maandag 28 februari 2011

Gaddafi’s Groene Boek

door Hubert Smeets

Er zijn dwarsverbanden tussen de inhoud van Het Groene Boek van Gadaffi en het nationaal-socialisme.
.


Gaddafi te Tripoli doet denken aan Hitler in Der Untergang. Dat is logisch. De aanwijzingen zijn te vinden in Het Groene Boek, waarin de ‘leider’ zijn dodelijke utopie al ontvouwde. Gaddafi maakt het daarin zelfs bonter dan al zijn totalitaire voorgangers. Het Groene Boek is een soep waarin radencommunisme, corporatisme, fascisme, nationaal-socialisme, racisme en religieus millennialisme tot één brei zijn geprakt. Hij pretendeert álle tegenstellingen op te heffen. Kiezer en gekozene, arbeid en kapitaal, familie en staat, individu en groep, leerling en leraar, natie en wereld: al deze spanningen lossen zich op in het aardse paradijs dat de Libische leider voorspiegelt. Representatieve democratie is volgens Gaddafi dictatoriaal omdat ze de volkswil niet uitdrukt.

De volonté générale, zoals Rousseau (1712-1778) het noemde, komt alleen tot zijn recht als het volk zich op zijn eigen niveau organiseert in raden waaruit een opperste raad wordt gekozen. Dit is het model dat de Nederlandse radencommunist Pannekoek (1873-1960) een eeuw geleden bepleitte. Anders dan Sovjetaartsvader Lenin ontkent Gaddafi de klassentegenstellingen. Het productieproces is een harmonie. De mens kan door het corporatisme alles tegelijk zijn. Uiteindelijk zal dus de loonarbeid, dat wil zeggen de slavernij, worden afgeschaft. Als er al een hiërarchie is, dan wordt die niet bepaald door een grondwet maar door het natuurrecht. Dit anti-legalisme van Gaddafi doet denken aan fascisme. In tegenstelling tot Stalin probeerden Mussolini en Hitler hun macht namelijk ook niet te baseren op zoiets formeels als een constitutie. Een vorm van fascisme steekt eveneens de kop op als Gaddafi de rol van het individu in de massa behandelt. Bijvoorbeeld in een paragraaf over de media. De pers is een instrument van de hele maatschappij, niet van individuele mensen of hun verenigingen.

Een variant van het nationaal-socialisme dient zich aan als Het Groene Boek de natie behandelt. In de natie komen familie, stammen en sociale strijd samen. Marx en Engels schreven in Het communistisch manifest: „De geschiedenis van iedere maatschappij is de geschiedenis van de klassenstrijd”. Gaddafi postuleert in Het Groene Boek dat alle geschiedenis de geschiedenis van nationale strijd is.

Zonder nationalisme is de natie dus gedoemd. Minderheden met andere godsdiensten nemen het dan over. Geen misverstand, dat schrijft de Libische leider die niet uitsluit dat hij wereldleider kan worden omdat er een rechte lijn loopt van de familie, via de stam en de natie, naar de hele wereld die uiteindelijk één taal spreekt.

Een verwilderde modaliteit van stalinisme komt tot uitdrukking in zijn ideeën over het onderwijs. Zoals de Sovjetbioloog Lysenko (1898-1978) de landbouwkundig beproefde genetica offerde aan het idee dat ook tarwekorrels klassenstrijd voeren, zo vindt Gaddafi het bestaan van een staatscurriculum met leerboeken „dictatoriaal”. De klap op de vuurpijl is tot slot het paradoxale nazistisch racisme van de ‘derde universele theorie’. Gaddafi legt dan uit waarom ‘zwarten’ het zullen winnen in de wereldgeschiedenis. De andere rassen verliezen door de geboortebeperking, restrictieve huwelijkswetgeving en hun arbeidsethos terrein op de zwarten. Dankzij de hitte van het klimaat zijn zwarten „minder obsessief” met werken bezig. Het staat er echt. Hun zege is dus onvermijdelijk.
.


En dan is de verlossing daar. Een verlossing die zover gaat dat er zelfs geen onderscheid meer zal zijn tussen kunstenaar en toeschouwer, tussen sporter en publiek, tussen voetbalveld en tribune. Waarom? Omdat de mens alles tegelijkertijd is. In het Frans: Je suis partout. Dat is totalitarisme van het zuiverste water. In Tripoli vecht een ongekende totalitaire denker tegen zijn ondergang.

[uit NRC Handelsblad, 28 februari 2011]

0 reacties:

Een reactie plaatsen