maandag 31 januari 2011

Kinderboekenfestival 2011 enthousiast gelaunched

door Hugo den Boer

Paramaribo - “Het kinderboekenfestival (kbf) duurt het hele jaar door en is niet aan plaats gebonden.

De evenementen dit jaar in Albina, Nickerie en op het jaarbeursterrein zijn wel hoogtepunten, maar het kbf is een continue proces, waarbij ons kantoor de stand is, Suriname ons festivalterrein en de Surinaamse jeugd ons publiek”, vertelt Agnes Ritfeld, directrice van stichting Protestants Christelijk Onderwijs Suriname (PCOS) tijdens de launch van kbf 2011. Het startsein van kbf 2011 werd gegeven bij Eftee Books van Frits Terborg in de Maretraite Mall. Het driejarige thema dat dit jaar begint is ‘www.welzijn’, waarbij de drie w’s staan voor weten, willen en werken. Aan het thema is ook een slogan verbonden:‘Als ik weet wie ik ben en wat ik kan, denk ik na over mijn toekomstplan.’ Het themalied ‘Weet jij wel wie je bent en wat je kan’ werd de aanwezigen aangeleerd en werd positief ontvangen.



PCOS medewerkster Karin Blufpand probeert een passage uit het boek Bruine bonen met zoutvlees voor te lezen, terwijl de schrijfster Ismene Krishnadath het gebaar "handen voor je ogen" voordoet. De Boekiewoekieboom en de kinderen luisteren vol spanning. (@ dWT foto / Hugo den Boer)

Als speciale gasten waren kinderen van kinderhuis Samuel aanwezig die ook een lied met rap ten gehore brachten. Ismene Krisnadath, werd gepresenteerd als schrijfster die het kbf 2011 optimaal zal ondersteunen en op alle evenementen aanwezig zal zijn. Rappa alias Robby Parabirsing gaf de kinderen op interactieve wijze uitleg over het fenomeen stripverhaal. Nadat iedereen een zelf gemaakt stripverhaal van Rappa’s had hand kreeg, legde hij uit hoe dit plaatjesverhaal te lezen. Na enkele bladzijde en een stevig opgevoerde spanning, brak hij de uitleg af en nodigde de kinderen uit om de strip zelf uit te lezen.

Vanaf 1999 is PCOS voor het dertiende jaar en actief met kbf in stad en districten als hoofddoel om de bevolking en in het bijzonder de kinderen het belang van lezen bij te brengen. Alle districten zijn inmiddels een of meerdere keren aangedaan. In aanloop naar de evenementen kunnen kinderen via hun school deelnemen aan verschillende competities zoals rappen, voorlezen, vertel, musicals, tekenen en schilderen, verhalen en gedichten schrijven. De komende jaren ligt de nadruk op voorlezen omdat het een belangrijke basis is voor de ontwikkeling van het kind, niet alleen taalvaardig, creatief,maar ook sociaal met de omgeving en creatief.

Om de kinderen van Marowijne op de hoogte te stellen van het festival wordt deze week een speciale editie van Skoro K’ranti gegeven. In deze lokale schoolkrant voor geheel Marowijne wordt naast nieuws ook alle relevante informatie over het onderwijs zoals telefoonnummers van alle scholen en hun schoolleiders, vakantiedagen en de examen en toetsdata. Het festival in Marowijne wordt van 28 februari tot 2 maart gehouden op het sportveld bij het kampement in het centrum van Albina.

[overgenomen van de Ware Tijd, 31/01/2011]

Ismene Krishnadath schrijfster Kinderboekenfestival 2011


Tijdens de launch van het Surinaamse Kinderboekenfestival 2011, op vrijdag 28 januari, bij boekhandel Eftee in de Maretraite Mall in Paramaribo, werd bekend dat Ismene Krishnadath dit jaar de schrijfster is van het festival. Dit betekent dat er op de festivals speciale aandacht zal zijn voor haar werk. Krishnadath is uitgenodigd om de drie festivals mee te maken. Deze hebben plaats in Albina (eind februari), Nickerie (eind maart) en Paramaribo (eind mei). De nieuwste publicatie (2010) van de schrijfster is het fullcolour, hardcover boek Anansi redt de Zoo. Het is een remake van het ‘Het Zoo-syndroom'. Dit verhaal was deel van de verhalenserie in het boek Nieuwe streken van Koniman Anansi, dat haar in 1993 de Staatsprijs voor Jeugdliteratuur bezorgde. Het boek (16 pagina’s) is in Suriname voor 15,- srd te koop bij de boekhandel.

Op de foto: Ismene Krishnadath tijdens een optreden in Brownsweg, @ Serge Ligtenberg.

zondag 30 januari 2011

Het eerste Papiamento gedicht van Aruba

Het eerste Papiamentstalige gedicht van Aruba werd geschreven in 1907 en kreeg de titel ‘Atardi’ [de schemering] mee (niet te verwarren met het gelijknamige gedicht van de Curaçaoënaar Joseph Sickman Corsen). Frederick J.C. ‘Fechi’ Beaujon, de eerste Arubaanse dichter die in het Papiamento dichtte, leefde van 13 september 1880 tot 12 mei 1920. Hij werd dus amper veertig jaar en was 27 toen hij ‘Atardi’ schreef. Beaujon schreef uitsluitend in het Papiamento en richtte zijn blik naar binnen toe.

In 1907, kort na de eeuwwisseling, kende Aruba weinig economische activiteit, laat staan welvaart. Niettemin dwaalde er een poëtische geest rond die ons jaren later iets van de omgeving en inwoners vertelt. Toen ‘Atardi’ werd geschreven, draaide de economie op de fosfaatindustrie en bedroeg het inwonertal van Aruba niet meer dan 8815 inwoners. In San Nicolas werd een spoorweg aangelegd om het fosfaat af te voeren. Beaujon werd in het plaatsje geboren, groeide er op en vestigde zich later in Santa Cruz. In het gedicht ‘San Nicolas’, dat geschreven werd op 17 november 1907, grijpt hij terug op zijn jeugdherinneringen, zijn verbondenheid met deze plaats en dicht hij over de onderontwikkeling van dit niet-welvarende deel van het eiland, dat sterk achterbleef bij Oranjestad. (De olieraffinaderij die de nodige welvaart met zich meebracht, vestigde zich pas in 1924 nabij San Nicolas en werd pas in 1928 operationeel.)

De familie Beaujon, waarvan Hendrik Johannes Beaujon de stichter van de Arubaanse tak was, is van oorsprong Frans. Leden van de familie bekleedden functies in het bestuur van Aruba als notaris en gezaghebber, en anderen dienden ook op Bonaire en Curaçao. Daarnaast waren tal van familieleden werkzaam bij de olieraffinaderij, actief in de goudmijnexploitatie (Gold Concessions Ltd.) en later jarenlang het bepalende gezicht van het Cultureel Centrum Aruba. Bekend is dat de Beaujons ook op de woningmarkt in San Nicolas een rol speelden en huizen verhuurden. Ofschoon de Beaujons tot de politieke en economische en later tot de culturele elite behoorden, proef je uit de gedichten van Fechi Beaujon dat ze slechts een marginale rol in het geheel hadden gespeeld.

In het gedicht ‘Atardi’ schildert hij het platteland en de schemering die boven land en zee intreedt. Hij maakt gebruikt van klokgeluiden en krekels om de trieste aanblik van een dorre grond op te vrolijken of juist te benadrukken. Centraal in dit gedicht staat de ik-figuur - de landbouwer - die opgewacht wordt door vrouw en kinderen, waarmee hij slechts twee uurtjes kan doorbrengen. Zijn versie van ‘Atardi’ klinkt opgewekt en melodieus, vergeleken bij die van Joseph Sickman Corsen die meer somber van toon is. In de loop der jaren is een vijftal varianten van een gedicht met dezelfde titel geschreven.

Ook in het gedicht ‘Ay, mi ta cansa…’[Ach, ik ben moe] dat Beaujon een jaar voordat hij kwam te overlijden schreef, strijdt hij tegen de onrechtvaardigheid in de maatschappij en hij dicht: ‘de maatschappij is hard en is als een mijn’. Daarbij gebruikt hij woorden als ‘wantrouwen’ en ‘trots’ of heeft hij het over het gevecht tussen ongelijken. Als zoon van een loods doelde hij kennelijk op de klassenformatie in die tijd; wie wel en wie niet tot de betere klasse mocht behoren.

Een vijftal gedichten van Beaujon zijn in de bloemlezing Cosecha Arubiano (1983) opgenomen.

Klik hier voor de tekst van Beaujons ‘Atardi’.

Orhan Pamuk: 'Niet-Engelstalige literatuur wordt gemarginaliseerd'

De Turkse schrijver en Nobelprijswinnaar Literatuur Orhan Pamuk klaagt de marginalisering aan van niet-Engelstalige auteurs. Hij deed dat op het Jaipur Literary Festival in India. Pamuk voegde eraan toe dat de redenen daarvan vaak te zoeken zijn in een gebrek aan vertalingen, zo meldt The Guardian.

[Lees hier verder]

Literatuur zonder grenzen

door Tessa Leuwsha

Great Expectations, hoge verwachtingen, daar draaide het om in Den Haag bij het Writers Unlimited literatuurfestival, voorheen Winternachten. Schrijvers uit binnen- en buitenland lieten zich in discussies, voordrachten en lezingen uit over dit onderwerp. Dat leverde tal van uitspraken op over hoop en vertrouwen in eigen land en literatuur, maar bood ook zorgelijke vooruitzichten. Schrijfster en voorzitter van het festival Nelleke Noordervliet beet in dat opzicht de spits af. In haar openingsspeech vertelde ze over haar vader die op een dag thuiskwam met de Wereldatlas en de Sprookjes van Andersen. Dat was bijzonder want het gezin had het niet breed. Die mooie plaatjesboeken voedden Noordervliets verwachtingen van het leven. De Atlas bood een kijk op de wereld, de sprookjes voedden haar fantasie. Later op reis, maar vooral in het eindeloze universum van woorden en verhalen vervaagden grenzen. Letterlijk en figuurlijk. Dan de keerzijde: in Nederland staat de kunstsector onder druk. Bezuinigingsambtenaren streven naar een no nonsense kunstbeleving: iedereen hetzelfde zeefdrukje aan de wand en in de kast een paar bestsellers. Kunst, zolang die zichzelf maar kan bedruipen.



De Britse schrijver en vertaler Tim Parks haalde in zijn Winternachtenlezing iets dergelijks aan. Volgens Parks is een schrijver tegenwoordig pas beroemd wanneer hij ook internationaal beroemd is en wordt hij pas erkend wanneer hij overal erkend wordt. De ambitieuze schrijver betreedt het literaire wereldpodium dus bij voorkeur met teksten die in een mondiale vorm zijn gegoten. Geen couleur locale. Of wel, mits die maar voldoet aan het beeld dat de lezer heeft van het land van herkomst van de schrijver. Tulpen en dijken uit Nederland. Exotische taferelen uit Suriname. Zolang het te labelen valt, is het te verkopen. Voor schrijvers uit het Caraïbisch gebied is dit al lang bekende kost. Om een transatlantische brug te slaan naar Europese uitgeverijen doen die water bij de wijn en persen hun dialecttaal in de standaardvariant van het voormalige moederland. Parks meent dat het fenomeen van standaardisering in de literatuur zich breed voordoet. Verhalen uit Litouwen, Bosnië of Azië? Nauwelijks. Afgezien van een onbekende straat- of plaatsnaam valt de herkomst van de tekst niet uit te maken. Welcome to Global Village Literature!

Schrijvers uit Colombia, Engeland, de Verenigde Staten, Libië, Nederland, Turkije en Suriname (ik) kregen tijdens een conferentie gelegenheid dit onderwerp verder uit te diepen. Een gesprek over identiteit, marketing en over de sociale omstandigheden waarin de schrijver zijn werk doet. Dat die omstandigheden sterk van elkaar verschilden stond als een paal boven water, hier geen eenheidsworst. Wat wel overeenkwam was de gedeelde liefde voor het vak.

Mainstream literatuur. Zeker, die bestaat. Ook is het zo dat schrijvers hun onderwerpen niet meer alleen ontlenen aan hun geboortestreek. Stereotypen - het magisch realisme uit Zuid-Amerika, de poldergrauwheid uit Nederland – lijken ze bewust te ontlopen. De aardbol wordt speelveld. Niet slechts van plaatjes uit de Atlas, maar close-up ingezoomd via Google Earth. Schrijvers zonder grenzen. Writers Unlimited. David van Reybrouck, een blanke Belg, schreef een vuistdik boek over voormalig Belgisch Congo. Reggie Baay, van Indische afkomst, overbrugde generaties goedbewaarde familiegeheimen met zijn boek over de inlandse bijzit in Nederlands-Indië, concubines van de Hollandse overheersers. Ik besprak de rol van Suriname en Nederland in mijn romans de Parbo-blues en Solo, een liefde, over migratie, ambitie en sterke vrouwen.



In het kort: volgens Parks kan iedereen tegenwoordig het woord richten tot iedereen, en op voet van gelijkheid. Die vorm van fictie acht hij onwerkelijker dan de Harry Potter-serie van J.K. Rowling.

In een live opgenomen radioprogramma over Arabische literatuur las de Egyptische schrijfster Abeer Soliman voor uit werk van haar Libanese collega Iman Humaydan. In het Arabisch! Niet helemaal de bedoeling maar het publiek bracht geduld op. Crossing borders. Lezers kennen geen grenzen. Ze zijn bekend met verschillende culturen. Een les voor ambtenaren die beknibbelen op cultuur, maar die nog altijd met de toenemende intolerantie in Nederland in hun maag zitten. Gratis boeken verstrekken dus, of festivals als Writers Unlimited blijven ondersteunen.

Foto's: Sirano Zalman

Voor depressieve slaven

door Gijsbert Pols

Ruimtelijke ordeningen
Wat zijn dat eigenlijk, vinexwijken? Naima El Bezaz weet het antwoord al op de eerste pagina van haar boek Vinexvrouwen: ‘Het zijn woonplekken met fantasieloze, razendsnel gebouwde huizen die gemaakt lijken van karton. Als de buurman tien deuren verderop boort, is het net alsof de tandarts met mijn verstandskies bezig is.’ Eigenlijk is de rest van haar boek niets anders dan een herformulering van dit antwoord. De vinexwijk is dodelijk saai, de mensen zijn er onbeschoft, racistisch en promiscu; ze geloven nergens meer in en zijn heel erg ongelukkig, de schrijfster niet uitgezonderd.
Dat El Bezaz haar beschrijving van het uitzichtloze bestaan in de vinexwijk uitsmeert over bijna tweehonderd pagina’s, roept natuurlijk een tweede vraag op: wat bezielt iemand om in een vinexwijk te gaan wonen? Wie het antwoord op die vraag in Vinexvrouwen zoekt, vindt alleen maar vaagheden. Het is er ‘goed voor de kinderen’ – dat althans zegt El Bezaz tegen zichzelf en tegen haar man, ze zegt het tegen andere vinexbewoners, die het op hun beurt ook weer bekrachtigen. Waarom precies blijft onduidelijk. Ook wordt er steeds weer gezegd dat het ‘rustig’ in de wijk is. Erg overtuigend is dat niet, want El Bezaz beschrijft aan de lopende band burenruzies, uit de hand lopende feestjes, geschreeuw uit de achtertuin en het gehij dat de komst van nog meer vinexwijk aankondigt.
Hoe zit dat met die vinexwijken? Een opvallend belerend artikel op Wikipedia voert de oorsprong van het begrip terug op de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra uit het begin van de jaren negentig – en Wikipedia heeft gelijk. De nota beoogde door grootschalige nieuwbouw aan de rand van grote en middelgrote steden de verstedelijking van het platteland tegen te gaan, het gebruik van de auto als vervoersmiddel voor woon-werkverkeer te reduceren, de doorstroom van sociale huurwoningen naar betaalbare koopwoningen te stimuleren en de internationale concurrentiepositie van de Randstad te verstevigen. Wie in de vinexwijk woont, hoeft geen huis meer in een dorp of een natuurgebied te bouwen, kan met het openbaar vervoer naar zijn werk, draagt elke maand een beetje van de hypotheek af en werkt in een kantoor dat ergens in de buurt van Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht staat omdat bedrijven daar gemakkelijk goed opgeleid personeel kunnen recruteren.
.


Het is geen toeval dat de vinex-nota werd aangenomen onder een regering van CDA en PvdA. De ambities achter de vinexwijk zijn overduidelijk op waarden van de middenklasse geënt: veiligheid, mobiliteit, natuurbehoud en vooral economische zekerheid. Dat de vinexwijk de wijk van de middenklasse is, wordt ook duidelijk in de architectuur: de eenvormigheid zorgt ervoor dat noch succes, noch maatschappelijk ongeluk aan de huisvesting af te lezen is. Integendeel: de huizen maken iedereen gelijk. Dat maakt de vinexwijk veilig, overzichtelijk en af: als je er geboren wordt, staan je kamer, je klimrek en je schooltje klaar; als je er doodgaat, wordt je plek opgevuld, zonder dat er een spoor van je achterblijft. Vermoedelijk is de vinexwijk de omvangrijkste poging ooit om de geschiedenis stop te zetten.

Geen ontsnapping
In Vinexvrouwen wordt duidelijk welke prijs de middenklasse voor de realisering van die ambities betaalt. De vinexbewoners zijn weliswaar veilig opgeborgen in een overzichtelijk landschap, maar ze kunnen aan dat landschap geen eigen betekenis meer toevoegen. De voorgevormde wereld waarin ze leven is im Grunde onveranderlijk, hooguit kan het meubilair worden ingewisseld. Maar ook daarbij is de speelruimte uitermate beperkt: bij El Bezaz gaan twee buurvrouwen elkaar te lijf omdat de één haar huis opnieuw heeft ingericht met de meubels die de ander beweert als eerste in de shopping-mall gezien te hebben. In hun prefab wereld raken de vinexbewoners hun singulariteit kwijt. Met alle gevolgen van dien.

Evenwel maakt de grap over de kijvende buurvrouwen ook duidelijk dat El Bezaz zich niet van de door haar beschreven voorgevormde hel kan bevrijden. Zeer terecht hebben Pieter Hoexum en Pieter Steinz El Bezaz’ manier van schrijven in verband gebracht met cabaret. Nadat de preek zijn autoriteit had verloren, werd cabaret het middel waarmee een aanzienlijk deel van Nederland, en met name Jan Modaal, zijn verhouding tot de werkelijkheid is gaan begrijpen. Maar waar de preek nog tot reflectie en verandering aan probeerde te zetten, is cabaret bij uitstek behoudend. Hoe moralistisch Youp, Freek en hun navolgers ook van wal mogen steken, uiteindelijk verzoenen ze hun publiek met de wereld zoals die is door het er om te laten lachen. Om het nog iets duidelijker te formuleren: cabaret is voor slaven.

Een goed voorbeeld van de manier waarop El Bezaz zich het cabaret inschrijft is te vinden in haar vijfde hoofdstuk. Daarover moet allereerst opgemerkt worden dat er eigenlijk niet meer van hoofdstukken gesproken kan worden als die gemiddeld niet langer dan vijf pagina’s duren, met bovendien een stevig opgerekte bladspiegel. Eerder zijn het stukjes, die de spanningsboog van een cabaretesk nummertje hebben. In stukje nummer vijf maakt El Bezaz zich er in gesprek met haar vriendin Maartje kwaad over dat de supermarkt een traditionele Marokkaanse soep, harira, in pakjes verkoopt. Dat is ‘heiligschennis’, want harira is voor haar een ‘symbool’, een ‘mysterie’, ‘iets bijzonders’ – ‘Als je het maakt, voel je allerlei wonderlijke emoties door je heen stromen. Je ziel, je hart, je liefde gaat erin zitten.’ Maartje reageert lakoniek – ‘Nou, een lekker soepie gaat er wel in.’ – tot walging van El Bezaz.

Die walging is de walging van de cabaretier, die zich over het Hollandse provincialisme in extase brult. Vergelijk het met Van ’t Heks sarcastische gebrul over broekpakken, Tiel en caravans. Evenzeer des Youps is ook het holle pathos dat El Bezaz tegenover Maartjes provincialiteit stelt: symbool, mysterie, heilig, ziel, hart en liefde – geen begrip is zwaar genoeg om El Bezaz’ verlangen naar authenticiteit te evoceren, dat daarmee volkomen vaag en vrijblijvend wordt. En haar woede leidt niet tot verzet, niet tot inzicht, maar wordt omgezet in agressie richting iemand ten opzichte waarvan ze zich superieur kan voelen. Ooit werd dat klasserancune genoemd, en misschien zijn we dat woord vergeten omdat het fenomeen zo alomtegenwoordig geworden is.


Capitulatie
Waarover El Bezaz ook schrijft, haar cabareteske vertoog ontdekt meteen de ontluistering. In seksualiteit kan ze alleen maar het vulgaire, het desolate ontdekken. Waar het er niet is, legt El Bezaz het er in: zo kan ze er maar niet over uit hoe vies ze haar naakt in de tuin zonnende buurmeisjes vindt. Contact met anderen loopt continu uit op misverstanden, onbegrip en ruzie en wordt consequent beschreven op een manier die het grappig moet doen laten lijken, om je het vervolgens als onontkoombaar te laten slikken. Zelfs een bezoek aan Egypte – toch wel iets anders dan de vinexwijk – wordt onder de schrijvende hand van El Bezaz een domme grap: haar foto verschijnt op de voorpagina van alle kranten omdat de naam El Bezaz in het Egyptische dialect ‘de tiet’ betekent. En dat was het dan, met Egypte.

Haar dromen, haar woede, haar verdriet, haar wanhoop – El Bezaz drukt het allemaal de kop in door het grappig te willen maken. Dat maakt Vinexvrouwen tot een affirmatief boek: El Bezaz sluit zich op in een manier van schrijven die even eenvorming, gemakzuchtig en uitzichtloos is als datgene wat ze probeert te beschrijven. Een erg wrang voorbeeld is te vinden in een stukje waarin ze terugkijkt op haar jeugd in Alphen aan den Rijn. Ze identificeert zich met de Marokkaanse hangjongeren die er zichzelf met drugs en criminaliteit de vernieling in probeerden te helpen en door iedereen met walging werden bezien, om dan te concluderen: ‘Er is niets veranderd. Die jongens zijn ouder geworden, vele zijn succesvol, gelukkig, hebben gezinnen en willen een mooi leven voor hun kinderen. Wij Marokkanen zijn de schreeuwers, daarom vallen wij ook op. Wij eisen opgemerkt te worden. Ik eis dat ook. Ik schreeuw: “Ik ben hier, zie mij, erken mij, accepteer mij!” En nu moet ik nog leren hoe ik mezelf kan accepteren.’ Wat even een geëngageerd en vlammend proza lijkt te worden, wordt onderuitgehaald door de laatste zin: grappig bedoeld, maar een dooddoener, in de meest letterlijke zin. En zo capituleert El Bezaz voor haar toestand.

Dat is des te wranger omdat de conflicten in Vinexvrouwen wel degelijk reële conflicten zijn. El Bezaz beschrijft een verjaardagsvisite en benadrukt daarin dat iemand met haar uiterlijk en afkomst bij haar blanke buren hooguit erkenning kan krijgen als ‘goed aangepaste Marokkaan’. Dat is een passage die voor het Nederland van 2011 realistisch genoemd kan worden. Evenzeer realistisch lijkt me de passage waarin een groepje moskeebestuurders voor haar deur maar gegeneerd blijft vragen naar haar vader, onwillig om met een vrouw te spreken, ook als ze die al twintig jaar kennen. Hier wordt een conflict zichtbaar dat voor veel kinderen van immigranten herkenbaar zal zijn: ze kunnen niet terug naar waar ze vandaan komen, maar waar ze zijn worden ze nooit voorbehoudsloos geaccepteerd.

Ook elders in haar boek blijkt de wereld van het overvolle flatje van het immigrantengezin onverenigbaar met het leven tussen de autochtone middenklasse in de vinexwijk. De woede, het verdriet en de verwarring die dit conflict met zich meebrengt hadden van Vinexvrouwen niet alleen een maatschappelijk relevant boek kunnen maken, maar ook schitterende literatuur. De onmogelijkheid van het leven in twee onverenigbare contexten heeft namelijk vaak genoeg onvergetelijk werk geprovoceerd – een schitterend voorbeeld vond ik onlangs bij Melinda Nadj Abonji. Maar door zich vast te leggen op het maken van flauwe grappen verstikt El Bezaz de mogelijkheden die de literatuur haar biedt om op een creatieve manier vorm te geven de onmogelijkheid van haar situatie.


Vinex forever
Ook met het eerder beschreven dilemma van de vinexbewoners weet El Bezaz uiteindelijk niets anders aan te vangen dan zich er met leedvermaak en zelfspot mee te appeasen. En dat, terwijl ze wel degelijk begrijpt wat er in de vinexwijk misgaat: ze wéét dat ze, net als haar buren, haar dromen en haar vrijheid heeft opgegeven voor stabiliteit, veiligheid en comfort; ze wéét dat ze samen met de hele buurt is geketend door hypotheek, werk en de laatste trend van de meubelboulevard; ze wéét waar haar ongeluk vandaan komt. Maar ze laat het erbij zitten en trakteert haar lezers op nog maar weer een lolletje over antidepressiva.

En daarom is Vinexvrouwen niet het woedende, verdrietige en verwarrende commentaar op de Nederlandse maatschappij dat het had kunnen zijn. Er gaat geen provocatie van uit, het is nergens confronterend. Goed, enkele buurvrouwen uit Zaanstad waren not amused, maar dat was niets anders dan gefnuikte ijdelheid. Tot slot nog dit: als El Bezaz aan het einde van haar boek ziet hoe er een nieuwe wijk naast de hare aan het verrijzen is, hoopt ze van harte dat die bevolkt gaat worden door ‘onaangepaste mensen’, want: ‘Dan kunnen we lachen.’ Precies, zou ik willen zeggen, dan wel.

Vinexvrouwen van Naima El Bezaz
Querido, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789021439082 / 190p.


[overgenomen van dereactor.org; voor verschillende reacties klik hier]

Herdenking executie Kodjo, Mentor en Present

“Trowe watra nanga yu her’ ati”

door Claudine Saaki



Paramaribo - “Kodjo, Mentor en Present pren, na wan pren, fu trowe watra nanga yu her’ ati.” Met die woorden benadrukte Elly Purperhart gisteren de waarde van het plein, waarop door de Feydrasi fu Afrikan Srananman de executie van Kodjo, Mentor en Present werd herdacht.

De drie slaven werden op 26 januari 1833 levend verbrand, omdat zij een grote stadsbrand zouden hebben veroorzaakt. De exacte lokatie van de executie kon pas vijftien jaar geleden na historisch onderzoek door de Feydrasi worden vastgelegd.
.


Elly Purperhart, die elke keer aan dit heugelijk feit meedoet, besprenkelt de grond met water uit een kalebas na haar powema. (Foto: Claudio Barker)


Op 26 januari 2000 werd op verzoek van de Feydrasi het busplein tussen de Heiligenweg en de Knuffelsgracht herdoopt tot Cojo Mentor Presentplein. Volgens Purperhart moet dit ‘pren’ als heilig worden beschouwd en mag de herdenkingsdag niet ongemerkt voorbij gaan, omdat de drie helden verzet pleegden tegen het juk van de slavernij.

“Bigi bruja de na mindri blaka buba, deng e strey psa deng srefi”, begon Purperhart haar vurige powema, waarin zij de zwarte bevolking aanraadt meer in eenheid met elkaar te leven.
Onderwijsminister Raymond Sapoen achtte de woorden van Purperhart zeer belangrijk. “Als de Feydrasi haar projecten succesvol wil afronden, moet zij samenwerken en ervoor zorgen dat onverschilligheid onder de zwarte bevolking ophoudt”, zei Sapoen. Voorzitter Iwan Wijngaarde is daarom blij met het thema van de viering van Blakaman Dey voor dit jaar: ‘Internationaal jaar van mensen van Afrikaanse afkomst’.

Voor de Feydrasi fu Afrikan Srananman was het een zeer speciaal moment, omdat het de vijfde keer is dat de executie van de drie slaven door hen wordt herdacht. Na alle toespraken werden de kransen op de monumenten gelegd door Wijngaarde, Johan Roozer van het Directoraat Cultuur en de heer Raymond Sapoen. Gezamenlijk werd afgesloten met het lied Wi kondre tru.

[uit De Ware Tijd, 27/01/2011]

zaterdag 29 januari 2011

Dichter Ramnath Sewdien pakt de draad weer op

De dichter Ramnath Sewdien heeft na jaren de draad weer opgepakt. Na de presentatie van zijn autobiografie op zijn 70ste verjaardag, verzamelde Sewdien zijn gedichten en schreef er nog enkele bij.

Zo presenteerde hij op 19 januari zijn eerste twee gedichtenbundels; Tarang, waarin gedichten in het Sarnami zijn opgenomen, en Levensgolven bestaande uit Nederlandse gedichten.

De presentatie vond plaats tijdens een feestelijke bijeenkomst in de Shri Satnarain mandir, aan de Indira Ghandiweg en werd bezocht door Ismene Krishnadath, voorzitter van de Schrijversgroep ‘77, B. Narain, voorzitter van stichting Hindi Parishad Suriname, Jan Soebhag van de stichting CUS (Culturele Unie Suriname) en Amriet Gangaram Panday van stichting OHM Suriname. Elk van de bovengenoemden kregen een exemplaar van de dichter. Jammer genoeg zijn er nog geen exemplaren in de boekenhandels en bibliotheken.

“Mijn presentatie was meer een voorproefje. Ik heb maar 25 gedichtenbundels gedrukt en op de zelfde avond waren ze op”, laat de dichter weten. Sewdien wil dieper ingaan op sommige van zijn gedichten, omdat die nog oppervlakkig zijn. De nieuwe druk is binnenkort wel verkrijgbaar in de boekenhandels.

Tijdens de presentatie van zijn gedichtenbundel vertelde Sewdien in het kort over zijn inspiratie om te dichten en hij droeg ook twee gedichten voor. Zijn inspiratie haalt hij uit de natuur, de bevolking en de cultuur van ons land. Daarna droeg hij zijn twee dichtbundels op aan zijn zonen. Krishnadath sprak tijdens haar speech de hoop uit dat binnen een paar jaar de ruim zeventig gedichten zijn vertaald.

[uit De Ware Tijd, 28/01/2011, met correctie van de ergste taalfouten]

Diplomaat in verval

Over Mede namens mijn vrouw van Aliefka Bijlsma

door Renée de Rijke

Ze zijn een bekend fenomeen: mannen die heel hun leven hard gewerkt hebben om een bepaalde status te vergaren en dan plotseling oog in oog staan met hun pensioen en een nieuwe generatie om hen te vervangen. Ze worden geconfronteerd met ouderdom, statusverlies en keuzes die zij in het leven gemaakt hebben. Ben je na je pensioen plotseling niets meer waard? In Mede namens mijn vrouw, vertellen drie personages over de pogingen van Melchior, een diplomaat aan de afgrond van zijn viriliteit, om zichzelf weer op de kaart te zetten.

Melchior zelf, een van de vertellers, verhandelt over zijn uitstekende diplomatieke kwaliteiten. Hij is de consul-generaal in Brazilië. Een functie waarin hij volgens hem natuurlijk zijn talenten verkwist. Hij wacht op een overplaatsing naar een interessantere post, zoals bijvoorbeeld Parijs. Hij ergert zich aan zijn neurotische en jongere collega, Tygo: zij zijn de twee tegenpolen, en verkeren in een voortdurende typische generatieconflict. Tygo is een man van veel regeltjes en protocollen en Melchior richt zich vooral op de ‘grote lijnen’. Hij gebruikt de chauffeur vaak privé en smijt met geld voor feestjes, lunches en bijeenkomsten. Als Tygo Melchior betrapt op het aannemen van een businessclass ticket ter waarde van vijfduizend euro van zijn zakelijke relaties bij de KLM, barst de bom.

Nikki, de tweede verteller, komt voor Melchior werken. Vanuit haar neutrale positie tussen de twee kemphanen, verliest Tygo zijn neurotische trekjes en krijgt Melchior iets heel ouderwets en schattigs. Het blijkt dat Melchior vooral bang is om aan de kant geschoven te worden door een jongere opvolger. De verschillen tussen het verhaal van Melchior en dat van Nikki zorgen ervoor dat je Melchior niet al te serieus meer neemt, waardoor de tragische ondergang wat luchtiger wordt.

Leandra, zijn vrouw, schetst Melchior als derde verteller vanuit een meer relativerend perspectief, waardoor ze de scherpe en serieuze randjes van zijn karakter wat afzwakt en voor een ironische distantie zorgt. Ze beschrijft zijn fotowand vol belangrijke ontmoetingen, zijn grote trots en bewijs van status, bijvoorbeeld meer als een vreemde hobby. Deze nuchterheid over zijn talenten houden haar man een beetje aan de grond en zorgen voor een komische noot.

Het is, gezien de grote rol die ze speelt, opvallend te noemen dat de Afrikaanse huishoudster, Mercy, niet een van de vertellers is. Ze is Leandra’s vriendin en Melchiors rechterhand. Veel meer dan een huishoudster is ze de spil van het huwelijk. Ze moet vast een eigen visie op de ondergang van haar baas hebben, maar de nieuwsgierigheid naar haar kant van het verhaal wordt niet bevredigd. Bijlsma heeft de perspectiefwisselingen goed ingezet om de subjectiviteit van Melchiors belevenissen te benadrukken, maar deze munt heeft ook een keerzijde. Zo kun je door de grote onderlinge verschillen geen enkele van de perspectieven echt serieus nemen en wordt het moeilijk om je in te leven in de emoties van Melchior.
Buiten de strubbelingen op zijn werk, loopt Melchiors huwelijk met Leandra ook al niet lekker. Ze is al enkele maanden ziek. Chronische vermoeidheid, ofwel lijdend aan ME. Ze ligt weggemoffeld en verborgen in een logeerkamer. Ondanks de stukjes voorgeschiedenis wordt het niet duidelijk waarom de twee nou eigenlijk getrouwd zijn. Het contact komt van het begin af aan al behoorlijk emotieloos over, zelfs de eerste vrijpartij, en in de huidige omstandigheden brengen ze nauwelijks tijd samen door. Melchior bekent Leandra tijdens hun eerste ontmoeting: ‘Ik hou zo ontzettend van spreekwoorden en gezegdes. Ken je dat van Horace Warpole? “The world is a comedy to those who think, a tragedy to those that feel.” Dat pleeg ik graag in speeches te gebruiken.’ Dit is precies hoe Melchior alle eventuele gevoelens negeert tijdens die eerste ontmoeting, en daarna in het huwelijk. Het mag dan een typisch diplomatiek trekje zijn, maar het is moeilijk om ontroerd te raken door een huwelijk in verval als het huwelijk nooit echt liefdevol is geweest.
Bijlsma weet Melchior door de wisselwerking van de drie perspectieven zo neer te zetten dat je ondanks de moeilijkheden die hij doorstaat, toch om hem kan lachen. Maar diezelfde lach zorgt ervoor dat de tragiek je niet echt ontroert. De humor overschaduwt de diepgang in de roman, waardoor de sleur van de dagelijkse beslommeringen niet alleen in Melchiors leven toeslaat, maar ook op het verhaal zijn invloed heeft. Bespreking volgt op bespreking, een lunch, een feestje: Melchiors handelingen worden saai en voegen niets nieuws toe, zolang zijn woelige emoties niet voldoende zijn uitgediept.

Aliefka Bijlsma
Mede namens mijn vrouw
(2010)
Augustus
272 pagina's
€ 19,95
ISBN 9789045701776

[overgenomen van Recensieweb, 24 januari 2011]

vrijdag 28 januari 2011

Rihana Jamaludin - Parvati´s Dans

Zij danst en laat de wereld draaien
Onder haar zolen welft de bol
van aarde koper water

Voeten wervelen over de polen
Keerkring kruist meridiaan
Continenten schuiven nachtelijk traag langs
Oceanen zwijgen kolkend blauw

Knieboog rust
tussen dag en duister
Nachtzee wenkt de dageraad

Sterren wentelen
schieten door ruimte
Tien armen buigen

Balans
tussen teen en kruin



Onder het rode licht - Writers Unlimited 2011

door Rihana Jamaludin                         

Op het podium, onder het rode licht, de goed gevulde zaal vaag zichtbaar, maak ik aanstalten om een fragment voor te lezen. Presentatrice Noraly Beyer heeft het fragment uit mijn nieuwe roman Kuis gekozen, dat volgens haar meer prikkelend is voor aspirant kopers dan de twee spiritueel getinte fragmenten die ik zelf had uitgezocht. Tevoren heeft zij mij wel de kans gegeven om over religie en spiritualiteit te vertellen. Over de gangbare gedachte, dat geloof en godsdienst vanzelf zullen verdwijnen wanneer het individu zich ontwikkelt, en dat dit volgens mij geen vanzelfsprekendheid is; van religie naar atheïsme is niet de enkele weg die een mens in ontwikkeling kan volgen, maar één van de vele.

Spiritualiteit en erotiek vormen de leidraad in Kuis, het eerste hebben we al gehad, nu het tweede. Aarzelend begin ik de pikante passage voor te lezen. Over erotiek schrijven is nog iets anders dan erover voordragen, met rode wangen en neergeslagen ogen lees ik voor, mijn verlegenheid maskerend. Het publiek vindt het prachtig, dat scheelt. Aangemoedigd lees ik verder tot het korte stukje uit is. Noraly weet feilloos gebruik te maken van het moment, ze doet er een schepje bovenop en vraagt me nog meer te vertellen, nu uit het blote hoofd. Over de Non van de blauwe schede verhaal ik, gebarend om de aardewerken kuisheidsgordel in de fantasie van het publiek vorm te laten krijgen. Het werkt, zowel de luchtigheid van het verhaal als de diepere bedoeling hebben een kans gekregen in het gesprek, Noraly is een geweldige interviewer.

Vrolijk zet ze de finale in: met haar rug naar het publiek zal zij een rode roos de zaal in werpen. Wie die vangt, krijgt het eerste exemplaar van Kuis uitgereikt. Schrijfster Tessa Leuwsha, eerder geïnterviewd, en ik kijken lachend toe. Noraly telt af en gooit de roos - bijna midden in de zaal. De heer die de roos heeft opgevangen blijkt een Duitser te zijn die Nederlands doceert. Hij wordt na afloop meteen door de Wereldomroep geïnterviewd. De rode roos speldt hij op zijn jas.

De roman Kuis is in de boekhandel verkrijgbaar, prijs e 17,50 (KIT Publishers, Amsterdam)

Foto: @ Sirano Zalman. Op de foto vlnr Rihana Jamaludin, Tessa Leuwsha, Noraly Beyer.

Google helps!

door Michiel van Kempen

Ik roep het in het oor van wie het maar horen wil: sinds het jaar 2000 zijn er meer prozaromans over Suriname verschenen dan in héél de literatuurgeschiedenis daarvóór. Ik kon dat ook wel bewijzen, maar dat was wel een omslachtig werkje van lijsten opstellen en turven. Google steekt nu een handje toe met een nieuw speeltje, de Books Ngram Viewer. Je kunt daar nu al 4 % van alle ooit gedrukte boeken mee doorzoeken op bepaalde zoektermen. Je kunt je nauwelijks een voorstelling maken hoeveel boeken dat zijn als die allemaal bij elkaar zouden staan. Vanzelfsprekend zijn nog lang niet alle talen in het corpus vertegenwoordigd en ligt het accent vooralsnog op Engelse teksten, maar je kunt ook al zoeken in Frans, Duits, Chinees, Hebreeuws, Russisch en Spaans. Wie wil weten hoe dat corpus tot stand kwam, vindt daarover hier informatie. Het corpus groeit natuurlijk nog met de dag en een dekking van 100 % zal wel nooit bereikt worden, al was het maar omdat ik dan dat ene dichtbundeltje waarvan ik wèl een exemplaar in de kast heb staan maar verder niemand, niet wil afstaan. Dat bundeltje wordt uiteraard zeer kostbaar voor de altijd gretige digitaliseerders, dat bundeltje is mijn pensioen.

Stel dat ik mijn stelling dat er tegen de millenniumwende hoe langer hoe meer boeken over Suriname zijn verschenen wil hard maken, dan tik ik het trefwoord ‘Suriname’ bij de Books Ngram Viewer in en verschijnt er deze grafiek:




En nu wil ik dat patroon vergelijken met de boeken die in 4 eeuwen over Curaçao zijn verschenen, en dan krijgen we:



Vooruit, nog een dan: ik maak een gecombineerde zoekvraag, periode 1800-2000, en met drie termen: slavery, abolition en freedom. Slavery = blauw; freedom = groen; abolition = rood. Dit is het resultaat:



Klik op de grafieken voor een groter formaat!

Ecury, Fonzarelly, Van Kempen in Literat-uur

Het live uitgezonden radioprogramma Literat-uur van Radio AmsterdamFM had op 27 januari tussen 12.00 en 13.00 uur schrijfster Giselle Ecury en rapper Alfonzo Trosemito (beiden van Arubaanse origine) te gast. Giselle Ecury leest uit haar onlangs verschenen dichtbundel Vogelvlucht en Alfonzo Trosemito praat over zijn muzikale activiteiten als rapper en gitarist onder de naam The Fonz Fonzarelly. Beluister het programma (vanaf minuut 24) door hier te klikken.

Twee weken eerder was in hetzelfde programma Michiel van Kempen te gast onder andere over het succesvolle blog Caraïbisch Uitzicht, over zijn betrokkenheid bij de Surinaamse literatuur en over zijn nieuwe bloemlezing verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers Voor mij ben je hier. Klik hier om het programma na te luisteren.

Literat-uur is een programma van presentatoren Bert van Galen en Peter de Rijk.

Tommy Wieringa als Writer-in-Residence naar het NIAS


Tommy Wieringa, rechtsachter in de hoek, luistert peinzend toe tijdens een voordracht bij het erediner voor Derek Walcott, 20 mei 2008; foto @ Bert Nienhuis.

Schrijver Tommy Wieringa zal vanaf 1 februari a.s. op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds vijf maanden als Writer-in-Residence werken aan het Netherlands Institute for Advanced Study (NIAS) in Wassenaar. Hij zal zich aan het NIAS concentreren op zijn nieuwe roman met de werktitel Exodus, een migratiegeschiedenis.

Wieringa (1967) schreef eerder onder andere de romans Alles over Tristan (Halewijnprijs, 2002), Joe Speedboot (F. Bordewijkprijs, 2006) en Caesarion (2009). Zijn reisverhalen werden gebundeld in Ik was nooit in Isfahaan (2006). In 2007 verscheen De dynamica van de begeerte, een onderzoek naar de oorsprong van begeerte en de grote rol van pornografie in de moderne wereld. De boeken van Tommy Wieringa verschijnen bij uitgeverij De Bezige Bij voor de Nederlandse markt en worden wereldwijd vertaald.

In september 2011 ontvangt het NIAS nog twee Fonds-fellows. Christiaan Weijts (1976), auteur van onder andere Art. 285b en Via Cappello 23, zal Wieringa opvolgen als Writer-in-Residence. Vertaler Roemeens, Jan Willem Bos (1954) zal gelijktijdig voor vijf maanden zijn intrek nemen als Translator-in-Residence.

Zowel het Writer-in-Residence programma, als het Translator-in-Residence programma zijn een gezamenlijk initiatief van het NIAS en het Nederlands Letterenfonds.

Julio Perrenal: liefde voor het Papiamentu


door Tim de Wolf

In de oorlogsjaren zongen op Curaçao drie musici in de eigen taal, het Papiamentu. Hun ideaal was de liefde en waardering van de bevolking voor de eigen taal op te wekken. Mede door het veranderde klimaat tijdens de Tweede Wereldoorlog gebeurde dit ook, Papiamentu werd populair onder brede lagen van de bevolking.

Achter de naam Julio Perrenal ging het drietal Pierre Lauffer sr., Jules de Palm en René de Rooy schuil. Met Julio Perrenal wilden ze vooral de liefde voor de eigen cultuur opwekken, en daarmee voor het Papiamentu. Het toegenomen zelfbewustzijn in de Tweede Wereldoorlog droeg eraan bij dat die waardering er ook daadwerkelijk kwam.

Jules de Palm (Curaçao, 1922)
Julius Philip de Palm was onderwijzer in de oorlogsjaren. Eerst op Curaçao, en vanaf het schooljaar 1943 op Aruba. Tussen 1959 en 1982 werkte De Palm in Nederland als hoofd van het Centraal Bureau Toezicht Curaçaose Bursalen [Bursalen waren Antilliaanse studenten die met een studiebeurs in Nederland kwamen studeren]). In het contact met hen zag De Palm waar de Antilliaanse en Nederlandse cultuur botsten, hij schrijft hierover in Lekker warm, lekker bruin – vallen en opstaan in twee culturen. De Palm studeerde Nederlands en promoveerde in 1969. Hij schrijft daarna diverse boeken over taal en cultuur.

René de Rooy (Suriname 1917–Mexico, 1974)
René André de Rooy bracht het grootste deel van zijn leven door op Curaçao. Daar werkte hij mee aan diverse literaire tijdschriften in het Nederlands als het Papiamentu. In 1954 ontving hij een literaire prijs van het Cultureel Centrum Curaçao voor een tragikomedie op rijm, Juancho Picaflor.

Pierre Lauffer sr. (Curaçao, 1920–1981)
Pierre Lauffer sr. werkte in de oorlogsjaren als politieagent op Curaçao. Het gaf hem een betere maatschappelijke positie dan de verplichte schutterij. Na de oorlog ontpopte Lauffer zich als schrijver en dichter in het Papiamentu. Ook richtte hij zich op de studie van het Papiamentu en de ontwikkeling van jeugdliteratuur hierin.

Met Julio Perrenal componeerde het drietal tijdens de oorlog tien liedjes in het Papiamentu en stelden hiermee een liederenbundel samen. Vier hiervan gingen over de oorlog, waaronder:

Gasolin (Benzine) is een pittige wandelmars. De boodschap: de benzine kan schaars zijn, we missen het niet! We gaan lopen!
Menegue Merikano (Amerikaanse Merengue) gaat over de nadelen van de stationering van Amerikaanse soldaten op Curaçao. Zo ziet Cola hoe zijn meisje Carmencita met een Yankee aan de zwier gaat. De Merengue Merikano wordt na de oorlog aangepast aan de nieuwe omstandigheden. In plaats van ontrouw te zijn met de Amerikaanse soldaat Bill bedriegt Carmencita haar vriend Cola dan met de macamba (Europese Nederlander) Wim. De titel van het lied is dan Shon Ka.
Situashón (Toestand) over de droefheid en schaarste die met de oorlog gepaard gaat. [tekst volgt]
Skuridad (Duisternis) bezingt de ongemakken van de verduistering. "Ach, zo besluit het lied, "ging Doys [Adolf Hitler] maar de pijp uit, verdronk Benito [Mussolini] maar in zee, kreeg Hirohito maar het een of ander, opdat we rustig kunnen leven".

Dat het Papiamentu nog niet helemaal was ingeburgerd bleek uit de commotie rond de uitzending van de liedjes door ‘Curom’, de Curaçaose Radio Omroep op 7 juli 1943. Vlak voor de uitzending kwamen de musici die de liedjes zouden spelen en zingen niet opdagen. Ze weigerden in hun eigen taal te zingen. Uiteindelijk stond het drietal zelf voor de microfoon.

In het begin maakte Jules de Palm Papiamentse teksten op bestaande melodieën. Voor de soldaten bijvoorbeeld is geïnspireerd op de melodie van de hit Roll Out The Barrel. Voor de soldaten wilde mensen opwekken om op de fancy fair veel geld uit te geven voor de soldaten. Roll Out The Barrel werd in 1927 gecomponeerd door de Tsjech Jaromir Vejvoda, enkele jaren later werd er een Engelstalige versie van het liedje gemaakt. In de mobilisatietijd (1939) werd de melodie zowel bij de soldaten aan geallieerde zijde als bij de Asmogendheden populair. Bij de Duitsers als Rosamunde, bij de Italianen als Rosamunda. Tekstschrijver Ferry van Delden maakt in het neutrale Nederland de versie Rats, kuch en bonen.

Een andere inspiratiebron was het lied dat het karige wekelijkse schutterssoldij van fl. 4,20 bespot. Het toen fl. 4,20 werd gemaakt op een bestaande melodie. In het lied wijst een moeder een schutter, die de hand van haar dochter vraagt, de deur. "Vier twintig…daar kun je geen jurk voor kopen!".

Ook van het Columbiaanse Caimán se va is in oorlogstijd een bewerking in het Papiamentu gemaakt. Daarin werd verwezen naar de Amerikaanse soldaten die op Curaçao zijn gestationeerd: Het meisje heeft het haar ontkroesd, heeft zich van gouden tanden voorzien, is op het Brionplein gaan staan, om een Amerikaan aan de haak te slaan."

De Palm maakte ook nog een Papiamentse tekst op het op Curaçao populaire Let’s remember Pearl Harbor. Het lied gaat over het jaarlijkse bezoek van de voortrekkers (padvinders) aan het melaatsengesticht Zaquitó. In het liedje komt de schaarste aan autobanden en benzine voorbij.

[overgenomen van De Tweede Wereldoorlog in muziek]

In gesprek met de regisseur van Sonny Boy

Vanaf deze week draait de film Sonny Boy in de bioscoop. Biosagenda.nl sprak met uitgebreid regisseur Maria Peters over deze film.

Het is nu januari 2011: wanneer bent u precies begonnen met de film?
We stonden een jaar geleden aan de vooravond van draaien. We begonnen in februari 2010. Dat was ook een hele spannende tijd. Dat vind ik nu ook vreemd. Een jaar geleden moest alles nog worden opgenomen. De voorbereidingen en het schrijven ben je zo'n 4, 5 jaar mee bezig. Net toen het boek uit was zijn we er mee aan de slag gegaan. Pieter Van de Waterbeemd zag het boek liggen en die wilde er heel graag scenario voor schrijven. We konden de rechten nog krijgen dus we hebben Annejet van der Zijl en de uitgeverij benaderd. Daarmee hadden we nog geluk want er waren meer kapers op de kust.

Hoe gaat dat proces dan verder? Het boek ligt in de boekhandel, iemand besluit een film te maken, en dan?
Dan ga je gewoon aan de slag. Je maakt een plan voor het scenario. We hebben best gezocht naar de vorm. We hebben meerdere scenario's gehad. Het eerste scenario duurde zo'n vier uur. De film duurt nu nog lang, kan je nagaan. Uiteindelijk hebben we 12 verschillende versies van scenario geschreven. We hadden natuurlijk te maken met iets wat waar gebeurd is dus we besloten daar mee niet aan de haal te gaan en de gebeurtenissen naar je hand te zetten. Annejet zei wel eens voor de grap dat we er alles mee mochten doen wat we wilden. Als je dan de echte Waldy ontmoet, die nu 81 is, besef je dat hij het echt allemaal heeft meegemaakt. Je zou willen dat het verhaal beter afloopt maar dat is nou eenmaal niet zo.

In het boek staan achterin allemaal bronvermeldingen. Heeft u die ook allemaal nagelezen?
Annejet heeft dat allemaal uitgezocht. Zij is daar 2 jaar mee zoet geweest dus ik ging er blind van uit dat zij dat getrouw heeft gedaan. Ik heb toen het scenario af was wel heel veel boeken gelezen over het dagelijks leven in die tijd en hoe het was om onderduikers in huis te hebben. Wat veel mensen bijvoorbeeld niet beseffen is dat mensen daar gewoon geld voor kregen.

Hoe verliep de samenwerking met Annejet verder?
Annejet was ontzettend fijn om mee te werken. Zij merkte dat we integer met het verhaal omgingen. Ik heb haar vaak benaderd om te vragen naar bepaalde karakters die mij niet duidelijk waren. Dan kreeg ik bijvoorbeeld foto's van die mensen. Ze liet ons vrij maar help ons om verder te komen als dat nodig was.

Kijkt zij dan nog naar het scenario?
Elke keer als een scenario af is denk je dat het de schrijver het wel een keer moet lezen maar zij was heel druk bezig met haar boek Bernhard op dat moment dus dat wilde ze eigenlijk niet. Ze zei ons wel dat we het Sefanja Nods moesten laten lezen. Dat is de schoondochter van Waldy en zij is de degene die ooit dit verhaal aan Annejet heeft verteld. Zij las dus wel af en toe over onze schouder mee.

Voor de film is er ook in Suriname gefilmd. Wat kunt daar over vertellen?Het was een hele onderneming. Je moet een periode creëren daar want het speelt zich af in 1921. En alles moest mee: dus camera's, kleding, props, het licht en ga zo maar door. We wilden ook graag ezeltjes want die hadden we op foto's gezien. Er waren in Suriname echter geen ezeltjes meer te vinden dus die hebben we uit Frans Guyana gehaald. Ook was er in heel Suriname geen zeilboot te vinden. We hebben een scene waarin de vader van Waldemar hem uitzwaait vanaf een boot en die boot hebben we dan op het IJsselmeer gefilmd. Dus dat hebben we met vernuftige technieken in elkaar gezet. Maar de samenwerking met de lokale bevolking was heel erg leuk. De mensen werkten heel hard en werkten heel goed mee.



De Italiaanse cover van het boek Sonny Boy



U staat bekend om uw jeugdfilms. Is er nu een wezenlijk verschil tussen een jeugdfilm en een volwassen film?
Een volwassen film is prettig om dat je ook met volwassen acteurs werkt. Zij hebben het over het algemeen veel ervaring. Ze hebben technieken om hun emoties te uiten: dat hebben ze geleerd. En met kinderen is dat altijd afwachten of ze dat elke keer weer kunnen uiten. Je neemt toch vaak vier takes op. Maar in deze film hadden we ook veel kinderen. Voor een karakter hadden we ook nog eens meerdere kinderen nodig van verschillende leeftijden. Dus daar hebben we veel zorg aandacht besteed.

In recensies komt vaak de kanttekening naar voren dat de dialogen wat onnatuurlijk kunnen overkomen. Wat vindt u daarvan?
Dat is natuurlijk niet mijn opzet. Je probeert dat natuurlijk zo goed mogelijk te doen. Ik kan me het wel voorstellen. Maar om aan te geven: die zin van Kees Kaptijn, “Ik ben Kees Kaptijn, de grootste jodenbeul van Nederland”, was echt zijn openingszin! Annejet van der Zijl heeft dat uit historische bronnen gehaald en als filmmaker laat je dat niet liggen. Als mensen dan denken dat het niet waar is dan is dat jammer maar dat is toevallig echt zo gezegd. In recensies worden een paar zinnen aangehaald maar ik denk dat de rest toch redelijk natuurlijk is. Pieter Van de Waterbeemd en ik zijn daar toch redelijk secuur in geweest. Ik kan het nu niet meer terugdraaien in ieder geval.

U bent nu op een promotietour waar u met publiek samen naar de film kijkt. Hoe reageert dit publiek op de film?
Ik merk zelf in ieder geval dat de film ontroert. Mensen komen echt naar me toe en zeggen 'het is zo'n mooie film en ik vind het echt prachtig'. Dat hoeven de mensen natuurlijk niet tegen mij te zeggen. In Helmond gingen de mensen zelfs staan applaudisseren. Dat hoeft natuurlijk niet. Ik was daar eigenlijk wel van ontdaan en ontroerd. Ik dacht: goh het heeft ze wel wat gedaan. Je weet was hoe hoe de mensen gaan reageren als ze de film zien. Mijn cameraman zei laatst tegen me: Maria, je bent alleen maar verantwoording aan jezelf verschuldigd.




[uit Bioscoopagenda.nl met correctie van alle taalfouten]

Sonny Boy gerecenseerd

door Quirijn Foeken

De film Sonny Boy gaat over de onmogelijke liefde tussen de optimistische Rika en de 17-jaar jongere Surinaamse Waldemar die naar Nederland komt om te studeren. Dit alles speelt zich af vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Genoeg ruimte voor drama en tragiek dus.

De film is gebaseerd op het gelijknamige boek van Annejet van Zijl. Diegene die dat boek hebben gelezen weten hoe mooi en sterk deze liefdestragedie is. Het verhaal is dan ook meteen het sterkste punt van de film. Waldemar en Rika proberen ondanks alle verwikkelingen positief te blijven. Sonny Boy is een grote productie en dat is ook te zien aan. De film is zeer mooi gefilmd. Ook zijn de scènes in Suriname gewoon in Suriname geschoten wat de authenticiteit ten goede komt.

Helaas kent de film ook wat minpunten. Het spel van Ricky Koole als Rika (foto rechts) is zeer overtuigend maar dat kan helaas niet van elk karakter worden gezegd. Sommige dialogen komen dan echter ook wat hoekig over. Een goed voorbeeld hiervan is Kees Kapitein, gespeeld door Ruben Brinkman. Dit is de grootste jodenjager van Nederland. Hij stelt zichzelf voor met de zin. “Ik ben Kees Kapitein, de grootste jodenjager van Nederland.” De film zit vol met dit soort dialogen die onnatuurlijk overkomen.

Je moet echter wel van steen zijn wil je deze film naast je neer leggen: Sonny Boy is een mooie productie met een steengoed verhaal dat verteld moet worden. De film, die wel wat aan de lange kant is, zal best wel eens goed kunnen gaan scoren.


[uit Bioscoopagenda.nl]

Foto van Ricky Koole: @ Roel Wijnants Fotografie

Dorpsdichter Raalte wil eilanddichter Aruba

Zijn bedoeling was om op Aruba bij te komen van een aantal behandelingen in het ziekenhuis. Maar nu hij er is, is hij drukker dan de bedoeling was. Dorpsdichter Benne Solinger van Raalte geeft op Aruba cursussen dichten en wil zich ervoor inzetten dat Aruba een eilanddichter krijgt. Want vrijwel elke plaats in Nederland heeft tegenwoordig een eigen stads- of dorpsdichter, maar Aruba heeft nog geen eigen dichter. Tijdens Het Overijssels Hart werd Benne Solinger geïnterviewd. Dat interview is te horen door hier te klikken.

Surinaamse dichteres: 'Gedichtendag is niet voor mij'

Wat hebben Surinamers in Nederland met Gedichtendag? In Nederland en Vlaanderen klinkt er vandaag poezië op scholen, in bibliotheken en op straat. Dit jaar met het thema ‘nacht'. De eigentijdse Surinaamse dichter Zulile Blinker heeft er in ieder geval ‘niet veel mee.’
Blinker, die sinds jaar en dag in Nederland woont, is een zogeheten spoken word artist en werkte onder meer samen met zangeres Sabrina Starke. Volgens haar is Gedichtendag vooral een dag waarop Nederlandse en Vlaamse dichters worden geprofileerd. ‘Die lijken niet op mij. Ik ben een kind van Suriname en het Caribisch gebied.’
Blinker dicht graag over Suriname. ‘Over onze denkwijze, wat we allemaal doen en waar we mee zitten.’ De eigentijdse dichter, die op haar achtste jaar verhuisde van Suriname naar Sint Maarten en sinds haar dertiende in Nederland woont, is vooral geboeid door de geschiedenis. ‘Van Suriname, Afrika, van Indonesië en van de mens.’

Verleden
Volgens haar is het dan ook goed dat jongeren steeds vaker kijken naar het verleden. ‘Je moet weten waar je vandaan komt om te weten waar je naartoe gaat.’

Klik hier voor Zulile Blinker, gisteren in gesprek met Sam Jones bij Radio Nederland Wereldomroep.

Bhai - Gedicht

Bied bloemen
Aan het open graf
De tijd staat stil
Nu de eeuwigheid begint
Dit leven is niets meer
Dan ritselen
Dwarrelen
En dan voorgoed verdorren


Antoine A.R. de Kom - Laat iemand waden

Laat iemand de houding
van een flamingo aannemen.

Laat iemand de houding
van een zich voedende flamingo

Langzaam aannemen.
En laat iemand waden door

Ondiep water, het ondiepe
water dat staat op open

Modderbanken, laat iemand
waden zoals alleen een ruiende

Flamingo dat kan. Ja, laat iemand
slapen op 1 lila poot, met de kop

Op de rug ter ruste, met de kop
tussen roze, karmijnrode vleugels.

[uit Tropen, 1991]


donderdag 27 januari 2011

Pierre Lauffer - Mi lenga/Mijn taal

Mi lenga,
Den nesesidat Sali
Fo’alma di aventurero
Kultivá na boka di katibu
A baj drecha su pará
Den kwentanan di jaj.

Su kurashi sin keber
– E marka brutu di su nasementu –
A butele rementá busá
I fórsa di su gan ‘i biba
A lant’e di swela
Den un warwarú di pusta-boka.

Su kantika tin kandela
Su simplesa tin koló.
Ku su wega di palabra
Mi por ‘nabo bo sojá
Ku su ritmo í su stansha
Mi por sinta namorá.

Na mi lenga di kriojo,
Kus u zjèitu di zonidu
No tin dwele ni legría pa herami,
Ni tin sort’i sintimentu
Ku mi n’tribi machiká.





Mijn taal,
Uit pure nood ontsprongen
Aan de harten van avonturiers,
Verder ontwikkeld in de mond van slaven,
Heeft haar vorm gevonden
In de verhalen van de baboe.

Haar grenzeloze moed
– Het brute teken van haar oorsprong –
Heeft haar de muilkorf doen verbreken
En haar kracht van levensdrift
Heeft haar zich doen verheffen
In een wervelwind van woordenwisselingen.

Haar muziek heeft vuur,
Haar eenvoud is vol kleur.
En met haar woordenspel
Kan ik je levend villen,
Met haar rijkdom en haar ritme
Kan ik zitten minnekozen.
In mijn creoolse taal,
Met heel haar klankenweelde,
Is geen vreugde of verdriet voor mij onzegbaar,
Noch is er ook maar één gevoel
Dat ik daarin niet heb gedurfd te uiten.

[uit Raspá, 1962; vertaling: Walter Palm, Sidney Joubert en August Willemsen]

Foto: @ Bea Moedt

Eugène W. Rellum - Sranan

Sranan na mi,
mi na Sranan.

Sranan,
a no wan nen wawan,
Sranan na mi mama,
mi mati, mi granwan
frekti kon tron wan;

dis' na mi bribi:

mi skowroe moe gro
kon bigi
lek' wan kankantri,
foe fiti
Sranan glori;
mi sjen
na Sranan sjen;

na in joe bere
mi wan' mi
dedebonjo foe tan
Sranan,
joe nanga mi
na wan.

[uit: Moesoedé]
.

Frank Martinus Arion – Spiritual

Uit baldadig hout ben ik gesneden.
mijn schepper is baldadig

Gisteren nog ben ik uitgegaan
met woorden om hem en zijn
schepping hier te treffen.

de woorden als harde stenen
heb ik naar omhoog gesmeten.
maar vandaag vervolgt hun
klaterend vallen op mijn
eigen hoofd mij nog.

niet eens de bladeren
zijn gevallen.
niet eens de bomen
zijn geraakt door al mijn woorden.

niet eens de luchten
niet eens de winden.

ze zwerven boven,
klateren beneden op mijn hoofd
en worden wonden, wonden.

uit baldadig hout ben ik gesneden
mijn schepper is baldadig.

[Uit Stemmen uit Afrika, 1978 (eerder verschenen in 1957)]

Foto: @ Bea Moedt

Trefossa - Servus/Vaarwel

bos' mi adyosi tide, weti wenke,
safri m' sa kari yu nen.
wi no sa fruteri
soso prakseri,
fa wi ben sungu
na drungu
fu dren.

lobi ben trobi, ben trubu wi yeye.
kunsu fu yu kan tori wi prei,
wi switi kor'kori,
te poku f' wi ati
b' e moksi tron wan.

lobi ben trobi, ben trubu wi yeye.
libi ben pori wi prei,
wi switi kor'kori,
te poku f' wi ati
b' e moksi tron wan.

figi yu ai.
wenter sa wai,
kroru sa opo
na dusun knopo.

bos' mi adyosi tide weti wenke,
safri m' sa kari yu nen...
.



kus me vaarwel vandaag, blank meisje,
zacht zal ik noemen je naam.
we zullen 't niet vertellen
alleen eraan denken,
hoe we verzonken waren
in de dronkenschap
van de droom.

liefde verstoorde, vertroebelde onze geest.
't kussen van jou kan verraden ons spel,
onze zoete woorden,
wanneer de muziek van ons hart
samenvloeide tot een.

liefde verstoorde, vertroebelde onze geest.
't leven bedierf ons spel,
onze zoete woorden,
wanneer de muziek van ons hart
samenvloeide tot een.

droog je tranen af.
de winter zal voorbijgaan,
kleuren zullen ontluiken
uit duizenden knoppen.

kus me vaarwel vandaag, blank meisje,
zacht zal ik noemen je naam...

[Vertaling: Michel Berchem]


Afbeelding: Picasso, portret van een jong meisje, naar Lucas Cranach, 1958

Cola Debrot - Enfantine

De minstreel was gekomen met zijn luit.
De koning had de deuren al gesloten
en de verlichting deed hij uit.

Pierewaai pierewaai, streek minnestreel,
pierewaai pierewaai pierewaai

Ophelia ausgerechnet op Horatio's schoot
zong lustig mee van There Is Something Rotten
totdat hij ruw haar strot dicht sloot.

Pierewaai pierewaai, streek minnestreel,
pierewaai pierewaai pierewaai

De koning in het donker heel alleen
plukte aan baard en kanten mouw en peinsde
over des mensen hart van steen.

Pierewaai pierewaai, streek minnestreel,
pierewaai pierewaai pierewaai

Momenten duren maar een ogenblik
De koning heeft de kaarsen weer ontstoken.
Zo gaat het voort. Hier eindig ik.

Pierewaai pierewaai, streek minnestreel,
pierewaai pierewaai pierewaai

[uit de verspreide gedichten in Verzameld werk 2, 1985]
.

Aletta Beaujon - Enfantine

Het negermeisje
was zeer wit
en trouwde met
een vriend die dat
niet wou

Zij kreeg een
heel zwart kindje
dat zo lief was
veel liever
dan de witte kindjes
die de man zo graag
hebben wou
Het kindje werd
steeds zwarter
en de vader
was toch blij
dat hij haar vader was

Toen kreeg het meisje
als maar
witte negertjes
die de vader
helemaal niet liefhad

U kunt hem altijd
spelen zien
met het hele
zwarte kindje

De appel
van zijn hart
had blauwe ogen

[uit Aletta Beaujon, De schoonheid van blauw / The Beauty of Blue, Haarlem 2009, In de Knipscheer]



Foto: Lars Erik Hauklien, Black girl, blue eyes

Klaas de Groot - De kaart van Curaçao



voor Shonma

I

Boven het eiland hangt een waas.
De regen wacht, de rots ligt stil.
En dan, als de natuur het wil,
wordt Curaçao het zachte diabaas.

II

Een dashond strekt zich uit in zee.
Sint Joris knippert in de zon.
Het Spaanse Water hapt tevree.
De neus richt zich, bij Punt Kanon.

III

Weer paart een schip met Curaçao,
de schipbrug ligt toch open.
En ver achter de Annabaai,
daar zwelt het land, op Band’abao.

IV

Soms komt de zon op als een helle vrouw,
gaat onder als een man, zo droevig dat
Asiento huilt als violet. Bij Willemstad
klemt Band’ariba zich aan Band’abao.

V

Dit is de weg naar Welgelegen.
Marchena ligt hier ook vlakbij.
De onderstand op Wishi is een rij.
Niets hielp er tegen Fraters’ zegen.


[uit Onderwijs in de Steigers, p.117. Aart G. Broek / Christa M. Roose-Weijer (red.), Wilemstad, Curaçao 1991, Stchting Peter Stuyvesant College]

Bernardo Ashetu - De brug

Maandag
kwakkelt voort.

Vrijdag
vriest het.

Een stalen brug
verrijst en bereikt
de nieuwe maandag
waarin de lente tiert.


[ongepubliceerd]

Charles Corsen – De duif

Laat mij even hier stil zitten
terwijl de havik op me loert.
Ze zijn de muur bij de hokken
aan het witten en mijn liefste
koert en koert!
Als dan de maan opkomt tussen
de verchroomde tanden van de haai,
tussen duim en eelt en de sterke kant
van de hand,
o. God, de krans rondom mijn hals,
een draai;
volk, ziet aan mijn lot,
ik bouwde een nest voor kerk en gebod;
ik vocht voor mijn liefste op de
tempeltoren;
ik at van het mais, van het vele van
het koren;
nog staan de veren glad om mijn nek,
nog voel ik in mijn hart een juichende
trek;
en ik wiek naar beneden naar een beter
land,
tussen duim en eelt,
en de kracht van een hand.

[uit De Stoep]



Foto: @ Bea Moedt

Cándani - Gedicht

het lichaam kijkt om
naar het leven waarin zij verging
niet de dood het leven is vreemd
een bruid die nooit tot vrouw wordt
woorden van haar eerste nacht
blijven geheimen voor altijd
pas als het leven voorbijtrekt
verschijnt het bekende uur
dat de rust brengt
waar de haan niet kraait

[uit Zal ik terugkeren als je bruid, 1999]

John Leefmans - Reynsdorp

Wie een boot heeft, weet Reynsdorp allicht te liggen,
(dat heet, wie weet, nu, Nieuw Ansoe?)
daar waar een stroom begon, diep en grillig,
daar waar de wereld eindigt in drie snikken.
De rivierboot deed dit dorp niet aan,
kwam maar tot Alliance of Jacopoe, - en tenzij
een visser en de enkeling die in de droge tijd,
trachtte het strand, uren verder, te bereiken,
kwam hier geen ziel voorbij.

Er liep ook geen hond op het middaguur
door de geslagen stilte van harde schaduwen
en het wrede gele vuur, -
behalve ik, in de droge tijd op het pad
dat naar de landing, naar de steiger, leidt,
met Judith, met Ruth, met Esther,
in witte jurkjes van katoen,
en op mijn schouder de reuze-meloen,
en ik lijd aan visschubben op mijn blote voeten
en de winkelhaak in mijn vuile korte broek
waarmee ik God en al zijn plagen verzoek
en de koperen priemen die mijn krabben trotseren,
om te boren naar mijn magere bloed.

Ik loop tot de landing met hen mee,
Ruth en Judith, en Esther
op hun sandalen, gezichten vol sproeten
onder hun brede hoeden,
gaan zij met hun vader varen naar zee, -
en ook de hemel kon dat niet verhoeden.
Ik draag tot de boot de watermeloen
voor Judith, voor Ruth, voor Esther,
en wuif flauw tot het bruinwitte spoor
ophoudt bij de eerste bocht van het water,
en slof door het stof terug, ogen vochtig, -
en door de muskieten, het jengelend koor, -
en koortsig, kan ik geen maaltijd meer verwerken.

En kom véél en véél later te weten,
dat ik dodelijk ben gestoken,
O Judith, O Ruth, O Esther,
- of hoe jullie werkelijk mochten heten, -
en mijn rug reeds vroeg is gebroken.

[uit Retro, 2001]



Foto: Museum Plantage Reynsdorp

Tip Marugg - Rappe grauwe vlinders

Rappe grauwe vlinders,
naakte negerkinderen
in de cactus zon.

Ziet mijn oog,
nog ongewend aan 't spel
van pijl en boog,
de bruine tinten
van mijn eigen vel?

Ik ben een tropenkind
met duizend vragen
in mijn borst!

Zo zoek ik dan naar zwarte rozen
die leeg en ijl als de voze
cactuswieg waarin wij liggen
niet bij machte zijn
het melkachtig vlees te kleuren.

Zullen ooit de paarse geuren
die branden uit het aloë-sap
mij de krachten kunnen geven
voor het bouwen van mijn rieten dak?

Geef mij vannacht je zwarte liefde
want morgen vaart mijn schip van haat.
Morgen vaart mijn schip van liefde
mijn schip met blank gelaat.

[1950]
.

Hans Faverey - Gedicht

In het helikoptergebied:

de wisselende gezangen;
de korzelige regenzones.
Bij elk nieuw gezang,

hoe kort ook, wissel
ik van sneeuwbril;

krimpt mijn ijsappel.

[uit Gedichten, 1968]
.

Albert Helman - Foyur'bromki/Vieruursbloempje (Mirabilis jalapa)

Foyur'bromki n' in' birbiri,
yu de gro fu yu prisiri;
ma yu moi de tadyi mi:
`Luku bun, dan yu sa si!'

Solek' libisma kon owru,
bakadinason kon kowru
fos' yu pur' yu moi na doro...
wai, yu mek' mi prakser' moro:

Pikin bromki, y' e ferter' mi
bigi sani di y' e ler' mi.
Fa te furu yari psa
biten bun sa doro dya.

Te fo yuru, yu prisiri
de fu prodo n' in' birbiri;
ma ef' krin fu dei no de,
wanten prodo f' yu gowe.

Libisma wan tu, dri yari
bigi, ma te Gado kari
den na oso, mek' den kon,
ala bigi sa fadon.

'Was' wi wani somen' sani,
furu ten no de fu grani.
Foyur'bromki, ten no de...
tap' yu moi... wi d' a berpe.
.


Vieruursbloempje onder 't onkruid,
jij groeit maar voor je genoegen;
toch vertelt je pracht mij ook:
`Let goed op, dan merk je wat!'

Net als mensen ouder worden,
moet de middagzon afkoelen
vóór je openbaart je schoonheid...
ja, je doet nog meer bedenken.

Nietig bloempje, jij vertelt mij
iets heel groots, want je onderricht me
hoe - wanneer veel jaren heen zijn -
't goede net op tijd er is.

Als 't vier uur is, vind je vreugde
om in 't wied een poos te pronken;
maar zodra het daglicht weg is,
komt er aan 't gepronk een eind.

Mensen ook, zijn twee, drie jaren
groots, maar zodra God hen roept
om met spoed naar huis te keren,
valt de grootsheid van hen af.

Willen wij nog zoveel dingen,
weinig tijd is er voor trots zijn.
Vieruursbloempje, er is geen tijd meer.
sluit je pracht... het kerkhof wacht.

[Uit Adyosi/Afscheid, 1994]

Frederick Beaujon - Atardi

Waak e corrá bunita di atardi muriendo
Riba e cunucunan coe maishi costoso
Un mano invisible ta pega, ay, hariendo
Coe un luz suave e strellanan tanto precioso!

Ya e lampinan sin cadena, ma cariñoso
Ta plama nan luz arriba tera y lamá
I silencio mi ta mira Hooiberg, majestuoso
Foi toer su otro compañeronan bandoná

Klok di misa ta canta e ultimo cantica
Dje atardi aki, den e otro nan difunto
Lamchinan ta boela di contento, nan barica
Yen di yerba, comí coe otro compañé junto.

Kriki nan ta coeminza koe nan cantica tristo
Bau di yerba coe a bira geel den tera duro
I bo ta tende “Pa awe tardi mi ta listo”
Foi boca d’un trahador c’a cab’i doena furo.

I awoor e ta boolbe cansá foi su cunucu
Pa pasa dos or’ contento coe su famia
E ta yena (na braza cologa) un macutu
Pa su yoeuwnan, concomber, pampuna y patía.

Mientras su señora contento gord’i balente
Na cas ta piki paloe deen di sabana
Su yoeuwnan sin nada di corda y impaciente
Ta waak cu alegría foi porta y ventana.

Gustoso e ta para mira e excena dja leeuw
I ta pidi “O Dios! Laga semper keda ‘sina!”
I lo a keda para si Cayan su Cachó bieeuw
No a corre contento, blaaf e den su camina.

Alfin e ta yega cas rondoná pa toer banda
Di su yoeunan y señora coe a sali contré
I ta gosa den su cas chiquito sin veranda
Mas koe masha’ hende ricoe cu no sa saludé.

Coe su ultimo riqueza ariba rudía
(For di e pan ganá cu su sodó bruin y dushi)
E ta come uní y feliz coe su famia
I ta tira pida carni moli pa su poeshi.

Despues di a gradici su Dios y bisé danki.
P’e parti c’a tok’e den e dia koe a pasa,
E ta cende su pipa y ta hala un banki
Pa scucha na cuminda coe ainda ta hasa.

Si e cminda koe p’e su señora balente
Coe goesto ta prepara pa e dia di mayan
Cual e ta smaak asina dushi y excelente
Ora e ta comé y partié coe su fiel Cayan.



Santa Cruz, Junio 1907
.

Shrinivási – Eén plek maar

gi R. Dobru



Gesel mijn rug
en sla er 14 staties in
met de diepste spijkergaten.

Ploeg mijn borst open
met je besmette nagels.

Tot een kreupele
hak mij desnoods
met je houwers.

Maar ik bid U
met de laatste adem
en de laatste gang
van mijn bloed

Laat die plek vrijdag
op mijn linkerzij
voor mijn land en
mijn volk en
mijn moordenaars.

[uit Anjāli, 1971]
.

Mieke de Haan - Jamila’s handen

Mijn handen weten veel.

Mijn handen weten
deeg te kneden
knollen te schillen
het vel van de melk te halen
vuur aan te maken
wangen te aaien
kruiden te plukken
wonden te verzorgen
Ze weten
tranen te drogen
voeten te wassen
vloeren te dweilen
geiten te melken
Ze weten
haren te verven
tapijten te knopen
bruidsjurken te borduren
kinderen te bewegen
mannen te beheersen
glazen te vullen
water te dragen
licht te vangen
woorden te stoppen.

Mijn handen weten veel.

Maar schrijven
met een kort potlood
van links
naar rechts
op lege witte vellen
aan gladde hoge tafels
grijpt mijn handen
naar de keel.
.

Trudi Guda - Verlanglijst

Leren praten met de liefste nu,
met onze kinderen later,
de wereld tussen onze vingers
laten glijden,
proberen met schone handen
haar aan te raken
Te spreken zonder geheim,
als onze lichamen

Leren zwijgen
Of liever, luisteren
naar het juiste ogenblik
van spreken

Houden van het land van mijn liefste
Haar adem
over ons en onze kinderen

Mijn liefste nabij.
Het leven een hangmat
tussen ons in

[uit Vogel op het licht, 1981]
.

Oda Blinder – Gedicht

Wachtend op het antwoord
van de jaren
berg ik je hoofd
in dit gemis
ik zal je een leegte baren
die niet te vullen is.


[uit Verzamelde stilte, 1981]
.