze liggen in het droge gras,
zitten fier op een rots,
verlangend blikkend naar het moederland.
Ze staan soms met z’n tweeën
of soms struinen ze alleen.
Altijd als ik er een zie lopen
dan denk ik waar wil’ie heen.
Dan staan ze weer te lachen
of ze spelen de machoman,
soms hebben ze zich in de olie gezet
en glinsteren in de trillende zon.

Frans Lopulalan: Een zoon van Porto

Hoe is het u vergaan, soldaat van het Koninklijk Nederlandsch Indisch leger? En hoe vergaat het jou, mijn zoon? Met deze vragen in hun ransel gaan de Molukse schrijver Frans Lopulalan en zijn zoon Benja terug naar het land waar ze nog nimmer waren: het land van de voorouders. Een reis langs het erfgoed van de Molukken en een onontkoombare zoektocht naar de essentie van het bestaan. Frans Lopulalan is de auteur van ‘Onder de sneeuw een Indisch graf’ (een tweeluik als roman) en de bundel ‘Dakloze herinneringen’.
‘Een zoon van Porto’ is een film van Annelotte Verhaagen. Eerste vertoningen op het Nederlands Filmfestival op woensdag 28 september 2011 om 22.15 uur en op donderdag 29 september om 12.00 uur (Louis Hartlooper Complex 3; Tolsteegbrug 1, Utrecht). Duur 53 min. – original language: Dutch / Moluccan Malay / Nederlands / Engelse ondertitels.

zondag 25 september 2011

Katholieke missie in Suriname

Een halve eeuw eeuw in Suriname, 1866-1916. Ter dankbare herinnering aan het het gouden jubilé van de aankomst der eerste redemptoristen redemptoristen in de missie van Suriname door eenige missionarissen derzelfde missie. Hertogenbosch: 1916. 96 pp.


Van de personen met een nummer zijn de namen vermeld. De drie jongens op de voorgrond dragen geen nummer en hun namen blijven helaas onvermeld


Dit boek geeft een prachtig inzicht in de geschiedenis van de eerste redemptoristen in Suriname. Het bevat een aantal mooie foto’s van katholieke kerken en schoolkinderen. Een groot portret van Petrus Donders ontbreekt uiteraard niet (zie onder). Dat er bij de makers nog weinig bekendheid was met Suriname mag blijken uit het onderschrift bij een foto van een groepje indianen: ”Een Boschnegerkamp.”

Lees verder over de katholieke missie in Suriname door hier te klikken.

Kinderen, kunstenaars en krankzinnigen

Bestaat er een verband tussen de grootte van een land en de omgang van dat land met zijn geschiedenis? In haar prikkelende essay A Small Place (1988) stelt Jamaica Kincaid dat in kleine landen mensen door kleine gebeurtenissen in beslag worden genomen en dat deze gebeurtenissen hun denken en handelen bepalen. Volgens Kincaid gaat het altijd om aangelegenheden van locale aard. Mensen die een klein land wonen, zo vervolgt zij haar betoog, hebben moeite zichzelf als deel van een groter geheel te beschouwen en zichzelf te positioneren in een keten van gebeurtenissen. Ook exactheid en volledigheid zijn hen vreemd. Hun tijdsbesef wordt niet gestuurd door een scherp onderscheid tussen verleden, heden en toekomst. Een gebeurtenis uit het heden kan zich zo ongrijpbaar voordoen dat het evengoed om iets van honderd jaar geleden zou kunnen gaan. Omgekeerd kan iets uit een ver verleden worden beleefd alsof het zich in de actualiteit afspeelt.

zaterdag 24 september 2011

Hot Brazilian Wax, Eric de Brabander

door Karel de Vey Mestdagh

De canon van de Nederlands-Antilliaanse literatuur is bijeen geschreven door een handjevol auteurs: Cola Debrot, Boelie van Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion. Door de teloorgang van het Nederlands in het tropische deel van ons Koninkrijk was de verwachting dat het daarbij ook wel zou blijven. In een interview in NRC/Handelsblad, in 2004, verzuchtte Tip Marugg: ‘Als wij [Marugg zelf, Van Leeuwen en Arion] dood zijn, is het voorbij.’ Van de drie – Debrot overleed al in 1981 – leeft alleen Arion nog, die overigens in 2006 met de heruitgave van zijn roman Dubbelspel onverwacht veel aandacht kreeg tijdens de CPNB-actie ‘Nederland leest’. De sombere voorspelling van Marugg is gelogenstraft met het verschijnen van een aantal sterke romans van de hand van de Curaçaose advocaat en auteur Erich Zielinski, waaronder De engelenbron (2004) en De prijs van de zee (2008). Zielinski schrijft zinderend proza in de beste Caribische traditie dat niet onderdoet voor het werk van de ‘grote vier’.
En sinds kort hebben we ook kennis kunnen maken met Eric de Brabander. Hoewel zijn naam anders doet vermoeden, is De Brabander een schrijver van een onweerlegbaar Antilliaans snit. Zijn debuut uit 2009, Het hiernamaals van Doña Lisa, heeft de intensiteit en broeierigheid die de streek en zijn schrijvers zo kenmerken. Het verhaal over vier man op een barkje toont sterke trekken van het karakteristieke Zuid-Amerikaanse fabuleren. Het deel dat speelt op de kust van Venezuela (waar het viertal na een oversteek vanuit Curaçao terechtkomt) is meeslepende literatuur die blijk geeft van gedegen schrijverschap. Het doet denken aan het in Nederland onopgemerkt gebleven De muggen van San Antonio, van de Curaçaose schrijver-journalist J. van de Walle, waarin de auteur de schrijfstijl van Gabriel Garcia Márquez evenaart. Eric de Brabander gaf met zijn ‘Hiernamaals’ een visitekaartje af als verteller pur sang.

dinsdag 20 september 2011

SEVEN HAIKU REFLECTIONS IN THREE LANGUAGES by Dwight Isebia

WAITING TO GO ON
Butterflies, surprised
by storms, wait till they calm down
to resume their flight

BEAUTY AND GREED
The most precious goods
please with beauty, but hurt by
the greed they ignite

AFWIJKENDE RAMP
Als voorspelbaarheid
de norm is, wordt afwijking
ervaren als ramp

CRISIS
Men ervaart crisis
als men twijfelt over wat
men dacht te weten

OPSLAG
Het kunnen opslaan
en doorgeven van kennis
maakte mens van mens

TO BE SENSED
The structure of brain
limits its function to the realm
of the sensible

PENSA PA META
Pa duru ku bo
traha, bo no lo logra
meta sin pensa

maandag 19 september 2011

Simia Masha Pabien!!

Mi ta kòrdakla e diaku Simia a nase.
Konkontentuamisu mama, sutata Quito, sutantanan Chila, Olga, Igma,
Brigida, Tania, Myrta, Abigail, Edisona, Joyce, Alida, Ursula i Ruthline tabata.
I tambesutionan Marlon, Charlton, Runny, Ronnie, Karl i Richard.
Ta bata un yu deseá i e espektativa nan en kuantoe mucha aki ta bata hopi altu.
Pronto Simia a serinskribí den registro sivil.
Nos sumayónan a disidíkutabata importante pa edukéna Papiamentu,
Papiamento, Ingles i Hulandes.
Komonos no tabata kep’elanta ku nos so nos ta bata invitá kadas eissi mansu
tanta- i tionan.
I debíkue grupo di famianan ta bata kresenos no por a tene e enkuentro na nei
na kas.
Nan ta bata tumalugá na ofisina di Forsa Amsterdam kuyu dansa di Lucia,
Debby i Minka.

De gouverneurs van de Nederlandse Antillen sinds 1815

Vanaf 1815 benoemde Nederland de eerste gouverneur op de Nederlandse Antillen. De meesten van hen had een aantal jaren in de gemeenteraad gediend of waren op een andere vlak actief en konden buigen over een behoorlijke staat van dienst. Niet alle gouverneurs hadden een even grote bijdrage aan de ontwikkeling van de eilanden geleverd. Soms merk je dat van de goede man heel weinig verwacht kon worden aan organisatie en planning. Uit de werkzaamheden van de gouverneurs kun je wel het gevoerde beleid destijds vanuit Nederland afleiden. De vraag is of Nederland niet te lang gewacht heeft met de nodige investeringen op de eilanden om ze economisch weerbaar te maken. In Den Haag heetten de eilanden ‘wingewesten’ en dienden voor de zoutwinning en mensenhandel, en minder om de landbouw en de visserijhandel.

door Quito Nicolaas

Het boek wordt ingedeeld in een viertal tijdvakken: Slavernij en koloniale experimenten (1815-1866), Dood tij (1866-1919), Modernisering (1919-1951) en Statutaire autonomie (1951-2010). Het uitgangspunt begrijp ik wel, maar om de modernisering vanaf 1919 te laten beginnen kan ik niet helemaal vatten. Om welke modernisering gaat het om, behalve de vestiging van de Lago-raffinaderij op Aruba en de Shell op Curacao in 1924 waren er geen zichtbare veranderingen in die samenlevingen geweest. De positie die metname Curacao in de 17e eeuw, als een van de meest welvarendste eilanden, had verworven was voor korte duur. In 1674 was Curacao een vrijhaven en vervulde een centrale rol in de handelsnetwerken. In aansluiting hierop is men er niet in geslaagd om de gronden geschikt te maken voor grootschalige verbouw van landbouwproducten. Daarmee verloor de eilanden hun concurrentiepositie ten opzichte van de overige Britse en Franse kolonies in het Caribische gebied.



Het ambt van de gouverneur is er een die jarenlang zonder een profielwijziging het heeft uitgehouden. Als primaire taak heeft de gouverneur het vertegenwoordigen van de Kroon. Maar naast de symbolische functie van de gouverneur bestaat ook een privépersoon met een eigen standpunt, visie en kritiek op de samenleving waar hij deel uitmaakt. Opmerkelijk is dat er tot nu toe het ambt van de gouverneur altijd voorbehouden is geweest aan een man. Je zou je kunnen afvragen waarom met de afscheiding van Aruba in 1986 of eerder met de totstandkoming van het Statuut, geen discussie is geweest over de taak en bevoegdheden van de gouverneur. Zo valt te constateren dat na 1986 een consultatie plicht tussen de Gouverneurs van Aruba en van de NA is ingevoerd. Een verruiming van de bevoegdheden van de gouverneurs was beter op zijn plaats geweest.



Beleid & inzicht
De gouverneurs die werden aangesteld hadden tot taak de eilanden tot ontwikkeling te brengen. Voor de bijdragen aan dit boek werden voornamelijk de belangrijkste problemen en uitdagingen behandeld. Echter niet alle gouverneurs waren even initiatiefrijk om de problemen het hoofd te bieden. Soms waren de vertegenwoordigers slechts een doorgeef luik voor Nederland. Anderszins kan ook de vraag gesteld worden of het beleid dat gevoerd werd naar Nederlands-Indië toe een ander is geweest dan de gevoerde politiek ten opzichte van West-Indië. De indruk wordt gewekt dat niet tijdig een gezonde basis voor een economische ontwikkeling werd gelegd. Dit had zijn oorzaak in het feit dat de gouverneurs in de koloniën tot 1920 de bestuurlijke uitgaven moesten beperken tot het niveau van de belastinginkomsten.

Eigen gezicht
In 1962 kwam een verandering in de benoeming van de gouverneurs voor de toenmalige Nederlandse Antillen. Men zou verwachten dat met het in werking treden van het Statuut in december 1954, een aanvang werd gemaakt met de aanstelling van de eigen mensen op deze post. Wellicht had dr. M.F. Da Costa Gomez of F.J. Eman met hun ervaring als ministers het ambt van gouverneur kunnen bekleden. In plaats daarvan hadden de Nederlandse Antillen A.A.M Struycken (1951-1956) en A.B. Speekenbrink(1957-1961) als gouverneur toegewezen gekregen. De eerste Antilliaanse gouverneur werd mr. Nicolas Debrot, een man van zijn woord die alle sporen had verdiend. In Nederland stond hij goed aangeschreven. Als dichter schreef hij ooit in zijn gedicht De galerij, doelende op de galerij waar al die schilderijen van zijn voorgangers aan de muur in het gouverneurshuis hangen het volgende: /De gouverneur loopt door de galerij/Daar hangen zijn voorgangers, zij aan zij/vrijwel vergeten zonder onderscheid/hij droomt steeds vaker van vergetelheid/


B.M. Leito (1970 - 1983)
Na de zittingstermijn van Gouverneur Nicolas Debrot van 1962 – 1970, werd B.M. Leito in deze functie benoemt. Gouverneur Leito is meer iemand geweest die de transitiemaatschappij na mei 1969 moest begeleiden. Als plaatsvervangend gezaghebber in 1968 gold hij als een ervaren bestuurder die in aanmerking kwam om eind 1969 als plaatsvervangend gouverneur benoemd te worden. Een van zijn eerste besluiten was het afschaffen van de traditionele aubade op Koninginnedag. Echter Leito was geen voorstander van de Di nos e ta-beweging (ons Afro-Curaçaose erfdeel) en onderschreef gebezigde slogans als Awor ta nos ta manda (Nu zijn wij de baas) niet. Naar het publiek toe en in de pers kwam hij over als een zeer gematigde man, maar binnenskamers had hij over alle belangwekkende aangelegenheden een geprononceerde mening. In de pogingen om de Nederlandse Antillen onafhankelijk te maken na Suriname in 1975, bood hij tijdens gesprekken met Haagse bewindvoerders de nodige weerstand. Dankzij Gouverneur Leito werd de onafhankelijkheid van de Antillen in de jaren zeventig geen feit. Echter in het geval van het Arubaanse streven naar Status-Aparte, dat beschouwd kan worden als een katalysator voor staatkundige hervormingen, had gouverneur Leito geen oog voor.

R. A. Römer (1983 -1990)
Het was Rene Römer die eens als wetenschapper zich in de Ñapa zich vrij kritisch uitliet over de doorwerking van de Nederlandse wetgeving in de Antilliaanse wetboek van strafrecht. Römer is iemand die zich jarenlang aan de wetenschap had toegewijd. Als socioloog bundelde hij zijn voordrachten die hij voor het onderwijzend personeel hield en publiceerde deze in het boek Ons samenzijn in sociologisch perspectief (1964). Daarna volgde in 1971 zijn Korsow, een sociologische verkenning van een Caribische maatschappij. In 1977 voerde hij de redactie over het boek Cultureel Mozaïek van de Nederlandse Antillen, met tal van bijdragen over taal, cultuur, religie en literatuur.Kort daarna in 1979 verscheen zijn proefschrift Een volk op weg, een sociologisch historische studie van de Curaçaose samenleving in boekvorm. Geheel terecht werd Römer in 1981 als rector magnificus aan de UNA benoemd.

Jammer dat er in dit boek van zijn gouverneurschap weinig bekend is geworden. Alleen dat akkefietje met de minister van Antilliaanse zaken J. de Koning omtrent de Shell wordt genoemd. Als grondlegger van de microstaten theorie voor de Nederlandse Antillen kun je alom verwachten dat zijn zittingstermijn niet over rozen ging. Zo plaatste hij zijn kanttekening bij een van de voorwaarden voor het geven van ontwikkelingshulp als volgt: “Is überhaupt deugdelijk bestuur in de zin van zoals dat door Nederland wordt gedefinieerd wel mogelijk in een kleine samenleving als de Antilliaanse of Arubaanse? Ik vind van niet, althans niet in de zin.” Opnieuw geeft hij aan dat Nederland niet zonder meer Westerse-modellen op de eilanden kunnen introduceren, maar eerder op zoek moeten naar een caribische variant hiervan.



F. Goedgedrag (2002 – 2010)
De huidige gouverneur van Curaçao maakte een bliksemcarrière, niet omdat hij dat wilde maar daar hij telkens om gevraagd werd. Geboren en getogen in San Nicolas en als een van de eerste HBS-leerlingen van het Colegio Arubano studeerde hij in de jaren zestig rechten aan de Katholieke Universiteit Nijmegen. Goedgedrag is altijd een diplomaat pur sang geweest, als jong volwassene kon hij rustig naar je zitten luisteren terwijl hij de balans opmaakte.Iedere keer maakte hij opnieuw een juiste afweging tussen datgene wat mogelijk en het aan grenzen toelaatbare is. Gouverneur Goedgedrag is vooral bekend geworden om zijn Nieuwjaarstoespraken. In zijn toespraken schuwde hij de werkelijkheid en gevolgen van een te voeren beleid niet. Hij is een man van het volk, daar overal hij komt de noden en geestelijke welzijn van het volk hem aan het hart ligt.

Door het veranderende politieke klimaat op de Antillen en de strubbelingen in de verhoudingen met Nederland, kwam Gouverneur Goedgedrag steeds vaker in het nieuws. Te denken valt aan de affaire-Godett, de migratie problematiek, de financieel-economische problemen die zich vertaalden in steeds nijpende tekorten van de eilandgebieden en de machtsverschuiving in buurland Venezuela. Ongetwijfeld heeft Gouverneur Goedgedrag een moeilijke periode achter de rug en zekere na het bestuurlijke herstructureringsproces van 10-10-10, waarin hij toch als een vaderfiguur werd geconsulteerd. Goedgedrag gaat de geschiedenis in als de gouverneur die van de vijf vernietigingsbesluiten drie op zijn naam heeft staan. Maatregelen die genomen moesten worden als koninkrijksorgaan in het belang van het volk en het lokaal bestuur. Begon F.M. Goedgedrag zijn carrière als gezaghebber op het eiland Bonaire om vervolgens als gouverneur van de Nederlandse Antillen en het land Curaçao te fungeren, kan hij nog altijd op zijn geboorte-eiland Aruba zijn loopbaan als gouverneur afsluiten.

Het boek is een waardevol document als naslagwerk van onze koloniale geschiedenis en dekolonisatie periode. Helaas is er geen aparte hoofdstuk opgenomen over de benoemingsprocedure van de gouverneurs en of de Koning hierop zijn invloed kan uitoefenen. Evenals gezegd wordt dat de Koningin haar invloed aanwendt bij kabinetsformaties, had dit aspect zeker tot de onderzoeksvragen moeten behoren. Men had er voor gekozen om zich te beperken tot een korte levensbeschrijving van de oud-gouverneurs. Een gemis is evenwel dat het Reglement voor de Gouverneur van de Nederlandse Antillen niet als bijlage is opgenomen. Niet onbelangrijk is het afsluitende hoofdstuk van Remske van der Zee over De geschilderde gouverneursportretten, waarin ingegaan wordt op de ontstaansgeschiedenis en de originele portretten die als inspiratiebron gold voor de totstandkoming van dit boek.


Gert Oostindie (red.), De gouverneurs van de Nederlandse Antillen sinds 1815
ISBN (10) 9067181269
ISBN (13)9789067181266

zaterdag 17 september 2011

Vierde Caraïbische Letterendag - De kunst van het lezen

Op 1 oktober 2011 organiseert de Werkgroep Caraïbische Letteren in de Openbare Bibliotheek Amsterdam de Vierde Caraïbische Letterendag, die ditmaal geheel gewijd zal zijn aan de kunst van het lezen.

Verschillende schrijvers en dichters zullen worden aangesproken op hun leesgedrag: wat, wie en hoe lezen ze? En waarom? Vergt het lezen van Caraïbische literatuur in het bijzonder een extra inspanning? Middels columns, debatten, film en spoken word zullen alle aanwezigen op het podium en in het publiek uitgenodigd om na te denken over hun eigen leesgedrag.



Programma

Voor de pauze worden er columns over de leeservaringen van Eva Gerlach, Julien Ignacio, Myra Römer, Frank Starik en Michael Tedja worden voorgedragen. Ook zullen er filmfragmenten worden vertoond met daarin straatinterviews over leesgedrag (filmer: Kris Kristinsson).

Na de pauze debatteren Marion Bloem, Karin Amatmoekrim, Ismene Krishnadath (uit Suriname) en Jos de Roo onder leiding van John Jansen van Galen over de receptie van Caraïbische literatuur.

Spoken word-artiest T. Martinus vat de avond samen. Er wordt afgesloten met Latin jazz van Sanne Landvreugd en Pablo Nahar.

De presentatie is in handen van Miriam Illes.

Literaire reisboekhandel De Evenaar verzorgt een boekentafel.

Openbare Bibliotheek Amsterdam
Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam.
Zaal: Theater van ’t Woord
Datum: Zaterdag 1 oktober 2011
Aanvang: 19.00 uur precies
Toegangsprijs: € 12,50; met OBA-, CJP- of Stadspas € 10,00
Reserveren kan hier.

De Caraïbische Letterendag is mogelijk gemaakt door subsidies van het Amsterdams Fonds voor de Kunst en het Nederlands Letterenfonds.

vrijdag 16 september 2011

Theatergroep Flint met De morgen loeit weer aan


Theatergroep Flint presenteert: De Morgen Loeit Weer Aan
In De Roode Bioscoop, Amsterdam.

Een hallucinerende vertelling naar de gelijknamige roman van de Antilliaanse schrijver Tip Marugg (1923-2006)

In een lange nacht laat de als een kluizenaar levende hoofdpersoon zijn leven aan zich voorbijtrekken. Met vier bloeddorstige honden, een grote drankvoorraad, een doorgeladen pistool en messcherpe observaties in een prachtig archaïsch taalidioom brengt hij de lange nacht door. Koning Alcohol in de vorm van lauwe whisky en ijskoud bier zijn de vloeibare ingrediënten van een broeierige avond die wordt om lijst met klaterende Caribische gitaarklanken.
De mysterieuze schrijver Tip Marugg heeft de Nederlandse literatuur verrijkt met drie exotische romans van ongewone kwaliteit, enkele dichtbundels en een serie opmerkelijke statements:
“Zonder alcohol kan een mens niet nadenken”
“Ik ben niet gelovig, daarom drink ik, je moet ergens houvast aan hebben”
“Ik bemin niemand, want ik vind geen object voor mijn liefde”
“ik ken geen patriottisme, want ik heb geen land om patriottistisch voor te zijn”
“Ik leef in het voortdurende besef dat ik mijn tijd verpruts, gruwelijk verpruts”
“Ik leef op een negereiland en ben vernegerd”

Idee, script, spel: Felix Strategier
Muziek, gitaren: Joeri de Graaf

Speeldata: 30 november t/m 30 december [di t/m za]
Entree: €17,50 wijzigingen voorbehouden
Reserveren/kaartverkoop:
http://www.roodebioscoop.nl/

dinsdag 13 september 2011

Spaans benauwd en het been van Stuyvesant



door Fred de Haas


Onderstaande brieven tonen de Spanjaarden die omstreeks het midden van de 17e eeuw nog heer en meester waren in het Caribisch gebied in al hun menselijkheid. Zij waren naar ‘de West’ (Las Indias) gestuurd om de belangen van de Spaanse monarchie te verdedigen en verkeerden vaak in weinig benijdenswaardige omstandigheden. Don Lope López de Morla, don Ruy Fernández, don Diego Guajardo Fajardo, de mensen waar het hier over gaat, waren commandanten in dienst van de Spaanse koning, gelegerd op Bonaire, Curaçao en St. Maarten, die soms jarenlang vergeefs wachtten op een antwoord van de Spaanse Kroon op hun brieven en noodkreten. Het waren soldaten die zich verwant voelden met de soldaten tegen wie zij moesten vechten, soldaten die elkaar met wederzijds respect behandelden als zij elkaars krijgsgevangenen waren (zie de correspondentie van Fuenmayor met Stuyvesant).

Deze Spanjaarden waren degenen die, lang voordat de Hollanders kwamen, de scepter zwaaiden op de eilanden waarvan een deel ooit de Nederlandse Antillen zouden worden en – in het prille begin van de 21ste eeuw - semi-onafhankelijke eilanden of gemeentes van Nederland.

Spanjaarden en Hollanders schreven elkaar in de 17e eeuw in het Latijn of in het Spaans en spraken met elkaar via tolken. Hun brieven geven een goed inzicht in de manier waarop zij streden, leefden en dachten. Het Spaans waarin de brieven zijn gesteld is soms verrassend beeldend. Ook Peter Stuyvesant speelt in onderstaande brieven een rol en verliest zijn befaamde been in een gevecht met de Spanjaarden.

Een negatief van een Zuid-Amerikaanse Elckerlyc (2 en slot)

door Albert Hagenaars


Dagboek van de ruïnenbouwer

De tweede afdeling ‘Dagboek van de ruïnebouwer’, begint met een toepasselijk citaat van Flaubert: “Men staart naar de bodem van de put / zoals men staarde / naar de torenspits.”

Het eerste gedicht bevat een testament van een Chinese schilder, dat treffend diverse van Roca’s thema’s verbeeldt, zoals transformatie en de spanning tussen macht, beknotting en individuele vrijheid van keuze.


Testament van de Chinese schilder


Toen de overdaad schuwende Keizer
Me aanmaande op het schilderij een waterval uit te wissen
-Het aanhoudende gebruis hield hem uit de slaap-,
Gehoorzaamde ik als goede hoveling en verdoezelde de stroomversnelling.
Achter een nagetekende kersenboom verstopte ik evenwel
Een kikker die kwaakt
En die door de oude Keizer
Verward wordt met zijn hartkloppingen.
Op een linnen kamerscherm schilderde ik mezelf
Terwijl ik een paard zat te tekenen.
De volgende nacht verjoeg ik met mijn penseel het paard,
Want ik kon het gehinnik niet meer aanhoren.
Weldra zal ik – Keizer over eigen lichaam-
Mijn vervallen gestalte uitwissen op het doek
En zal men beseffen dat de afwezigheid van een mens
Of van een paard uit dezelfde stof bestaat.

Elis Juliana - Waarde

Mijn zoontje kwam van een verjaardag,
Stralend, met een blijde lach,
Een vliegtuigje van blik,
Kartonnen hoedje voor een prik,
Ballonnen, snoepjes en gebak
En alles in een plastic zak.

Ik maakte toen een grap en zei:
‘Ze wisten zeker niet waar zij
Hun rotzooi moesten gooien;
Maar jíj moest voor een tientje
Gul met kadootjes strooien!’

Vannacht had ik een droom: hij was al achttien
En in onze auto
Wat gaan rijden. Halt!
En total loss tegen een muur geknald!
En toen zijn pappa misbaar maakte,
Heeft hij mij ’n kool gestoofd;
Hij schudde slechts zijn wijze hoofd
En sprak toen droogjes (stuk op lik):
‘Maar beste man, maak je niet dik!
’t Is maar een auto! Rotzooi! Blik!’

[vertaling Fred de Haas]




Elis Juliana, foto @ Michiel van Kempen

Een negatief van een Zuid-Amerikaanse Elckerlyc (1)

Over Een standbeeld voor Niemand van Juan Manuel Roca

door Albert Hagenaars



De hedendaagse poëzie is zo divers dat het steeds moeilijker wordt om je nog nieuwe verschijningsvormen voor te stellen, althans wat poëzie betreft die zich van de traditionele middelen bedient.

Lezing van één gedicht van de Colombiaan Juan Manuel Roca (1946, Medellín), die vooral de inhoud wil laten werken, volstaat om een authentieke poëtica te herkennen. In 'Een standbeeld voor Niemand', de vertaling die Stefaan van den Bremt van Roca's bundel 'Las hipótesis de Nadie' maakte, wordt de lezer geconfronteerd met een wijze van beschouwen en interpreteren die in onze dichtkunst nieuw is. Ik ben hem in elk geval nog nooit tegengekomen. Van den Bremt verzorgde ook het leerzame nawoord.


Roca begint zijn bundel met het titelgedicht, waaruit hieronder ongeveer de helft, dat programmatisch meteen orde op zaken stelt.




Hypothesen omtrent Niemand

Het kan de wind zijn.
Het onbeschreven blad. Kan zijn.
Het kan degene zijn die gaandeweg
Door de regen wordt weggeveegd.
Nu moet ik aan een blinde denken
In Freiburg toen het zachtjes schemerde.
Hij liep alleen door de sneeuw
Met een verzaligde glimlach
En een stok zo wit als de sneeuwvlokken.
Hij liep langs me en zag me niet;
Ik was zijn Niemand,
Een spook in dat helwitte rijk.
Het kan gebeuren dat wij
Niemands blinden zijn.
Niemand is misschien de wind
Die akkoorden breekt en ramen openstoot
Om ons te doen spreken in de taal van de droom.
Het kan degene zijn die
Aan een kapstok in het café
Zijn vergeten overjas voorgoed liet hangen,
Een overjas als vlag van de leegte
Die op een dag verdwijnt, zoals zijn eigenaar.
Het kan degene zijn die nooit geweest is,
Degene die nooit zal zijn,
Degene die het moe geworden is te zijn geweest.

Geachte heer Birney

door Chrétien Breukers

Beste Alfred,

Laat ik je maar tutoyeren, ook al hebben we elkaar maar één keer ontmoet, vroeger, in Nijmegen. Jij was te gast bij het Literair Café in het inmiddels verdwenen O42 en ik was mederedacteur van een, tsja, literair tijdschrift(je) dat Tristan heette.

Niet lang na je optreden zou je in het laatste nummer van dat blad publiceren, een kort verhaal denk ik, en een medewerker schreef een 'essay' over je werk, dat toen uit twee romans bestond. Tristan verdween (gelukkig) en ik verloor je, ergens eind jaren negentig, in literaire zin uit het oog.


Alfred Birney (links) met Frans Lopulalan


Daar is onlangs verandering in gekomen. Ik las je drie meest recente novelles (Rivier de Lossie, Rivier de IJssel en Rivier de Brantas), allemaal verschenen bij In De Knipscheer en het boek Yournael van Cybereney.


Leer hier verder op De Contrabas

Elis Juliana - Neutje

Stel je voor! Vanwege een puistje
Ben ik naar de dokter gegaan.
Die gek gaf mij toen te verstaan:
‘Je bloed is naar de maan,
Je lever aangetast, helaas,
Van binnen ben je gatenkaas;
Nog één slok en je ligt geveld:
Je dagen zijn geteld’.

‘Man, hou toch op’, klonk toen mijn stem,
‘Ik drink me al dertig jaren klem
Nóóit last van steken of gebreken!

Jíj hebt maar éven doorgeleerd:
Weet jíj wat goed is en verkeerd?’

Ik draaide me om met mijn recept,
Ging naar de bar van ‘Daantje’,
Nam daar een flinke neut
En streek die nacht het vaantje.

[vertaling: Fred de Haas]




Foto: @ Sucheta Das

maandag 12 september 2011

Jackie Kennedy: Martin Luther King was een bedrieger

door Suzanne Borgdorff

Jacqueline Kennedy Onassis was geen fan van dominee Martin Luther King. Dit blijkt uit het boek Jacqueline Kennedy: Historic Conversations on Life With John F. Kennedy, dat deze week in de Verenigde Staten verschijnt.
In het boek dat werd ingezien door persbureau AP zijn zeven historische interviews gepubliceerd die Jackie Kennedy in 1964 gaf over het leven met haar man John F. Kennedy. Uit de opnames blijkt onder andere dat de toenmalige first lady een hekel had aan vicepresident Lyndon Johnson. De Kennedy's bespotten zijn accent en houding en hoopten dat hij nooit president zou worden.




Jackie Kennedy. © ANP



Ook Martin Luther King werd geen warm hart toegedragen. De stijlvolle Jackie sprak sceptisch over de dominee en noemde hem 'lastig' en een 'bedrieger'. King zou de begrafenis van haar doodgeschoten echtgenoot hebben bespot.

'Jacqueline Kennedy: Historic Conversations on Life With John F. Kennedy' is geschreven door Michael Beschloss en Caroline Kennedy, Jackie's dochter. Het geïllustreerde boek, inclusief acht cd's, wordt woensdag in de VS verwacht.

[uit Trouw, 12 september 2011]

A Shtetl under the Sun; The Ashkenazic community of Curacao

Dankzij een gulle bijdrage van het Antilliaanse Prins Bernhard Cultuurfonds is deze maand de Engelse vertaling verschenen van Een sjtetl in de tropen. De Asjkenazische gemeenschap op Curaçao. De vertaling –onder de titel A Shtetl under the Sun. The Ashkenazic community of Curaçao - is een geheel bijgewerkte versie van Een sjtetl in de tropen, dat begin 2010 verscheen en zo goed als uitverkocht is. De auteur Jeannette van Ditzhuijzen schetst in het boek een levendig beeld van de emigratie van Asjkenazische joden uit vooral Polen en Roemenië naar Curaçao vanaf de jaren twintig.


Dankzij de Engelse vertaling krijgt de geschiedenis van de Asjkenazische Joden van Curaçao een breder publiek. Het boek is nu bijvoorbeeld ook in de Verenigde Staten te koop (via www.amazon.com). Daar, maar ook elders in de wereld wonen veel Asjkenazische Joden, onder wie familieleden van de Curaçaose Asjkenaziem.

Direct na de publicatie van het boek begin 2010 noemde het Nederlandse Nieuw Israelitisch Weekblad Een sjtetl in de tropen in een uitvoerige recensie een ‘standaardwerk over een tot nog toe onderbelicht deel van de Curaçaos-Joodse geschiedenis’. Behalve de geschiedenis van de Asjkenaziem op Curaçao belicht het boek ook de achtergronden en de redenen voor hun vertrek uit Oost-Europa. De verhouding met de lokale bevolking - zowel de Sefardisch-joodse als de niet joodse – komt eveneens uitvoerig aan bod.
Vanuit het toenmalige Polen en Roemenië vestigden de Asjkenazische Joden zich vanaf 1926 op Curaçao. Sommigen begonnen als marskramer, anderen traden in dienst van de Shell of werkten bij winkels in Punda. Maar in betrekkelijk korte tijd openden ze eigen winkels en wisten ze zich een stevige economische positie op het eiland te verwerven. Vooral de jaren na de Tweede Wereldoorlog vormden de hoogtijdagen van de Asjkenazische gemeenschap op Curaçao. Ze bezaten toen de meerderheid van de winkels in Punda en hadden onderling een zeer hechte band. Het tropische Curaçao leek in bepaalde opzichten op een kleine sjtetl: een Oost-Europese stad waar veel, soms zelfs uitsluitend Joden wonen.
In de loop der jaren zijn veel Asjkenazische Joden weer vertrokken. Tegenwoordig wonen nog maar iets meer dan honderd Asjkenaziem op het eiland. Maar allemaal herinneren ze zich nog het sjtetl-gevoel uit de tweede helft van de twintigste eeuw, dat Jeannette van Ditzhuijzen in A Shtetl under the Sun heeft opgetekend, aan de hand van vele interviews en uitvoerig archiefonderzoek. Het boek is rijk geïllustreerd.

Auteur / Jeannette van Ditzhuijzen woonde van 1990 tot 1994 op Curaçao waar ze bij de lokale krant de Amigoe werkte. Sindsdien komt zij regelmatig terug om voor Nederlandse kranten en tijdschriften over Curaçao te schrijven. Ze schreef daarnaast diverse boeken over Curaçao en de andere Antillen. Van Ditzhuijzen woont in Almelo en werkt als freelance journalist.


Boekgegevens
A Shtetl under the Sun. The Ashkenazic community of Curacao
Auteur: Jeannette van Ditzhuijzen
ISBN 978 94 6022 157 6
Hardcover, 248 pagina’s, €29,50
Uitgever: KIT Publishers, in samenwerking met het Joods Historisch Museum, Amsterdam

zondag 11 september 2011

A Bag of Music

Henk van Twillert en Tjako van Schie presenteren unieke triple-CD “A Bag of Music”


Op 29 september presenteren Henk van Twillert (saxofoons) en Tjako van Schie (piano) hun nieuwste CD-drieluik : “A Bag of Music” in de Amstelkerk te Amsterdam met een concert dat om 20.30 uur begint en wordt besloten met een feestelijke dronk.
Het album bevat zo ongeveer alles wat het duo in de afgelopen jaren op concerten en tournees heeft laten horen: van klassieke werken van o.a. Mozart, Rachmaninov, Fauré en Chopin, tot fado’s uit Portugal, tango’s van Piazzolla, Antilliaanse walsen uit Aruba, Curaçao en Bonaire, “World Music” en daarnaast een mand vol met Jazz, en eigen composities(songs) van Henk van Twillert en Tjako van Schie.
Kortom , een bag of music waarvan een selectie live ten gehore wordt gebracht tijdens het concert . Het album is op de avond van het concert verkrijgbaar voor slechts 20 euro.
Het verlangen om hun gedeelde liefde voor muziek vast te leggen op CD speelde al lange tijd. De vroege planning startte in 2003. De wens bleef er jaren, maar de CD verscheen niet ... waar en hoe moesten ze hun volle zak muziek vastleggen ...? Het was die mooie zomer van augustus 2008, toen ze hun eerste opname in Amsterdam voor de CD "Vocalise" maakten. Het duurde enkele jaren tot juli 2011 toen ze hun tweede CD "Petite Fleur" in Portugal gingen opnemen. En de derde CD "Wonderful World" werd gemaakt in de erop volgende maand onder de lachende zon van Portugal! Het programma op deze drie cd's volgt hun reizen, concerten, hun gesprekken, collega's en vrienden die ze ontmoetten ... en toch hebben ze nog een tas vol met verlangens voor de toekomst...
Indien U het concert en de CD presentatie wilt bijwonen graag van tevoren bericht om een plaats op het concert te garanderen.
telefonisch: 06-53681895 / of via de mail: ctvanschie@home.nl


“Het leven blijft, altijd anders, altijd hetzelfde”

Een paar herinneringen aan Ton Wolf

door Geert Koefoed

Ton Wolf was een rationeel ingesteld mens. Een harde werker met een groot verantwoordelijkheidsgevoel, die hoge eisen stelde aan zichzelf en van zijn studenten een grote inzet en ernst verwachtte.
Maar Ton was ook een gevoelsmens. Hij was verknocht aan Suriname, bovenal aan de omgeving waar hij woonde. Hij nam mij vaak mee op een wandeling of een autorit, alleen om met me te delen hoe mooi hij het vond. “Hier is alles op zijn plek”, zei hij eens toen we door Vigilantia reden. Nu bedenk ik dat dat ook voor hemzelf gold: Ton was op zijn plek, in Boxel, in Suriname.
Vorig jaar oktober – het waren mijn laatste bezoeken aan Ton – maakten we op een zondagmiddag een rit over Uitkijk, Creola, en Christina Helena. We vonden het allebei prachtig, zeiden dat tegen elkaar en wezen elkaar dingen aan. Thuis gekomen zei Ton: "We vinden het landschap mooi, maar wat we eigenlijk mooi vinden is het werken, het gezwoeg, de mislukkingen en de successen waarvan het getuigt." Voor hem had het landschap een vierde dimensie: het was beladen met geschiedenis, mensenwerk; en dat was wat het voor hem ontroerend maakte.
Op een andere – of misschien dezelfde – rit liet Ton mij een life opname van Bruce Springsteen horen, waarin deze, ter introductie van een song, over zijn vader vertelt. “Als je dit hoort,” zei hij, “voel je een mededogen met de hele mensheid”. En dat brengt mij bij een tweede grote liefde van Ton Wolf.
Ton hield hartstochtelijk veel van poëzie. Dit komt tot uiting in de bundels die hij, in samenwerking met de dichters, samenstelde uit ongebundeld werk van Bea Vianen, Begraaf mij in dit gruis (Okopipi, Paramaribo 2002) en Michaël Slory, Waar wordt de lucht gemolken (Vaco, Paramaribo 2003). Voor beide bundels schreef hij ook de inleidingen. “Vliegers van aandacht” heet zijn inleiding tot de bundel van Slory en het is een fantastisch mooi stuk; het is zelf bijna poëzie.
Van twee dingen bezit hij benijdenswaardig veel: tijd en aandacht. Hij kijkt naar een kind, een dier, een vrouw, hij leest een kop in De Ware Tijd; hij hoort een blad vallen; hij ziet het licht verkleuren. (…) Hij schrijft gedichten als vliegers. (…) Vliegers maken de lucht blauwer, de wolken witter en de zon warmer. Ze maken de wind tastbaar. Net als die vliegers stijgen Slory’s gedichten onverwacht om ons heen op, scheppen daardoor diepte en geven aan de gewoonste dingen de kleur van de onmiskenbaar eigen verwondering.
Aandacht is het sleutelbegrip, niet alleen in deze karakterisering van Michaël Slory’s dichterschap, maar ook in zijn inleiding tot Begraaf mij in dit gruis van Bea Vianen: aandacht, ontvankelijkheid en – daaruit voortvloeiend – mededogen:
Bij mij dringt zich een begrip als ‘mededogen’ op als ik lees hoe Bea Vianen ontroerd wordt door de meest alledaagse waarnemingen.(…) Vianens ontroering komt voort uit het inzicht (of is het een gevoel?) dat alles zowel eenmalig als tijdloos is en dat je dus in het eenmalige het tijdloze kunt ervaren en in het tijdloze het eenmalige. En omdat wijzelf evenzeer eenmalig als tijdloos zijn, kunnen wij ons openstellen voor het andere en de ander. Dat bedoel ik met ‘mededogen’: Bea Vianen staat aan de kant van haar onderwerp (…).
Ton en ik spraken vaak over Surinaamse poëzie; wij kenden elkaars voorkeuren. Toen ik hem in één zo’n gesprek vorig jaar oktober vroeg wat in zijn ogen een gedicht tot een ‘groot’ gedicht maakte, bracht hij dezelfde gedachte onder woorden: “Wat een gedicht voor mij groot maakt is het samengaan van het onnadrukkelijke en het tijdloze”. Ik vroeg hem of Shrinivási’s 'Wij zien jullie gaan met handtassen' (over de uittocht van Surinamers naar Nederland in de jaren ’70) daar een voorbeeld van was. “Ja, zeker,” zei hij, “en natuurlijk ook dat prachtige gedicht van Chitra Gajadin 'toen had mijn moeder geen geld'. Dat ontroert mij telkens weer, iedere keer dat ik het lees.”
Als ik deze twee grote liefdes van Ton Wolf, die voor het, door mensen bewerkte, Surinaamse land en die voor Surinaamse poëzie met elkaar in verband breng, zie ik dat zij uit één en dezelfde bron voortkwamen: bewondering, liefde en mededogen voor de zwoegende, o zo kwetsbare, maar tegelijk ‘tijdloze’ mens. Ik laat Ton nog een keer zelf aan het woord, want beter en mooier kan ‘het tijdloze in alles wat voorbijgaat’ niet gezegd worden:
Je kunt heen en weer blijven staren tussen Peperpot en Staatsolie, in de ban van het verleden of van de toekomst, gegrepen door wroeging of begoocheld door grootsheid. Maar na een tijdje zie je dat die beelden hun betekenis krijgen van de rivier ertussenin. Die beweegt, die stroomt, die blijft – doordat ze aldoor voorbijgaat. Koffie ging, stookolie gaat, de rivier blijft. Het verleden ging, de toekomst komt, het leven blijft, altijd anders, altijd hetzelfde. (Uit de inleiding tot Begraaf mij in dit gruis)