dinsdag 30 november 2010

De nieuwste verhalen van Suriname

Uitgeverij Meulenhoff presenteert in samenwerking met de Werkgroep Caraïbische Letteren en Theater Perdu op zaterdag 11 december a.s een gloednieuwe bundel met verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers: Voor mij ben je hier.



Voor mij ben je hier wordt uitgegeven ter gelegenheid van 35 jaar onafhankelijkheid van de Republiek Suriname. Aan de bundel, die samengesteld is door Michiel van Kempen, werkten 16 schrijvers mee. Dit zijn: Rihana Jamaludin, Marylin Simons, Herman Hennink Monkau, Carry-Ann Tjong-Ayong, Clark Accord, Henna Goudzand Nahar, Mala Kishoendajal, Guilly Koster, Iraida Ooft, Tessa Leuwsha, Karin Amatmoekrim, Joanna Werners, Annette de Vries, J.Z. Herrenberg, Ismene Krishnadath en Ruth San A Jong.













De eerste exemplaren worden namens de schrijvers door Clark Accord aangeboden aan twee prominenten uit de Surinaamse schrijversgeneratie van de jaren ’60: Rudy Bedacht (CorlyVerlooghen) en John Leefmans.















Patrick Meershoek (journalist Het Parool) en Gloria Wekker (hoogleraar gender en diversiteit) ontvangen zes schrijvers aan tafel.

Er zijn literaire voordrachten van verschillende schrijvers en van NOS-correspondente Garrie van Pinxteren .

Muzikaal wordt de avond omlijst door Raj Mohan & Lourens van Haaften en Sanne Landvreugd & Pablo Nahar.

Televisieomroepster Sytske Jellema zal de avond presenteren.


Plaats: Theater Perdu, Kloveniersburgwal 86 (vlakbij café De Jaren, om de hoek), Amsterdam
Aanvang: 20.00 uur

Toegang vrij
Reserveren noodzakelijk via deze link:
http://www.perdu.nl/reserveren.cfm?voorstelling=343

Voor meer informatie over Voor mij ben je hier kunt u contact opnemen met
Marianna Sterk, m.sterk@meulenhoff.nl, tel. 020-5533560.



Op de foto's, links van bovenaf: Mala Kishoendajal, Rudy Bedacht, Pablo Nahar; rechts van bovenaf: Guilly Koster, John Leefmans, Sanne Landvreugd

Beeld van Sonny Boy wordt onthuld

Vrijdag 10 december om 19.00 uur wordt in het Bijlmer Parktheater het beeld onthuld van Sonny Boy, gemaakt door de kunstenaar Teus van den Berg. Tevens overhandigt schrijfster Annejet van der Zijl het eerste exemplaar van de filmeditie in het bijzijn van regisseur Maria Peters aan Waldy Nods (Sonny Boy). De film Sonny Boy gaat 27 januari 2011 in première.

Kunstenaar Teus van den Berg is van mening dat Amsterdam Zuidoost de beste omgeving is voor dit beeld en heeft daarom de keuze gemaakt voor het enige professionele theater van dit stadsdeel. ‘Met de onthulling van het beeldje houden wij een verhaal levend uit de Nederlandse geschiedenis. Een verhaal dat ons bindt met Suriname en dat een tijd markeert waarin de vrijheid en de mensenrechten met voeten werden getreden, vandaar dat de onthulling plaatsvindt op 10 december, de Dag van de Mensenrechten.’ Na het officiële gedeelte wordt de trailer van de film Sonny Boy vertoond en aansluitend is er een concert van het Cello Octet Triangulo samen met Izaline Calister en het Marlon Titre Ensemble.

Over Sonny Boy de film
Sonny Boy is de verfilming van de gelijknamige bestseller van Annejet van der Zijl, gebaseerd op het waargebeurde verhaal over een verboden liefde. Rika heeft goede redenen om het huwelijk met haar man Willem te beëindigen. Ze verlaat hem en haar vier kinderen en vestigt zich in Den Haag. Dan begint de zware strijd om haar kinderen te kunnen zien en om het hoofd boven water te houden. Ze ontmoet de 17 jaar jongere Surinaamse Waldemar. Ze krijgen een stormachtige verhouding. Rika raakt al snel zwanger en bevalt van een zoon, Waldy, die ze Sonny Boy noemen. Wanneer de oorlog uitbreekt, verandert Rika’s pension al snel in een toevluchtsoord voor onderduikers. Dit gaat een tijd goed, totdat er op een morgen een inval plaatsvindt. Ze zijn verraden en worden samen met alle onderduikers afgevoerd. Zal Sonny Boy zijn beide ouders ooit nog terugzien…?

De regie van Sonny Boy is in handen van Maria Peters en de hoofdrollen zijn weggelegd voor Ricky Koole als Rika Lans en Sergio Hasselbaink als Waldemar Nods. In de overige rollen zien we onder anderen Frits Lambrechts, Marcel Hensema, Katja Herbers, Monic Hendrickx, Martijn Lakemeier, Gaite Jansen, Rogier Komproe, Anneke Blok, Jaap Spijkers en Stijn Westenend. Shooting Star Filmcompany is de producent.

http://www.sonnyboydefilm.nl/

Biografie Dobru rond 35 jaar srefidensi

door Peggy Brader

De eerste grote studie over Dobru is uit. Wan Bon - Wan Sranan - Wan Pipel gaat uitvoerig in op het leven en werk van dichter en politicus Dobru (pseudoniem van Robin Raveles). Biograaf Cynthia Abrahams promoveerde niet geheel toevallig aan de vooravond van 35 jaar srefidensi, op woensdag 24 november. Als nationalist was Dobru een groot voorstander van Suriname’s onafhankelijkheid.

Abrahams mag meteen twee primeurs op haar naam schrijven: zij is de eerste Surinaamse letterkundige die in Nederland promoveert op een onderwerp in de Surinaamse literatuur. Zij is ook de eerste die promoveert onder de bijzondere leerstoel West-Indische letteren aan de Universiteit van Amsterdam, sinds de instelling in 2006.
Schot in de roos
Promotor Michiel van Kempen noemt de keuze voor Dobru 'een schot in de roos'. De dichter/schrijver is namelijk erg populair bij Surinamers. “Dobru is de enige dichter van wie zowat alle Surinamers een gedicht uit het hoofd kennen. Hij is de dichter die de meeste Surinamers in het hart hebben gesloten”, aldus Van Kempen.


Dobru overleed op 17 november 1983. Hij is vooral populair vanwege zijn gedicht 'Wan', beter bekend als 'Wan bon' uit 1965. Het is meest voorgedragen gedicht uit de Surinaamse literatuur en heeft intussen een nationaal karakter gekregen.

Rollen Dobru
In de studie probeert Abrahams alle rollen die Dobru had uit te werken. En hij had er nogal wat: dichter, schrijver, politicus, nationalist, revolutionair. Maar niet dat alleen: Abrahams heeft Dobru ook in z’n eigen omgeving neerzet. Zo komen we te weten uit wat voor een familie hij kwam (gezin met zeven kinderen) en waar die drang ontstond om de liefde voor Suriname sterk te uiten.

Abrahams werd door de promotiecommissie geprezen voor het feit dat ze het werk van Dobru in een Caribische context heeft geplaatst. Dobru heeft namelijk een wezenlijke bijdrage geleverd aan de ontsluiting van de Surinaamse literatuur in de rest van het Caribisch gebied.

Waarom Dobru?
Suriname kent veel dichters/schrijvers van formaat. Waarom niet een studie naar Trefossa bijvoorbeeld? Abrahams licht haar keuze voor Dobru toe. Zij stuitte een keer op het werk van Dobru in een Caribische bloemlezing. Dat prikkelde haar nieuwsgierigheid. “Ik vroeg me af waarom Dobru erin stond.” Voor haar onderzoek heeft de letterkundige daarom veel bezoeken gebracht aan Suriname en andere Caribische landen, om de dichter in een Caribisch kader te kunnen plaatsen.

Ook heeft zij met meer dan zeventig mensen gesproken. De mondelinge overlevering heeft in haar onderzoek een belangrijke plaats ingenomen. Abrahams beschrijft Dobru als een 'heel bevlogen, emotioneel mens en een idealist. Hij heeft dat vastgehouden tot het einde van zijn leven'.

Dobru over 35 jaar srefidensi
Als Dobru nu nog geleefd zou hebben, zou hij volgens Raveles-Resida na 35 jaar onafhankelijkheid nog steeds vinden dat Suriname er nog niet is. “We zijn nog niet opgeschoten, we práten teveel. En we hebben nog niet genoeg daadkracht.”

We praten teveel
"Ondermaats." Raveles-Resida is er kort over. Na het overlijden van Dobru vindt ze dat er nauwelijks iets is gedaan aan zijn rijke erfgoed. Zelf was ze ook actief in de landelijke politiek. Dat heeft kennelijk niet geholpen? "Als ik op het ministerie van Onderwijs was geweest dan zou onze cultuurgeschiedenis er anders uit hebben gezien. Mensen moeten toch wel een visie ontwikkeld hebben over wat belangrijk is. En ik hoop dat dit nu gebeurt."
Bijzondere leerstoel
Abrahams verdedigde haar proefschrift onder de bijzondere leerstoel West-Indische letteren. De leerstoel is in 2006 ingesteld op initiatief van het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek (IBS). Voor Michiel van Kempen, die deze leerstoel bekleedt, is het daarom een bijzonder moment dat na vier jaar iemand onder deze leerstoel is gepromoveerd .

Van Kempen nam de begeleiding van Abrahams over van Bert Paasman. Die moest tijdens het promotietraject afhaken, omdat hij met emeritaat ging. De andere leden van de promotiecommissie zijn Ena Jansen (VU en UvA), Humphrey Lamur (UvA), Peter Meel (Universiteit Leiden), Jack Mencke (Anton de Kom-Universiteit van Suriname), Ieme van der Poel (UvA), Wim Rutgers (UNA), en Gloria Wekker (Universiteit Utrecht).

De titel van het proefschrift is Wan Bon - Wan Sranan - Wan Pipel; Robin ‘Dobru’ Raveles, Surinamer dichter, politicus, 1935-1983. In het voorjaar van 2011 verschijnt de handelseditie van het proefschrift op de markt.

[ontleend aan Radio Nederland Wereldomroep]

Foto links onder: de paranimfen, Raquel en Merrill Abrahams

Van Leeuwens echo in Wieringa’s Caesarion

door Kim Wassens

[Kim Wassens behaalde op 26 oktober j.l. haar Mastersdiploma in de Geesteswetenschappen bij de leerstoel West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam, met de scriptie Van Leeuwens echo in Wieringa’s Caesarion. Voor deze blogspot maakte zij deze samenvatting.]


Inleiding

Welke overeenkomst bestaat er op literair vlak tussen de Curaçaose schrijver Boeli van Leeuwen en de Nederlandse auteur Tommy Wieringa? Misschien dat beiden op negenendertigjarige leeftijd de F. Bordewijkprijs in de wacht hebben weten te slepen? Van Leeuwen nam deze literaire prijs in 1961, toen nog bekend onder de Vijverbergprijs, voor zijn roman De rots der struikeling (1959) in ontvangst en Wieringa ontving deze in 2006 voor zijn roman Joe Speedboot (2005). Echter, het winnen van dezelfde literaire prijs is geen bijzonder kenmerk te noemen voor de relatie die bestaat tussen twee auteurs. Als schrijver loopt men immers het risico om genomineerd te worden voor een literaire prijs waarbij collega-schrijvers hem of haar zijn voorgegaan.

Is de gemeenschappelijke factor dan te vinden in het gegeven dat beide auteurs op een Benedenwinds eiland hebben gewoond? Van Leeuwen op Curaçao en Wieringa op Aruba. Maar ook deze conclusie zou te kort door de bocht zijn, omdat Wieringa alleen maar zijn jeugdjaren, van zijn tweede tot zijn zevende, op Aruba heeft doorgebracht en Van Leeuwen, op wat korte onderbrekingen na, nagenoeg niet van zijn zachte rots van diabaas, Curaçao, is geweken. Daarbij zijn Curaçao en Aruba op staatsrechtelijke gronden niet over één kam te scheren.

Gelet op het dankwoord van Wieringa bij de in ontvangstneming van de F. Bordewijkprijs, blijkt de band tussen Wieringa en Van Leeuwen verder te reiken dan alleen het delen van een gemeenschappelijke prijs en het bewonen van een eiland. Uit deze rede klinkt namelijk een groot eerbetoon door aan het adres van Van Leeuwen en zijn literaire werk:

En toen dacht ik aan Nescio in zijn graf op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, aan Boeli van Leeuwen op zijn rots aan de overkant van de oceaan, aan hoe hun werk in mijn werk is gevloeid, en vond dat ik deze dingen niet onvermeld mocht laten bij het aanvaarden van de F. Bordewijk-prijs 2006.

Twee jaar na het overlijden van Van Leeuwen op 28 november 2007, verscheen in 2009 Wieringa’s roman Caesarion. Zou het kunnen dat Van Leeuwens werkhierin is gevloeid?En zo ja, wat betekent dit voor Wieringa als schrijver?Zijn de verwijzingen naar Van Leeuwen louter en alleen aangebracht uit bewondering voor zijn werk of schuilt er meer achter de verwijzingen naar deze Curaçaose auteur?

Onderzoeksvraag, afbakening en verantwoording

In mijn masterscriptievoor de masteropleiding in de Nederlandse Taal en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam, Van Leeuwens echo in Wieringa’s Caesarion, onder begeleiding van prof.dr. Michiel van Kempen, heb ik mij de volgende onderzoeksvraag gesteld: ‘Op welke manier speelt het werk van Van Leeuwen in Caesarion van Wieringa een rol?’

De roman Caesarion is, om het onderzoekveld af te kunnen bakenen, niet met het gehele oeuvre van Van Leeuwen vergeleken, maar met de volgende vier werken: Het teken van Jona (1988), De rots der struikeling (1959) en uit de columnbundel Geniale Anarchie (1990) de korte verhalen ‘Mozart in het oerwoud’ en ‘The rest is silence’. Voor Het teken van Jona (1988) is gekozen, omdat dit de eerste roman was, naar Wieringa’s eigen zeggen, die hij van Van Leeuwen las. De roman De rots der struikeling (1959) is gekozen, omdat Wieringa deze titel noemt in zijn dankwoord van de F. Bordewijkprijs:

Dan zal ik hem aanspreken en vertellen over het wonderlijke mooie toeval van de Bordewijk-prijs op de avond voor vertrek, de prijs die hij in 1961 kreeg voor De rots der struikeling, toen de Bordewijkprijs nog de Vijverbergprijs heette. Hij was toen 39 jaar, precies even oud als ik nu - is dat niet schitterend, mijnheer Van Leeuwen?

De keuze voor de korte verhalen ‘Mozart in het oerwoud’en ‘The rest is silence’ is gemaakt naar aanleiding van Wieringa’svolgende woorden:

[...] en terwijl we nog een ron de caña bestellen in het havencafé in Barranquilla, twisten we erover welk verhaal uit die bundel ons langduriger betoverd heeft ‘Mozart in het oerwoud’ of ‘The rest is silence’net zo lang tot het dronkemansgeluk ons gelijkelijk ten deel valt.

Methode

Om de inhoud van Caesarion helder in beeld te krijgen, is deze roman allereerst onderworpen aan een structuralistische verhaalanalyse met behulp van de narratologie van de literatuurwetenschapper Mieke Bal. Hierbij is de kritiek van de literatuurwetenschappers Luc Herman en Bart Vervaeck in acht genomen - dat bij een structuralistische verhaalanalyse de tekst veelal in dienst staat van de theorie, terwijl dat eigenlijk andersom zou moeten zijn – en zijn alleen de tekstelementen van Bals theorie behandeld die van toepassing zijn op de tekst van Caesarion. Vervolgens is de analyse intertekstueel in verband gebracht met de vier werken van Van Leeuwen.

Naast de narratologie, is in dit onderzoek zowel een enge als een brede intertekstualiteitbenadering gehanteerd. Een enge, omdat in de eerste plaats Caesarion getraceerd is op intertekstuele sporen die direct te herleiden zijn naar het werk van Van Leeuwen en een breder intertekstualiteitbeginsel, omdat de aanwezige intertekstualiteit van Van Leeuwens werk in verband is gebracht met de poëtica van Wieringa.

Conclusie

Uiteindelijk ben ik in dit onderzoek tot de conclusie gekomen dat er een intertekstuele relatie bestaat tussen de vier werken van Van Leeuwen en Caesarion. Zo zijn de sporen van Het teken van Jona terug te vinden in de structurele plaats en ruimte van Caesarion. Op deze wijze voert Wieringa, net als Van Leeuwen, een fictieve ruimte op. Waarom hij dit doet, zo verklaart Wieringa in Trouw, is omdat hij vindt dat je romans niet moet kunnen nalopen, omdat hem dat benauwt.

Naast een fictieve ruimte, is er, net als in Het teken van Jona, een oerwoud aanwezig. Deze ruimte verwijst tegelijkertijd naar de roman Heart of Darkness van Joseph Conrad en naar de film Fitzcarraldo van de Duitse cineast Werner Herzog. Wieringa voelt zich door Herzogs werkwijze sterk aangetrokken, omdat hij vindt dat kunst echt moet zijn. Deze uitspraak van Wieringa lijkt in tegenspraak te zijn met zijn eerdere uitspraak, waar hij zegt dat je romans niet moet kunnen nalopen. In een interview met HP/De Tijd verduidelijkt hij zijn poëtica echtermet de stelling dat hij ‘in de werkelijkheid de lijnen van zijn verbeelding naloopt’. In De Telegraaf herhaalt Wieringa zijn opvatting in een iets andere bewoording: ‘Ik heb een voorkeur voor verhalen die weliswaar verzonnen zijn, maar geheel en al doortrokken zijn van de werkelijkheid’. Wieringa’s werk is dus gestoeld op de realiteit, maar tegelijkertijd doordrongen van fantasievolleelementen.

Verder bevat Caesarion intertekstuele sporen die leiden naar de favoriete componisten van Van Leeuwen: Mozart en Beethoven. Naast dat deze sporen een ondersteuning bieden aan het verhaal van Caesarion, zijn zij door Wieringa zeer waarschijnlijk aangebracht uit bewondering voor het werk van Van Leeuwen.

Verder blijkt Marthe’s personage intertekstueel in verband gebracht te kunnen worden met Laila uit Het teken van Jona. Marthe speelt in Caesarion, net als Laila in Het teken van Jona, een dubbelrol: die van duivelse verleidster, maar ook die van moeder.

De boodschap van Jezus uit Het teken van Jona, wordt door Wieringa in Caesarion vervangen voor de leer van Boeddha, waarbij de mens streeft naar uitdoving en ontkent dat er iets bestaat als een eeuwig Zelf, of een onveranderlijk Ik.

De walvis uit Het teken van Jona duikt ook op in Caesarion. De walvis uit Caesarion fungeert echter niet als de belichaming van God, zoals dit wel gebeurt in Het teken van Jona, maar kondigt het diepere inzicht van Ludwig aan. Waarom Wieringa het goddelijke aspect achterwege laat, is waarschijnlijk te verklaren vanuit Wieringa’s voorkeur voor het boeddhisme, waarbij de mens alleen voor zichzelf tot redding kan zijn.

Het thema van de Vatersuche uit Caesarion is te verbinden met de sporen van De rots der struikeling. Ludwig is net als Eddy Lejeune, een buitenstaander, een exoot. En zoals Ludwig in Caesarion in de jungle van Panama op zoek is naar zijn vader, gaat Eddy LeJeune in de binnenlanden van Venezuela op zoek naar diamanten.
De sporen van ‘Mozart in het oerwoud’ zijn in Caesarion te herleiden naar de gids Ché Ibarra, die Ludwig naar zijn vader begeleidt. Ook Ché Ibarra is, net als de Armeniër uit Van Leeuwens verhaal, bevangen door een diepgaande bewondering voor Mozart.
De sporen van ‘The rest is silence’ zijn in Caesarion terug te vinden in het erosieproces, dat bij Kings Ness plaatsvindt. Wieringa verbindt dit apocalyptisch tafereel, zo blijkt uit een interview, aan de leer van het boeddhisme.

Wat betekent nu deze intertekstuele relatie met Van Leeuwens werk voor Wieringa als auteur? Wat zou de reden zijn voor Wieringa om Caesarion met ‘ragfijne draden’te verbinden aan het werk van Van Leeuwen? Het antwoord hierop is niet eenduidig. Enerzijds bevrijdt Wieringa zich uit het keurslijf van de Nederlandse literatuur, die volgens hem vaak ‘navelstaarderig’ overkomt. In een interview met HP/De Tijd zegt Wieringa:

Als je bent geïmpregneerd met de wereld van Gabriel Gabriel García Márquez en Boeli van Leeuwen, is Nederland een klap in het gezicht.

Anderzijds lijkt Wieringa zich met deze bevrijding te willen positioneren, net als van Van Leeuwen dat doet in zijn werk, als een buitenstaander, die aan de zijlijn de moderne maatschappij beschouwt, beschrijft en de metafysische problematiek aan de orde stelt.


Van boven naar beneden: Kim Wassens; Boeli van Leeuwen; Tommy Wieringa met cineast John Albert Jansen (@ Bert Nienhuis)

Sinterklaasje zonder knecht

De jaardag van de Goedheiligman nadert weer, en zoals in het voorjaar de lenteklokjes uit de grond komen, zo doken ook nu weer de eerste anti-Zwarte Piet-geluiden op. Patrick Mathurin pakte de zaak nu eens heel anders aan. Hij maakte deze videoclip, met Sinterklaas, zonder Zwarte Piet.
.

Soapbox presents: The misery of minstrelsy

S.O.A.P.box is een nieuwe maandelijkse bijeenkomst voor - en door jongeren die de puzzelstukjes bij elkaar legt van het Nederlands kolonialisme en alle do's en don'ts Afro-diaspora kunst bespreekbaar maakt. S.O.A.P. box focust zich op literatuur, hiphop-cultuur, theater, film, fotografie en de Nederlandse journalistiek als erfenis. Verder ook de gevolgen, de spiegel en de toekomst van de transatlantische slavenhandel.

NiNsee biedt door dit te faciliteren jongeren een plek om bezig te zijn met hun identiteit, onder elkaar bepaalde onderwerpen te bespreken en met elkaar in discussie te gaan.


December 5th - The misery of minstrelsy

The ever so objective Webster's dictionary describes blackface as: 'The makeup (usually burnt cork) used by a performer in order to imitate a Negro'.

The word Negro is worth its own S.O.A.P.box-edition but on Sunday December 5th we focus on blackface and its place in popular Dutch culture.
* Is there a difference between imitations and insults?
* Exactly how much racism can be covered by the cloak of tradition and culture?
* When you look at characters like Zwarte Piet and Wendy van Dijk's 'Dushi' what can be said about the place of blackface in popular Dutch culture?


Host: Yinka Adesina
Guest speakers: Taziyah B. (Pan Afrikanz), Jimmy Rage, Ernestine Comvalius (Bijlmer Parktheater), Empress Donnalee, Shahida Arbitrouw, Mara Michels Bamba Nazar and Bel Parnell-Berry.

Doors open: 15.00h
The debate starts at: 15.30h
Entrance: € 3

To anyone trying to cover the coonery by claiming that "Zwarte Piet isn't Black, he just has zoot on his face...": unless you're bringing a recent, unphotoshopped picture of someone actually trying to make their way down YOUR chimney we are NOT taking it there.

Public transportation to No Limit
If you take metro 53 to Ganzenhoef you’re 2 minutes away from the venue. You can also take bus 45 and/or 66 to Geldershoofd; from the bus stop it’s a 3 minute walk.

Communicatie in het Surinaamse binnenland

Marrons en de transport- en communicatie revolutie in het Surinaamse binnenland, 1870-2010; NiNsEe-lezing

In hoeverre is het beeld correct is dat Marrons heel lang in isolement hebben geleefd en in feite pas de laatste decennia in contact zijn gekomen met de buitenwereld? Professor Alex van Stipriaan zal in deze lezing vooral kijken naar de wijze waarop die contacten in de loop der tijd hebben plaats gevonden en hoe dat op dit moment eruit ziet. Ook de impact van die contacten komt ter sprake. Hij zal zijn verhaal opluisteren met veel prikkelend fotomateriaal, van toen tot nu. Deze lezing werd eerder gegeven tijdens het colloquium Surinamistiek in het KIT.


Over de spreker
Alex van Stipriaan is hoogleraar Caraïbische Geschiedenis aan de Erasmus Universiteit en curator Latijns Amerika en het Caraïbisch gebied bij het Tropenmuseum. Hij houdt zich al heel lang bezig met de geschiedenis van slavernij en Afro-Caraïbische cultuur en was een van de oprichters van NiNsee. Van Stipriaan heeft inmiddels een groot aantal publicaties op zijn naam staan, waaronder Surinaams Contrast, zijn bekendste boek. In 2009/2010 was hij de medesamensteller van de tentoonstelling Kunst van Overleven, Marroncultuur uit Suriname in het Tropenmuseum en van het gelijknamige boek. Hij komt al heel lang in Suriname en is vaak in het binnenland.

NB Aanwezigen zullen zich kunnen inschrijven voor de box met 5 dvd's die binnenkort uitkomt, waarop alle films uit de tentoonstelling Kunst van Overleven zijn gezet (ca. € 25).

Datum: Vrijdag 17 december 2010, 18.00-19.00 uur

Locatie:
NiNsee, Linnaeusstraat 35 F in Amsterdam


Contact:

Drs. Ruth Dors, r.dors@ninsee.nl, (020) 5682083
NB. Bij voorkeur reserveren
Afsluiting met een borrel!

Dubbele boekpresentatie Trowstu Singi (Troostliederen)

Welke liederen worden er tijdens, ‘singi neti’, afscheid, ‘aytidey’ en ‘siksi wiki’ gezongen? Mario Hiwat’s nieuwste zangboek getiteld Trowstu Singi bevat liederen die voornamelijk gezongen worden bij Surinaamse rouwrituelen. De liederen zijn voornamelijk gehaald uit zangbundels van de Evangelische Broedergemeente en de Katholieke kerk en zijn zowel in het Sranan als het Nederlands. Het boek bevat naast gewijde liederen ook schoolliederen en alledaagse liederen. Mario Hiwat en zijn groep zullen u op deze avond een originele ‘aytidey’, (dat is een rouwbijeenkomst welke acht dagen na overlijden wordt gehouden), presenteren volgens de Afro-Surinaamse traditie.
.

Over de auteur
Mario Hiwat is in 1949 geboren op plantage Berlijn in het district Para te Suriname. Hij heeft er zijn jeugd doorgebracht en vertrok op 12-jarige leeftijd voor verdere studie naar Paramaribo, alwaar hij in 1970 de onderwijzersakte behaalde. In 1974 vertrok Mario naar Nederland waar hij heeft jarenlang op verschillende basisscholen in Amsterdam en vanaf 1990 in Rotterdam werkzaam is geweest. Mario Hiwat heeft jarenlang deel uitgemaakt van de groep Afoe Sensi en tot voor kort nog van de groep Koropina. In de
afgelopen 35 jaar heeft Mario zich verdienstelijk gemaakt voor het handhaven en ontwikkelen van de Afro-Surinaamse cultuur, vooral op het gebied van zang. Hij heeft tevens tal van ‘dedeoso's’ (rouwbijeenkomsten) mogen leiden en vele workshops over Surinaamse begrafenisrituelen verzorgd. Van zijn hand zijn er 4 cd’s met troostliederen verschenen.

Presentaties
Datum: Vrijdag 10 december 2010
Adres: Linnaeusstraat 35F, 1093 EE Amsterdam
Programma:
18.00 - 18.45 Presentatie
18.45 - 19.15 Vragenronde/Discussie
Contact:
Drs. Ruth Dors
r.dors@ninsee.nl
(020) 5682083
NB. Bij voorkeur reserveren
Afsluiting met borrel!


Boekpresentatie Trowstu singi Rotterdam
op zondag 12 december 2010
Programma vanaf 16.00 uur
Odeon Multicultureel Centrum
Adres: Gouvernestraat 56
3014PP Rotterdam
Nederland (Zuid-Holland)
Tel. (010) 4363855


Boekgegevens
Trowstu Singi; Surinaamse troostliederen, Mario Hiwat
Taal: Nederlands / Surinaams / Engels
Uitgever: Oliemex
Aantal pagina's: 187, gebonden
ISBN nummer : 978-90-79997-02-2
Verkoopprijs: € 12,95
www.oliemex.nl
info@oliemex.nl

Prasi-oso

door Nellie Bakboord

Vraag wat een prasi-oso is, en je krijgt verschillende antwoorden en vragende blikken. De laatste reactie krijg je voornamenlijk van jonge Surinamers. Een reden te meer over prasi-oso te schrijven. Een prasi-oso is een woning gebouwd op het erf van een ander. Een erfwoning.

Niets bijzonders, maar hier wil ik het hebben over de prasi-oso waar bewoners niet beschikken over eigen bad, noch toilet of stromend water. Voor op het erf staat een kraan voor gezamenlijk gebruik. Deze erfwoningen zijn woningen, die we liever vergeten of ontkennen dat ze bestaan. De prasi-oso verscholen achter de prachtige herenhuizen in de binnenstad van Paramaribo. Het wordt tijd dat in Suriname een begin wordt gemaakt met het grondig renoveren van dit stukje cultureel erfgoed.

Officieel heet ik Petronella Maria Bakboord en ik ben geboren op 6 januari 1954 in Paramaribo. Na de 5e klas, (st. Elisabethschool) vertrekken wij in 1965 met het hele gezin naar Nederland/Amsterdam.
Vervolgens studeer ik af aan de Sociale Academie in Amsterdam. Zonder de studie politicologie af te ronden, vertrek ik in januari 1986 met mijn man en 2 kinderen naar Paramaribo. Hier blijf ik wonen en werken tot december1996.
Ik woon en werk nu weer in Nederland en heb inmiddels drie kinderen. Naast mijn werk als coördinator in Amsterdam-Zuidoost van een onderwijsondersteunend project schrijf ik in mijn vrije tijd tweewekelijks een column voor
de Ware Tijd (Nederlandse versie).
Ik hou van lezen, schrijven, theater, koken, van lol maken en lachen.

Als ik terugdenk aan een prasi-oso, dan ga ik behoorlijk terug in de tijd. Mijn grootvader woonde in de Stoelmanstraat. Hartje stad. Op een steenworp afstand van het voormalige theater Star. Een tijdlang stond er een benzinepompstation, nu is het een grote open plek. Het huis was geen grote woning, maar het feit dat er op het erf een aantal erfwoningen stonden, maakte dat mijn opa best een beetje een voorname positie in de samenleving innam.

Op het erf kwam ik nooit. Waarom niet? Dat heb ik nooit geweten. Als ik bij opa binnenhuppelde, was op dat moment voor mij niets belangrijker dan op zijn schoot zitten en gezellig bij het raam genieten van een slokje van zijn ijsthee. Een groot glas, goed gevuld met klontjes ijs. Opa had, zittend op zijn hobbelstoel, zijn vaste plekje bij het raam. Tussen de houten jaloeziëen kon je ongemerkt gluren naar passanten, terwijl het verkeer voorbij raasde.

De Stoelmanstraat was toen al een vrij drukke straat. Ik kan me levendig voorstellen dat opa flink zat te genieten. Dat er gezinnen in de erfwoningen woonden, was alles wat ik me kan herinneren. Toen ik onlangs ernaar informeerde, bleek dat de erfwoningen niet bouwvallig waren en dat het een vrij breed erf was.

Schoon
Een andere ervaring met erfwoningen was die op het achtererf bij mijn oom en tante, die met hun kinderen in een bovenwoning recht tegenover hotel Torarica woonden. Op het erf stonden vier erfwoningen. De woningen zagen er heel goed uit en het erf werd goed schoon gehouden door haar bewoners. Ook op dit erf kwam ik niet. Als wij op bezoek gingen bij tante dan gingen wij op bezoek bij tante.

Ik weet nog heel goed dat ik door de houten jaloeziëen van het keukenraam met een tikkeltje jaloezie keek naar de dyonpofutu spelende kinderen. Er woonden grote gezinnen en het zag er altijd gezellig uit met hier en daar moeders die al vegend of harkend tori stonden te praten.

Toen maakte ik rond mijn veertiende kennis met De Plee en andere verhalen van de schrijver Dobru. Robin Raveles. Dobru verhaalde over de ellende waarin talloze medemensen op smerig stinkende erven in Paramaribo leefden. Ik herkende dat beeld niet.

Aanklacht
Dan achterhaal ik dat sinds 1964 men wekelijks de ene aanklacht na de andere over de mensonterende wantoestanden van de hand van Dobru kan lezen in het dagblad De Vrije Stem. Wat hebben deze aanklachten opgeleverd? ‘A prasi fu Bigi Dorsi' is één van de meest bekende erfwoningen waarover Dobru schrijft.

Door Dobru leer ik dat het leven op de prasi-oso mensonterend en erbarmelijk is en allesbehalve een vrijwillige keuze om er te wonen. Natuurlijk is niemand in Suriname trots op deze erfwoningen, maar je treft ze nog wel, in onveranderde staat in de binnenstad van Paramaribo. Gelukkig geen nieuws voor wie er ooit de scepter zwaait of zwaaide. Politici zijn op de hoogte. Bij volkstellingen weten ze de erfwoningen te betreden en bij verkiezingen worden erfbewoners for the time being op handen gedragen.

Wie met eigen ogen een stukje leven op een prasi-oso wil zien hoeft slechts lichtjes de nengredoro, de deur aan de zijkant van een herenhuis, open te duwen. De aanklachten van Dobru staan nog steeds recht overeind. En zitten hopen dat er een eind wordt gemaakt aan de vele krotwoningen die Paramaribo rijk is, is geen optie.

Headlines hetzelfde inhoud veranderd

door Jerrel Pinas

Geboren in Groningen en opgegroeid in Eindhoven. Verhuisd naar Suriname, gekleurd en toch weer misplaatst. Surinaamse woorden met Hollands accent; weer net buiten de boot. Ook als je acht bent, kun je worstelen met je identiteit.

‘Aan alle Surinamers ter wereld,’ dat was de openingszin van de eerste speech van premier Henck Arron in het onafhankelijke Suriname op 25 november 1975. Hij was een fenomenaal orator, een echt staatsman. Zijn politieke genialiteit deed menig tegenstander goed nadenken alvorens de aanval te openen.

Meneer Moezel
Een gewone ambtenaar, meneer Moezel, drukte uit eigen beweging en middelen een stencil met dezelfde titel, maar met een iets andere inhoud. In dat pamfletje, dat hij uitdeelde voor het Statengebouw aan leden en voorbijgangers, riep hij Surinamers op om elkaar een bloem te geven en te feliciteren met de komende onafhankelijkheid. Hij deed dat in de overtuiging dat hij zijn steentje moest bijdragen aan Suriname. Deze opmerkelijke handeling haalde de headlines van De West op 21 november 1975.

Ik deed een kort onderzoek naar de aanloop naar die eerste Srefidensiviering voor mijn nieuwste project. Daarvoor las ik alle kranten van De West van 1 oktober tot 31 december 1975. Een nieuwe wereld ging voor mij open. Op de voorpagina’s las ik een gedetailleerd overzicht van Nederlands, Amerikaans en Europees nieuws met enkele Surinaamse advertenties.

Pagina 2

Het Surinaamse nieuws stond vaak genoeg op pagina twee. De aankondiging van de Surinade, een jaarlijkse Surinaamse happening, werd gedaan met het gezicht van een Nederlandse clown. Die contrasten zie ik nu, maar toen waren ze normaal.

De aanwezigheid van premier Den Uyl tijdens de Tweede Kamerdebatten over de Surinaamse onafhankelijkheid stond in Suriname op de voorpagina. Toen de Kamer instemde met het Rijksvoorstel voor de aanvaarding van de onafhankelijkheid, kon je de zucht van verlichting van sommige Kamerleden bijna horen bij het lezen van de 'Surinaamse' hoofdlijnen.

De verhalen die ik jarenlang had gehoord over vechtende politici, verbijstering van en spanningen tussen mensen, de exodus van Javanen en nog zo veel meer, begonnen voor mij te leven op de fragiele en gevlekte pagina’s.

Kinderjaren

Beelden uit mijn kinderjaren kwamen naar boven. Een grote Master Mind voor Sf5,95 (Nf11,90) en Signally naaimachines bij Singer op afbetaling voor dertig gulden deden mij in het stille, nieuwe en door Nederland betaalde Nationaal Archief van Suriname, soms luidop lachen. De jonge, vriendelijke medewerkers herinnerden mij een paar keer eraan dat ik de volgende dag terug kon komen, omdat het alarm nu wel ingeschakeld zou worden.

Ik mocht alles op de tafel laten liggen. Het enige dat ik moest doen was een reepje nieuw papier tussen de vergeelde pagina’s plaatsen. Dat zou mijn speurtocht de volgende dag vergemakkelijken.

Headlines
De headlines van 35 jaar geleden zou je gewoon kunnen pakken en plaatsen in de kranten van vandaag. Bruynzeel in de problemen. Gebrek aan kader. Reisjes van politici. Guyana zoekt contact met Suriname. Aanrijdingen met ernstige of dodelijke afloop waren er ook, maar veel minder.

Uitnodigingen voor feestjes hier en daar en de wachtdienstregeling van medici en apotheken staan er nu nog, zoals al die jaren geleden. Terwijl ik las dacht ik: ‘Er is veel gebeurd, maar wat is er echt veranderd?’

De voorpagina’s vertellen nu ons nieuws. Wij staan voorop. Arron stelde in zijn eerste onafhankelijkheidsrede, dat het onze primaire taak is te zoeken naar hetgeen dat ons bindt, en niet naar datgene dat ons scheidt.

Dobru

In de headlines van alle Surinaamse kranten van 13 augustus 2010 zegt de huidige president van de Republiek Suriname: ‘Ik zal een president zijn voor alle Surinamers, waar zij zich ook bevinden. Ik doe dit niet om mijn persoonlijke overwinning te vieren, maar om mijn volk te dienen.’ Misschien hadden zij de voorzet van Robin Raveles, Dobru, begrepen die in 1974 dichtte: 'Minder praten, trachten meer te doen, minder praten'.

Toen ik het Nationaal Archief verliet, dacht ik maar aan één ding: door twee handtekeningen, een oceaan van elkaar verwijderd, werd een rijksgenoot gedoopt tot Surinamer. Ik kies om de inhoud van die 35 jaar oude headlines te helpen veranderen.

Jerrel Pinas is schrijver van de kinderboekenserie Jack en Mia (BiosLogos) en motivational speaker.

Reggae-zanger met anti-homo-teksten

Now that their usual gay rights target, reggae star Buju Banton, is under house arrest and facing a new drug trial, rights activists are turning their attention to another reggae singer, the Caribbean World News site reports.

Last Sunday, over four dozen gay activists showed up outside Harlow`s, a restaurant and nightclub in Sacramento, California, to protest the performance there of reggae star, Capleton.

The protesters accused Capleton of using anti-gay lyrics in his music, including words like `kill` and `burn` in reference to cleansing the world of homosexuality.

Capleton`s manager insists critics have mistranslated his lyrics. Similar claims have been made against Banton, born Mark Anthony Myrie, for his lyrics.

`We`ve had a lot of suicides; youth suicides because of hate speech that kids are inundated with sometimes,` Ken Pierce of Equality Action NOW, a gay rights organization, was quoted as saying of the protest.

However, the show went on despite the protest with Harlow`s Victor Torza, one of the managers of this family owned business, stating, `We`ve never censored anyone else; any other artist before. I don`t see a reason to do so now. Never in the history of booking the shows have we censored anyone because of their lyrics and what not. So, we`re sticking to our guns on this.’

For the original report go here

[overgenomen van Repeating Islands, 30 november 2010]

Bridget Jones Travel Award

Arts researchers or practitioners living and working in the Caribbean are eligible to apply for the Bridget Jones Travel Award, the deadline for which is the 10th January 2011. The winner of the award will present their work at the Society for Caribbean Studies Annual Conference, which will be held at the National Museums, Liverpool from 29th June – 1st July 2011. If you are an arts practitioner or researcher (postgraduate, postdoctoral or professional) living and working in any region of the Anglophone, Hispanic, Francophone or Dutch speaking Caribbean, you may apply for the Award. The successful recipient will receive £650 towards travel expenses and, in addition, a full bursary to cover conference fees and accommodation. Applications are especially welcome from individuals with no institutional affiliations. We encourage applications from across the arts: from visual artists, performers, creative writers, film-makers, folklorists, playwrights etc.

For more information on the Bridget Jones Travel Award and the Society for Caribbean Studies, visit the Society website on www.caribbeanstudies.org.uk

Jamaican cultural historian, social activist, scholar, and novelist Erna Brodber is the winner of this year’s Bridget Jones Award for Caribbean Studies, which is sponsored by the Society for Caribbean Studies. Brodber has done pioneering research on Caribbean oral histories and helped to bring nation languages into the mainstream of world literature. She holds a Jamaican Musgrave Gold Award for Literature and Orature, and her novel Myal won the Caribbean and Canadian section of the Commonwealth Writers Prize. In 2006, Brodber received the Prince Claus Award. She will receive the award at the 34th Annual Conference of the Society for Caribbean Studies. She is also the author of Jane and Louisa Will Soon Come Home, which won acclaim for its experimental structure. This conference took place at the University of Southampton on July 7 -9, 2010.

Film over Trefossa wint AITP Publieksprijs

In 2009 werd voor het eerst de publieksprijs uitgereikt van het festival Africa In The Picture (AITP). Ook dit jaar was er een publieksprijs, groot 1000 euro, voor de beste lange film (boven 60min.) en die ging naar filmmaker Ida Does (foto rechts) met haar documentaire over de Surinaamse dichter Trefossa, Trefossa, mi a no mi, en de beste korte film (onder 60 min.) die ging naar filmmaker Hesdy Lonwijk met zijn film Johnny Bingo.



Voor een ander bericht over de Trefossa-film klik hier

Tania Kross bracht opera-aria in Papiamentu

De internationaal bekende mezzo-sopraan Tania Kross bezorgde het Curaçaose publiek afgelopen weekend een primeur: een aria gezongen in het Papiaments. Na het eigenlijke concert ten behoeve van kinderen van minder bedeelde gezinnen zong Kross - tot ieders verrassing - een aria uit de opera Katibu di shon (Slaaf en meester).

De opera is gebaseerd op de gelijknamige novelle van Carel de Haseth, die ook de tekst en het libretto verzorgt. Randal Corsen zorgt voor de composities en hij heeft één aria af: ‘Anita su aria di amor’ (Anita’s liefdesaria). Pianist Grijpink ontvouwde het partituur en zette de tedere melodie in van deze aria van de slavin Anita, die hunkert naar haar medeslaaf Luis, maar verklapt dat zij ook met de shon een verhouding heeft.

Première 2012
Vele aanwezigen waren ontroerd toen zij voor het eerst in hun leven een operastuk in het Papiaments hoorden. Toen Kross vroeg of de aanwezigen naar deze opera zullen komen wanneer het gezelschap in 2012 Curaçao aandoet, antwoordde de zaal met luid applaus en gejoel. Stichting AntilOpera zal Katibu di shon in 2012 op het Holland Festival in première brengen.

Rode Kruis
Tania Kross verzorgde afgelopen weekend een operaprogramma om fondsen te werven voor de Kiwanisclub Piscadera en het Rode Kruis Curaçao. Beide organisaties zullen deze middelen aanwenden om jongeren in minder bedeelde gezinnen op het eiland te helpen, nu extra in de schijnwerpers vanwege de storm Tomas. Hoeveel geld voor het doel is opgebracht, konden de organisatoren maandag nog niet zeggen.

Ook in het verleden hield Kross acties in haar geboorteland, die gericht waren op kinderen – bijvoorbeeld voor basislessen voor zang en kwartaspel. Ditmaal speelde ook haar moederschap een rol: “Wanneer je moeder wordt, verandert je gevoelsleven. Wanneer ik mijn zoontje zie slapen, vraag ik mij af of er kinderen zijn die niet naar bed kúnnen, omdat alles nat is door waterschade. Het komt er dan op aan dat wij allemaal de helpende hand uitsteken en op deze manier lever ik mijn bijdrage”, aldus Kross.

Tragische liefde

Samen met de tenor André Post en de pianist Jan-Paul Grijpink, bracht Kross de hoogtepunten van een aantal operastukken ten gehore. Het accent viel op Carmen met de tragische liefde tussen de hoofdpersonage en Don José. Vanaf de melodische, meeslepende Habanera tot en met de finale leefde het publiek mee met de expressie en zangkunsten van Kross en Post.

Daarop zongen de twee operazangers beurtelings de zes liederen ‘E lucevan le stelle’ (uit Tosca van Puccini), ‘Da, Vspomnila’ (uit Schoppenvrouw van Tsjaikovski), ‘Lamento di Federico’ (uit L’Arlésienne van Cilea), ‘Va, laisse couler mes larmes’ (uit Werther van Massenet), ‘Nessun Dorma’ (uit Turandot van Puccini) en ‘Una voce poco fa’ (uit Il barbiere di Siviglia van Rossini).


[overgenomen van Radio Nederland Wereldomroep, met correctie van taalfouten]


Op de foto: Tania Kross als Melanto in Monteverdi's Orfeo

maandag 29 november 2010

Correctie alternatieve poëzieanalyse

[bericht van Schrijversgroep '77]

De samensteller van de nieuwsbrief van de Schrijversgroep '77 vermeldde per abuis de vorige week dat de eerste reactie op het gedicht ´Recreëren te Domburg’ een haast dodelijke afwijzing was. Zij dacht dat de eerste reactie van Paul Middellijn (foto rechts) kwam. Dit blijkt een misverstand te zijn. Paul Middellijn reageerde bijzonder afwijzend op het gedicht "Nu toch een kind gemoord heeft" van Alphons Levens. Dit gedicht stond in de Ware Tijd van 4 augustus 2008 en daarna heeft de schrijver het aan de leden van S’77 doorgestuurd. Middellijn vroeg toen in een reply-to-all-mail, waarin ook zijn onomwonden mening over het gedicht, geen gedichten meer naar hem te sturen. Levens verwijderde hem toen uit zijn bestand. Zodoende heeft hij het gedicht "Recreëren te Domburg" niet ontvangen en niet in de polemiek n.a.v. dit gedicht geparticipeerd.

41 Spontane reacties op het gedicht ´Recreëren te Domburg` van Alphons Levens ontstond naar aanleiding van het gedicht dat hij, zoals zijn gewoonte is, rondstuurde naar leden van S’77, vrienden en andere belangstellenden. Op dit gedicht kwam een lawine van meningen, voor en tegen, sommige heuse colleges in de dichtkunst. Dankzij Rappa, die onmiddellijk de educatieve waarde zag, hebben we nu een boekwerk dat een gedicht vanuit allerlei optiek bekijkt. Echt een mind-opener, en niet alleen voor middelbare scholieren bestemd.

Schrijvers gedecoreerd

Vier schrijvers zijn bij gelegenheid van het 35-jarig bestaan van de Republiek Suriname gedecoreerd op 25 november 2010. Zij werden verheven tot Officier in de Ere-orde van de Gele Ster: S. Sombra, Celestine Raalte (foto links), Rappa en Michael Slory. Of de laatste zijn lintje nu wel is gaan ophalen, is nog niet vernomen. Toen hem in 1989 het Ridderschap in de Ereorde van de Palm werd toegekend, was zijn wantrouwen tegen de autoriteiten zo groot, dat hij niet kwam opdagen bij de decoratieplechtigheid.

Ook Sranan-taalkundige en vertaler Eddy van der Hilst kreeg op 25 november j.l. een decoratie.

John Muller - Vervreemding

De wind heeft mijn ziel verlaten.
Troosteloos als de woestijnen,
grenzeloos als de polen,
ligt de schaduw om de tramdraden,
waar de beenderen mijn
rottend vlees verlieten.

Waar eentonig het eenzame zingt
vond ik mijn ziel,
in de Kalahari,
na het eten,
na het slapen.
Waar geen schepen meer varen.
Waar de laatste vogel zweeg
en bleke schedels mij aanstaren.

Langs de poorten dansen dorre bladeren
Onbarmhartig snijdt de zon.
Dor is de tak in mij vergroeid.
Mijn dorstige hand grijpt
naar een vreemde bloem
van wormen uit mijn lichaam


15/5/1964

Het gedicht 'Vervreemding' komt uit de zojuist verschenen bundel Vluchtvogel en andere gedichten, uitgebracht door John Muller in eigen beheer bij gelegenheid van zijn 70ste verjaardag. Wie interesse heeft kan de bundel bestellen voor 10 euro (inclusief verzendkosten) bij de dichter: johnmuller65@yahoo.com





Illustratie: Inga Nielsen

Turkse schrijvers zien komst V.S. Naipaul naar 'Europees Schrijversparlement' niet zitten

door Hans Cottyn

Enkele Turkse schrijvers protesteren tegen de komst van Sir V.S. Naipaul naar het European Writers Parliament, dat de komende dagen in Istanbul doorgaat. De Nobelprijswinnaar uit Trinidad deed in het verleden nogal wat omstreden uitspraken over de islam, onder meer dat "islamisering gelijkstaat met kolonisering".

Sommige Turkse scribenten zullen nu uit protest het festival boycotten. Dat precies Naipaul de eregast van het festival zou zijn, vinden ze een "belediging voor de moslims", aldus Zaman. Maar organisator Ahmet Kot heeft al laten weten dat Naipaul "niet de eregast is, maar slechts de openingsspeech zal geven". Kot zegt aan Hürriyet dat "hij positieve reacties had verwacht, voor het samenbrengen van mensen met verschillende meningen".


Het Europees Schrijverparlement is een idee van wijlen José Saramago en Orhan Pamuk. Bedoeling was om Europese schrijvers te verzamelen in "een van de meest inspirerende en unieke metropolen van de wereld, om hun kennis en perspectieven te delen". Het evenement wordt ondersteund door de Europese Unie. Uit Vlaanderen trekt Erik Vlaminck naar de stad aan de Bosporus - momenteel de Europese Culturele Hoofdstad, uit Nederland Gustaaf Peek. Verder zullen ook onder meer Germaine Greer, Vikram Seth, Hari Kunzru en Nedim Gürsel aanwezig zijn. Er zal bijvoorbeeld worden gediscussieerd over 'literatuur als een product van massaconsumptie' of 'literatuur in de digitale wereld'.


Naschrift:
Ondertussen heeft Naipaul laten weten dat hij zich terugtrekt en niet naar Istanbul zal afreizen, zo meldt de BBC. Een van de organisatoren liet weten dat het bezoek van de Nobelprijswinnaar "gepolitiseerd" werd door de Turkse media. "Daarom zijn het ultieme doel van het evenement en van Naipauls bijdrage overschaduwd".

[uit De Papieren Man, woensdag 24 november 2010]


Foto: Sir Vidia en Lady Naipaul op de Nobelprijsuitreiking

Promovenda Cynthia Abrahams: ‘Dobru is de dichter des vaderlands’

door Stuart Rahan

"Met zijn gedicht Wan bon heeft Robin "Dobru" Raveles voor mij zijn stempel gedrukt als dichter des vaderlands. Het feit dat hij Suriname deelgenoot heeft gemaakt van de Caraïbische kunst-, literatuur- en cultuurgemeenschap zie ik als zijn grootste nalatenschap. Dobru is één van de grondleggers van Carifesta."

Dit zijn enkele conclusies van promovenda Cynthia Abrahams, die vorige week promoveerde aan de UvA, de Universiteit van Amsterdam, met haar proefschrift Wan bon, wan Sranan, wan pipel, Robin "Dobru" Raveles, Surinamer, dichter, politicus (1935 - 1983). Maar bovenal was Dobru nationalist tot zijn dood en heeft hij zich altijd ingezet voor de bestrijding van armoede in zijn vaderland. "Het nationalisme heeft geen hoger doel dan gezamenlijke verbondenheid met en de liefde voor hetzelfde stuk grond en het besef gezamenlijk het eigendom van deze natie te hebben en gezamenlijk tot deze natie te behoren." Een citaat van Dobru, die door promovenda Abrahams gezien wordt als een product van zijn tijd, het dekolonisatieproces.



Een lachende Dr. Cynthia Abrahams heeft net haar bul ontvangen uit handen van prof. Jack Menke, een van de opposanten tijdens de verdediging.

Carifesta
De belangstelling voor de persoon van Robin Raveles ontstond eind jaren negentig van de vorige eeuw toen Abrahams Engels doceerde aan de Hogeschool Holland in Nederland. In een Caraïbische bloemlezing bleek Dobru namelijk de enige Surinaamse dichter en schrijver te zijn die er in vermeld stond. Van weduwe Wonny Raveles - Resida kreeg Abrahams pas in december 2002 toestemming om in de persoonlijke archieven van Dobru te mogen duiken. Er was een aantal biografen haar voor geweest maar die hebben nooit toestemming gekregen. Volgens weduwe Raveles was het de wens van Dobru om door een Surinamer geportretteerd te worden. De meest interessante ontdekking over het leven van Dobru door Abrahams is dat Suriname bij het Caraïbisch gebied werd betrokken.

In februari 1970 was Robin Raveles aanwezig bij de proclamatie van de socialistische Coöperatieve Republiek van Guyana door de People's Progressive Party van Cheddi Jagan toen hij hoorde dat er een writers conference werd gehouden. In een punt van orde vroeg hij waarom Suriname en andere Caraïbische, niet-Engelssprekende landen niet waren uitgenodigd. Het bleek dat men er toen nooit anders over had nagedacht. Dobru vond dat Suriname en andere Caraïbische landen ook tot die gemeenschap behoorden en als zodanig betrokken moesten worden. In 1971, werd het idee uitgevoerd onder de naam Recommendation for the planning of Caribbean arts festival. Het jaar daarop werd het eerste Carifesta, zoals wij die nu kennen, gehouden.

Terminaal ziek terug
Dat Dobru doordrenkt was van het Surinaams nationalisme blijkt ook uit zijn vertrek in 1983 uit Cuba. Hij was er voor medische behandeling van een terminale ziekte. De politieke relaties met het communistische eiland waren begin dat jaar verbroken en de toenmalige Surinaamse regeringsleiding onder legerleider Desi Bouterse had besloten dat alle Surinaamse militairen en studenten, die toen daar aanwezig waren, terug moesten. Er werd een vliegtuig gecharterd om de hele groep op te halen. Zijn Cubaanse artsen vonden dat Robin Raveles niet terug moest. Maar Dobru vond dat zijn land hem terugriep en dus ook terugging met het oog op de gewijzigde relatie. In een toespraak tot de aanwezige Surinaamse studenten stelde Dobru zich als voorbeeld. "Als je land je terugroept, ga je terug. Neem mij als voorbeeld, ik ben doodziek maar ik neem toch de beslissing om terug te gaan." (Eén van de studenten, die weigerde terug te gaan, is Gilmore Hoefdraad, de huidige governor van de Centrale Bank van Suriname…red dWT). Op 17 november 1983 stierf Robin Raveles.

Dobru was heel consequent in zijn keuze. Hij heeft de militaire revolutie altijd gesteund, ook na de decembermoorden. In een gedicht zegt Dobru: "Onze revolutie heeft een ziekte, er is al drie jaar een virus dat alles vernietigde vanwege ondermeer de machtstrijd en het individualisme. Het proces is onomkeerbaar." In haar onderzoek zegt Cynthia Abrahams niks op schrift gevonden te hebben over goed- of afkeuring van de decembermoorden of personen in zijn directe omgeving die wisten hoe hij over de situatie dacht. "Hij is wel loyaal gebleven en daaruit zou je zijn goedkeuring kunnen concluderen en dat hij zijn invloed ten goede zou kunnen aanwenden", concludeert promovenda Cynthia Abrahams, die met haar proefschrift de titel van Doctor in de Letteren verkreeg. Zij is ook de eerste Surinaamse die promoveert aan de Universiteit van Amsterdam op een Surinaams onderwerp.


[Uit de Ware Tijd, 29/11/2010]

Tin op het eiland Billiton

Zojuist is het boek De ontdekking van Tin op het eiland Billiton van Bert Manders verschenen bij KIT Publishers. Dit verhaal gaat over de ontdekking van tin op Billiton, een eiland tussen Sumatra en Borneo. De hoofdpersonen zijn pioniers John Loudon, baron Van Tuyll en ingenieur Cornelis de Groot. Over de expeditie in 1851 en het begin van de mijnbouw publiceerde Loudon een boek. Maar omdat hij een heer van stand was, had hij zijn eigen verhaal zwaar gecensureerd.
.

In werkelijkheid had Loudon zich in die jaren mateloos geërgerd. Niet alleen aan de eigenwijze baron, maar vooral aan de brutale ingenieur. Dit blijkt uit zijn aantekeningen en zijn originele dagboek die Loudon in een speciale trommel had opgeborgen. Die trommel bevindt zich sinds 1987 in het Nationaal Archief in Den Haag.

In dit boekje, dat verschijnt ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de NV Billiton Maatschappij, gaat de trommel definitief open. Na achtergronden over Loudons leven leest u over de spannende beginjaren op Billiton. Loudon laat zien hoe moeilijk dat ging, maar vertelt ook smeuïge details over de personen met wie hij te maken heeft gehad.



Over de auteur

Bert Manders (1950) heeft als geoloog in de kopermijnen van Zambia en in de oliekantoren van Calgary (Canada) gewerkt. Sinds de jaren negentig is hij analist bij Fugro, een internationaal geotechnisch bedrijf.

De ontdekking van Tin op het eiland Billiton door Bert Manders
ISBN 9789460221309,
Paperback, 160 pagina’s,
€ 19,50
Uitgever: KIT Publishers, Amsterdam, 2010
Verkrijgbaar in boekhandel, bij de uitgever en via internet.



Op de foto: een tinmijn in Indonesië

Website Vijf Eeuwen Migratie gelanceerd


Huwelijksfoto van de ouders van Paulette Smit,
Willemstad, 26 maart 1949

Na twee jaar voorbereiden werd gisteren in Utrecht de website http://www.vijfeeuwenmigratie.nl/ gelanceerd. Op de site wordt aan de hand van persoonlijke verhalen, foto’s, filmclips en artikelen de geschiedenis van migranten in Nederland (na 1580) vastgelegd, waarbij ook nieuwkomers zelf een bijdrage kunnen leveren. ‘Naar schatting 98% van de Nederlanders heeft buitenlandse voorouders.’

CDA Tweede Kamerlid Kathleen Ferrier opende de website met een symbolische druk op de knop. ‘Ik vind dit een belangrijk initiatief omdat het laat zien dat de geschiedenis van migratie en migranten onlosmakelijk verbonden is met de geschiedenis van Nederland en dus met ons allemaal. Fantastisch dat wetenschappers, migrantenorganisaties, musea en archieven hebben samengewerkt om dit tot stand te brengen’, aldus Ferrier.

De website streeft ernaar het zichtbaar en toegankelijk maken van materiaal over migratie en migranten in Nederland. Er kan aan de hand van een wereldkaart per land, thema of migrantengroep informatie worden opgevraagd, of de migrantenstroom per periode worden bekeken. Ook is er een pagina met de geschiedenis van een aantal bekende Nederlanders en wordt er aandacht besteed aan de actualiteit (‘Migratiegeschiedenis in het nieuws’).

Vijf Eeuwen Migratie is een samenwerking van het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten (CGM), samenwerkingsverbanden van het Landelijk Overleg Minderheden (LOM) en het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Contactpersoon voor de website is Erhan Tuskan van het IISG.

[Tekst ontleend aan Republiek Allochtonië, 29 november 2010]

Paulette Smit herinnert zich haar jeugd

De Etnische Obsessie

door Leo Lucassen en Wim Willems


Er waart een spook door Europa. Niet dat van het communisme, zoals Karl Marx zijn beroemde manifest ooit begon, maar dat van het ‘etnisch culturalisme’. In dat perspectief worden maatschappelijke problemen niet meer in de eerste plaats verklaard uit klasse of milieu, maar uit etniciteit en religie. In dat opzicht verschillen verre ideologische verwanten van Marx, zoals de Duitse SPD (zie de verhitte discussie over Deutschland schafft sich ab van Theodor Sarrazin) en de Nederlandse PvdA, niet langer wezenlijk van de rechtse populisten. Ze zijn in een patstelling terechtgekomen, waarin elk beroep op lotsverbondenheid over etnische grenzen heen wordt afgedaan als een voorspelbare reflex van leden van de zogeheten Linkse Kerk. Zoals oud-minister Ronald Plasterk op 6 november j.l. in een interview in de Volkskrant zei: dit kabinet lijkt wel vooral gericht op revanchisme, waardoor elk beroep op solidariteit of het belang van cultuur wordt afgedaan als hobbyistische uitingen van een ver(d)achte elite. Links zit niet gewoon in de verdomhoek, het is een scheldwoord geworden voor alles wat niet past in de mal van de partij die de onvrede van het volk weet te mobiliseren. Met als gevolg dat de sociaaldemocraten nauwelijks meer een lans durven breken voor de ideologische uitgangpunten van hun partij, omdat ze daar meteen electoraal op worden afgerekend. Wat is er misgegaan, wanneer en wat valt er aan te doen?

De belangrijkste omslag in het denken, namelijk die van klasse naar etniciteit, vond plaats in het midden van de jaren zeventig. Migranten in de Nederlandse economie veranderden toen van ‘buitenlandse arbeiders’ in ‘etnische minderheden’. Het sociaaldemocratische geloof in vooruitgang had zich tot die tijd gericht op de verheffing van de Nederlandse arbeider. Dat veranderde toen het beleid zich steeds sterker begon te richten op problemen die voortvloeiden uit de aanwezigheid van grote groepen migranten.

In het maatschappelijke debat ontstond langzaam een tweedeling tussen autochtone Nederlanders en allochtone nieuwkomers. Niet van de ene op de andere dag, het ging om een geleidelijke ontwikkeling. Zo had Jos van Kemenade, de minister van Onderwijs in het kabinet Den Uyl, nog gepleit voor een onvervalst socialistisch ideaal. In zijn ogen bleef onderwijs de belangrijkste motor voor opwaartse sociale mobiliteit van de Nederlandse arbeider.

Het idee om de positie van laagopgeleiden te verbeteren, verflauwde echter toen er in 1979 een apart beleid voor (etnische/culturele) minderheden kwam. Het ging om een politiek breed gedragen aanpak, met als uitgangspunt dat de sociale en economische achterstanden in de samenleving een exclusief probleem vormden van immigranten. Vervolgens waren het centrumrechtse kabinetten, met onder meer Hans Wiegel als verantwoordelijk minister, die vorm gaven aan dit minderhedenbeleid.

Op de keper beschouwd was veel van dit specifiek multiculturele beleid – denk aan het onderwijs in de eigen taal en cultuur - vooral symbolisch van aard. In de aanpak van maatschappelijke achterstanden veranderde er namelijk niet zoveel. Maar terwijl in Engeland armoede en de problemen van de onderklasse tot op de huidige dag worden geassocieerd met autochtone blanken (al dan niet getatoeëerd), werden in Nederland – maar ook Duitsland, België en Frankrijk - de bordjes definitief verhangen. Buitenlandse arbeiders waren culturele minderheden geworden. Vanaf de jaren tachtig is de sociaal-politieke agenda steeds meer in het teken komen te staan van thema’s die verband houden met de vestiging en inburgering van immigranten en hun nazaten.

Het vraagstuk van de integratie van de eigen arbeidersklasse leek in de loop van de jaren tachtig min of meer afgerond - een gepasseerd station. Er waren weliswaar sociale wetenschappers, zoals de Rotterdamse socioloog Godfried Engbersen, die er in de afgelopen twintig jaar met enige regelmaat op wezen dat die opvatting niet klopte. Zij kregen echter weinig gehoor in het stemmenkoor over de schaduwzijden van de multiculturele samenleving. Allochtonen waren uitgegroeid tot de tweede sociale kwestie, die om eenzelfde voortvarende sociale aanpak vroeg als in het verleden bij de arbeidersklasse.

Die overgang in het politieke en maatschappelijke denken van ‘de arbeider’ naar ‘de allochtoon’ ging gelijk op met de neoliberale wind die met Ronald Reagan en Margaret Thatcher aan het begin van de jaren tachtig mondiaal opstak. Achterstand werd steeds meer beschouwd als een probleem van het individu, want iedereen die het wilde kon immers profiteren van de kansen die de vrije markt bood. De gedachte dat achterstanden die mensen opliepen ook samenhingen met structurele belemmeringen in de samenleving was op zijn retour.

Zowel bij de voor- als de tegenstanders van immigratie en het ontstaan van een multiculturele samenleving domineerde het denken in culturele en etnische verschillen. In kringen van politici, ambtenaren, wetenschappers en de media werden de maatschappelijke problemen vanaf de tweede helft van de jaren tachtig in toenemende mate geduid in termen van allochtonen versus autochtonen. Bij beeldbepalende minderheden als Marokkanen en Turken viel het begrip ‘allochtoon’ bovendien vaak samen met dat van ‘moslim’. Dit had direct te maken met de institutionalisering van de islam als godsdienst. Deze werd vooral zichtbaar in de stichting van moskeeën en scholen vanaf het midden van de jaren tachtig.
.

Ook sociaaldemocraten raakten geobsedeerd door dit denken. De onderliggende sociale en economische oorzaken van de achterstanden van deze groepen raakten daardoor buiten beeld. Het gaf tevens voeding aan de criticasters van immigratie, die vonden dat allochtonen werden voorgetrokken en het ‘eigen volk’ in de kou bleef staan. Dan ging het niet alleen om de overlast die groepjes Marokkanen en andere immigranten veroorzaakten. Mensen voelden zich verwaarloosd en in de steek gelaten door de politiek.

De politiek heeft die signalen eenzijdig geïnterpreteerd. Het debat sinds de jaren negentig heeft zich namelijk toegespitst op culturele thema’s met een hoog symbolisch gehalte: hoofddoekjes, boerka’s, dubbele paspoorten, en de rol van migrantenorganisaties. Die symboolpolitiek verhult echter, dat de problemen waarmee allochtonen en autochtonen kampen – en hun achterstanden – vaak het gevolg zijn van hun sociale en economische positie.

Onveiligheid, criminaliteit en onderklassenvorming komt zeker niet alleen voor onder migranten met te weinig diploma’s op zak. Integratie zou zich dus net zozeer moeten richten op het verbeteren van de positie van laagopgeleide autochtonen, of die nu in Rotterdam, Den Bosch, Koggeland, Limburg of Friesland wonen. Vandaar dat Pim Fortuyn een snaar raakte met zijn ‘verweesde samenleving’, een waarschuwing die ook de PVV geen windeieren legt. Deze populisten laten echter na – en dat geldt zeker voor het recente boek van Martin Bosma – om hieruit de consequentie te trekken dat de analyse in termen van etniciteit tekortschiet. Zij worden verblind door de etnische obsessie.

Een terugkeer naar het begrip ‘klasse’ of eventueel ‘sociaal milieu’ mag een stap terug in de tijd lijken, maar onderzoek naar armoede en het ontstaan van een onderklasse laat zien dat de positie van ouders en grootouders veel meer verklaart dan etniciteit, cultuur of religie. Zo presteren de meeste moslims in de Verenigde Staten of de Indiërs in Engeland maatschappelijk beter dan de gemiddelde inwoner van die landen. Anders dan de moslims in Nederland komen zij namelijk uit de hogere middenklasse in hun land van herkomst. Net als trouwens het overgrote deel van Nederlandse kinderen met laagopgeleide ouders niet verder komt dan het VMBO.

Wanneer het figuren als Martin Bosma, en met hem de PVV, ernst is met hun idee in de socialistische voetsporen van Jacques de Kadt en Willem Drees te treden, dienen zij om te beginnen het denken in etnische en religieuze vakjes op te geven. Gezien hun obsessie met de islam is dit echter niet waarschijnlijk. Die fixatie geldt echter niet alleen de populisten, ook de PvdA is ver van haar oorsprong weggedreven en verstrikt geraakt in de etnische (en nationalistische) fuik. Dat bleek met name uit de omstreden integratienota Verdeeld verleden, gedeelde toekomst, vastgesteld op het partijcongres van 14 maart 2009.

Wil de partij haar historische achterban terugwinnen en tegelijkertijd immigranten en hun nazaten aan zich binden, dan zal zij zich om te beginnen moeten distantiëren van het denken in termen van etnische culturen. Klasse is de gemene deler van veel maatschappelijke problemen, dus dient de dreigende tweedeling bij die wortel te worden aangepakt. Het is daarom interessant dat beoogd minister van Binnenlandse Zaken (en Integratie), de CDA’er Donner, op vrijdag 8 oktober jongsleden in het NOS-journaal verklaarde dat “integratie voor het overgrote gedeelte ook betrekking heeft op Nederlanders”. Het valt te hopen dat Donner samen met zijn partijgenoot Gerd Leers, de nieuwe minister van Immigratie en Asiel, die wijsheid ook in de praktijk brengt.

[Leo Lucassen en Wim Willems bezetten samen de leerstoel Sociale Geschiedenis aan de Universiteit Leiden/ Campus Den Haag. Een bewerking van deze tekst verscheen eerder in NRC Handelsblad. Deze tekst is met toestemming van Leo Lucassen op Republiek Allochtonië geplaatst op 29 november 2010, en overgenomen door deze blogspot.]
Bovenste foto: @ Janny Rotinsulu

Het nieuwe Awater

Het nummer Twijfel van de Eindhovense rapper Fresku is het nieuwe Awater

door Derk Walters

In bloemlezingen van de Nederlandstalige poëzie staan altijd twee lange gedichten. Eerst Mei (1889) van Herman Gorter – Een nieuwe lente en een nieuw geluid – en verderop Awater (1934) van Martinus Nijhoff. Die verzamelbundels bevatten nooit alle ruim 270 versregels van Awater. De openingsregels zijn vrij bekend:

Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.


Ook de zin Lees maar, er staat niet wat er staat wordt veel geciteerd. Tot slot staat Nijhoffs gedicht erom bekend dat de versregels niet ‘vol’ op elkaar rijmen, maar lange series van opeenvolgende, rijmende klinkers bevatten. Het gedicht begint met de ‘e’ – van geest en zweeft – en eindigt met de ‘u’.

Nieuwe Awater
Welnu, Nederland kent een nieuw Awater. Het betreft de song Twijfel (2009) van de Eindhovense rapper Fresku, die ver uitstijgt boven de gemiddelde rijmvaardigheid van Nederlandstalige hiphoppers.

Fresku
Fresku, ook wel de Frisse genoemd, is de artiestennaam van Roy Michael Reymound. Hij is half Nederlands en half Antilliaans. De rapper werd op 26 oktober 1986 geboren in Eindhoven, woonde van zijn zevende tot zijn veertiende op Curaçao en verhuisde vervolgens terug. Dit voorjaar kwam zijn debuutalbum Fresku uit, met daarop het nummer Twijfel.



Van tevoren moeten we even afspreken dat we niet muggeziften over grammaticale onjuistheden in Fresku’s tekst. De half-Antilliaanse artiest rapt zoals hij praat, en dat is niet noodzakelijkerwijs in correct geformuleerde volzinnen. Dat geeft niet. Zijn boodschap komt zo ook wel over.
Ook moeten we het intro en het refrein weglaten. Het nummer begint met een gesproken tekst, waarin Fresku – spreek uit: Friskoe, Antilliaans voor ‘brutaal’ – doet alsof hij gelukkig is. Na de hardop geschreeuwde zin Shit, wie hou ik voor de gek! begint hij te rappen, op Awater-achtige wijze.

Verwijzing
Opvallend is dat de Eindhovenaar het rapgedeelte van het nummer aanvangt met een directe verwijzing naar het ‘zweven’ van Nijhoff:

ik zweef in mijn gedachtes
alles is zo twijfelachtig
onzekerheid is een groot gedeelte van mijn karakter


Al direct blijkt dat Fresku geen rapper is die twee zinnen op elkaar laat rijmen om vervolgens te zoeken naar een nieuw rijmwoord. Net als Nijhoff maakt hij lange reeksen met dezelfde klank. Het verschil met de dichter is dat Fresku bijna altijd dubbele eindklinkers gebruikt. Zo rijmen de hierboven weergegeven openingszinnen niet alleen met hun korte ‘a’, maar ook met de ij-klank die daaraan voorafgaat – hij vervolgt met

soms lijkt het makkelijk
voor me, je ziet me blijven lachen
want ik verberg in feite mijn ware zijn met grappen


Bijna elke zin in het nummer rijmt dubbel. Binnen de tweede rijmserie, op korte ‘a’ en ‘ie’, maakt de rapper ook gebruik van rime riche, rijm met dezelfde woorden:

had ik een slecht rapport, gaf hij me klappen met de riem
dus om de zoveel maanden kreeg ik klappen met de riem

Daarna gaat Fresku los. Zijn sequentie van dubbele klinkerrijmwoorden op lange ‘e’ met korte ‘e’, dertien keer achter elkaar, is ronduit indrukwekkend.

Cruciale serie
Na vijf dubbele rijmreeksen komt een cruciale serie van enkele klinkerrijm op ‘ij’. Eén zin, waarin Fresku zich beklaagt over zijn overspelige ex-vriendin, krijgt veel nadruk: sterker nog, als je in Eindje een groepje nigga’s ziet staan, heeft ze op z’n minst met twee gebald en één gepijpt, waarbij ‘Eindje’ een koosnaam is voor Eindhoven en ‘ballen’ het gangbare sociolect is voor het bedrijven van de liefde.

De raps worden feller, intenser. Het laatste deel voor het refrein, voorzien van zestien dubbele klinkerrijmzinnen, luidt als volgt:

ze houdt niks over en ik baal ervan
ik wil haar helpen, maar twijfel of ik mijn eigen huur betalen kan
ik werk en werk en soms vraag ik me af
moet ik zo’n type zijn die ik beschrijf in Slavengedrag
ik verlies al mijn principes, want ik baal elke dag
vandaar dat ik snak
naar adem als ik slaap in de nacht
mentaal ben ik zwak
ik maak muziek, want daar ligt mijn kracht

zo draag ik mijn lasten
over naar m’n naasten, zodat
ik niet verdwaal op m’n pad
want ik raak in de war
ik twijfel aan elke stap
omdat falen niet mag
dus samengevat:


Het nummer eindigt in een ‘refrein’, met negentien keer het woord ‘twijfel’, of een variant daarop.

Negen rijmuitgangen
In slechts negen rijmuitgangen, waarvan acht met dubbele klinkers, beschrijft de Eindhovense rapper hoe hij twijfelt, aan alles. Fresku is een waardige opvolger van Martinus Nijhoff.

[uit NRC Handelsblad, 17 november 2010]







Foto Fresku: @ Berthil Reymound

3 x Aletta Beaujon, of de treurnis van het Nederlandse bibliotheekwezen

door Michiel van Kempen

Ik denk dat als je een top-5 zou samenstellen van Antilliaanse dichters Aletta Beaujon een gerede kans zou maken om daar bij te komen. Onlangs verscheen bij In de Knipscheer De schoonheid van blauw, de prachtig verzorgde uitgave van haar verzamelde gedichten, keurig gebonden en met leeslint, sympathieke inleiding, instructief nawoord. Ik besprak het boek voor Biblion, de instelling die boeken voorziet van een zgn. a.i., een korte aanschafinformatie die wordt toegestuurd aan alle 1100 Nederlandse openbare bibliotheken, die vervolgens kunnen beslissen of zij het boek in hun collectie opnemen. In vroegere jaren kon het wel eens gebeuren dat een uitgeverij zoveel exemplaren via Biblion aan de bibliotheken kwijt kon, dat zij daar in één keer mee uit de investeringskosten was. Wat is het totale aantal exemplaren dat de 1100 bibliotheken bestelden van Beaujons De schoonheid van blauw? 3, zegge: drie! De uitgever heeft 2 exemplaren ter beoordeling moeten inzenden naar Biblion en krijgt van 1100 bibliotheken een bestelling van 3 exemplaren. Nederland, anno 2010.

Ik dacht nog een moment: heb ik mijn a.i. niet aanbevelend genoeg geschreven? Oordeel zelf:


Aletta Beaujon (1933-2001) werd op Curaçao geboren, maar bracht veel tijd door op de familieplantage Slagbaai op Bonaire, en later ook in Europa. Tijdens haar leven publiceerde zij één dichtbundel waarmee zij zich direct schaarde onder de belangrijkste Antilliaanse dichters. Die bundel, aangevuld met een grote niet eerder gepubliceerde collectie poëzie en verspreide gedichten, vormt deze uitgave van haar verzamelde gedichten. Beaujon schrijft in het Nederlands en het Engels, een enkele maal in het Spaans of Papiamentu (met vertalingen). Zij overschrijdt moeiteloos alle geografische grenzen en zowel de Antillen als Nederland, Griekenland en nog andere landen vormen het decor van haar poëtisch universum. Wat zij schrijft is bijna altijd even raak als sensitief, en bedrieglijk lichtvoetig. Haar motieven vindt men bij alle grote dichters: natuur, eenzaamheid, dood, ontheemding, Met een biografisch voorwoord van haar zoons en een indringend nawoord met verantwoording van de bezorgers is deze uitgave voorbeeldig verzorgd. Aanbevolen voor alle bibliotheken


Ik wed dat de Eskimo’s op Groenland, alias de Inuit, van een vergelijkbare uitgave (zeg: De schoonheid van wit) nog 300 exemplaren hadden besteld. Groenland: zou dat nou een mooi land zijn om naar te emigreren? Ik ga het eens uitzoeken.