maandag 28 februari 2011

Coronie van bloei- naar slaapperiode

door Charles Chang

De kleuren van zijn topi [hoofddeksel - red.] waren fel rood, groen en geel. Maar nog altijd met zijn stok in zijn hand vertelde Sombra (72) over zijn geboortedistrict Coronie op de laatstgehouden Schrijversavond van S'77 in Tori Oso in Paramaribo. Sombra staat meer bekend als dichter en voordrachtkunstenaar, maar is ook een goede verteller. Hij begon bij het begin.

1801: Coronie werd door een resolutie het zevende district van Suriname. De eerste die zich vestigde, was de Schotse planter Cameron op plantage Burnside (1808). De slaven kwamen niet vanuit Paramaribo, maar via Barbados naar de kust van Coronie. Toen heette Coronie nog Upper-Nickerie. Het district is later vernoemd naar de Coronakreek, een kreek die van Totness naar de Coppenamerivier stroomde.

De Coronakreek bestaat niet meer, maar wel de Coroniaanse hoofdstad die de enige plaats van het district als eigendom van de overheid is gebleven. De rest behoort toe aan de nazaten van ex-slaven. Coronie bestond uit katoenplantages en bloeide nog tot midden van de vorige eeuw. Vele grote namen in de Surinaamse samenleving komen oorspronkelijk uit het district dat bekend staat als ‘land van melk en honing’. “Coronie had de grootste veestapel, een eigen vlag, wapen en volkslied, ” vertelt Sombra.

Hij noemde ook de oorzaken van de achteruitgang van het district. Tien jaar na de afschaffing van de slavernij (1873) werden veel jongeren naar de stad gebracht voor verschillende opleidingen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd een aantal gevraagd voor de schutterij. In 1956 waren er drie hoofdonderwijzers geweest die een weddenschap hielden: wie kon de meeste kinderen naar de stad sturen voor mulo-onderwijs. Een aantal Coronianen werd ook overgebracht naar Alliance, Commewijne, voor onderwijs in de landbouw, maar na de opleiding keerde niemand terug naar hun geboortedistrict. "Ye puru a bere, dan blijft alleen de kop en staart over," zegt Sombra metaforisch over de leegloop van jongeren uit het district.

Ook was de achteruitgang van Coronie niet alleen te wijten aan de stopzetting van succesvolle landbouwprojecten en verkeerde aanpak van het zoet- en zoutwaterprobleem, maar ook door het geloof. Sombra: "De bevolking van Sara tot Burnside was EBG en van John tot Mary's Hope was katholiek. Wilde je trouwen met de ander, dan moest je je geloof opgeven."

Tussen het publiek luisterde Desiré Maarbach met weemoed naar de vertelling van Sombra. “Ik ging na de lagere school naar de mulo. Ik heb nog de bloeiperiode van Coronie meegemaakt, en ik geloof sterk dàt je door hard werken vooruitkomt. Coronie kende tijdens de bloeiperiode negen bakkerijen en negen takken van sport! Elk weekend Coronie ‘ben span’! Nu is er alleen nog voetbal. Ik ging nog wel terug, maar niet om er te wonen. Ik ken maar één leeftijdgenoot die terug is gegaan om te wonen en dat is Alex Feller. De jongeren keerden niet terug en de ouderen stierven en wat overbleef, werd kapotgemaakt door de politiek. Mensen kregen banen waarvoor ze weinig hoefden te doen."

.

Maarbach's verhaal vindt weerklank in het boek Dromers, Doemdenkers en Doorzetters waarin Fiene, de moeder van Letitia Vriesde, eerlijk vertelt hoe het komt dat Coronianen lui zijn geworden. Tijdens het tweede deel van de avond hield Els Moor een presentatie over dit boek waarvan een maandenlange tentoonstelling in Fort Zeelandia geweest. Het rijk geïllustreerde boek is opgedeeld in drie delen: vertelling van ouderen, tekeningen en gedichten van kinderen en de architectuur waarmee Coronie zich onderscheidt van de ander districten. "Boeiend, maar ook heel eerlijk," besluit Els Moor.

[uit de Ware Tijd, 28/02/2011]

Foto's: @ Michiel van Kempen

Gaddafi’s Groene Boek

door Hubert Smeets

Er zijn dwarsverbanden tussen de inhoud van Het Groene Boek van Gadaffi en het nationaal-socialisme.
.


Gaddafi te Tripoli doet denken aan Hitler in Der Untergang. Dat is logisch. De aanwijzingen zijn te vinden in Het Groene Boek, waarin de ‘leider’ zijn dodelijke utopie al ontvouwde. Gaddafi maakt het daarin zelfs bonter dan al zijn totalitaire voorgangers. Het Groene Boek is een soep waarin radencommunisme, corporatisme, fascisme, nationaal-socialisme, racisme en religieus millennialisme tot één brei zijn geprakt. Hij pretendeert álle tegenstellingen op te heffen. Kiezer en gekozene, arbeid en kapitaal, familie en staat, individu en groep, leerling en leraar, natie en wereld: al deze spanningen lossen zich op in het aardse paradijs dat de Libische leider voorspiegelt. Representatieve democratie is volgens Gaddafi dictatoriaal omdat ze de volkswil niet uitdrukt.

De volonté générale, zoals Rousseau (1712-1778) het noemde, komt alleen tot zijn recht als het volk zich op zijn eigen niveau organiseert in raden waaruit een opperste raad wordt gekozen. Dit is het model dat de Nederlandse radencommunist Pannekoek (1873-1960) een eeuw geleden bepleitte. Anders dan Sovjetaartsvader Lenin ontkent Gaddafi de klassentegenstellingen. Het productieproces is een harmonie. De mens kan door het corporatisme alles tegelijk zijn. Uiteindelijk zal dus de loonarbeid, dat wil zeggen de slavernij, worden afgeschaft. Als er al een hiërarchie is, dan wordt die niet bepaald door een grondwet maar door het natuurrecht. Dit anti-legalisme van Gaddafi doet denken aan fascisme. In tegenstelling tot Stalin probeerden Mussolini en Hitler hun macht namelijk ook niet te baseren op zoiets formeels als een constitutie. Een vorm van fascisme steekt eveneens de kop op als Gaddafi de rol van het individu in de massa behandelt. Bijvoorbeeld in een paragraaf over de media. De pers is een instrument van de hele maatschappij, niet van individuele mensen of hun verenigingen.

Een variant van het nationaal-socialisme dient zich aan als Het Groene Boek de natie behandelt. In de natie komen familie, stammen en sociale strijd samen. Marx en Engels schreven in Het communistisch manifest: „De geschiedenis van iedere maatschappij is de geschiedenis van de klassenstrijd”. Gaddafi postuleert in Het Groene Boek dat alle geschiedenis de geschiedenis van nationale strijd is.

Zonder nationalisme is de natie dus gedoemd. Minderheden met andere godsdiensten nemen het dan over. Geen misverstand, dat schrijft de Libische leider die niet uitsluit dat hij wereldleider kan worden omdat er een rechte lijn loopt van de familie, via de stam en de natie, naar de hele wereld die uiteindelijk één taal spreekt.

Een verwilderde modaliteit van stalinisme komt tot uitdrukking in zijn ideeën over het onderwijs. Zoals de Sovjetbioloog Lysenko (1898-1978) de landbouwkundig beproefde genetica offerde aan het idee dat ook tarwekorrels klassenstrijd voeren, zo vindt Gaddafi het bestaan van een staatscurriculum met leerboeken „dictatoriaal”. De klap op de vuurpijl is tot slot het paradoxale nazistisch racisme van de ‘derde universele theorie’. Gaddafi legt dan uit waarom ‘zwarten’ het zullen winnen in de wereldgeschiedenis. De andere rassen verliezen door de geboortebeperking, restrictieve huwelijkswetgeving en hun arbeidsethos terrein op de zwarten. Dankzij de hitte van het klimaat zijn zwarten „minder obsessief” met werken bezig. Het staat er echt. Hun zege is dus onvermijdelijk.
.


En dan is de verlossing daar. Een verlossing die zover gaat dat er zelfs geen onderscheid meer zal zijn tussen kunstenaar en toeschouwer, tussen sporter en publiek, tussen voetbalveld en tribune. Waarom? Omdat de mens alles tegelijkertijd is. In het Frans: Je suis partout. Dat is totalitarisme van het zuiverste water. In Tripoli vecht een ongekende totalitaire denker tegen zijn ondergang.

[uit NRC Handelsblad, 28 februari 2011]

In herinnering mijn vader, de leraar

door Jeroen Heuvel

Pim is op 28 april 1926 in Den Haag geboren. Oma Mien, de moeder van Pim, had van haar huisarts vóór haar huwelijk de waarschuwing gekregen om, gezien haar frêle postuur en gezondheid, geen of weinig kinderen te nemen. Wat gebeurde er? In tien maanden tijd had ze vier kinderen gebaard, twee tweelingen achter elkaar. Pim en Pam, niet hun doopnamen Willem Frederik en Frans Jozef, maar zo werden ze vanaf hun vijfde genoemd, waren het tweede stel.

Fysiek was Pim niet zo gezond, als zijn moeder, maar hij had een reuzesterke levenszin. Hij heeft meer dan eens de medische wereld versteld doen staan als hij na een zware operatie weer door de voordeur het ziekenhuis uitging. Toen hij vier jaar lang in een sanatorium moest liggen, is hij ’s nachts regelmatig op stap gegaan, tegen alle voorschriften in; de doktoren hebben later toegegeven dat dát, die wil, die ongehoorzaamheid, hem in deze wereld heeft gehouden.
Hij hield er van zijn mening kenbaar te maken en die te verdedigen. Als jongeman organiseerde hij lange wandeltochten voor Pax Christi, vanwege de gesprekken die rond een thema gevoerd moesten worden. Hij had de wereldoorlog als tiener meegemaakt, was daardoor erg teleurgesteld in het ontbreken van de (naasten)liefde, maar zijn geloof in de kracht van de liefde door Christus en de keuze die de mens heeft om daarvoor te kiezen, heeft hem altijd vertrouwen in het leven gegeven. Op Curaçao heeft hij lang bij de Jonge Wacht gezeten. Kamperen en vers geitenbloed eten vond hij geweldig.

Pim had een minderwaardigheidscomplex. Na de lagere school, durfde hij nauwelijks de mulo aan. De directeur herkende de leraar in Pim. Maar deze stotteraar naar de kweekschool, dat zou ie nooit halen. Na een paar jaar hád Pim zijn hoofdakte en een dozijn LO-aktes op zak. Later heeft hij (op Curaçao) MO-A Nederlands gehaald en (in Utrecht) zijn drs-titel, nadat hij een keer gezakt was voor zijn MO-B (op Curaçao). Dat was de enige keer dat ik hem heb zien huilen, hij kon er niet tegen dat de examinatoren zijn mening en argumenten over literatuur onvoldoende vonden. Ik zal een jaar of veertien geweest zijn, het maakte een diepe indruk op me. Veel later merkte ik dat ik het – ook – niet altijd met zijn interpretatie eens hoefde te zijn, maar dat houdt juist het gesprek gaande.

Mede op aanraden van de dokter solliciteerde, in 1956, Pim naar een baan bij het Rooms-Katholiek schoolbestuur op Curaçao. Voorwaarde om aangenomen te worden was dat je getrouwd moest zijn. Hij vond mijn moeder bereid. In augustus, een paar dagen na het huwelijk zaten ze op de boot naar Curaçao, waar ik in juni 57 het levenslicht zag. De eerste zes jaar stond hij op een lagere school, St Martinus de Porres in Santa Rosa, van 1962–1969 op een mulo, St Ignatius College in Groot Kwartier, en de laatste zes jaar op het Maria Immaculata Lyceum in Welgelegen. In die laatste periode heeft hij ook LO-Nederlands gegeven. Hij las erg graag literatuur, voor de CUROM heeft hij veel boekbesprekingen geschreven en ingesproken, ik zat dan vaak in een hoekje van de studio bij de technicus, Huub van Wijk, met een half oor te luisteren en in Suske en Wiske te kijken. Hij ging vaak naar premièrevoorstellingen en tikte ’s nachts, met mijn moeder de recensie uit, om die de volgende ochtend voor schooltijd bij de Amigoe af te leveren. In zijn literatuurboeken plakte hij zijn ex libris met het motto: ‘Eenvoud is waarheid’ om een door hem getekend portret van een jongeling heen geschreven.

Ik heb zelf ook les van hem gehad, op het MIL. Dat waren altijd interessante momenten. Van de lesstof herinner ik me niets, maar wel van de gesprekken, over literatuur én over het leven. Toen rookte hij nog pijp; nou ja, roken, het was meer een ritueel van schoonschrapen, stoppen, aansteken, uit laten gaan, weer aansteken, twee, drie keer puffen, weer uit laten gaan. Het was altijd een echt gesprek, waar je als tiener behoefte aan hebt: een volwassen mens beter leren kennen, vooral iemand die zichzelf is, die luistert en vragen stelt waardoor je zelf weer verder gaat denken, die toegeeft niet overal een antwoord op te hebben. De passie die hij voor literatuur had – taalkunde behandelde hij beroepsmatig – maakte dat je een mens van vlees en bloed voor je had. Die liefde droop bijna van de muren af; daar hingen portretten van auteurs als Willem Frederik Hermans (die dezelfde initialen had als hij), Hugo Claus, Jan Wolkers, Stijn Streuvels, Frederik van Eeden en Gerard Walschap. Als er in die tijd bij het Letterkundig Museum portretten te koop waren geweest van een Tip Marugg of een Frank Martinus Arion, had hij die zeker ook in de klas opgehangen. Onder die foto’s hingen citaten, die voornamelijk gingen over schijn en wezen, en over de verwachtingen van het leven. Natuurlijk zag je in die keus, maar dit is vooral achteraf – nu ik zelf docent ben – te zeggen, wat hem bezig hield. Ik herinner me een kwatrijn van J.C. Bloem, De nachtegalen:

Ik heb van 't leven vrijwel niets verwacht,
't Geluk is nu eenmaal niet te achterhalen.
Wat geeft het? - In de koude voorjaarsnacht
Zingen de onsterfelijke nachtegalen.

Maar het strookte niet met de passie en de humor die hij als leerkracht had. Hij kon streng zijn, vooral in het begin van het schooljaar, en uit zijn slof schieten als je niet genoeg je best deed, maar hij kon ook heel verantwoord reageren op kwajongens- en kwameisjesgedrag, zolang hij het gouden hart in die leerling wist. Hij hielp sommige pupillen van hun stotteren af, of sleurde ze door een examen heen als hij faalangst herkende. Hij was gevoelig voor kinderen die het hart op de juiste plaats hebben. Het verschil tussen schijn en wezen: ja, hij kon niet tegen schijnheiligheid; maar het lusteloze dat je verwacht bij mensen die geen hoge pet op hebben van het leven, nee: dat straalde Pim nooit uit. Hij keek bijna altijd vreugdevol uit zijn klaarblauwe ogen en er speelde meestal wel een grimlach om zijn fijne lippen.

Toen we in Caracas waren leerde hij de zangstem van Jesús Sevillano kennen. Hij vond die stem zo prachtig dat hij alle toen beschikbare lp’s heeft gekocht en met veel genoegen kon hij luisteren naar Sevillano’s interpretatie van onder andere Gracias a la vida, geschreven door Violeta Parra.

Toen we in 1975 naar Nederland gingen, ik om te studeren en zij omdat zijn contract er op zat, vroeg ik me af waarom hij eigenlijk al die jaren de leerlingen niet hun eigen taal had onderwezen en nam me toen voor om dat, als de tijd daarvoor rijp was, zelf wel te gaan doen. Maar dat zou in mijn geval nog dertig jaar duren. Hij heeft wel twee boeken en verschillende artikelen gepubliceerd over de Nederlands-Antilliaanse literatuur en over Nederlandse gedichten, onder andere voor het literaire e-zine Meander.

Eenmaal terug in Nederland is mijn vader - ik was op mezelf gaan wonen - redelijk snel van mijn moeder gescheiden. Na een paar jaar is hij hertrouwd, met Ita, en toen werd langzaamaan duidelijk dat hij wel degelijk nog veel van het leven verwachtte. Pim kon geen afscheid nemen van school. Hij was een geboren leraar. Maar toen hij 65 was geworden, mocht hij niet langer voor de klas staan. Na zijn pensioen heeft hij nog zo lang mogelijk les gegeven, onder andere aan cliënten van een tbs-kliniek.

Halverwege de jaren 90 kreeg hij zijn eerste tia’s. Toen begon langzaamaan een slepend proces van voorbereiding op afscheid van dit aardse leven. In 2002 is hij weer op Curaçao komen wonen. Hij kon niet meer tegen de donkere, natte winter. Op 6 februari 2011 heeft hij zijn laatste adem uitgeblazen. Op zoek naar gedichten om voor te dragen bij de plechtigheid van zijn overlijden, vond ik 'Het derde land' van Martinus Nijhoff (uit: Vormen, 1924), dat treffend mijn gevoel daarbij verwoordt.

Afbeelding: portretschilderij van Pim Heuvel door Wim van de Goor

Wereldreis in het Sarnámihuis

Zondag 20 maart ontvangt het Sarnámihuis de belangstellende ‘wereldreiziger’ helemaal in Surinaams-Hindostaanse sfeer. Een sprankelend programma vol afwisseling voert de bezoeker mee naar een wereld met geliefde volksmuziek, met traditionele Indiase klederdracht, en met een Hindostaanse trouwpartij. Miss India Nederland 2010 praat het programma aan elkaar.

DansvoorstellingenDrie Haagse dansgezelschappen verzorgen terugkerende korte dansvoorstellingen; Pretima ke Dewashrie, Kamal Roshan en Nawa Rasa Dancing. De ‘sareeshow’ wordt gedragen en toegelicht door modellen van alle nationaliteiten. De ‘baitak gana’ (i.e. een Hindostaanse muzieksoort)-band demonstreert het spelen voor diverse gelegenheden in diverse stijlen.

Maak je eigen samosa
Doorlopend kan de lekkerbek meedoen aan de culinaire snack-clinic , getiteld ‘maak je eigen samosa’. Ook doorlopend te bezichtigen is een filmprogramma met historische en actuele filmpjes, en een fototentoonstelling over het dagelijks leven hier in Den Haag en daar in Suriname/ India.

Kunstwerken Khodabaks
Om 17.00 uur precies onthult Amar Soekhlal, voorzitter Sarnámihuis, de schenking in bruikleen van twee originele eigentijdse kunstwerken door Kunstuitleen Heden: twee panelen gemaakt door de Surinaamse kunstenaar Nishar Kodabaks.

Wereldreis’ is een productie in samenwerking met City Mundial en het Bureau Discriminatiezaken.

Nieuw theaterstuk Wan Denki in première

door Steven Seedo

Het nieuwste theaterstuk Den lagi man van de toneelvereniging Wan Denki is zaterdag 26 februari in theater Thalia in Paramaribo in première gegaan. Den lagi man handelt over mannen die misbruik maken van tekortkomingen van anderen om er persoonlijk voordeel uit te halen. Bij deze gemene daad wordt er geen rekening gehouden met gevoelens van de benadeelde en ‘den lagi man’ houden ook geen rekening met de gevolgen die hun snode daad voor anderen kunnen hebben.

“Zelfs vrouwen maken zich ook schuldig aan dit misbruik”, vertelt Edwin ‘Solo’ Gefferie, de schrijver en regisseur van dit toneelstuk. “Vele mensen die ik over dit stuk heb gesproken, vragen zich af of deze vorm van misbruik inderdaad plaatsvindt in onze samenleving. Een vrouw zei: Je hebt ook lagi uma’s.”

Edwin ‘Solo’ Gefferie zegt, dat hij Den lagi man heeft geschreven uit eigen ervaringen en uit die van anderen. Na de première is er op zondag 28 februari ook een voorstelling. Vorig jaar bracht Wan Denki slechts twee toneelstukken, namelijk Afrontu lobi en Dyarusu kan mek yu du don op de planken. Dat er slechts twee toneelstukken het afgelopen jaar op de planken zijn gebracht door Wan Denki is te wijten aan verschillende omstandigheden. Binnen een periode van vier maanden overleden twee voornaamste leden te weten Eveliene Goedschalk en Henk Merkus van het gezelschap. Dit jaar zal Wan Denki met drie toneelstukken uitkomen

[uit de Ware Tijd, 26/02/2011, licht bewerkt]

Peter Stuyvesant College zoekt nieuwe naam






Begrip creëren bij de leerlingen. Dat was het belangrijkste doel tijdens de aftrap voor de naamsverandering van het Peter Stuyvesant College (PSC) op Curaçao. Iedereen mag een idee voor een nieuwe naam doorgeven.

Eerder werd echter gezegd dat de huidige naam van de school misschien zou kunnen blijven. "Het is een prijsvraag geworden. Iedereen over de hele wereld mag een naam voorstellen”, legt Gwendolyn Isenia uit. Als voorzitter van de beoordelingscommissie binnen de school zal de lerares geschiedenis samen met een aantal andere docenten leerlingen en ouders alle suggesties voor een nieuwe naam bekijken.

Voorwaarden
Een jury buiten de school zal zich daarna buigen over een selectie van mogelijke opties en de uiteindelijke naam kiezen. De naam moet een lokaal tintje hebben, een positieve bijdrage leveren aan het eiland en verder voldoen aan een aantal andere voorwaarden die minister van Onderwijs René Rosalia heeft opgesteld. De naam Peter Stuyvesant voldoet volgens hem niet aan deze eisen.

Geen democratisch proces
Rector Jo Hanssen vindt de invloed die de school nu op het proces kan uitoefenen niet voldoende. “Het heeft een democratisch sausje, maar er wordt te weinig naar de leerlingen geluisterd. Het is geen open, democratisch proces en ik meen dat toen in het auditorium wel van de minister te hebben begrepen.”

Peter Stuyvesant College
Schottegat Noord 105
Curaçao


Micropoll klik hier




Foto uit Willem van de Poll, De Nederlandse Antillen; een fotoreportage van land en volk, 1950

Over Indiase kunst en hindostaanse gebruiken

Waar komt de term Hindoestaan eigenlijk vandaan? Zijn er strikte religieuze regels over hoe je een saree draagt? Wat is de overeenkomst tussen de Surinaamse dwerggeest Bakroe en een lokale boomgeest uit het diepe zuiden van India? Peter de Bruijn, consultant Asian Arts, wijst op 10 april a.s. in het Haagse Sarnámihuis op de relatie tussen Indiase kunst en de Hindostaanse gebruiken en cultuur.

In deze lezing zal Peter de Bruijn diverse (Surinaams) Hindoestaanse gebruiken en culturele verschijningen verklaren aan de hand van oude Indiase kunst. Tijdens de lezing wordt duidelijk hoe de metalen godsbeelden worden gemaakt die in bijna ieder Hindoestaans huishouden te vinden zijn. Uiteraard komen de meest bekende afbeeldingen uit de hindoestaanse kunst aan bod, maar tijdens deze lezing maakt u ook kennis met specifiek hindoestaanse en Indiase kunstuitingen die minder bekend zijn. In verband met deze lezing zal een aantal oude Indiase kunstvoorwerpen in het Sarnamihuis geëxposeerd worden van 100 tot 1000 jaar oud. Aan het einde van de lezing bestaat de mogelijkheid om uw eigen meegebrachte kunstvoorwerpen uit India te laten taxeren.

Peter de Bruijn studeerde en werkte aan het Instituut Kern van de Universiteit Leiden en op de Indiase afdeling van het British Museum in London. Het Instituut Kern is één van de meest vooraanstaande expertise centra in Europa op het gebied van de talen, kunst en culturen van Zuid Azië en het Himalayagebied. Hij is een specialist op het gebied van Hindoeïstische en Boeddhistische kunst en deed veel veldonderzoek in India, Nepal, Sri Lanka, Thailand, Cambodja en Maleisië naar de relatie tussen de oude kunst uit India en kunstvormen elders in de wereld. Peter de Bruijn is als taxateur en expert lid verbonden aan het Fine Art Research, Art Expert Inc in Florida en Asian Arts Consultancy in Rotterdam.

Peter de Bruijn, consultant Asian Arts, zoekt de interactie met het publiek en toont ook een korte film.

Datum: 10 april 2011
Aanvang 15:00 u
Toegang 3 euro,= (vrienden van het Sarnámihuis en studenten 2 euro,=)
Locatie: Sarnámihuis, Brouwersgracht 2, 2512 ER Den Haag

Voorlezen

door Els Moor

‘Juf, wanneer gaat u voorlezen?’ vragen de kinderen. ‘Als jullie goed je best doen met rekenen, om twaalf uur,’ zegt juf Marie. Nou, iedereen spant zich in om de moeilijke staartdelingen te maken. Ze werken in groepjes en de groep van de muisjes wint vandaag: ze zijn het eerste klaar met de sommen en ze hebben alles goed. ‘Muisjes, wat zal ik voorlezen?’ vraagt juf. De muisjes overleggen en de poesjes gaan bemoeien. ‘Anansi, Anansi!’ roepen ze naar de muisjes. Maar die staan op en lopen naar de ‘boekenhoek’ achter in de klas en nadat ze even samen gefluisterd hebben, brengen ze een boek naar juf dat ze nog niet kennen, Seriba in de schelp van Ismene Krishnadath.

Wat een prachtig verhaal! De kinderen zitten met juf in een ronde kring. Juf leest spannend voor en ze laat steeds het bijbehorende plaatje van Gerold Slijngard zien. Daardoor zijn de kinderen al gauw niet meer in de klas, maar op het strand van Galibi, bij het meisje Lilia, dat daar op vakantie is, wandelt en een schelp vindt die bijna zo groot is als haar hoofd. Ze zet hem tegen haar oor. In de schelp hoort ze het geluid van de zeewind, sjoe-oe-oe, en de hele klas doet mee: ‘Sjoe-oe-oe, sjoe-oe-oe’. Maar er is nog een ander geluid in de schelp; het lijkt wel huilen. Dat komt van Seriba, de jonge zeemeermin, die opgesloten is in de schelp. Dat vertelt ze snikkend aan Lilia. Haar vader heeft het gedaan. Hij is boos omdat ze verliefd is op Warana de zeeschildpad en hij ook op haar. Pa wil dat ze met Sjark de haai trouwt, maar Seriba houdt niet van Sjark… hij heeft zulke griezelige grote tanden…

De kinderen griezelen ook. Wat een gemene vader, denken ze en Elise pinkt stiekem een traantje weg, want ze heeft een vriendje, Bas, en als haar papa ziet dat ze met hem speelt, slaat hij haar hard en dan schreeuwt hij. Haar papa en mama hebben ruzie met de ouders van Bas en ze willen niet dat de kinderen samen spelen. Gelukkig loopt het goed af. Warana komt aanlopen, langzaam, langzaam en als hij bij Lilia met de schelp is aangekomen, smijt Lilia de schelp kapot op het keiharde schild van Warana. De schelp gaat aan scherven. Wie komt eruit? Seriba, van boven is ze een meisje en van onderen een vis, een echt watermeisje.

.



De kinderen slaken allemaal een zucht van verlichting. Fabian, een praktische jongen die wel altijd helemaal meeleeft met een verhaal, roept nu door de klas: ‘Warana ga met Seriba de zee op, straks komt haar vader…’ De andere kinderen knikken en juf zegt: ‘Zo gebeurt het ook: Seriba zit op de rug van Warana die met z’n poten zwemt zoals een sekrepatu zwemt en langzaam verdwijnen ze in de verte…'

De bel gaat. Het lijkt of de kinderen wakker worden… ze schudden een beetje met hun hoofd. ‘Pak je tas in,’ zegt juf. Dat doen ze en ze lopen stil de klas uit. Ze geven juf Marie een hand. Sommige kinderen zeggen: ‘Mooi verhaal…, ’ anderen gaan stilletjes weg. Ze zijn nog op het strand van Galibi.

Voorlezen is belangrijk voor kinderen. Als het beeldend gedaan wordt, komen ze in andere werelden dan de bekende, maar waarin ze toch veel herkennen, gevoelens, zoals die van Elise. En ze leren ook altijd van zo’n vreemde omgeving. De hele klas weet nu wat een strand precies is en dat daar grote schelpen liggen waarin je het geluid van de wind hoort. Dat er in Galibi grote sekrepatu’s zijn, dat weten deze kinderen al. Dat hebben ze bij aardrijkskunde en kennis der natuur gehad. Dat herkennen ze dus.
Toetie komt thuis en onder het eten vraagt papa wat ze op school gedaan heeft. Stralend vertelt ze over Lilia en Seriba en Warana. Papa zegt: ‘Volgende week is het Kinderboekenfestival. We zullen het boek kopen en dan mag jij het aan Carla en Edje voorlezen.’ Het voorlezen van juf Marie werkt dus door bij de kinderen thuis. In een aantal gezinnen ligt een week later Seriba in de schelp op tafel. En het wordt niet alleen voorgelezen: iedereen leest het! Zelfs een oma: met haar leesbril op houdt ze het boekje heel dicht bij haar ogen en als ze het uit heeft zegt ze: ‘Ik weet nog een ander verhaal over een watermeisje, een kleine watramama. Vanavond ga ik het jullie vertellen!’

Voorlezen is niet zomaar wat. Zowel op school als thuis kunnen opvoeders belangrijke doelen bereiken door voorlezen: een spannende sfeer, vergroting van de taalschat, saamhorigheid, bespreekbaarheid van problemen en nog veel meer. In Lees je wijs, het boek over het bevorderen van leesplezier, uitgegeven door de Stichting Projekten PCOS, is er veel over te lezen en krijgen opvoeders ideeën over wat ze allemaal met behulp van boeken kunnen bereiken.

Is voorlezen van verhalen alleen voor kinderen? Voor veel meer groepen is het ontspannend, leerzaam, de fantasie en de herinnering voedend en als een verhaal mooi geschreven is, genieten de luisteraars ook van de taal, diezelfde taal die vaak zo moeilijk is, en als je fouten maakt een aanleiding om je bespottelijk te maken. ‘Hmm, je zegt “die meisje”, het is “dat meisje”, je bent dom hoor!’ Als je luistert naar voorlezen is die taal niet eng, hoef je er niet bang voor te zijn. Integendeel: je gaat ervan houden!

Is voorlezen iets voor jongeren met problemen in een tehuis, of kinderen met een beperking? Of voor jeugdige gevangenen? Of voor bejaarden in een oord, die zelf niet meer kunnen lezen? Of voor zieken in een ziekenhuis? Gaat u zelf maar door; 4 maart is de nationale voorleesdag in Suriname. Laten we allemaal een grote of kleine groep zoeken om een mooi verhaal aan voor te lezen. Thuis is natuurlijk ook prima!

Nishar Khodabaks schenkt twee schilderijen

Ter gelegenheid van de tentoonstelling Schaafijs en wilde bussen was de kunstenaar Nishar Khodabaks samen met een collega uit Suriname een maand werkzaam in Den Haag. Zij maakten schilderijen vanuit de Haagse Weimarstraat. In de Galileistraat is nog een muurschildering van hen te bewonderen. Twee schilderijen van Khodabaks kwamen in bezit van kunstinstelling Heden. Deze instelling leent o.a. kunst uit aan particulieren. Arthur Cruqx van Heden: “Het is goed dat deze twee schilderijen een publieke bestemming in het Sarnámihuis krijgen waar ze te allen tijde te zien zijn.” Voorzitter Amar Soekhal van het Sarnami Instituut Nederland hoopt in de nabije toekomst meer projecten samen met Heden te doen.

De Tentoonstelling Schaafijs en wilde bussen is eerder te zien geweest in Fort Nieuw Amsterdam in Suriname en bij het CBK Zuidoost in Amsterdam. In de jaren zeventig ontstond in Suriname, vooral in de hoofdstad Paramaribo, een nieuwe vorm van populaire kunst. Op particuliere ‘wilde’ bussen, en op schaafijskarretjes werden schilderingen en teksten aangebracht die in de loop van de tijd steeds uitbundiger werden. In mei is de tentoonstelling te zien in Rotterdam.

zondag 27 februari 2011

Amelia Earhart in Suriname

3 Juni 1937 was een gedenkwaardige dag voor Suriname. Op die dag landde Amelia Earhart, vergezeld door haar navigator Fred Noonan op vliegveld Zanderij. Ze zou maar kort blijven, de volgende morgen was ze al weer vroeg vertrokken.

In het foto-archief van het museum bevinden zich een paar fotootjes met betrekking tot de korte tussenstop die Amelia destijds tijdens haar vliegreis rond de wereld in Suriname maakte. De foto's zitten in een album 'diversen'. De herkomst van de foto's is onbekend, bijschriften ontbreken. Je moet de dame op de foto dus wel kunnen herkennen, anders is de pagina voor je het weet alweer om- en het fotoalbum dichtgeslagen.


Amelia, geboren op 24 juli 1897, had een jongensachtige jeugd en ze was zeer geïnteresseerd in vrouwen die werkzaam waren in mannenberoepen. Ze werkte onder meer als verpleegster en sociaal werkster. In 1920 zat ze voor het eerst van haar leven in een vliegtuig en dat betekende een ware ommekeer. Ze nam vlieglessen en kocht haar eigen vliegtuig. Ze was de eerste vrouw die een intercontinentale solo retourvlucht maakte en ze bleef werken aan het verbeteren van snelheids- en afstandsrecords. In 1932 stak ze als eerste vrouw, vijf jaar na Charles Lindbergh de oceaan over. In 1936 trof ze voorbereidingen voor een vlucht rond de wereld. Dat ging niet zonder slag of stoot. De route leidde onder andere van Miami naar San Juan, Caripito (Venezuela), Paramaribo, Fortaleza en Natal (Brazilië) en vandaar de oversteek naar Dakar in Afrika. Ze vertrok op 1 juni om op 8 juni te Dakar te landen.

De vooruitzichten vanaf San Juan waren niet best. Vandaar was gepland om rechtstreeks naar Paramaribo te vliegen. Er werden echter windsnelheden voorspeld van 25 knopen of 29 mijl per uur tot aan Paramaribo. Ze had dus extra brandstof nodig, maar de startbaan te San Juan was daartoe te kort en besloten werd om een tussenstop te Caripito te maken en daar bij te tanken.
Op donderdag 3 juni, om 08.48 uur vertrokken ze uit Caripito. De vlucht duurde 4 uur en 50 minuten. Ze landden te Zanderij om 14.38 locale tijd.

Bijgaande foto moet kort na de landing zijn gemaakt. Amelia en Fred werden verwelkomd door Nederlandse en Amerikaanse functionarissen. Wie dat waren is vooralsnog onbekend. De volgende ochtend vroeg zou ze doorvliegen naar Fortaleza. Voordat ze per trein naar Paramaribo vertrokken werd het toestel alvast bijgetankt. In de stad overnachtten ze in het Palace hotel aan het Oranjeplein. De volgende ochtend om 07.10 uur stegen ze alweer op om ruim 9 uur later te Fortaleza te landen.

Helaas eindigde de reis in een ramp. Op 29 juni landden ze te Nieuw Guinea, vanwaar ze op 2 juli vertrokken met als bestemming Howlandisland. Daar zijn ze nooit gearriveerd. Er doen verschillende theorieën de ronde over het lot van Earhart en Noonan. Hoewel Amelia in 1939 officieel dood werd verklaard, bleef de interesse voor haar persoon en haar laatste vlucht altijd bestaan. Eind 2010 kwam omstandig in het nieuws dat op het eiland Nikumaroro botmateriaal was gevonden dat mogelijk aan Amelia of Fred toebehoorde. Bovendien werden enkele spulletjes gevonden die wel eens aan hun toegeschreven kunnen worden. Wie weet, komt de waarheid ooit nog boven water.

De Surinaamse posterijen brachten ooit postzegels in omloop waarop de tussenstop van Amelia te Zanderij wordt gememoreerd.


Foto

Datum: 03-06-1937
Locatie: Zanderij vliegveld, Suriname
Vervaardiger: onbekend
Inv. Nr.: 62-21
Fotoarchief Stichting Surinaams Museum


[van Museumstof, DWT, 19/02/2011]

Enkele sporen van Cola Debrot

door Rien Vissers

In 2005, in het eerste nummer van het kwartaalblad Fraters CMM, schreef ik een artikel ‘Fraters en schrijvers op Curaçao’. Antilliaanse schrijvers als Tip Marugg, Jules de Palm en Frank Martinus Arion kregen les van de fraters en daar verwijzen ze soms naar in hun boeken en in interviews. Het is bijvoorbeeld bekend dat Tip Marugg, van protestantse afkomst, met grote waardering sprak over het literatuuronderwijs van frater Franciscus van Dieten.

Kort geleden ontdekte ik in dit grote fraterarchief, ergens in een hoekje verscholen, een fraai houten kistje met daarin een verzilverde beker met inscriptie. Het kistje openend, kon ik in eerste instantie alleen lezen: Curaçao 1916 N. Debrot. Ik dacht meteen aan de bekende schrijver en diplomaat Cola Debrot, de grondlegger van de Antilliaans-Nederlandse literatuur. Vervolgens las ik de hele inscriptie:

Recuerdo à mi apreciable

maestro, fr. Herman

Curaçao 1916

N. Debrot



De Antilliaanse relatie fraters-schrijvers ging dus verder terug dan ik in 2005 wist! Cola Debrot (1902-1981) stamde uit een rijke Antilliaanse plantersfamilie. Zijn vaders familie had een protestants-Zwitserse achtergrond, die van zijn moeder een katholiek-Venezolaanse. Vader sprak overwegend Papiaments en moeder Spaans. Het gezin huldigde in godsdienstig opzicht vrijzinnige opvattingen. Maar men had goede redenen om de jonge Cola naar de fraters te sturen. Het St.-Thomascollege in Willemstad had een zeer goede reputatie, aldus J.J. Oversteegen in het eerste deel van zijn biografie In het schuim van grauwe wolken: het leven van Cola Debrot tot 1948 (de meeste gegevens ontleen ik aan dit in 1994 verschenen boek).

De laatste twee jaar op het St.-Thomascollege kreeg Debrot Nederlands van frater Herman Walboomers (1883-1967). Vanaf 1914, het jaar van zijn aankomst op Curaçao, tot 1916. Frater Herman bleef op het eiland tot 1919.Daarna was hij tientallen jaren leraar Nederlands op de Bisschoppelijke Kweekschool in Den Bosch.


Frater Herman gebruikte een strenge tucht en slaagde er in korte tijd in het Nederlands op school verder algemeen ingang te doen vinden (voor zijn komst werd het alleen in de hoogste klassen redelijk beheerst). Hij mengde zich vol vuur in het Antilliaans taaldebat. Zowel op de Antillen als in Suriname verdedigden de fraters het Nederlands onder andere omwille van de kansen op vervolgonderwijs voor hun leerlingen. De pastoors voelden meer voor de volkstaal ter plekke, omdat ze daarmee in de zielzorg dichter bij hun mensen konden staan.

Frater Herman, die in 1911 MO Nederlands haalde, had een passie voor poëzie, precies zoals later frater Franciscus van Dieten. Cola Debrot hield er een levenslange liefde voor Gezelle aan over. De uit de Antilliaanse bovenlaag afkomstige jongen heeft die jaren veel gepraat met de frater. Nadat hij in mei 1916 zijn examen had afgelegd, vertrok hij naar Nederland om in Nijmegen het gymnasium te volgen. Hij schonk frater Herman de mooie beker als herinnering. Het archief bewaart ook twee portretfoto’s die hij zijn oud-leraar gaf.
.


Op de klassefoto heeft Debrot zelf zijn naam geschreven. Frater Herman is te zien op de veranda. Oversteegen nam deze foto op in zijn biografie. En de frater bleef trots op zijn oud-leerling, vooral omdat die in de jaren daarna de beste van de klas bleef, ‘ook in Nederlands’.
Cola Debrot publiceerde in 1935 zijn beroemde debuut Mijn zuster de negerin. Een mooie, strak gecomponeerde novelle in de geest van zijn vriend E. du Perron en het tijdschrift Forum. Hij maakte naam als schrijver, werd arts en was een aantal jaren gouverneur van de Nederlandse Antillen.

Het blijft een beetje merkwaardig dat Cola Debrot, die zo goed Nederlands leerde van zijn frater, uit dankbaarheid een beker schonk met een Spaanse inscriptie. Of heeft zijn Venezolaanse moeder de beker laten graveren?

[overgenomen van Uit het archief van de Fraters van Tilburg]
.

难耐寂寞“红杏出墙”的女星


虽然有多方面证据可以证明陈伶俐与Peter“暗渡陈仓”,但陈伶俐却反称蒋太发癫污蔑,连蒋太的父亲都要向她道歉。另一方面,陈伶俐又指使Peter登报向老婆道歉,同时暗中通知传媒,以淡化她勾人老公的嫌疑。陈伶俐的连串动作,终于刺激到蒋太,向陈伶俐作出大反击。



据知,蒋太已经申请与老公蒋世杰(Peter)离婚,并正式入禀法庭控告丈夫(蒋世杰)与陈伶俐通奸。一般夫妻离婚案,大多数原告人都只控告另一半通奸,很少会连第三者一起告,蒋太的此次行动,明显是要公开一切,令对方身败名裂。


律师分析 此举只为出气 无实际利益


但根据律师谢伟俊解释,现今香港人极少就此入禀,告自己丈夫与人通奸只有两个可能:“如果有一方不想离婚,就要分居两年先离得,如果位太太告得成丈夫通奸,先可以即时离婚;第二个原因是行为上,令对方(被告)感觉不好,声誉不好,是人都知他通奸,那位太太是求出气,条气不顺,实际上控方无得益。”


谢伟俊并表示“就算被控通奸罪成,此等罪行不是刑事,更没有任何赔偿,就算是因通奸而离婚,也不会在资产分配及赡养费有任何得益。如通奸第三者在他们两公婆未离婚前,令他们资产上有变动,这可能会有些少影响资产分配,但绝不会因通奸而要增加赡养费,所以在香港告人通奸,绝对只是为出气。”

作者 : 烟雨江南 发表于 : 2009-12-21 11:09:26 回复

André Pakosie - Tide na wan mekunu dei

Tide na wan mekunu dei


Tide mi e sari
Mekiman fu revolutie e tyari noya a moro hei lenti fu grani
Gran fesa gi revo
Wan bondru fu nyun guduwan fu a revo
Ini den denki, lasiman fu a revo no e teri
Tide den di a revo ben kiri e si agen fa den be kiri den
na Moiwana
na Atyoni
na Fort Zeelandia
ofu wan tra presi
Skreki no sa de efu den di revo be kiri, sa drai now ini den grebi, efu den ben abi wan

No kori mi yeye, tide a no dei fu prisiri
Tide na mekunu dei
Na dei fu meki pikiadutrobi
gi den di revo be kiri kaba
Gi den di revo sa kiri ete
Mi ati e brudu fu a afrontu san den lasiman fu a revo e kisi ete, te tide



Today is a cursed day


I'm sad today
Revolution makers are now bearers of the highest honourable decorations
Great celebration for revolution
A regrouping of the new rich from the revolution
In their mind the victims of the revolution don't count
Today those who were murdered by the revolution, experience once again their murdering
in Moiwana
in Atyoni
in Fort Zeelandia
or somewhere else
It will not surprise if those who were murdered by the revolution turn in their graves now, if they have had one

Don't tainted my mind, today is not a day to celebrate
Today is a cursed day
A day for a vendetta for those who were murdered by the revolution
For those who will be murdered yet, by the revolution
My heart blood by the insult to the address of the victims of the revolution, even today



Vandaag is een vervloekte dag

Vandaag ben ik verdrietig
Revolutiemakers zijn nu dragers van de hoogste eretekens
Grote feest voor de revolutie
Een hergroepering van nieuwe rijken uit de revolutie
In hun geest tellen de slachtoffers van de revolutie niet mee
Vandaag beleven zij die door de revolutie werden vermoord, nogmaals hun moord
in Moiwana
in Atyoni
in Fort Zeelandia
of ergens anders
Het zal niet verbazend zijn als zij die door de revolutie zijn vermoord vandaag omdraaien in hun graven, als zij er een hadden gehad

Belazer mijn geest niet, vandaag is geen dag om te vieren
Vandaag is een vervloekte dag
Een dag voor een vendetta voor zij die de revolutie heeft vermoord
Voor zij die nog door de revolutie zullen worden vermoord
Mijn hart bloed door de belediging aan het adres van de slachtoffers van de revolutie, zelfs op vandaag





Foto: @ Michiel van Kempen

Die vermaledijde liefde

door Miriam Rasch

Over de liefde zijn boekenkasten volgeschreven, van grootse romans en tragedies tot dokterromannetjes. De laatste jaren raakt ook de non-fictie steeds meer geïnfecteerd met het liefdesvirus: er verschijnt een constante stroom boeken over de liefde in filosofie, in film en literatuur, in de hersenen, als foefje van de hormonen. Filosofe Stine Jensen voegt daar nog een titel aan toe: Het broekpak van Olivia Newton-John; Stukken tegen de liefde.

Waar die honger naar boeken over liefde vandaan komt, zal niemand kunnen zeggen. Heeft het te maken met de toename van singles, die ook een belangrijke doelgroep vormen van marketeers (en vaak hoog opgeleide vrouwen zijn, dus lezers)? Is het misschien wel een prettig idee dat verliefdheid niet meer is dan een stofje in de hersenen, of worstelen we daar juist mee en hebben we een filosofie van de liefde nodig als tegenhanger? Andere schrijvers stellen dat het liefdesvirus onder de mensen is verspreid door moderne sprookjes van de media en filmindustrie. Terwijl niemand een perfecte relatie heeft, schotelen schrijvers en televisiemakers het publiek een beeld voor van eeuwigdurende liefde met heftige ups en downs, maar altijd met een happy end.

Maneater
Het broekpak van Olivia Newton-John lijkt op het eerste gezicht wéér een leuk boekje over die vermaledijde liefde. Bij nader inzien blijkt Stine Jensen met haar verzameling korte essays een verfrissende, welkome blik op het ietwat uitgekauwde onderwerp te geven. Op het gevaar af lezers af te schrikken: Stine Jensen is een feministe. Maar wel één met humor. Ze consumeert de meest uiteenlopende boeken, films en artikelen op zoek naar antwoorden op haar eigen vragen. Neem Olivia Newton-John: het preutse, knappe meisje dat bij een vijver haar liefde voor een stoere kerel bezingt en transformeert tot een maneater in een strakke leren broek was Jensens voorbeeld als puber. Wat zegt dat over de verwachtingen van meisjes in de liefde?

Naast Grease gaat Jensen ook te rade bij de filosofie van Plato, bij tv-series als Dexter en de huwelijksverhalen van Strindberg. Die afwisseling tussen hoge en lage cultuur – uiteraard een al lang achterhaalde onderscheiding – gaat haar volkomen natuurlijk af. Haar motto: 'Analyseren! Interpreteren! Meer lezen!' Ze gaat daarbij uit van de klassieke driedeling van een esthetische, ethische en emotionele manier van lezen. Het aardige is dat ze ook dit abstracte onderscheid persoonlijk maakt. Er leven in haar drie vrouwen: de eerste leest voor het genot van mooie zinnen, de tweede beoordeelt het boek op zijn boodschap en de derde zet de sluizen open om geraakt te worden.

Robert Vuijsje
Hoe dit uitpakt is goed te zien in haar bespreking van Robert Vuijsjes Alleen maar nette mensen. Bespreking is misschien niet het goede woord; Jensen heeft een moeizame relatie met dit boek, waarin een Joodse jongen uit Amsterdam in de Bijlmer op zoek gaat naar zijn droomvrouw, de 'intellectuele negerin' met een grote kont. Vuijsjes boek werd lovend ontvangen en onderscheiden met diverse prijzen. Jensen maakt zich kwaad (de emotionele lezer) over het boek om de boodschap (ethisch) en de stijl, die ze belabberd vindt (esthetisch). Haar conclusie is niet mis te verstaan: Vuijsjes roman is 'misschien een "geinige" belediging voor zwarte vrouwen en het intellectuele milieu in Oud-Zuid', maar toch vooral 'een belediging voor alle literatuurliefhebbers'. Die zit!

Jensen noemt zichzelf 'een pessimist in de liefde' en de hier verzamelde stukken heten 'tegen de liefde' te zijn. Sommige mensen weten juist uit 'tegen zijn' de meeste energie te halen en de interessantste gedachten te putten. Dat geldt ook voor Stine Jensen. Misschien is ze daarin ook wel een echte feministe. Maar, zoals gezegd, dan wel één met humor.

Het broekpak van Olivia Newton-John; Stukken tegen de liefde
Stine Jensen
Uitgever: Ambo
Prijs: 15,-
192 bladzijden
ISBN 9789026323591


[van 8Weekly, 27 februari 2011]

Irony is over

door Yra van Dijk

‘Irony is over’, concludeerde Claire Colebrook gisteren een lezing in New York. De hippe Australische stelde dat de westerse filosofie en literatuur weliswaar altijd ironisch is geweest, maar dat daar nu een einde aan is gekomen. Zelfs de bodemloze postmoderne ironie, die niet meer verwees naar een achterliggende waarheid, was niet meer dan een teken van het einde van het ironische tijperk.

Met een vanzelfsprekend gemak zeilde Colebrook van Deleuze, naar Jonathan Frantzens Freedom, en dan via Sarah Palin en Aristoteles weer terug, om te besluiten met de Deleuziaanse voorspelling dat we een nieuw, onironisch maar eerder 'humerous' tijdperk ingaan. Humor, in tegenstelling tot ironie, suggereert een leven en een kracht die uitstijgt boven betekenissen. (Wonderlijk genoeg refereerde ze niet aan haar collega Simon Critchley, die in 2007 verklaarde dat humor de enige vorm van sublimatie is die onze oneindige ethische verantwoordelijkheid dragelijk kan maken (Infinitely Demanding). Ironie is altijd anti-humanistisch, zo stelde Colebrook, en wij zijn nu zo humanistisch dat er geen ruimte is voor ironie.

Dat is misschien wel wat kort door de bocht. Twintig straten verderop in de lower East Side was er ondertussen een expositie in The new museum met een werk van de Israëlische kunstenares Yael Bartana (die overigens aan de rijksacademie studeerde en in Amsterdam woont). Het werk bestond uit een Manifesto of the Jewish Renaissance Movement in Poland. Wie nog twijfelde aan de ernst van het idee, is snel genezen door de grafische signalen: fascistische iconen sieren het bloedrode pamflet, dat bezoekers gratis mee mogen nemen in posterformaat. Een nogal ambivalente zionistische boodschap, met bovendien een bijbehorende getekende instructie: bouw-je-eigen-kamp, compleet met prikkeldraad en wachttorens. Ironischer kan het niet. Of zou het humor zijn?

[van De Amsterdamse lezing, zaterdag 26 februari 2011]

Wrestling with the image: Caribbean interventions

Suriname’s participatie in het About Change-kunstprogramma van de Wereldbank is een positieve stap voor Surinaamse kunst in haar streven om verder toe te treden tot een wereldwijde kunstmarkt.

Het About Change emerging artists’ programme, is een initiatief van de Wereldbank in samenwerking met de InterAmerican Development Bank, de OAS, en het Caribbean Community (Caricom) Secretariaat. About Change is een serie van gejureerde exposities van hedendaagse kunst uit Latijns-Amerika en het Caraibisch gebied die plaats zullen vinden gedurende 2011 en 2012 op verschillende locaties in Washington D.C., waaronder de Wereldbank, het Art Museum of the Americas, en de galeries van de Inter-American Development Bank. Het wordt georganiseerd door het World Bank Art Programma onder auspiciën van de World Bank Vice Presidency voor Latijns-Amerika en de Caribische regio.

Aan de hand van een online oproep van de Wereldbank in 2010 waarin kunstenaars uit Latijns-Amerika en het Caraibisch gebied uitgenodigd werden zich op te geven voor haar About Change-kunstprogramma, zond een groep van kunstenaars gelieerd aan de Readytex Art Gallery haar inschrijvingen in. Na een selectieprocedure werden de gekozen kunstenaars bekendgemaakt: Marcel Pinas, Roddney Tjon Poen Gie, George Struikelblok, Sri Irodikromo, Dhiradj Ramsamoedj, Jhunry Udenhout en Hanka Wolterstorff mochten hun werk presenteren op de exposities van het About Change-kunstprogramma van de Wereldbank. Ook de in Nederland woonachtige kunstenares Patricia Kaersenhout is geselecteerd voor deelname. Het werk van de Surinaamse kunstenaars wordt tentoongesteld in twee aparte exposities binnen het programma.

Het eerste evenement, een expositie waarin uitsluitend kunst uit het Caribisch gebied wordt belicht, opende op vrijdag 21 januari 2011 in het Art Museum of the Americas van de OAS in Washington DC. In deze expositie genaamd Wrestling with the image: Caribbean interventions, zijn werken van de kunstenaars Marcel Pinas, Sri Irodikromo, Dhiradj Ramsamoedj en Patricia Kaersenhout te bewonderen. Uit het persbericht van de organisatie was onder andere te lezen: “The exhibition presents works in a variety of media, including photography, video, painting, graphic arts, sculpture, and installation. The scope of the objects demonstrates how the region’s contemporary artists are confronting stereotypes about the Caribbean without denying their own surroundings or rejecting the worlds in which they operate”. De curatoren van deze expositie zijn kunstenaar en curator Christopher Cozier (de Trinidadiaanse Cozier was tevens cocurator van de expositie Paramaribo SPAN bij De Surinaamsche Bank N.V. in februari 2010) en kunsthistoricus Tatiana Flores. De expositie loopt tot en met 10 maart 2010.

Van Pinas staat er een fragment van zijn flesseninstallatie Kibii wi koni bestaande uit 5000 flessen in pangistoffen gewikkeld, symbool voor de traditionele kennis en wijsheid van de marrons; van Ramsamoedj staat er zijn levensgrote Flexible lady, een installatie van een vrouwenfiguur gemaakt van duizenden stukjes bontgekleurde stof die de identiteit van de even bontgeschakeerde multiculturele Surinaamse alsook de Caraibische mens lijkt te weerspiegelen; van Irodikromo hangt er haar 10 meter lange Ingi Winti-batik doek waarin zij door middel van symbolen de kruisbestuiving tussen cultuurelementen van de inheemse en marron leefgemeenschappen weergeeft.

Aan de hand van deze Caraibische expositie werd er een prachtige online catalogus geproduceerd door Richard Rawlins van the Draconian Switch in samenwerking met het Art Museum of the Americas en de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), welke gratis te downloaden is op http://www.artzpub.com/content/special-publications/wrestling-image. Meer informatie over de expositie is tevens te vinden op de website van de Art Museum of the Americas http://www.museum.oas.org/exhibitions.html .

Na deze expositie die trouwens ook verschillende activiteiten en discussies omvat, zal het werk van alle Surinaamse kunstenaars te zien zijn in de About Change expositie in de Wereldbank zelf. In About Change - Wrestling With The Image exposeren kunstenaars van alle lidstaten in het Caraibisch gebied, Argentinië, Brazilië en Uruguay, bij de Wereldbank van 7 april 2011 tot 30 juni 2011. Deze expositie bevat ook het grootste deel van het werk dat eerder gepresenteerd werd bij de IADB en de OAS.

Afbeeldingen van boven naar beneden: werk van Sri irodikromo, Dhiradj Ramsamoedj en Patricia Kaersenhout

Singi tori's van Darell Geldorp

Darell Geldorp, voorzitter van NAKS Ala Firi, is geruime tijd bezig geweest met het opschrijven van bestaande wintiliederen die hij hoorde op de radio en via uitgebrachte cd’s. “Ik heb een groot schrift vol met deze liederen. Op een gegeven moment begon ik de liederen te bestuderen en kwam erachter dat er 3 soorten wintiliederen zijn: liederen om de winti op te roepen, liederen voor zodra de winti aanwezig is en liederen waarbij de winti wordt bedankt en teruggestuurd naar de geesteswereld.

Sinds kort is hij gestart met het schrijven van verhalen over wintiliederen. “Ik zoek een onderwerp dat ik naar voren wil brengen en creëer dan een verhaal daarover met de bijbehorende liederen, net zoals men het vroeger deed bij de Anansi Tori’s, maar in dit geval worden wintiliederen gebruikt,” zegt hij. Zijn onderzoek leverde hem op dat er een onderscheid is tussen liederen die werden gezongen door de winti en liederen die mensen zingen over de winti. Over de kracht, de macht en de wijsheid van de winti. De meeste liederen bevatten boodschappen van de winti naar de mens toe, over hun gedrag en hun functie. Hij gaf twee liederen als voorbeeld. Een lied over de functie van de winti:

Mi na goron-wint’o, baka-gron Aisa he.
Mi na mama di e luku den krioro pikin.
Was’ m’ede gi mi meki fuka kaba
.

In dit lied vertelt de Bakagron Aisa over haar functie tegenover de mens. Haar functie is om te waken over kinderen. Hieruit kan je dan ook leren dat de Aisa een moederfiguur is.

Een lied over de taak van de winti:

Leba ho, yu na dyan-dyan 2x
Ogri doti yu sa wai en gwe
wisi seti yu sa sibi en gwe
Leba ho, yu na dyan-dyan
Ogri; wai en gwe
wisi; wai en gwe


In dit lied leer je over de taak van de Leba winti om de omgeving en het leven van de mens ten alle tijden veilig te houden tegen allerlei negatieve sferen. Dus in dit lied benadrukken ze zijn/haar taak, maar tegelijkertijd bedanken ze de Leba ook voor zijn/haar werk.

Geldorps verhalen zijn te vinden op www.culturu.com onder de topic Winti Singi met Luangu Masra. Daar heeft hij de meestgelezen verhalen neergezet. Hij is voornemens om de verhalen in boekvorm naar het grotere publiek te brengen.

[uit Naks Tori nr. 2, februari 2011]

Teater te den bo bario


Op 12 maart speelt Teater te den bo bario een stuk over abortus in Teatro Luna Blou in Willemstad. Klik op het affiche voor een groter formaat.

Bernardo Ashetu - Herinnering

Spin met rode nagels, heet het kleine
lied dat ik zing. Voor 't eerst heeft
het geklonken lang geleden toen ik
zat bij een zwarte kreek naast
mijn zuster, een negerin. Blauwe
vlinders vlogen rond en vlogen langs
de duist're boom waarin zij zat
met haar rode nagels, de spin,
die aan mijn zuster 't lied ontlokte,
dat naklinkt in mijn herinnering.

[uit Yanacuna, 1962]





Afbeelding: Black Nigger Museum

Grote belangstelling filmportret Elfriede Baarn-Dijksteel


Kelita Gallant doet de voorzang van het lied Mama Aisa

Clifton Braam, PR-coördinator van NAKS was zeer ingenomen met de launch van de DVD op 1 februari jongstleden, omdat een belofte die gedaan is aan Mw. Elfriede Baarn-Dijksteel is waar gemaakt. “Met het uitbrengen van deze DVD hebben wij op hoog niveau een deel van onze kulturu gearchiveerd voor het nageslacht. De reacties zijn geweldig!. Iedereen is onder de indruk van een kort, maar krachtig gepresenteerd portret van Elfriede-Baarn Dijksteel”. De kundigheid waarop dit portret in elkaar is gezet door filmmaker Dave Edhard is ongekend en vernieuwend.

Een reactie van Mw. Ismene Krisnadath van de schrijversgroep 77 na de launch: ‘Dat wij in staat zijn dit te doen met onze gedichten, ik word er emotioneel van, dit is top, dit moet men zien, dat wij dit kunnen doen met onze kunst.’ Enkele clips uit de DVD zijn gedeeld met lokale televisie stations om te vertonen. “Bij documentatie anno 2011 hoort ook het gebruik
van nieuwe media via het internet, zoals facebook en youtube. Dit stelt ons niet alleen in staat om meer jongeren te bereiken, maar ook om de Surinaamse cultuur te promoten aan een internationaal publiek”, aldus Jennifer Baarn.

Op 9 februari gingen de youtube video channel Memre Elfriede en de gelijknamige facebook pagina “live”. Op deze pagina’s zijn enkele fragmenten uit de dvd te zien namelijk, son ten na mi (Gerrit Barron) en de clip van Naks Makeda. De pagina’s zijn goed gedocumenteerd
en bevatten tevens Engelstalige beschrijvingen. De populariteit is na twee weken enorm. De NAKS Makeda clip is al 1,500 keer bekeken, de facebook pagina heeft reeds 615 fans. De meeste bezoekers zijn vooralsnog afkomstig uit Suriname en het Caraibische gebied, maar ongetwijfeld wordt dit ook populair onder Surinamers in de Verenigde Staten en Europa. Een lokaal Amerikaans TV station heeft reeds toestemming om de fragmenten te vertonen op de televisie. Maritha Kitaman en Jennifer Baarn beheren de pagina’s nu namens NAKS.


Natasha Strok beeldt Mama Aisa uit in de videoclip

Op youtube kan je de clips vinden door te zoeken onder “Elfriede Baarn”. Op facebook kan je de pagina vinden door te zoeken onder “Memre Elfriede”. De dvd is op het NAKS
secretariaat in Paramaribo te koop voor 50 SRD.

[overgenomen uit Naks Tori nr. 2, februari 2011]

Carry-Ann Tjong-Ayong - Kamrawenke, kamermeisjes en andere huisdieren


Het Sranantongo kent diverse grappige benamingen van alles wat er zich in en rond het huis beweegt. Als kind hadden wij daar veel plezier mee.

Ze rennen de hele dag langs de muren met hun bolle zwarte oogjes, hun vlugge pootjes met vijf zuignapjes en hun beweeglijke staartjes, die gladde lichtbruine huishagedisjes. Gekko's heten zij in Indonesië, maar wij noemen ze beeldend kamrawenkes (kamrawintjes) of kamermeisjes, alsof zij ijverig de bedden opmaken, het huis van stof ontdoen. Toegegeven, geen vlieg of mier blijft liggen en bovendien zijn ze dol op cassaveboyo, zoals ik merkte toen ik mijn stukje boyo voelde verschuiven op mijn schoteltje en later het kamermeisje gretig de kruimels zag verorberen. En de laatste restjes cola slurpen ze gulzig op, als een dranklustig kamermeisje, dat de restjes whisky uit de glazen likt. Het zijn er twee die speels achter elkaar rennen, klepperen aan de glazen shutters, zich achter schilderijtjes verstoppen. En zij vermenigvuldigen zich kennelijk ook,want we zagen een paar piepkleine langs de muur naar beneden glippen. Maar ze zijn gezellig en horen bij het huis. Onze ijverige kamermeisjes.
.



Papitodo zijn die grauwbruine kikkertjes die in de trensen wonen en waar je als kind mee speelt. Waarom ze papakikkers heten? De mamitodos zijn er ook maar worden niet zo genoemd. Ze springen watervlug weg uit je handen.

Wel ken ik de zombi m'ma, grote zwarte bromvliegen of hommels, die de kinderen in het binnenland vangen in de gaten die deze hommels boren in houten balken. Zij doen er een lang touw aan en rennen over het erf, terwijl de zombi m'ma snorrend boven hun hoofden meevliegt.

Pierneki zijn die kippen met een kale veerloze nek. Ze zien er een beetje uit als gieren. Maar ze zijn onschuldig en lopen argeloos over het erf hun kostje bij elkaar te scharrelen. Hoe zij aan die kale nek komen? Is het een bepaald ras? Of pikken zij elkaar kaal? Ik heb het nooit geweten.
.


Mat'gadofowru is het kleine ijverig zingende vogeltje in de tuin. Ons vriendje, het godsvogeltje, klein en bruin als een huismus, hoort bij het huis.

Al deze benamingen geven de creativiteit van de Surinamer aan, in het benoemen van de meest simpele diertjes in de woonomgeving. Van kamermeisje tot godsvogeltje zijn ze dagelijks om ons heen.

Kalakaboru, zijn die sobere, schaars met krenten bedeelde bollen, die je op de zondagschool bij feestelijke gelegenheden kreeg uitgedeeld. Als er een bazaar of fancyfair was heetten ze stuivertjebol, omdat in sommige een in een vetvrij papiertje gewikkeld vierkant stuivertje was meegebakken. De vinder mocht dan een nieuwe bol gaan kopen voor vijf cent.

Awaridomri noemen wij iemand die zich schijnheilig gedraagt. Hij is vergelijkbaar met de vos die de passie preekt om later de domme kippen op te peuzelen. Ik vond het altijd een leuke naam en stelde mij de awari voor die in de Grote Stadskerk stond te preken.


cat 23/10 2010

Foto's: bovenste @ Bryan Jones; andere twee: @ Francita aka norushpics

Wat lezen we voor op 4 maart?

4 maart: Nationale Voorlees- en Verteldag. De redactie en kinderredactie van de Ware Tijd Literair stelden een vraag aan 10 mensen die met taal of onderwijs, of met doelgroepen voor voorlezen te maken hebben: aan wie zou u willen voorlezen op 4 maart en uit welk boek?

Helen Chang, voorzitter van de Nederlandse Taalunie in Suriname, wil op 4 maart voorlezen aan alle Surinaamse schrijvers en wel uit het zeer toepasselijke boek Leven om het te vertellen (2003), de autobiografie van de Latijns-Amerikaanse schrijver Gabriel García Márquez (1928), waarin hij een deel van zijn levensgeschiedenis geeft, maar ook de ontstaansgeschiedenis van zijn werken.

Yvonne Caprino, directeur van de Stichting Projekten Christelijk Onderwijs Suriname (PCOS), wil voorlezen aan bejaarden in Huize Albertine en wel uit Het levenswater van Ana Bolindo-Kondre door Ané Doorson (1927-1997), schrijver uit Nickerie. Het is een mondeling overgeleverd volksverhaal uit kringen van de balatableeders, over een echte ‘queeste’ (zoektocht), drie broers die op zoek gaan naar het ‘levenswater van Ana Bolindo’ dat hun vader moet genezen van blindheid. Een schitterend Surinaams sprookje!
Cynthia Mc Leod, auteur van historische romans, wil voorlezen in klas 5 of 6 van een basisschool. Het boek van haar keuze is: Rossy dat krantenkind (1952) van Ann Rutgers van de Loeff (1910-1990). Het is een waar gebeurd verhaal over een 14-jarig meisje uit Amerika dat haar broertje uit een brandend huis redt en zelf gehandicapt wordt.

Ellen Ombre, auteur van verhalenbundels, non-fictie en een roman, wil voorlezen op een VOS-school, uit Tijding van ver (1961) van een al bijna vergeten auteur uit de Nederlandse literatuur, Ferdinand Bordewijk (1884-1965). Het is een roman waarin de vervaging van de standenmaatschappij een belangrijk thema is met als negatieve bijwerking dat het leven ‘stijl gaat missen’. In het boek komt een Surinaams meisje voor dat in die tijd al in Nederland woont. Zij vertelt veel over de cultuur van haar land.

Sandra Purperhart is actief met leesbevordering te Abrabroki, ook in een bibliotheek. Daar wil ze op 4 maart de kleintjes vanaf een jaar of vier voorlezen uit Lafu van Cynthia Mc Leod. Lafu is het hondje van Sita. Het is een grappig verhaal over een hondje in een gezin. Lafu maakt dingen mee waar kinderen om moeten lachen: ‘Pe lafu de, y’ e tan leisi’, is het motto van Sandra.

Rappa/Robby Parabirsing, schrijver voor de jeugd en volwassenen. Bij zijn huis heeft hij een bibliotheek waar jongeren boeken komen lezen en lenen. Voorlezen wil hij aan die groep, meest leerlingen van eind mulo of begin havo/vwo, problematische lezers die liever niet lezen. Rappa kiest voor verhalen uit de tweede bundel, Holland heeft ook takru sani van de Surinaamse auteur John Wladimir Elskamp. Daarin staan moderne verhalen die deze jeugd aanspreken, soms lekker gewaagd.

M. Rust, directeur van Huize Ashiana, wil in de bejaardensoos voorlezen uit Hoe duur was de suiker? van Cynthia Mc Leod, een begrijpelijke keuze, want het is een van de meest geliefde boeken uit onze literatuur.

Raymond Sapoen, minister van Onderwijs en Volksontwikkeling, wil voorlezen in een eerste klas van een lagere school, uit Amaisa gaat baden, uitgegeven door de Stichting PCOS, als vastlegging van een van de thema’s uit het project ‘Vroege Taalstimulering’ in negen dorpen aan de Boven-Suriname. Opvoeders van kinderen die nog niet naar school gaan leren er de woordjes uit hun dagelijks leven in de schooltaal, zodat de kinderen die weer van hun mama of oma leren in de eigen omgeving. Een prachtige keuze van de minister, want die eersteklassers kunnen de eenvoudige zinnen over Amaisa die gaat baden thuis weer doorgeven!

Xaviera, 10 jaar, medewerker van de kinderredactie, kiest voor het boek Van mij mogen ze opvliegen (1993) van Corrie Hafkamp (1929). Dit boek gaat over ouders die vaak buitenshuis naar vogels gaan kijken, waardoor ze te weinig aandacht schenken aan hun kinderen. Aan wie wil Xaviera het voorlezen? Ze zegt: ‘ik ga dat niet voorlezen. Volwassenen moeten het voorlezen, aan al die mensen die niet naar hun kinderen kijken.’

Marijke Zschusschen, maatschappelijk werker aan het Heilpedagogisch Instituut Matoekoe voor kinderen en jongeren met een verstandelijke beperking te Lelydorp, wil graag voorlezen aan de oudere pupillen, van 14 tot 18 jaar. Ze houden veel van Anansitori, maar het Nederlands is erg moeilijk voor hen. Daarom leest ze in het Sranan. Er bestaat een oude serie Sranan Anansi Tori, zoals Anansi nanga Freifrei, uitgegeven door het Instituut voor Taalwetenschap in Paramaribo omstreeks 1980.

Fotocollectie Surinaams Museum online



Portret van bosneger echtpaar
Foto van een bosneger echtpaar met gevlochten haar.
Datum: rond 1910
Locatie: Paramaribo, Suriname
Vervaardiger: Augusta Curiel
Inv. Nr.: gn-03-236
Fotoarchief Stichting Surinaams Museum



Het Nederlands Nationaal Historisch Museum heeft in samenwerking met het Surinaams Museum tweeduizend foto's uit de 19e en 20e eeuw gedigitaliseerd. Door de foto's op Flickr te plaatsen hopen de instellingen een groot publiek te bereiken. Het is de bedoeling later ook een boek uit te geven.

De foto's geven een beeld van het dagelijks leven in Suriname. Bij de collectie ontbreekt soms informatie over afgebeelde personen of locaties. De musea hopen dat de ontbrekende informatie kan worden aangevuld door het publiek. Dat kan nieuwe verhalen en inzichten over de gemeenschappelijke geschiedenis van Suriname en Nederland opleveren. Ook zelf foto's toevoegen in een aparte sectie is mogelijk.

Klik hier voor de Photostream op Flickr

zaterdag 26 februari 2011

Voorleesketen

De Nationale Stichting Kinderboekenfestival Suriname, de Stichting Lezen en de CCS Bibliotheek zullen op vrijdag 4 maart a.s. landelijk een gezamenlijke activiteit ontplooien ter gelegenheid van de Nationale Voorlees- en Verteldag. Tussen 10.00 een 10.30 uur zal er op zoveel mogelijk basisscholen, op crèches, in bejaardentehuizen, ziekenhuizen, instellingen voor gedetineerden, op kantoren en in bedrijven worden voorgelezen. Op de nationale voorlees- en verteldag zal zoveel mogelijk uit de verhalenbundel Lezen verbindt schrijver en kind worden voorgelezen. Scholen kunnen, vanaf maandag 28 februari 2011, tegen een symbolisch bedrag van SRD 5,- een exemplaar van het voorleesboek afhalen bij de Stichting Projekten aan de Dokter Sophie Redmondstraat 172. Aan u wordt gevraagd of u zich beschikbaar stelt om op vrijdag 4 maart deel te nemen aan de voorleesactie. Het is mogelijk om op de school waar u als leerling op gezeten hebt te gaan voorlezen of op de school van uw eigen (klein)kinderen, maar u kunt ook voor een andere instelling kiezen. We proberen door inventarisatie van de voorlezers een zo goed mogelijke spreiding van voorlezers op de scholen en instellingen te organiseren. Wilt u zo vriendelijk zijn ons uiterlijk dinsdag 1 maart om 15.00 uur telefonisch of per e-mail door te geven of en waar u wilt gaan voorlezen op 4 maart? Het e-mailadres van de stichting is: sdgs@sr.net en de telefoonnummers zijn: 411455, 477713, 472070.

Ismene over voorlezen

door Ismene Krishnadath

Voorlezen voor aanstaande juffrouwen vind ik altijd fijn. Voor mij een keuze als ik relaxt te werk wil gaan. Je ziet de dames genieten en hebt alle hoop dat ze ook hun leerlingen later zo willen verwennen.

Soms ga ik voor de uitdaging. Dan zou ik willen voorlezen aan jongens van het eto (eenvoudig technisch onderwijs) of lto (lager technisch onderwijs). Ik zou ze zover willen krijgen dat ze aan mijn lippen hangen. Dat betekent dat ik een onderwerp moet zoeken dat hen kan pakken en qua techniek moet ik het voorlezen combineren met vertellen.

Verder komt, als ik denk aan voorlezen, het gemoedelijke plaatje van mijn oma in beeld, die mijn opa voorlas uit de krant, ’s middags of in de vooravond. Mijn oma was niet zo’n discussiant, maar zelf zou ik na het voorlezen willen napraten over de inhoud. Kranten zijn een onuitputtelijke bron van discussiestukken en zo gemakkelijk voorhanden.

Voorlezen voor kinderen en kleinkinderen vind ik een must, wil ik iedereen aanraden, maar dan van leuke boeken, waarbij gezellig over het verhaal en de plaatjes gekletst kan worden. Anders vrees ik dat de ouders eerder in slaap vallen dan het kind, zoals met mij gebeurde toen ik mijn jongste zoon, hij was toen een jaar of vier, voor het slapen gaan probeerde voor te lezen uit een moeilijk geschreven boek met verhalen van Karl May.


[uit de Ware Tijd Literair, 26 februari 2011]

Voorleesactiviteiten Tobideb

Op 4 maart 2011 zal voor de elfde keer in Suriname de Nationale Voorlees- en Verteldag worden herdacht. Verhalen voorlezen of vertellen ontwikkelt de taal- denkfuncties alsook de creativiteit. Een goede taal- denkfunctie en een grote woordenschat zijn essentieel voor het functioneren in de maatschappij en voor de verdere ontwikkeling en studie. Er is veel onderzoek gedaan naar het effect van voorlezen en vertellen op jonge kinderen. Telkens komt naar voren dat het omgaan met boeken en het lezen in de omgeving van jonge kinderen van grote invloed is op de houding van kinderen ten opzichte van het lezen op latere leeftijd. In Suriname komt vanwege de multiculturele samenleving ook de taalsituatie waarin het Surinaamse kind opgroeit, erbij kijken, aangezien de Nederlandse taal (de officiële taal in Suriname) voor veel kinderen een tweede of een vreemde taal is.

Stichting Leesbevordering Tobideb i.o. nodigt iedereen om deze dag met haar te vieren op vrijdag 4 maart 2011 van 17:00- 19:00 uur bij het Nola Hatterman Instituut op het complex van Fort Zeelandia. De stichting zal verder van 4 tot en met 12 maart op scholen en instellingen, voor kinderen en seniorenburgers, voorlees- en vertelactiviteiten ontplooien en spelletjes doen. Ook zal een workshop worden gehouden. Meer info: 08777430/ 453656 - gerdabijlhout@gmail.com of 08925978 – mareusan@sr.net

Foto: voorlezen tijdens het Kinderboekenfestival 2010,

@ Michiel van Kempen

Presentatie tweetalig rekenonderwijs


De Vereniging van Inheemse Dorpshoofden in Suriname (VIDS) presenteert op maandag 28 februari een tweetalige rekenmethode. Op het in 2008 gehouden Inheems Onderwijsfestival is de noodzaak uitgesproken voor het ontwikkelen van intercultureel, tweetalig onderwijs, om daarmee de leerresultaten van de kinderen in de Inheemse dorpen in Beneden-Marowijne verbeteren. Vooral het rekenonderwijs vormt een struikelblok. Inmiddels is een pilotproject tweetalig rekenonderwijs van start en de VIDS houdt een nationale presentatie over deze rekenmethode. De presentatie wordt gehouden in De Mantel aan de Keizerstraat in Paramaribo. Belangstellenden kunnen contact maken op 520130 of infovids@vids.sr

Kan erotiek in literatuur nog wel sexy zijn?

door Julie Phillips

Schrijfster Julie Phillips is verrukt over de 'uitvinder' van seks in de moderne roman, D.H. Lawrence. Maar hij is al tachtig jaar dood. Nu er nauwelijks taboes meer bestaan, vraagt Phillips zich af: kan erotiek in literatuur nog wel sexy zijn?

D.H. Lawrence staat bekend als de schrijver die seks introduceerde in de moderne Britse roman. Zelfs in de nieuwe, ongekuiste editie van Verliefde vrouwen - in een mooie vertaling van Barbara de Lange - zijn de seksscènes nog steeds eerder omfloerst dan expliciet. Maar door codewoorden als 'verlangen' en 'bevrediging' te gebruiken, evenals ritme en intensiteit, gaf hij zijn beschrijvingen een kracht die voor 1921 ongekend was. In deze scène bedrijven twee minnaars, Ursula Brangwen en de aantrekkelijke, vrijdenkende schoolinspecteur Rupert Birkin, de liefde op een deken in het bos:

"Ze stilde haar verlangen naar hem, ze raakte hem aan, ze ontving het summum van woordloze mededeling in de aanraking, zo donker, zo zacht, zo prachtig stil, een heerlijk geven en weer nemen, een volmaakt aanvaarden en schenken, een mysterie, dat nooit in zijn volle realiteit kan worden gekend, een vitale, sensuele realiteit die nooit kan worden omgezet in de gedachten van het verstand. Haar verlangen werd bevredigd, zijn verlangen werd bevredigd. Want zij was voor hem wat hij was voor haar, de eeuwigdurende heerlijkheid van mystiek, tastbaar, werkelijk anders zijn."

De seks is bijzonder intens omdat de twee geliefden net enorme ruzie hebben gehad, elkaar bekenden dat ze verliefd op elkaar zijn, en zich uiteindelijk aan hun overweldigende hartstocht hebben overgegeven. Wat het extra aanstootgevend maakt is dat zij niet getrouwd zijn.

Maar Verliefde vrouwen prikkelt niet alleen om zinnenprikkelend te zijn. Lawrence wilde een punt maken. Deze roman is zijn modernistisch manifest, zijn aankondiging dat het tijd was om openhartig over seks, liefde en relaties tussen mannen en vrouwen te spreken. De vier hoofdpersonen, de twintigers Ursula, Birkin, Ursula's zus Gudrun en haar vriend Gerald Crich willen niets minder bereiken dan het herdefiniëren van het instituut huwelijk. Ze hebben hun ouders zien lijden onder ongelukkige verbintenissen. Ze willen een lichamelijke en emotionele band met een ander waarbinnen zij gelijk, onafhankelijk, zelfbewust en vrij kunnen zijn.

Elke godsdienstigheid ontbreekt, maar ze praten wel voortdurend over wat het leven zin geeft. Gerald, eigenaar van een kolenmijn, gelooft dat dat werk is: "Alleen door het productieproces werden de mensen bijeengehouden." Birkins ex, de hooghartige aristocrate Hermione Roddice, gelooft in de wil. "Konden we maar leren onze wil te gebruiken, dan konden we alles aan." Gudrun, kunstenares, verlangt naar een intellectuele kameraad die haar talent begrijpt.

Birkin en Ursula geloven in de liefde - inclusief de fysieke liefde - als bron van de zin van het leven. Tegelijkertijd worstelen Gerald en Birkin met hun wederzijdse aantrekkingskracht - letterlijk, in een beroemde scène waarin ze naakt worstelen en ten slotte uitgeput in elkaars armen vallen. De roman eindigt met Ursula die tegen Birkin zegt: "Je kunt geen twee soorten liefde hebben." Birkin pareert: "Dat geloof ik niet."

Voor de generatie van Lawrence, druk bezig zich van het Victoriaanse tijdperk los te maken, was de behoefte om open te zijn over seks groot. Vooral in de jaren net na de gemechaniseerde slachtpartijen van de Eerste Wereldoorlog leek het tonen van tederheid en lichamelijke intimiteit, het openstaan voor het menselijk lichaam en de natuur, een teken van hoop. Maar seks kon ook beangstigend zijn.

Lawrence beschrijft zijn meest openlijk seksuele personages, een groep kunstenaars uit Londen, als 'hysterisch', 'geesteloos', 'boosaardig' en beschikkend over 'een onpeilbare hel van kennis'. Hij vergelijkt seksuele vrijheid met het van een steile heuvel afsleeën: snel, spannend, onbestuurbaar. Maar door te verklaren dat niet alle ongehuwde seks tot hel en verdoemenis leidde, begon Lawrence de discussie die westerlingen nog steeds sterk in beslag neemt: het eindeloze praten over seks en de plaats die erotiek inneemt in ons leven. En passant schetste hij hoe wij erover zouden kunnen schrijven. In Verliefde vrouwen en een paar jaar later in Lady Chatterley's minnaar (waarin hij voor het eerst expliciet over seks schreef en de woorden 'penis', 'kont', 'kut' en 'neuken' gebruikte, en beschreef hoe het vrouwelijk orgasme werkte) vond hij min of meer de seksscène in de moderne literatuur uit.

Nu het debat vooral gaat over de vraag of we niet te veel over seks praten is het moeilijk je voor te stellen hoe het was toen men het er nog te weinig over had.
Lawrence werd geboren in 1885 in Victoriaans Engeland, een plaats en tijd gekenmerkt door een ongeëvenaarde seksuele onderdrukking. In artistieke kringen begon dat al te veranderen. Lawrence kende lesbiennes en homo's; open huwelijken waren vrij normaal in zijn milieu, zijn Duitse vrouw Frieda von Richthofen liet hem kennismaken met het concept van de vrije liefde. (Zij was een minnares geweest van Otto Gross, de afvallige psychoanalyticus die seks als geneesmiddel voor psychische aandoeningen predikte.) Zoals de pil in de jaren zestig zou doen, zo hielp de succesvolle behandeling van syfilis om de Roaring Twenties te bevrijden. Maar echtscheiding was nog steeds een schandaal, voorbehoedsmiddelen waren nauwelijks te krijgen en informatie over seks bleef een goed bewaard geheim.

De modernisten ontdekten wat mijn generatie als tiener ontdekte: de overrompelende kracht die uitgaat van het praten, en zelfs het lachen over seks. Op een dag zat Lawrence' tijdgenote Virginia Woolf in de salon met haar zus Vanessa toen hun homoseksuele vriend, de schrijver Lytton Strachey, binnenkwam. Hij wees op een vlek op Vanessa's jurk en vroeg: "Sperma?" De twee zussen proestten het uit, en Woolf herinnerde zich: "Met dat ene woord werden alle barrières van schroom en terughoudendheid geslecht. Een vloedgolf van het heilige vocht leek ons te overweldigen. Vanaf toen waren onze gesprekken doortrokken van seks."

Desondanks lag echte seks voor velen nog buiten bereik. Totdat hij Frieda ontmoette - hij was toen 26 - had hij niet meer dan wat onhandige ervaringen gehad. Hij leed er vreselijk onder dat hij zo lang droogstond. Daarbij hielp het niet erg dat hij biseksueel was en ook zijn gevoelens voor mannen onderdrukte. Terugkijkend zei hij: "Ons is een behoorlijk seksleven afhandig gemaakt. Dat is niemands schuld, het is de schuld van onze tijd."

Zijn belangrijkste uiteenzetting over de helende kracht van seksuele openheid voor een beschadigde maatschappij is Lady Chatterley's Lover. Dat kwam uit in 1928, twee jaar voor zijn dood. Deze roman over de liefde tussen een rijke, eenzame vrouw en de sensuele tuinman van haar echtgenoot, werd in Groot-Brittannië verboden. Het opheffen van dat verbod, ruim dertig jaar later, luidde de seksuele revolutie in. Er zitten maar een goeie tien jaar tussen die rechtszaak in 1960 en de legalisering van abortus in Groot-Brittannië, de opkomst van de homorechtenbeweging, pin-ups in de (Britse) tabloids, Turks Fruit, Ik Jan Cremer en Erica Jongs Het ritsloze nummer.

Lawrence is al tachtig jaar dood en het spraakmakende proces is alweer veertig jaar geleden, maar wij, westerlingen, hebben er nog steeds moeite mee de seksuele openhartigheid die hij voorstond een plaats te geven in ons persoonlijke leven. Van seksadviescolumns, singles nights en de Gay Pride (Parade) in de Amsterdamse grachten tot scheidingsbemiddeling en omgangsregelingen - we hebben nieuwe instituties, etiquette en hele beroepsgroepen uit de grond gestampt om onze nieuwverworven vrijheden te verkennen en te doorgronden. In recente romans zoals Jonathan Franzens Vrijheid en Martin Amis' De zwangere weduwe worden de hoofdpersonen uiteindelijk teleurgesteld en vernederd door hun onvermogen om te gaan met hun seksuele keuzevrijheid.

Lawrence' veelbelovende visioen is voor ons alledaagse realiteit geworden. Heeft daarmee seks in literatuur alle opwindends verloren? Dat was onlangs de klacht van Elsbeth Etty, toen ze zich in NRC afvroeg of seksscènes een uitstervende literaire kunstvorm waren. De verboden ontmoetingen in Lawrence' werk, Lolita, de romans van Roth en Updike uit de jaren zestig zijn nagenoeg verdwenen uit de Engelse en Nederlandse literatuur.

In Groot-Brittannië roept de uitreiking van de 'Bad Sex Award' elk jaar weer de vraag op of schrijvers minder risico durven nemen bij het beschrijven van seks. Etty is van mening dat Britse en Nederlandse schrijvers "bang zijn om hun seksuele fantasieën of frustratie op papier uit te leven, alsof, zoals in de jaren vijftig nog algemeen werd gedacht, het omverschoppen van seksuele taboes ondermijnend zou zijn voor het gezin, de samenleving en uiteindelijk het individu."

Het was natuurlijk ook ondermijnend, dat was geen spookbeeld van een onderdrukte geest. Lawrence wist goed dat hij, door te schrijven over seks voor het huwelijk, een heel kaartenhuis aan het wankelen bracht: van het huwelijk als economisch instituut, van de rechten van echtgenoten en vaders, van sociale hiërarchieën in het algemeen. Met Lady Chatterley's minnaar schokte mijnwerkerszoon Lawrence zijn lezers, niet alleen doordat hij zijn personages de liefde laat bedrijven, maar door hen al beminnend de klassengrenzen te laten overschrijden. Tijdens het proces dat een eind zou maken aan het verbod sprak de aanklager de beroemde woorden: "Zou u willen dat uw vrouw of uw bedienden dit boek lazen?"

Het was het begin van meer dan één omwenteling. De vraag waar het Elsbeth Etty echt om gaat, is een andere - en een belangwekkende. "Opwindende literatuur over seks", schrijft ze, "gaat vanouds over het doorbreken van seksuele taboes." Wat kan nog de rol van seks in literatuur zijn, nu bijna alles gezegd mag worden, en ook wel zo'n beetje gezegd is? Kan het nog opwindend zijn?

Het lijkt me nogal oppervlakkig om te geloven dat goede literaire seks verboden seks moet zijn. In fictie kan seks om uiteenlopende redenen goed zijn - tegenwoordig is de meest fantasieloze reden wel dat het taboe moet zijn. Neem Lawrence: hij was niet alleen goed omdat hij aanstoot gaf. Hij was vaak een onmogelijk mens - vooringenomen, misantropisch, doodsbang voor vrouwen - maar als schrijver was hij een groot talent met een enorme kracht.

In zijn seksscènes draait alles om ritme. Hij zoekt woorden die klinken zoals seks voelt. Zoals in de volgende, explicietere passage uit Lady Chatterley's minnaar: "Al zijn bloedvaten schenen te schroeien van een intens en toch teder verlangen naar haar, naar haar zachtheid, naar de doordringende schoonheid van haar in zijn armen, die overging in zijn bloed. Zachtjes streelde hij de zijige glooiing van haar lendenen en lager en lager tussen haar zachte, warme billen, dichter- en dichterbij komend tot het levendste aan haar. En zij voelde hem als een vlam van begeerte, teder toch, en zij voelde zichzelf smelten in die vlam."

Hij vindt hier niet alleen zijn draai, zogezegd, maar hij wisselt ook subtiel van perspectief. Eerst beschrijft hij wat de man onder zijn hand voelt: de zijdezachte, naakte vrouwenhuid, haar warmte. Maar dan, zodra de man haar 'levendste' plekje nadert, verlaat Lawrence zijn hoofd en gaat het hare binnen, terwijl ze die hand voelt naderen. Wie dringt nu bij wie binnen? Lawrence' subtiele verschuiving van perspectief werkt verleidelijk. Hij verkleint zo de afstand tussen de lezer en de personages en benadrukt hoezeer het genot van de een afhangt van dat van de ander.

Maar de uiteindelijke reden waarom Lawrence je met zijn seksscènes zo in verrukking brengt, is dat er emotioneel zo veel op het spel staat. In Lady Chatterley is dat Constance Chatterley's kinderwens, haar groeiende aversie over haar verlamde man en haar onafhankelijkheidsdrang; Mellors' woede over de klasseverschillen en zijn angst voor vrouwen; de lust en de ondraaglijke eenzaamheid van beide minnaars. Het zijn die explosieve gevoelens die hun seks maken tot wat ze is. Op zeker moment zegt Mellors tegen Connie dat ze niet van hem hoeft te houden om de liefde met hem te bedrijven, maar dat hij niet in is voor 'harteloos geneuk'.

Nu seks een normaler deel van ons leven uitmaakt, lijkt het alsof er nooit meer zo veel bij op het spel kan staan. In romans komt nogal wat seks voor alsof het niets betekent. Toch kan seks in fictie net zoveel emotie in zich bergen als elke andere gebeurtenis. Daarbij hoeft het niet om liefde te gaan, of om opwinding; het kan, zoals in een vrijscène in Jonathan Lethems recente Chronische stad, ook draaien om de spijt en de geschonden trots van een man die voor de laatste keer met zijn vriendin naar bed gaat.

Gevraagd naar het afkalven van seks in de literatuur, zei Martin Amis in The Guardian: "Als je één ding is waar je moeilijk over kunt schrijven, dan is het wel seks, want daar komen scheepsladingen emoties bij kijken." Hij beweert niet dat schrijvers het niet durven; hij bedoelt dat een goeie seksscène het uiterste van het schrijverstalent vergt. Of het nu gaat om het beschrijven van een terloops avontuurtje of van de drieduizendste keer dat de personages seks hebben, het krijgt pas zeggingskracht als de schrijver erin slaagt uit te drukken waarom dat voor hen van belang is.

In de nasleep van de seksuele revolutie zwichten we al snel voor de bezweringsformule dat alle seks goede seks is, en hoe meer seks, hoe beter. Dat kwantiteit, gevoegd bij steeds wat nieuws, volstaat voor goeie seks, in het echt of op papier. Maar seks is niet een soort kapitalistisch programma van onbegrensde expansie; het wordt niet beter als je er meer van hebt, of naarmate je er moeilijker aan kunt komen. Het fundamentele doel van de seksuele revolutie was, en zou moeten zijn: een gelijkwaardige aanvaarding van - nee, niet van seks, maar van individuele voorkeuren, dus ook als dat monogamie betreft, of gewoon de missionarishouding. Zowel het stellen als het doorbreken van grenzen dient slechts om inzicht te krijgen in de ingewikkelde kanten van je eigen verlangens.

Wat de jonge mensen in Lawrence' boeken zo herkenbaar maakt, zelfs na negentig jaar, is dat ze net als ikzelf en mensen om me heen toen we twintig waren, worstelen met wat ze willen; ze willen zichzelf goed genoeg leren kennen om zelf keuzes te kunnen maken.

Ook nu zijn het jongeren voor wie seks er het meest toe doet, die - in verwarring, bang, teder, geil - bezig zijn de aard en de grenzen van hun eigen seksualiteit te ontdekken. Eigenlijk maakt iedereen op weg naar de volwassenheid zijn of haar eigen seksuele revolutie door. De meesten hebben tegenwoordig als ze eenmaal twintig zijn meer geëxperimenteerd dan de meeste van Lawrence' generatiegenoten gedurende hun hele leven.

Lawrence effende de weg voor de grote seksuele doorbraak van de jaren zestig en zeventig in de literatuur, met Updike, Roth en Jan Wolkers als de Beatles en de Stones van de literaire zelfonthulling. Maar ik vermoed dat het hoogtij van seks in de literatuur meer aan de lezers dan aan de schrijvers toebehoort. De beste erotiek in boeken is die die je ontdekt wanneer je jong bent en gebruikt om vorm te geven aan je eigen verlangens. Wanneer het geschreven is, maakt niet uit. Goede seks in literatuur ontdek je als het ertoe doet.


Julie Phillips is biografe en recensente van het dagblad Trouw.

[uit Trouw, 26 februari 2011]



Alle foto's zijn met de zelfontspanner gemaakte kiekjes van Facebook