zaterdag 31 juli 2010

Trio en Wayana belicht

Een bijzondere expositie van het Amazon Conservation team Suriname, ACT, in samenwerking met de Nederlandse Ambassade te Paramaribo wordt binnenkort geopend. Tezamen kwam een cultuurproject tot stand dat op een creatieve en educatieve manier invulling geeft aan het thema respect voor elkaars cultuur.

Drie dagen lang, van 7 t/m 9 augustus zal binnen dit thema de Trio en Wayana cultuur centraal staan. De traditionele bouwstijl van deze inheemsen, vastgelegd in ACT’s publicatie Wapono Pakoro, een beeld van de traditionele inheemse bouwstijl in het zuiden van Suriname, is het uitgangspunt voor deze expositie in DE HAL aan de Grote Combéweg. Deze bijzondere Inheemse dag expositie, een expositie van de traditionele inheemse Trio en Wayana bouwstijl door schoolkinderen in Paramaribo, wordt visueel gecomplementeerd en versterkt door een speciale selectie kunstwerken van beeldend kunstenaar Paul Woei en een fotoverslag van journalist Charles Chang.

Afbeelding links: Indiaanse in hangmat, krijttekening van Paul Woei

Amazon Conservation Team Suriname, de boswachters van Kwamalasamutu en het architectenteam onder leiding van Eliette Parisius- Bong A Jan werken sinds juni intensief samen met een selectie schoolkinderen van 3 lagere scholen en 3 technische scholen in Paramaribo. Informatie en opdrachten over de cultuur en vooral de traditionele bouwstijl van de Trio en Wayana gemeenschappen, worden uitgebeeld in maquettes van Trio en Wayana dorpen door de St. Elisabeth school 2, de O.S. Gijsbertus school en de R. A. Tammenga school. De technische studenten van de ETS, LTS4 en de Theodoor Judas school werken aan de vervaardiging van replica’s op vijftig procent van de ware grootte van een traditionele inheemse hut. Het eindresultaat wordt tijdens de expositie die aansluit op de dag der inheemsen, aan het publiek gepresenteerd.

Behalve de werkstukken van de leerlingen, reizen we middels geëxposeerd fotowerk van Charles Chang met hem mee van de zuidelijke Surinaamse dorpen naar de Braziliaanse Xingu stam, en deelt ook beeldend kunstenaar Paul Woei met zijn beelden en kunstwerken, zijn diepgaand onderzoek naar de inheemse cultuur met ons. Zijn kleurrijke en vaak levensechte kunstwerken brengen deze cultuur nog verder tot leven. Paul Woei, die als geen ander verschillende elementen van de inheemse cultuur met kunstwerken in uiteenlopende media heeft weten vast te leggen, is met een speciaal voor deze expositie uitgekozen selectie werkstukken aanwezig. Het gebied en de cultuur waar ACT Suriname nu iets meer dan 10 jaar actief is in Suriname, is namelijk al langer dan 50 jaar een enorme bron van inspiratie voor Paul Woei. Middels zijn vele reizen door het tropisch regenwoud en zijn fascinatie voor de cultuur en leefwijze van traditionele gemeenschappen aldaar, heeft deze grote Surinaamse kunstenaar een aanzienlijk oeuvre weten op te bouwen van cultuur georiënteerde werkstukken op doek, op papier, in hout en in brons. Over de jaren heen heeft Paul Woei zodoende delen van de traditionele inheemse cultuur vastgelegd die helaas heel gauw alleen tot het verleden zullen behoren.

Met dit project van ACT Suriname en de Nederlandse ambassade wordt op een leuke, creatieve en interactieve manier het bewustzijn en de waardering van jong en oud voor dit deel van de culturele rijkdom van Suriname gestimuleerd. We delen in de creatieve weergave van de schoolkinderen en maken kennis met Charles Chang zijn betrokkenheid met de inheemse stammen zowel binnen als buiten de grenzen van Suriname.

Kunstliefhebbers krijgen verder na heel lang de gelegenheid om werk van Paul Woei in een expositie te bewonderen en worden dan ook aangespoord deze unieke kans niet te missen.

De expo wordt op 7 augustus geopend om 18.00u en is daarna van 11.00 – 20.00u te bezoeken op 8 en 9 augustus. Plaats: De Hal, Grote Combéweg 45.

Klik op onderstaande afbeelding om te vergroten



Fokke & Sukke



Uit: NRC Handelsblad

Crossing Border 2010

Van 17 tot en met 20 november 2010 vindt in Den Haag het Crossing Border Festival 2010 plaats. Onder de gasten van dit unieke festival dat popmuziek combineert met literatuur, staan dit jaar o.m. vermeld I Am Oak, Bruce Bherman, Smoke Fairies, John Grant, Tom McRae, Ganglians, Willem van Toorn, Laurent Binet, Thijs de Boer, Spoon, Annuals, Naima El Bezaz en Edem Awumey

Muzikale bevestigingen

Bruce Bherman is één van de best bewaarde geheimen van de folkpop, maar verdient nu met de EP Untagged eindelijk een groter publiek.

John Grant heeft met Queen of Denmark een briljant solodebuut afgeleverd. Twaalf perfecte popliedjes met de heren van Midlake als backing band.

Tom McRae blijft een ware liedjesjuwelier en melancholie is nog steeds zijn favoriete edelmetaal. Óók op z’n nieuwe plaat The Alphabet of Hurricanes.

Ganglians brengen hun eigen mix van psychedelische lofi folk-punk. Monster Head Room is de perfecte soundtrack voor een lange, stonede surffilm, vol scènes van dronken jongelui die dansen op het strand tot ze out gaan.



Literaire bevestigingen

Willem van Toorn is een literaire alleskunner. Zijn meest recente publicatie is de mooie verhalenbundel De geur van gedroogde appels.

Thijs de Boer maakte dit jaar een spectaculaire literaire entree met Vogels die vlees eten, en is ook al zo’n mooie verhalenverteller.

Naima El Bezaz (foto rechts) – een van de meest veelbesproken auteurs uit de afgelopen jaren is terug met een roman over een ogenschijnlijk oer-Hollands fenomeen: Vinexvrouwen.

Edem Awumeys Vuile voeten is een roman over een Afrikaanse vluchteling in Parijs. ‘Even poëtisch als snijdend treurig opgeschreven’, aldus NRC Handelsblad. Genomineerd voor de prestigieuze Prix Goncourt 2009.

Laurent Binet schreef het beste Franstalige debuut volgens de jury van de Prix Goncourt 2010: HhhH, oftewel ‘Himmlers hersens heten Heydrich’. Een bloedstollend verhaal over de aanslag op het leven van SS-er Heydrich, dat tegelijkertijd de vraag opwerpt hoe ver je als romancier mag gaan met de historische werkelijkheid.

Voor de website van Crossing Border klik hier

Het Desenkadena-monument van Curaçao

door Guus Kokx

Het is al weer een paar jaar geleden dat we (mijn moeder en ondergetekende) het Desenkadena-monument op het Rif te Curaçao voor het eerst zagen. Ter voorbereiding op dit bezoek had ik mij, voor mijn begrippen, redelijk geïnformeerd, door enkele boeken te lezen, ondermeer: 1795 De slavenopstand op Curaçao van A.F. Paula (1974), om mij een beeld te vormen van de verschrikkelijke geschiedenis die op deze plek heeft plaatsgevonden. Een bezoek aan het museo Kurá Hulanda, met de indrukwekkende bronzen sculptuur Mama Afrika op de binnenplaats, behoorde ook bij deze voorbereiding. Even daarna zag ik bij een Curaçaose vriend een sculptuur in zijn tuin staan, en aangezien ik niet alleen in de Curaçaose geschiedenis, maar ook in kunst ben geïnteresseerd, vroeg ik wie de maker van deze sculptuur is. Ogenschijnlijk achteloos zei hij: Nel Simon.

Enige tijd ging voorbij. Op een gegeven moment zit ik met een vriend op het KITLV in Leiden, de foto’s van Curaçao te bekijken, en kom zo bij de foto van het Desenkadena-monument terecht: de verklarende tekst bij deze foto gaf aan dat de ontwerper / maker van de bronzenbeeldengroep Nel Simon is. Wat er door me heen ging is te beschrijven, maar in het kader van de leesbaarheid van deze tekst, zal ik me in houden en beperken: het kwam er op neer dat ik meer van Nel Simon wilde weten. Wie is deze man, die deze bijzondere monumenten gecreëerd heeft. Waar kan ik hem ontmoeten, en dergelijke vragen meer, bestormden mij.

Het is zaterdag, en mijn moeder en ik staan voor de deur van de Art Studio van Nel Simon in Amsterdam. Mijn hart bonkt. Nu gaat het gebeuren. We bellen aan. De deur wordt geopend door een vriendelijke heer: Bon dia, mi nòmber ta Nel Simon. Komt U binnen, doe alsof U thuis bent. We staan voor de Curaçaose beeldend kunstenaar, die het belangrijkste monument van Curaçao: Het Desenkadena-monument, gemaakt heeft.

Nel Simon straalt rust, vriendelijkheid, veiligheid, vertrouwdheid uit. We stellen ons voor en hij vraagt wat we willen drinken. Heeft U koffie? Even later is het koffiezetapparaat uitgeprutteld. In de zithoek van de Art Studio leggen we uit welke betekenis dit moment voor ons heeft. Tegelijkertijd werpen we blikken op het expositiegedeelte, en de daarachter liggende werkruimte en de ruime tuin, waarin sculpturen van Nel Simon geëxposeerd zijn. De uitnodiging van Nel Simon, om alles goed te bekijken nemen we graag aan.

De Art Studio is een oase van sereniteit. We zien een kleine versie van de Desenkadena in brons. Nel Simon legt uit dat de geschiedenis die aan de basis ligt van Desenkadena minder expliciet leeft bij de jongere Curaçaose generatie. Maar: nunka lubidá e Historia di Kòrsou. We zien de sculpturen die met warme en intense Curaçaose en Afrikaanse inspiratie zijn gemaakt. Iedere sculptuur heeft haar eigen karakter. Er straalt kracht uit, authenticiteit, historiciteit, gevoel, humaniteit.

Aan een wand hangen foto’s die de creatie van de Desenkadena in fases weergeven. Op een andere wand zien we het ontstaan van Mama Afrika. Terug bij de koffie zien we een lijstje liggen waarop de vele tientallen internationale exposities vermeld staan die Nel in zijn meer dan 40 jarige beeldend-kunstenaarscarrière heeft gehad. In een regeltje staat dat Nel Simon voor zijn oeuvre in 1992 de Cola Debrot prijs voor Fine Arts ontvangen heeft.

Beeldend kunstenaar Nel Simon woont vlak bij zijn Art Studio, en voelt zich prettig in deze omgeving met kunstenaars met verschillende disciplines. Hij heeft er niet alleen contact mee, maar werkt er ook mee samen. Ook heeft hij contact met collegae Curaçaose kunstenaars in Nederland en daarbuiten. Nel Simon heeft het zo druk als hij zelf wil: zijn agenda is vol, maar hij neemt voor iedereen de tijd.

Het Desenkadena nationaal monument van Curaçao, is ontworpen en gemaakt door Nel Simon en onthuld op 3 oktober 1998, dus méér dan 203 jaar ná de vrijheidsstrijd die aangevoerd werd door Tula, Bazjan Carpata, Louis Mercier, Pedro Wacao, Sablika en velen die hen in deze strijd voor vrijheid volgden. Op 17 augustus 1795 werd deze strijd voor vrijheid, die door de Nederlanders geïnterpreteerd werd als een opstand tegen het wettige, (niet democratische tot stand gekomen) koloniale gezag, zeer wreed onderdrukt: Op het Rif, in het Parke Lucha Pa Libertat, waar het Desenkadena-monument staat, werden Tula en vele andere vrijheidstrijders gemarteld en geëxecuteerd. Pas vanaf 1985 is 17 augustus een Nationale Herdenkingsdag op Curaçao.

Nunka lubidá e Historia di Kòrsou : konmemorá Desenkadena

Time will tell van Sunil Puljhun

In de Readytex Art Gallery in Paramaribo is er deze maand bijzondere aandacht voor de installatie van kunstenaar Sunil Puljhun die dominant aanwezig is in de grote zaal. Time will tell heet dit grote en imposante drieluik van Puljhun waar hij het eerst mee uitkwam op de grote Paramaribo SPAN expositie bij de DSB Bank eerder dit jaar. Bij Readytex is iets anders tentoongesteld. Geen donker omsloten ruimte en geluids- en lichteffecten, maar desondanks heeft de installatie toch een sterke aanwezigheid. Dit komt gedeeltelijk door het formaat van 431 cm bij 201 cm, de zwarte kleur, maar vooral ook om de mysterieuze aanblik die het werkstuk presenteert met haar oude deels gedemonteerde klokkenhuis en de daaromheen verspreide grote en kleine nummers.
.

Wat de titel in principe al zegt, bevestigen ook de klok en de nummers. Time will tell, de tijd zal alles wel uitwijzen, alles op zijn tijd. Volgens de kunstenaar heeft het stuk betrekking op de tijd en de toekomst waar we als mensen naartoe gaan niet alleen in Suriname, maar in de hele wereld. Er wordt van alles voorspeld tot aan het einde van de wereld toe en als je naar alles luistert dan ziet het er niet al te rooskleurig uit voor de volgende generaties. Bepaalde dingen kun je echter niet voorspellen en alleen de tijd zal uitwijzen wat de toekomst voor ons in petto houdt. Wel is het zo dat voor al het negatieve in de wereld en uiteindelijk dus ook voor de toekomst van de wereld, de mens verantwoordelijk is. Daarom koos de kunstenaar ook voor de donkere kleur op het expansieve oppervlak van zijn werkstuk. Maar, time will tell. Als je er dicht genoeg op staat en tegen de nummers groot en klein, licht en donker aankijkt, lijken de minuten overal om je heen wel af tellen. Het geeft een bepaalde urgentie weer. Met zijn werkstuk wil Sunil bij zijn publiek het bewustzijn aanwakkeren dat de tijd niet stilstaat, de klok blijft als maar doortikken en wij moeten niet te lang wachten voordat wij onze verantwoordelijkheid inzien en bewuster en beter om zullen gaan met de wereld waarin we leven. Binnen in het klokkenhuis zit er een lichtere plek die te midden van al het negatieve toch een sprankje hoop voor de toekomst in zich verscholen houdt. De handelingen van de mens zullen over tijd de richting en het lot van de wereld voor een groot deel helpen bepalen. Kiest de mens uiteindelijk voor zichzelf en zijn eigen gratificatie op dit moment, of voor een betere wereld en een goede toekomst voor de volgende generatie? Time will tell!

Verhalen over opvoeding

De laatste woensdag van augustus, de 25ste, organiseert de Surinaamse Schrijversgroep’77 een thema-avond met verhalen over opvoeding vroeger en nu. Deze avond is in samenwerking met tori-uma Margo Kramp. Heb je leuke ideetjes voor deze avond en wil je meedoen? Voor meer info en opgave: Bel (00-597) 8912005 of 520513.
.

Foto: @ Michiel van Kempen

The Farrago International SLAM!

Farrago Poetry presents The Farrago International SLAM! open to any poet on August 5th. In any language plus features: Penny Ashton, a rare London apperarance by one of New Zealands biggest poetry stars, Hamza Beg, up and coming young London poet, Anna Chen, poet, writer & broadcaster, Fran Landesman, lyricist & poetic genius, Pierre Ringwald, Canadian PBS award winning poet, Afua Wilcox, poet from Lesotho & Zorras, multi national music & poetry duo.

When: August 5 • 7:30pm - 10:30pm
Where: Rada Foyer Bar, Malet St, London, United Kingdom

Adek-Universiteit heeft Letterenfaculteit

Sinds vrijdag 23 juli is de Anton de Kom Universiteit van Suriname twee faculteiten rijker. Een voor Wis- en Natuurkunde, en één voor Humanoria waaronder Geschiedenis en Letteren vallen. Het meeste wat traditioneel aan letterenfaculteiten in de wereld gebeurt, vond tot nu toe plaats aan het IOL (Instituut voor de Opleiding van Leraren): lezingen, gastcolleges, beperkte vormen van onderzoek. Met de nieuwe Letterenfaculteit wordt nu een academische plaats geschapen voor het onderwijs in en de studie naar taal, literatuur, cultuur en geschiedenis, van Suriname in het bijzonder en natuurlijk ook van de Caraibische regio en de verschillende herkomstlanden van de Surinaamse bevolking.

vrijdag 30 juli 2010

The 99 - Stripverhaal over de Helden van Allah

door Rihana Jamaludin


Wie had gedacht dat een Islamitisch stripverhaal kans zou maken na alle ophef over Deense cartoons van de profeet Mohamed in 2005?
Maar ´The 99 ´, een superhelden-strip met als thema de 99 Namen van Allah, is ongekend populair in het Midden-Oosten en Azië en heeft ook Europa bereikt met fans in Frankrijk, Groot-Brittanië en Spanje.
De populariteit is zo groot dat er vorig jaar zelfs een themapark is geopend in Koeweit: The 99 Village. En nu staat de strip op het punt Europa te veroveren in de vorm van een door Endemol geproduceerde televisieserie. Hoe is dat allemaal zo gekomen?

De maker: Naif Al-Mutawa
Naif Al-Mutawa is een 39-jarige Koeweiti klinisch psycholoog. Hij studeerde in de Verenigde Staten psychologie en had als bijvakken geschiedenis en Engelse literatuur. In Koeweit werkte hij als psycholoog met voormalige krijgsgevangenen en in het Bellevue Hospital in New York met Irakese vluchtelingen, slachtoffers van marteling om religieuze of politieke redenen. Met eigen ogen zag hij welk leed intolerantie kon veroorzaken.

Als kind was Naif Al-Mutawa al dol op stripverhalen, vooral de in de Arabische landen zeer populaire Amerikaanse comics van superhelden. In de loop der jaren echter, werden de religieuze autoriteiten steeds strenger en machtiger, met gevolgen voor de censuur.
Dr. Al-Mutawa was net gepromoveerd en stapte in Londen met zijn familie in een taxi, toen zijn zuster hem eraan herinnerde dat hij had gezegd na zijn afstuderen te zullen gaan schrijven. ´Alleen als ik een concept zou hebben met de potentie van Pokémon´ antwoordde hij. Toen dacht hij aan het recent afgekondigde verbod op de Japanse Pokémonstrip door de Saudi autoriteiten wegens bevordering van polytheïsme. ´Wat was er toch met de Islam gebeurd? Eén van de 99 eigenschappen van God was toch Al Halim, de Verdraagzame?´ vroeg hij zich af. ´En opeens kwam het idee op: helden, met de 99 attributen.´ Tegen de tijd dat de taxi op zijn bestemming arriveerde, had hij zijn plan.
.

Een strip wordt geboren
Terug in Koeweit begon Al-Mutawa rond te kijken hoe hij sponsors voor zijn plannen kon vinden. In de periode dat hij met vluchtelingen werkte, had hij de verhalen van mannen gehoord die waren opgegroeid met de verering van hun held, rolmodel Saddam Hoessein, om later door diens regime verraden en gemarteld te worden. ´De Arabische wereld had betere rolmodellen nodig´. Zoveel was duidelijk. De boodschap van veel jeugdlektuur in het Midden-Oosten vond Al-Mutawa niet voor kinderen geschikt. De bestseller was het ´Intifada Album´, een stickerboek met afbeeldingen van huilende Palestijnse moeders, gewonde kinderen, Israëlische tanks en teksten die de martelaarsdood verheerlijkten. De maker van het boek, een Hamas aanhanger die in 4 maanden tijd 40.000 albums en 12 miljoen stickers had verkocht, verklaarde dat er nu eenmaal niet was te ontsnappen aan de dagelijkse realiteit.
Met een krantenknipsel op zak over de populariteit van dit album, wist Al-Mutawa 7 miljoen dollar bijelkaar te krijgen van investeerders uit de Perzische Golf en van vroegere studiegenoten. Daarmee richtte hij in 2004 de Teshkeel Media Group op. Dr. Al-Mutawa wist wat hij wilde, de strip moest een klassieker worden als Spiderman, of anders niets. Hij wilde geen vijfde-wereld-produkt.
Al-Mutawa recruteerde een aantal tekenaars en een scriptschrijver met jarenlange ervaring bij de Amerikaanse comics concerns Marvel en DC, bekend van de superhelden strips zoals Batman. Samen met Fabian Nicieza (X-men) schreef hij de scripts, later met Stuart Moore van de Iron Man strips. De tekeningen werden verzorgd door John McCrea (Spiderman), James Hodgkins en Sean Parsons. In november 2006 was het eerste stripboek gereed.

Succes en kritiek
Vanaf het begin was ´The 99´ een succes. Eindelijk hadden kinderen uit Arabische landen rolmodellen die meer met henzelf gemeen hadden dan de vroegere westerse striphelden. Het was de eerste superheldenstrip gebaseerd op de Islamitische cultuur.
Maar er kwam ook kritiek: de strakke kleding en make-up van de superheldinnen was sommigen een doorn in het oog. Anderen vonden de personificatie van Gods eigenschappen blasfemie. Een Koeweiti schriftgeleerde meende dat de strip uitdroeg dat je beter op mensen dan op God kon vertrouwen, wat tegen de Koran inging.
Mutawa bevestigde dat hij geen schriftgeleerden had geraadpleegd voor hij de strip creërde. ´We moeten niet toestaan dat een kleine groep mensen ons vertelt hoe we onze religie moeten beleven. Ik geloof in de Islam en ik geloof ook in evolutie
De strip werd in eerste instantie in sommige landen verboden. Pas toen de Unicorn Investment Bank, een streng Islamitische bank met een bestuur van Sharia-geleerden, in 2007 in zijn project investeerde, werd zijn produkt halal bevonden. De strip verschijnt nu in verscheidene kranten in Saudi-Arabië en Koeweit. Wereldwijd worden er per jaar 1 miljoen exemplaren van de strip verkocht.

Het verhaal
´The 99´ begint in de 13e eeuw met de bestorming van Bagdad door de Mongoolse horde. De beroemde bibliotheek Dar al Hikma (Huis van Wijsheid) uit het Gouden Tijdperk van de Islam, wordt door de barbaren vernietigd door alle boeken in de rivier de Tigris te gooien, die zwart wordt van de inkttranen. Enkelen van de boekbewaarders weten echter de kracht en wijsheid van de boeken te redden door de eigenschappen via de oplossende inkt in de rivier, in 99 edelstenen te laten opnemen.
Eeuwen later worden de stenen op 99 plekken van de wereld teruggevonden, waaronder de Verenigde Staten, Saudi-Arabië, Indonesië´, Ghana en Portugal. De helden vormen aldus een internationaal gezelschap van jongeren met bijzondere krachten, die tegen het onrecht strijden. Onder leiding van Dr. Ramzi gaan zij op zoek naar de verschillende stenen.
Daarbij brengen ze o.a. voedselhulp naar verhongerende Afghaanse dorpelingen, bestrijden olifantenstropers in Afrika en trainen hun krachten om tegen de slechte Rughal te vechten.
Elk der stenen bevat een eigenschap van Allah, die overgaat op de held. Zo is er Noora (het Licht), een Arabisch meisje dat het ´licht´ in iemand kan zien en hologrammen kan maken. Daar (de Brenger van Nood), is de blonde Amerikaan (zelf in een rolstoel) die zowel kan helen als pijn veroorzaken met zijn gedachten. Al Battina (de Verborgene) is een heldin met een onzichtbaar makende boerka. Het populairste karakter is de krachtpatser Jabbar (de Krachtige).

TV serie
In 2009 werd bekend dat het Nederlandse bedrijf Endemol ging investeren in een animatieserie voor TV van ´The 99´. Het gaat om 26 afleveringen van 30 minuten die in India zullen worden geproduceerd. De post-productie vindt plaats in Groot-Brittanië.
Endemol International verzorgt wereldwijd de rechten, maar de Indiase co-producent Sanraa Media bezit de distributierechten van de serie in India, Indonesië, Maleisië, Pakistan, Sri Lanka en Thailand.
De karakters uit ´The 99´ dragen waarden uit die zowel Islamitisch als algemeen gelden, zoals edelmoedigheid, waarheid, liefde. ´Dit zijn geen dingen waar de Islam monopolie op heeft.´, aldus Dr. Al-Mutawa. ´Na de aanslagen van 9/11 wilde ik een manier vinden om de Islam te heroveren op de mensen die het geloof gegijzeld hebben, maar ik wist niet hoe. Het antwoord lag voor de hand. Het was net zo simpel en net zo moeilijk als 11 keer 9. Het antwoord was 99

Kliniek, awards, Obama
Dr. Al-Mutawa is als klinisch directeur verbonden aan het toonaangevende Soor Center in Koeweit, een instituut dat een verscheidenheid aan psychologische hulp biedt.
Intussen heeft Naif Al-Mutawa diverse prijzen voor zijn streven naar positieve Islamitische rolmodellen voor kinderen ontvangen, o.a. van de Verenigde Naties. President Obama prees zijn initiatief.
Ook voor de strip zelf ontving hij erkenning: in Brazilië werd ´The 99´ de FIHQ Award toegekend, een prestigieuze prijs die eerder is uitgereikt aan beroemde striptekenaars als Will Eisner (The Spirit) en Don Rosa (Disney).
Toen na een stripworkshop een universiteitsstudente met een zwarte hoofddoek aan, hem vertelde dat ze geshockeerd was door een scène in de strip, waarin heldin Noora zegt te bidden tot God en dit met onbedekt hoofd doet, antwoordde Dr. Mutawa: ´Waarom? Denk je dat alleen wie de hijab draagt God om hulp kan vragen? Er is niet maar één manier om moslim te zijn. Er zijn op zijn minst 99 manieren.´

Bekijk hier de preview voor The 99 animatie serie
http://www.the99.org/

Bronnen: Volkskrant 23 okt´09 artikel Sacha Kester,Washington Post 11 juni´08 article by Faiza Saleh Ambah, www.al-mutawa.com , Een Vandaag 29 juli´10, www.the99.org, blogs.lubbockonline.com, www.wereldjournalisten.nl 12 aug´09,The Sunday Times 20 aug´09 article by Rhys Blakely




Foto: Dr. Naif Al-Mutawa in het themapark

De erfenis van Tula

,,Wat betekent Tula voor jou?”

door Jeroen Heuvel


Willemstad – ,,Misschien is het begonnen toen mijn vader verdronk toen ik pas 6 jaar oud was,en ik boos was op de wereld: waarom ik, waarom mijn vader? Nog steeds ben ik iemand die heel slecht tegen onrecht kan, maar ik weet niet altijd wat je ertegen kan doen. Tula, als leider van een grotere groep wist dat wel. Hij besloot anderen ervan te overtuigen dat zij zich niet hoefden neer te leggen bij het onrecht dat ze ervoeren. En hij wist ze te inspireren ertegen in verzet te komen.” Marlon Reina onderzoekt wat het gedachtegoed van de leider van de slavenopstand van 1795 doet met (Antilliaanse) jongeren van nu. Het resultaat van dit onderzoek wordt binnenkort via Tele-Curaçao uitgezonden. Centrale vraag die aan de gasten van deze serie wordt gesteld, is: Wat is voor jou de oogst van Tula?
Marlon Reina antwoordt zelf op deze vraag: ,,Zijn moed vind ik het grootst, maar zijn belangrijkste voorbeeld voor mij, dus wat ík van hem oogst is zijn helderheid, is het uitzetten van zijn visie. Hij wist heel goed waarvoor en waartegen hij streed, en waarom. Ik weet heel vaak dat ik boos word als ik onrecht zie, maar ik ga er meestal niet tegen in, misschien omdat ik niet altijd even goed kan verwoorden waarom ik zo erdoor geraakt wordt. Mijn grootste oogst van de strijd van Tula is dat: het rustig de zaken kunnen bekijken en weten wat het juiste is. En als je dat eenmaal weet, ervoor gaan, tegen elke prijs. In zijn geval zijn leven. Wij zijn nu soms al bijna doodsbang voor onze naam 'wat zal men wel niet van mij denken?”
Marlon heeft acht gasten uitgenodigd om aan het programma mee te doen. Iedere gast loopt met de presentatrice van het programma een deel van de route, die de slaven op 17 augustus 1795 begonnen zijn, soms aanvallend, soms verdedigend tot het duidelijk werd dat de strijd de kop in was gedrukt en de leiders van de opstand op 3 oktober van dat jaar werden terechtgesteld. Ik was verbaasd dat Marlon mij ook op zijn lijstje had staan. Maar goed, nadat hij me had uitgelegd waarom en ik voor deze gelegenheid de geschreven geschiedenis van deze opstand weer had gelezen, kreeg ik ter voorbereiding op het gesprek enkele vragen gemaild. Wat mij het meest is bijgebleven over Tula naast de historische feiten, is voornamelijk de ijzersterke dialoog tussen Tula en pater Schinck – nou ja, zoals die door de pater in geschreven verslag is vastgelegd – en de heisa rond het standbeeld dat Toos Hagenaars (van Mierlo) van de held Tula heeft geboetseerd. De oogst van die opstand betekent voor mij [behalve dat de slavernij officieel is afgeschaft, ja] dat er weinig is bereikt, helaas, van de drie idealen die Tula voor ogen had, die van de Franse revolutie. Begrijp me goed, ik reken het Tula niet aan dat we, wereldwijd gezien – niet alleen op Curaçao – , nog steeds veel moeten doen om échte vrijheid, gelijkheid en broederschap te bereiken, net zo min als het Jezus is aan te rekenen dat wij mensen het nog niet voor elkaar hebben gekregen voldoende naastenliefde in de wereld te hebben.
Afgelopen vrijdag was ik aan de beurt. De filmcrew had al enkele opnamedagen achter de rug. Voor mij was als locatie gekozen de heuvel bij Fontein, beter bekend als Ser’i neger. Ach, met mijn achternaam voel ik me op dergelijke locaties al snel thuis. Daar maakte ik kennis met de crew (Marlon Reina is in Nederland gebleven in verband met zijn journalistieke werkzaamheden voor onder meer Radio Nederland Wereldomroep): Jermain Lo, regisseur en mede initiatiefnemer van dit project; Selwyn de Wind, director of photography; cameraman in opleiding Ryan Navarro en Nifa Ansano, presentator, hoewel ik haar al had leren kennen als poet-performer tijdens haar optredens voor de dichtgroep Poetic Colours .
De opnames duurden die dag tot ongeveer half vijf, de lunch en de pauze waren op de heuvel. Door de regen van de laatste tijd was er veel groen, ook veel jong groen op hetzelfde plateau als waar de rebellerende slaven zich ruim twee eeuwen geleden hadden verschanst voor het leger van kapitein Van Westerholt en waar ze met brokken kalksteen langs de hele lengte aan de zuidkant van het plateau een verdedigingsmuur hadden gebouwd. Ik vroeg me af hoeveel mensen toen de vrijheidsstrijd daadwerkelijk hadden gesteund. Hoeveel mensen? Hoeveel slaven, vrije negers, kleurlingen, blanken, om dat rare onderscheid te maken dat men gewoon is te maken. Hoeveel slavernij er nog steeds bestaat, zoals bijvoorbeeld kindslaven en seksslavinnen. Ik vroeg me af hoeveel mensen tegenwoordig echt vrij zijn? Vrij in de zin van bewust zijn van hun leven en keuzes maken om dat leven zinvol te laten zijn.
,,Verschiet je kruit niet,” zei Jermain, wanneer ik tussen de opnames door verder wil praten over het onderwerp. Omdat het hier een zogenoemd human interest programma betreft, gaat het er om dat de dialoog tijdens de opnames zo spontaan mogelijk gaat. Omdat ik vooraf de essentiële vragen al schriftelijk had beantwoord, kon de regisseur het verloop van de dialoog goed sturen, hoewel er ruimte bleef voor onvoorbereide wendingen aan het gesprek. Ik voelde dat ze soms een beetje geheimzinnig deden over een volgende ‘scène’, om het levendig te houden. Na de opnames zei Nifa dat ze ook al een paar jaar bij de voorbereidingen van dit project betrokken is, dat Marlon haar eerst had benaderd als één van de gasten, maar dat ze door haar inbreng bij de voorbereidingen langzaam maar zeker van rol veranderde, niet langer als gast maar als presentator. Die rol is anders, zei ze. Als presentator zoek je naar de juiste vragen om de gast zich tegelijkertijd op zijn gemak te laten voelen en hem zo puur mogelijk zijn gevoelens en gedachten weer te laten geven. Er is niets aan een gast die niet zichzelf is maar gevoelens en gedachten uit van zoveel andere mensen vóór hem.
Na afloop van de opnamedag vraag ik aan de crewleden wat voor hén de oogst van Tula is. ,,Vrij zijn om te doen, te zeggen en te studeren wat je zelf belangrijk vindt,” antwoordt Selwyn. Hij studeert in Hilversum voor cameraman en hij maakt ook graag foto’s. Zijn website heet www.pic-sel.com. Als ik aan Ryan vraag of de persoon van Tula noodzakelijk is geweest voor de afschaffing van de slavernij, denkt hij dat als Tula niet had bestaan er wel iemand anders de vrijheidsstrijd zou zijn begonnen.
Nifa wil vooral méér leren van de geschiedenis en kennis maken met hoe anderen er naar kijken. Ze heeft tot nu toe vier gasten gehad en ze vindt het frappant hoe verschillend iedereen denkt. ,,De één vindt Tula vooral een inspiratiebron, de ander ziet de oogst als een levensstijl, weer een ander wil meer doen in het kader van de strijd en tenslotte beschouwt iemand de oogst vooral als een verlengstuk van wat er is gebeurd.” Nifa: ,,Het is een groot verschil of je erover leest of dat je nu op de verschillende plekken aanwezig bent en er op deze manier mee bezig bent. Ik zie Tula vooral als iemand die van buiten het eiland komt met een grote bagage aan kennis die zich inzet voor de rechtvaardigheid van ónze mensen. Een slaaf die kan lezen en schrijven, verschillende talen kent, goed weet wat er op Haïti is gebeurd en in de Franse revolutie, de bijbel kent en in de dialoog met pater Schinck argumenten gebruikt waar de pater niet van terug heeft, dat zo iemand zich als leider opwerpt om hier op Curaçao een vrijheidsstrijd te beginnen, dat vind ik echt geweldig.”
Jermain heeft Marlon Reina zes jaar geleden leren kennen toen hij een filmpje maakte voor de herdenking in het Ninsee, het instituut in Nederland dat zich met het slavenverleden bezighoudt. Jermain heeft eerder voor de lokale televisie programma’s gemaakt, zoals de serie Makambia (te vertalen op twee manieren: als: Ben ik veranderd? en als: Ik ben vernederlandst) en Nos reino bij de viering van vijftig jaar statuut. Jermain: ,,Iedereen mag de geschiedenis op zijn eigen manier interpreteren, maar iedereen moet weten dat hij iets kan dóen.” Hij ervaart het werken aan dit project als een ,,emotionele rollercoaster”. ,,Ik weet nu nog niet wat voor mij de oogst van Tula is. Als dit klaar is, kan ik mezelf een kosecha voelen. Dan heb ík iets kleins gedaan.”
Naast het inhoudelijke hoopt hij met dit werk de kwaliteit van lokale tv-programma’s te verhogen, dat er meer human interest programma’s komen, niet van die goedkope waarbij er een hoofd praat terwijl de camera op een statief slechts is aangezet en na een aantal minuten weer is uitgezet. Jermain: ,,Ik hoop dat dit bijdraagt aan het verhogen van een gevoel van waardigheid.”
Dat doet me denken aan de emancipatie. Hoe komt het toch dat wij op Curaçao de dag van de afschaffing van de slavernij, 1 juli 1863, niet (willen) vieren? Is dat misschien omdat de emancipatie door de kolonisator is gegeven, top-down?
Tenslotte het woord aan Reina: ,,De gasten wonen voornamelijk op Curaçao, ze zijn welbespraakt. Het belangrijkste is dat zij weten te oogsten uit de geschiedenis van Curaçao. En daarmee zijn zij op hun eigen manier baanbrekend. Baanbrekend omdat voor het gros van de bewoners van Curaçao de associatie met de geschiedenis negatief is. Niet vreemd want Curaçao is ontstaan uit kolonisatie.
,,Een vanzelfsprekende afkeuring naar de ontstaansgeschiedenis van de eigen gemeenschap remt de saamhorigheid, en gevoelens van trots op wie je bent en dus je geschiedenis. Maar gelukkig brengen nieuwe generaties, nieuwe ontwikkelingen met zich mee. Op Curaçao groeit het besef dat er met negativisme niet veel valt te bereiken. Velen durven hun geschiedenis met een andere bril te bekijken. Ze halen kracht uit hun geschiedenis door zich te concentreren op de positieve aspecten, die de tot slaaf gemaakten hebben meegebracht.
,,De geschiedenis van de slavenopstand van 1795 is een goede inspiratie hiervoor. De leiding van de opstand, gesymboliseerd in Tula had een duidelijk ideaal waar hij voor wilde strijden, hij toonde visie, leiderschap en strategisch vermogen.
De gasten die Nifa ontvangt tijdens het lopen van de Tula route hebben dat inzicht. Ze hebben de mogelijkheid gevonden om een positieve draai te geven aan de oorsprong van het huidige Curaçao.” Toen Nifa op de lagere school zat, viel het haar op dat er weinig over de eigen geschiedenis van Curaçao werd meegegeven. Aan de andere kant weet ze dat ze vanaf haar jeugd tot aan de dag van vandaag bezig is met gelijkheid en zich inzetten voor anderen; net als Tula. In ‘Tula su Kosecha’ grijpt ze haar kans om haar eigen geschiedenis en haar verband met Tula uit te diepen. Speurend naar inspiratie uit die belangrijke vrijheidsstrijd uit de geschiedenis van Curaçao. Dit doet ze door te praten met Curaçaoënaars die ervoor hebben gekozen om op Curaçao te wonen. Curaçaoënaars die op hun eigen manier hebben toegevoegd aan de ontwikkeling van hun eiland. Net zoals Tula dat heeft gedaan.”

De eerste aflevering van ‘Tula su Kosecha’ zal op dinsdag 17 augustus 2010 worden uitgezonden. Dezelfde dag waarop in 1795 de vrijheidsstrijd is begonnen. De serie van 8 afleveringen zal 1 maal per week worden uitgezonden met de laatste uitzending op zondag 3 oktober. 3 oktober 1795 is de dag waarop de vrijheidsstrijd met de dood van Tula en kompanen deels is beëindigd. Enkele strijders beleven tot in november verscholen in de bossen rond het Christoffelpark. De uitzendperiode is hiermee identiek aan de tocht die de vrijheidsstrijders hebben gelopen. Op dinsdag 5 oktober zal de compilatie van de 8 voorgaande afleveringen worden uitgezonden. Door de serie lopen twee verhaallijnen: Nifa’s zoektocht naar inspiratiemomenten uit de Vrijheidstrijd van Tula en het verhaal van de gasten en de invloed hiervan op de zoektocht van Nifa.

zie: http://www.youtube.com/Tulasukosecha
ook op facebook: Tula-su-kosecha


Op de foto's van boven naar onderen: Selwyn de Wind, Nifa en Jermain tijdens de rustpauze op de set; Toos' beeld van Tula.

zondag 25 juli 2010

Het dubbele gezicht van de koloniaal

door Franc Knipscheer


Het dubbele gezicht van de koloniaal is de titel van een bundel met 14 opstellen die Ewald Vanvugt in 1988 bij In de Knipscheer uitgaf met als ondertitel Nederlands-Indië herontdekt. Ik moet nu aan deze titel denken naar aanleiding van de opgelaaide discussie over het koloniaal verleden van Nederland op dit blog Caraïbisch Uitzicht. Een van de opstellen in de bundel ging over de Nederlandse opiumhandel in Azië, over welk onderwerp Ewald Vanvugt al in 1985 de vuistdikke verhandeling Wettig opium had geschreven.
Voorafgaand aan een gesprek in het Haarlemse Café Globaal op 19 mei 2010 met Conny Braam, naar aanleiding van het verschijnen van haar historische roman De handelsreiziger van de Nederlandse Cocaïne Fabriek, gaf ik als redactielid van dat debatcafé een voorzet over het historische belang van de Nederlandse Staat in de opiumhandel in voormalig Nederlands-Indië. Voor deze ‘inleiding’, die hieronder volgt, heb ik – 25 jaar na publicatie - vrijmoedig geciteerd uit Wettig Opium en uit krantenberichten en recensies naar aanleiding van deze boekuitgave.

«Soms maakt een schrijver geschiedenis,» schreef Willem Ellenbroek in de Volkskrant in 1985 over het grote boek Wettig Opium. Ewald Vanvugt had toen eigenlijk een ander boek willen schrijven, namelijk de historische reisroman De Val van Bali over de Nederlandse verovering van Bali in 1906, die twee jaar later in 1987 zou uitkomen en waarvan in 2006 een uitgebreide heruitgave verscheen, moést verschijnen, omdat zijn documentatie over de slachting van Bali door Nederlandse militairen twintig jaar na zijn publicatie in de officiële vaderlandse geschiedschrijving nog steeds wordt afgedaan als een zogenaamde collectieve zelfmoord van de Balinezen. Ewald Vanvugt was daarmee andermaal een luis in de pels van de beroepshistorici.

Andermaal want hij was dat dus eerder met Wettig Opium. Bij zijn onderzoek naar De verovering van Bali ontdekte hij namelijk dat deze in direct verband stond met de handel in opium. Terug in Nederland stroopte hij de archieven en bibliotheken af naar dit onderwerp maar de Nederlandse opiumverkoop in Azië bleek totaal verdwenen in de twintigste-eeuwse vaderlandse geschiedenis. Via een voetnoot in de Tweede Kamerverslagen uit 1947 stuitte hij op een Indische opiumkroniek uit 1853 door J.C. Baud. Uit dit boek, dat de periode van de VOC van 1600-1800 behandelt, blijkt dat het goud van Hollands Gouden Eeuw voor een belangrijk deel afkomstig was uit de overheidhandel in opium. De grote verdienste van Ewald Vanvugt is niet alleen dat hij deze studie aan de vergetelheid ontrukt heeft, maar dat hij de kroniek doorgetrokken heeft naar de periode van de pacht van 1800 tot 1894 en naar de periode van de regie van 1894 tot 1942, toen de Japanse bezetting een abrupt einde maakte aan deze inkomstenbron.

Vanvugt toont aan dat ook in de anderhalve eeuw na de VOC opium voor de Staat der Nederlanden geen vloek maar een zegen is geweest. Zijn boek beschrijft de eeuwenoude Nederlandse maagd als opiumpusher, en aan haar voeten stond de nationale leeuw met het zwaard in de ene en de papaverbol in de andere klauw. Schuiven moesten de Javanen, en verslaafd raken aan belasting betalen. Het is berekend dat in bij voorbeeld de periode 1876-1915 de koloniale balanstekorten opliepen van 295 miljoen gulden, terwijl in dat tijdvak de opiumbaten 703 miljoen gulden bedroegen. Met andere woorden: zonder de opiuminkomsten zou het totale balanskort tot bijna een miljard gulden zijn opgelopen en zouden de kolonialen wel naar huis hebben kunnen gaan. De genoemde bedragen klinken nu nog astronomisch, maar zouden omgerekend naar deze tijd niet te bevatten zijn.

‘Wie de opiumcorruptie van de VOC wil kennen, wie het openbare debat in de negentiende eeuw wil volgen, wie met de ambtenarij wil kommaneuken of met christenen visionair en tegelijk benepen wil zijn, wie de boekhouders wil nacijferen of de politieke poppenkast in de ethische jas wil volgen, wie de hilarische geschiedenis wil kennen van de Nederlandse regering als would-be opiumkok op zoek naar het recept van rookopium, en wie nu wil weten waarom de schuivers bij wet verplicht de prut uit hun pijpen aan de Dienst der Opiumregie moesten terugverkopen, hij leze dit boek.’

Zo valt te lezen dat nog in 1930 de overheid 27 miljoen gulden verdiende aan de opiumhandel, terwijl het gebruik officieel bestreden werd – de ethische verpakking – voor de somma van 11.000 gulden. In feite was de ethische jas niets anders dan een vermomming: het beleid werd bepaald door het financiële belang van de staat. Nederland betoogde ook in de Volkenbond, de voorloper van de Verenigde Naties, dat het gebruik van opium bestreden moest worden, maar plaatste in een fotoboek ter gelegenheid van het regeringsjubileum van koningin Wilhelmina vol trots een foto van de opiumfabriek in het toenmalige Batavia, waar aan duizend contractarbeiders werk werd verschaft. In geheel Nederlands-Indië bestonden staatswinkels, waar wettig opium als warme broodjes over de toonbank ging. Maar ja, het Huis van Oranje heeft dan ook grote schatten verdiend aan het verslaafd maken van de Javanen. De Nederlandse Handels Maatschappij heeft in de 19de eeuw een grote rol gespeeld bij de wettige opiumhandel in de Indische archipel. De NHM is opgegaan in de Algemene Bank Nederland, dus je zou kunnen zeggen dat de ABN is voortgekomen uit de opiumwinsten.

De grootste drijfveer dit boek te maken was de verwondering dat alle Nederlandse publicisten al een eeuw hierover hebben gezwegen. Men kan de verdwijning van de opiumgeschiedenis een geslaagde propagandamanoeuvre van de overheid noemen, maar daarmee is niet verklaard hoe de geschiedenis van het slaapgom een eeuw kon slapen.

Ewald Vanvugt is de luis in de pels van de historici gebleven. Inmiddels verscheen ook bij Uitgeverij Aspekt Roofgoed. Europeanen vinden het vandaag de dag niet prettig om te worden herinnerd aan het feit dat de startkapitalen van hun welvaart met geweld werden weggehaald uit de andere werelddelen. De vraag of de landen van Europa een gemeenschap vormen en een gezamenlijke identiteit bezitten, wordt hier overtuigend positief beantwoord: zonder overzeese roof geen Europa! En vanzelfsprekend blies Nederland zijn partij mee. Zo werd eind 1894 het eiland Lombok op bloedige wijze veroverd, een overwinning met een legendarische oorlogsbuit: 230 kilo goudgeld, 7200 kilo zilveren munten en meer dan duizend kostbare ringen, krissen, kannen, juwelen enz., in 1897 triomfantelijk uitgestald in het Rijksmuseum in Amsterdam en sindsdien opgeslagen, of moeten we zeggen ‘verduisterd’, in de kelders en depots van de Nederlandsche Bank en diverse Nederlandse musea.

Terug naar Wettig Opium:
De eerste exemplaren werden destijds overhandigd aan prof. dr. W.F. Wertheim en aan drs. Jan Pronk, toen adjunct secretaris-generaal van Unctad (de United Nations Conference on Trade and Development), die conferenties organiseert waar voorstellen gedaan worden aan de Verenigde Naties ten aanzien internationale handel en ontwikkeling veelal met betrekking tot de positie van de arme landen. Bij die gelegenheid merkte Jan Pronk op dat de rol van de overheid bij de handel in verdovende middelen, zoals Nederland in de Indische Archipel, actueel is gebleven. De Verenigde Staten hebben bijvoorbeeld in Columbia een anti-marihuanacampgane gesubsidieerd om de productie van marihuana in eigen land te beschermen.

Ik citeer Jan Pronk: ‘Voor een land als Columbia kun je constateren dat een zeer belangrijk deel van de cocaïneproductie mede plaats vindt via import uit omringende landen als Peru. Daardoor ontstaat een handelssysteem met verwerkingsprocessen voor de buitenlandse markt. We weten dat Columbia's inkomsten uit de handel in verdovende middelen twintig procent hoger is, dat is ruim een miljard dollar, dan de opbrengst van de koffie-export. De opbrengst blijft voornamelijk in het buitenland en wordt voor een belangrijk deel besteed aan de invoer van consumptiegoederen via dezelfde handelskanalen waarlangs de verwerkte cocaïne wordt uitgevoerd. Die consumptiegoederen vind je terug in het normale handelsnet, de groot- en kleinhandel. Dat betekent dat de autoriteiten daar een rol hebben gespeeld waardoor het illegale handelsnetwerk aansluit op het legale handelsnetwerk.’

Alleen in de Verenigde Staten schatte Pronk toen de waarde van de markt voor verdovende middelen jaarlijks op een bedrag van 80 miljard dollar en hij voegde eraan toe dat de subsidie aan fondsen ter bestrijding van de illegale handel in verdovende middelen van dat bedrag maar een half promille is; en dat voor een aantal ontwikkelingslanden de opbrengst van de productie en de handel in verdovende middelen een deviezenbron vormt die alle andere overtreft.

Op de onderste foto v.l.n.r. Jan Pronk, Ewald Vanvugt, W.F. Wertheim

Waldy Simson 20 jaar in de kunst

Dit jaar is de in Suriname geboren kunstenaar Waldy Simson precies 20 jaar actief als kunstenaar. Hij begon in Den Haag, Nederland, in 1988 met het schrijven van poëzie en teksten voor muziek. Hij zag zijn eerste gedicht getiteld 'Sranan' gepubliceerd in een editie van de Weekkrant Suriname (oktober 1991).

Simson, die werkt met papier, keramiek, tiffany en schilderkunst, voor het eerst deelgenomen aan een groepsexpositie van beeldende kunst in het winkelcentrum van Borger in Nederland in 1993. Na exposities verzorgd te hebben in het Gemeentehuis van Norg, in Utrecht en het Museum van Veenhuizen verscheen op 8 februari 1995, ook in Nederland, zijn eerste boek Liederen en gedichten van Simson.

Op 14 februari 1997 introduceerde Simson de tiffanykunst in Suriname met de expositie Efraïm die werd gehouden in het Surinaams Museum. Na diverse exposities te hebben verzorgd in Suriname, op Aruba, Bonaire en Jamaica werd Simson uitgenodigd om, in het kader van de festiviteiten rond de negentigste verjaardag van de vrijheidsstrijder Nelson Mandela, een expositie te verzorgen in het Nelson Mandela National Museum in Zuid-Afrika. Simson die Nelson Mandela op 21 juli 2008 in Qunu, Zuid-Afrika, heeft ontmoet, heeft daar, onder zeer goede internationale publieke belangstelling, ook de tiffanykunst geïntroduceerd. Het door hem gemaakte tiffanykunstwerk Amandla werd toen opgenomen in de collectie van kunstwerken van het Nelson Mandela National Museum.

Op 8 november 2009 verscheen in Oranjestad, Aruba, zijn tweede boek Nieuwe pennenvruchten van Simson. Het bevat onder andere poëzie, muziek, 'Simson, een autididact in de kunst deel 2', foto’s van door Simson gemaakte kunstwerken die onderdeel zijn geworden van belangrijke internationale collecties, en een woordenlijst Surinaams–Nederlands. Het boek is in het kader van Simsons twintigjarig jubileum als kunstenaar, tegen een gereduceerde prijs, weer verkrijgbaar.

Simson heeft ook deelgenomen aan fondsvormende activiteiten ten behoeve van Haïti dat zwaar is getroffen door een aardbeving. Het door hem aan Haïti opgedragen gedicht getiteld '12 januari 2010' is behalve in het Nederlands ook vertaald in het Papiaments, Engels en Frans, en in briefkaartvorm verschenen.

Simson bedankt een ieder die, in welke vorm dan ook positief, heeft bijgedragen waardoor hij in de afgelopen twintig jaar als kunstenaar actief mocht zijn.

Als geschenk aan een ieder kan via de internetsite YouTube de DVD Hope bekeken worden (YouTube»Waldy Simson»Waldy Simson-Hope). Hope is samengesteld op basis van beelden die door Waldy Simson in Zuid-Afrika zijn gemaakt.

Prijsvraag
Verder stelt Simson diverse door hem gemaakte kunstwerken ter beschikking als prijzen voor degenen die de onderstaande vier vragen goed beantwoorden en hun antwoorden opsturen, onder vermelding van hun namen, adres, telefoonnummer en e-mailadres tot en met 20 augustus aanstaande, naar: waldysimson@hotmail.com of, per post, naar: Kaas Ariba 28 F / Santa Cruz – Aruba.
De uitslag van de prijsvraag zal rond 30 augustus aanstaande worden bekend gemaakt.

VRAGEN:
1) Noem vijf vormen van kunst die Waldy Simson beoefent.
2) Welke vrijheidsstrijder heeft Waldy Simson op 21 juli 2008 in Qunu, Zuid-Afrika, ontmoet?
3) Wat is de naam van het tiffany kunstwerk dat is gemaakt door Waldy Simson en dat onderdeel is van de collectie van kunstwerken van het Nelson Mandela National Museum?
4) Wat is de titel van het onlangs verschenen boek dat is geschreven door Waldy Simson?

[Bericht van Waldy Simson]

Foto links: Waldy Simson signeert; foto rechts: 50 Cents en Bart Simson (geen familie van)

De ‘taal’ van sculptuur

Nationaal Slavernijmonument in het Oosterpark te Amsterdam

Het ook bij mijn voorgaand artikel afgebeeld detail uit het Nationaal Slavernijmonument (2002) in het Oosterpark in Amsterdam van de hand van de Surinaamse schilder/beeldhouwer Erwin de Vries trof mij door zijn ‘beeldende’ kracht. Een kracht die op deze afbeelding bovendien wordt versterkt door de natuur: bedekt met sneeuw, die het beeld nog navranter maakt.

Detail Slavernijmonument

Toen geheel associatief spontaan het beroemde beeld van Auguste Rodin, De burgers van Calais (1888), op mijn netvlies verscheen, trof mij dat dit slavernijmonument in een rijke traditie staat.

De burgers van Calais

Detail De burgers van Calais

Monumentale kunst, veelal in brons, om aangrijpende gebeurtenissen voor het nageslacht vast te leggen, en daarmee per definitie zeer expressieve en emotionele kunst, zoals onder andere blijkt uit bijgaande beelden van het Oorlogsmonument te Zijpersluis (1946) van Willem Reijers, het Bevrijdingsmonument (1952) in Maastricht van Charles Eyck en De verwoeste stad (1953) in Rotterdam van Ossip Zadkine.

Oorlogsmonument Zijpersluis

Bevrijdingsmonument Maastricht

De verwoeste stad Rotterdam

Erwin de Vries had het goed begrepen: één beeld zegt méér dan duizend woorden. In zijn monument vallen drie delen te onderscheiden: het verleden, de dramatische geschiedenis van de slavernij, het heden, het doorbreken van de muur van weerstand, en de toekomst, de drang naar vrijheid en een betere toekomst.

zaterdag 24 juli 2010

Suriname, koloniale mislukking nummer drie

door Piet Emmer

Suriname heeft een veroordeelde crimineel tot staatshoofd gekozen. Is dat erg? Ja en nee. Nee, als we zouden aanvoeren dat er in de Caribische regio wel meer dubieuze personen staatshoofd zijn geworden. Zo heeft in Panama generaal Noriega wellicht nog meer met de drugshandel verdiend dan Bouterse. Op Haïti beschouwde de familie Duvalier (Papa en Baby Doc) de staatskas als hun persoonlijk eigendom, terwijl op het verpauperde Cuba de gebroeders Castro al meer dan een halve eeuw staatshoofd spelen zonder ooit de kiezers te vragen of ze het daarmee eens zijn.

Verbonden
Maar Suriname is niet zo maar een land. Het is een oude kolonie van Nederland en daarom had het Surinaamse electoraat beter moeten weten. Bovendien telt ons land honderdduizenden ex-Surinamers, die zich nauw verbonden voelen met de ontwikkelingen in hun geboorteland. Hoe konden de Surinaamse kiezers de wijze lessen uit de koloniale periode over goed bestuur, het handhaven van de rechtsstaat en het tegengaan van corruptie zo in de wind slaan?

Toch is de verkiezing van Bouterse geen uitzondering die de regel bevestigt. De gedekoloniseerde Nederlandse koloniën kennen een bedroevende aaneenschakeling van staatsgrepen en ondemocratische regimes. Neem Indonesië, dat decennia lang gebukt ging onder Soekarno, wiens regeringsperiode eindigde in een bloedige zuivering met wellicht een miljoen slachtoffers. Daarna volgde de even ondemocratische Soeharto, die zich ontpopte als een efficiënte kleptocraat. Pas de afgelopen tien jaar is er sprake van democratie. Natuurlijk zijn excuses snel gevonden.

Goed bestuur
De bevolking van onze Gordel van Smaragd was wel heel veel groter dan die van het moederland en daarom vergden goed bestuur, de volksgezondheid en het aanleggen van wegen en spoorwegen zoveel energie dat het invoeren van de democratie er een beetje bij inschoot. Bovendien kwam de dekolonisatie onverwacht. In de West met nog geen half miljoen onderdanen moest dat allemaal anders gaan. Daar begon het Nederlandse koloniale bestuur veel eerder dan in Indonesië met onderwijs, want na de afschaffing van de slavernij zou de bevolking alleen aan het werk blijven als zij zich de Westerse normen en waarden had eigen gemaakt.
Die koloniale politiek, in combinatie met missie en zending, zou de bevolking van Suriname en de Antillen veel ‘Nederlandser’ hebben moeten maken dan de Indonesiërs.

In de praktijk blijkt daar maar bitter weinig van. Zo hebben de kiezers op de Nederlandse Antillen een paar jaar geleden de familie Godett in het zadel geholpen. Anthony Godett kon wegens gevangenisstraf voor corruptie geen premier worden en liet zich daarom vervangen door zijn zuster. Zijn minister van Justitie (!), Komproe, belandde in de gevangenis omdat hij zich liet betalen door de internationale prostitutiemaffia.

Er is veel in het verleden van Nederland dat de voormalige koloniën maar beter niet kunnen kopiëren, maar corrupte fraudeurs en criminelen weren uit het landsbestuur wel.

Geen misdadigers
En nu Suriname. Je kiest geen misdadigers in openbare functies, punt uit. Dat de verkiezingen in Suriname geheel democratisch zijn verlopen, maakt de zaak alleen maar erger. Weer heeft het Nederlands kolonialisme gefaald. Dat had naast een rechtvaardig (Nederlands) koloniaal bestuur, een goedkope en efficiënte gezondheidszorg, stevige bruggen, begaanbare wegen, ferme dijken eneen paar nette ambachtsscholen, het bijbrengen van democratisch besef moeten bevatten.

Nu blijken grote delen van de bevolking van de Nederlandse ex-koloniën heel anders over goed en kwaad in de politiek te denken dan het voormalige moederland. Indonesië, de Antillen en Suriname: drie kansen, drie keer fout.

Piet Emmer is emeritus hoogleraar in de geschiedenis van de Europese expansie aan de Universiteit van Leiden

[Overgenomen uit de Volkskrant on-line, 24 juli 2010; zie ook de reactie hieronder]

Foto rechtsboven: Bouterse tijdens de proclamatie
van de Stanfaste-beweging in 1984, foto Michiel van Kempen;
foto links: The Nuba of Kau, @ Leni Riefenstahl

Witte huid, zwarte maskers*)

(de slavernij ondergesneeuwd)

Piet Emmer, emeritus hoogleraar in de geschiedenis van de Europese expansie aan de Universiteit van Leiden, heeft op de Opinie-pagina van de Volkskrant-online van vandaag een artikel gepubliceerd onder de titel “Suriname, koloniale mislukking nummer drie”, naar aanleiding van de verkiezing van Bouterse tot president. Een schandalig artikel! Na lezing voelde ik mij onwel, bevangen als ik was door een volslagen miezerig gevoel bij zoveel superioriteit en zoveel misvattingen als hier geëtaleerd door een ‘wetenschapper’ die een mensenleven lang de expansie van Europa heeft bestudeerd en daarvan zelf niets heeft geleerd. En daarbij gaat het mij niet om de verkiezing van Bouterse, die om het zacht te zeggen een zorgelijke ontwikkeling is, maar om de duiding die Emmer daaraan geeft. Het is de reactie van een ontgoochelde ouder die bij het deraillement van zijn kind theatraal uitroept: “Hoe kun je me dit aandoen, dat heb ik niet verdiend?!”

(Piet Emmer)

Emmer begint met de vraag of het erg is dat een veroordeelde crimineel is gekozen tot staatshoofd, waarop hij zegt: “Nee als we zouden aanvoeren dat er in de Caraïbische regio wel meer dubieuze personen staatshoofd zijn geworden”. Om zich dan te beroepen op zijn en andermans 'verbondenheid' met Suriname, stellende: “Maar Suriname is niet zo maar een land. Het is een oude kolonie van Nederland en daarom [accentuering van mij - RvdM] had het Surinaamse electoraat beter moeten weten. Bovendien telt ons land honderdduizenden ex-Surinamers, die zich nauw verbonden voelen met de ontwikkelingen in hun geboorteland. Hoe konden de Surinaamse kiezers de wijze lessen uit de koloniale periode over goed bestuur, het handhaven van de rechtsstaat en het tegengaan van corruptie zo in de wind slaan?”

Ik kan er niet over uit – en dat zal mij ook wel nooit lukken – hoe een bakra durft te spreken over “de wijze lessen uit de koloniale periode”. Emmer maakt het verderop alleen nog maar erger door mitigerend te spreken over Nederland’s “goed bestuur” in Nederlandsch-Indië: “De bevolking van onze Gordel van Smaragd was wel heel veel groter dan die van het moederland en daarom vergden goed bestuur, de volksgezondheid en het aanleggen van wegen en spoorwegen zoveel energie dat het invoeren van de democratie er een beetje bij inschoot.” Wat een drogredenen! Emmer wil nog steeds niet weten dat de Nederlandse koloniën wingewesten waren in de meest letterlijke zin van het woord. Elke investeringen in deze wingewesten had de verveelvoudiging ervan tot inzet en niet anders: elke geïnvesteerde gulden moest honderd gulden opleveren. Dat er daar toevallig ook nog mensen woonden was van volstrekt ondergeschikt belang.

(Barbertje moet hangen)

Onbegrijpelijk dat Emmer concludeert: “Weer heeft het Nederlands kolonialisme gefaald.” Deze kreet moet een ‘lapsus linguae’ van hem zijn, want hij vervolgt: “Dat had naast een rechtvaardig (Nederlands) koloniaal bestuur, een goedkope en efficiënte gezondheidszorg, stevige bruggen, begaanbare wegen, ferme dijken en een paar nette ambachtsscholen, het bijbrengen van democratisch besef moeten bevatten. Nu blijken grote delen van de bevolking van de Nederlandse ex-koloniën heel anders over goed en kwaad in de politiek te denken dan het voormalige moederland. Indonesië, de Antillen en Suriname: drie kansen, drie keer fout.”

Met andere woorden: “Kind je maakt me te schande, zó heb ik het je niet geleerd!” Voor mij mag van nu af aan alle wetenschappelijke ‘arbeid’ van Emmer ongelezen naar de prullenbak worden verwezen.

*) Mijn variant op “Black skin, white masks” van Frantz Fanon.

[Dit artikel is gelijktijdig gepubliceerd op http://www.surinamestemt.com/]

Sranan schrijven

Skrifi Sranantongo bun!

door Ruth San A Jong


Als je denkt het Sranantongo te kennen of zelfs te kunnen schrijven, met enkel het doornemen van de vele spellingboeken die er liggen, dan zit je er net naast. Samen met veertien andere geïnteresseerden rolden we van de ene verbazing in de andere over de eenvoud en consequentie van de spelling van het Sranantongo in een workshop, vijf keer op donderdagavond. Stichting Bukutori was de organisator en Eddy van der Hilst, linguïst, degene die ons deze kennis bijbracht. Bij mij zou het woord gêne beter passen dan verbazing: waarom zou ik mij verdiepen in een taal waarin ik niet denk, niet schrijf, was immers mijn houding. In de supermarkt kan ik me nog behelpen met ‘omeni’ en ‘a furu’.

Tien jaar geleden kreeg ik van mijn grootmoeder een spellingboek in handen gedouwd, geschreven door Eddy van der Hilst. Ik stond erbij en keek er naar: het was compleet in Sranantongo geschreven. Door enkel mentale luiheid kocht ik de boeken van verschillende auteurs die het mij gemakkelijk maakten de taal te begrijpen, doordat ze in het Nederlands geschreven hadden. Ik heb het boek van Van der Hilst, Skrifi Sranantongo bun, leysi en bun tu, dan ook tot mijn beschaming laten liggen tot een maand geleden, toen we startten met de cursus.
Schrijven is het coderen van gesproken taal. Lezen is het decoderen van het geschrevene. Mijn kennis van het begrip taal is net zo naïef als het scheppingsverhaal. Op de basisschool worden je woorden en regels ingestampt en dat heet taal. Eddy weet als geen ander het begrip taal, maar meer nog Sranantongo in te leiden. Van elk woord werden de herkomst, de manier van samentrekken, de regels die daarbij horen fijn uitgekauwd. Dat het Sranan een analytische taal is, werd duidelijk toen Eddy het Nederlands naast het Sranan plaatste. Waar in het Nederlands (als synthetische taal) complexe handelingen gevormd worden door middel van voor- en achtervoegsels, worden die in het Sranantongo juist ontleed in hun samenstellende handelingen, bijvoorbeeld: het Nederlandse ‘wegbrengen’ wordt in het Sranan ‘teki tyari gwe’: nemen, dragen en weggaan. Geen ingewikkelde vervoegingen, geen verschillende meervoudsvormen, geen dubbele klinkers en dubbele medeklinkers (om aan te geven dat de klinker kort is). Hoe heerlijk zou het kinderleven zijn als we dat op de schoolbanken hadden.
Mijn aantal goed geschreven woorden werden met elke cursusavond minder. We kregen aan het begin van de avond een kleine repetitie. Tot ongeveer de tweede sessie is de betekenis van de woorden het enige waar de groep naar vroeg. We belandden in de derde sessie bij het o zo heikele punt: het gebruik van i en y in de diftong en welke spelling hanteren wij? Volgens de spellingresolutie van 1986 zouden de tweeklanken geschreven moeten worden met het teken van de orale klinker gevolgd door de ‘i’ of de ‘w’. Omdat er hierover in de spellingcommissie geen consensus bereikt kon worden en een stemming hieromtrent slechts gedeeltelijk plaatsvond, vroeg Sranan Akademiya aan de minister dit punt weer onder de aandacht van de commissie te brengen. Toen dit niet gebeurde en de spelling met de ‘i’ en de ‘w’ in de tweeklanken werd gepresenteerd en Sranan Akademiya de minister aan zijn belofte herinnerde, stelde hij dat hij dan de schrijfwijze van de tweeklanken voorlopig dan open zal laten.
De spelling van Sranan Akademiya zegt dat de tweeklanken met het teken van de orale klinker gevolgd door de ‘y’ of de ‘w’ geschreven moeten worden. Ook hier werden de twee spellingwijzen naast elkaar gelegd en gemotiveerd waarom. De groep is er gauw uit, we kiezen voor de ‘y’. Spijtig te constateren dat er beslissingen worden genomen op basis van het persoonlijke. Een ‘dyugudyugu’ tussen die commissieleden. Ik zal niet schrijven wie die commissieleden waren.
Tijdens de sessies betrap ik mezelf er steeds op (met mijn Nederlandse gedachten) onbewust de spellingregels van het Nederlands toe te passen op het Sranan. Conflict als gevolg! Ook hier blijkt de kundigheid van Van der Hilst: de logica van die spellingregels snap ik steeds meer. Gewoon toepassen. Consequent toepassen. Ik kan nu mijn innerlijke weerstand tegen die duizend regels van het Nederlands wel verklaren. En De Schrijfwijzer van Jan Renkema en het Groene Boekje en de Spellingwijzer liggen heel dichtbij mijn toetsenbord. Maar de woorden van Eddy: ‘We zijn niet met het Nederlands bezig! Houd je aan de regels‘, hoor ik nog steeds.

Het gegiechel en de kreten van herkenning tijdens de behandeling van de stof over klinkers en medeklinkers zijn er tijdens de vierde en vijfde sessie niet meer. De belangrijkste regel bij het schrijven van Sranantongo is dat het woord wordt geschreven zoals het in een geïsoleerde situatie wordt uitgesproken. Voluit dus: koniman. Bij het lezen echter hoor je de klinker i niet, net als bij het spreken. Bij het lezen moet namelijk op dezelfde manier samengetrokken worden als bij het spreken.

Dat het Sranantongo naast moedertaal ook lingua franca is, een bindmiddel voor Surinamers en Surinameliefhebbers, daar zijn we het allen over eens. Sranantongo in de schoolbanken? Daar ben ik bang voor. Toch durf ik die gedachte niet te verwerpen, hoewel het veel voeten in de aarde zal hebben. Voor moedertaalsprekers van het Sranan lijkt het een handig hulpmiddel om het Nederlands beter te begrijpen. Voor zover ik weet hanteren leerkrachten het Sranantongo, bij uitleg van bepaalde begrippen, vooral bij kinderen die het Nederlands thuis niet spreken. Het werkt tot nu toe wel.

‘Nu kunnen jullie het Sranantongo schrijven en lezen‘, zegt Eddy van der Hilst met een grijns op zijn gezicht. Aan het eind van de cursus gaan er evaluatieformulieren rond. Samenstellingen en samentrekkingen blijken het moeilijkst. Oefening baart kunst en dus probeer ik dapper aan het eind mijn dankwoord in het Sranantongo te spreken. ‘Mi wani taki masra Van der Hilst dank gi a gelegenheid disi...’ De groep onderbreekt mijn zware inspanning en buldert van het lachen. Eddy veegt het weg uit zijn oren. Ik heb nog een lange weg te gaan.


De illustratie komt van de Facebookpagina Mi wana [sic] taki Sranan

vrijdag 23 juli 2010

'In de bosjes, Frank, daar ligt hun toekomst!'

door Fred de Haas

Zondagmiddag 6 juni, Delft, Boekhandel Huyser
Presentatie van het boek Tropenkolder

Het was een van die drukkende Hollandse lentemiddagen waarbij de temperatuur aarzelt tussen aangenaam en onaangenaam en waarop de regen nog net niet of nauwelijks door de overdekte lucht dringt. Een trotse uitgever Anton Scheepstra (foto rechts, rood shirt) van Uitgeverij Passage in Groningen introduceerde als eerste spreker de debuutroman Tropenkolder van Marcel de Jong.
Vervolgens gaf de Bonairiaanse Natalie Wanga een toepasselijke introducerende presentatie waarin zij op een leuke manier voor het publiek de meervoudige identiteit van vele caribeñas en caribeños ontleedde door zichzelf en haar ervaringen op de eilanden en in de wereld als voorbeeld te nemen en ook enkele dichtregels van Antonio Machado aanhaalde om haar betoog te illustreren:

Caminante no hay camino
Se hace camino al andar....


(Reiziger er is geen weg, wegen wijzen zich al reizende….), waarbij met ‘de weg’ in dit geval de weg van de schrijver werd bedoeld.

Vervolgens kwam de auteur zelf aan het woord die genereus en uitbundig begon met de schrijver Rudolf Geel te bedanken voor zijn inspirerende en geïnspireerde aanwijzingen tijdens de 6-jaar durende weg die hij, Marcel, had afgelegd voordat het boek eindelijk op de plank stond. Niet dat hij er geen plezier aan had beleefd, integendeel, de weg was een worsteling geweest, maar dan van het aangenaamste soort. Maar nu was ie ten einde en kwam er weer een andere weg: caminante no hay camino… Schrijven is een zoekproces, zei de Jong, langzamerhand leer je je eigen personages kennen en daardoor kom je ook steeds dichter bij jezelf. Maar nu was het dus af en stond het boek in zijn eigen boekenkast tussen de dichter-zeeman Slauerhoff die alleen maar in zijn gedichten kon wonen en de ‘opwaaiende zomerjurken’ van Oek de Jong.

‘Emotie is heel belangrijk’ zei Rudolf Geel in zijn reactie. Het is fijn als een boek goed is geschreven, maar zonder emotie zou het een bedenkelijke zaak worden. Geel haalde als voorbeeld een openingszin aan van Nescio die hem tot tranen toe had bewogen: ‘Jongens waren wij, maar aardige jongens’. Inderdaad, zo is het.
Vervolgens sloot de schrijver de presentatie af door een stuk voor te lezen uit het eerste hoofdstuk van zijn boek Tropenkolder en liet het aanwezige publiek kennismaken met een van die vele absurde situaties die je in de Caribische tropen zoal kan aantreffen. De waarnemend gezaghebber van Bonaire, de heer Peter Silberie, voor Bes-zaken in Nederland, hoorde ernstig toe (foto links, in het midden). Ik zou zijn gezicht wel eens willen zien na het lezen van Tropenkolder.

Toen de spanningsboog voldoende was gestegen hield de Jong op en nodigde hij de luisteraars uit om de rest van het boek maar zelf te lezen…. En zo zou geschieden, te oordelen naar de lange rij die zich voor de signerende schrijver begon te vormen.
Vanaf de eerste bladzij van Tropenkolder – een sleutelroman met autobiografische trekken waarvan het verhaal zich afspeelt aan het eind van de jaren negentig van de vorige eeuw - wordt de lezer deelgenoot gemaakt van situaties en gebeurtenissen die onafwendbaar naar het grote échec zullen leiden, naar een daverende clash tussen twee culturen, de Antilliaanse c.q. Bonairiaanse en de Nederlandse.

De handeling begint op het verstikkend hete schoolplein van SGB, de Scholen Gemeenschap Bonaire, waar een leraar zijn klas niet in kan omdat de obstructie drijvende, treiterende conciërge Tanga, een voormalige bajesklant, de sleutel van de klas weigert af te geven, in de wetenschap dat hij wordt gesteund door Directeur Maduro, een incompetente, door de katholieke kerk geprotegeerde Bonairiaanse ‘schoolleider’, die Andeweg suikerzoet meedeelt dat hij, Andeweg, als Nederlander de infame geschiedenis van de slavernij heeft geërfd en dus, suggereerde de sluwe blik in zijn ogen, een toontje lager moet gaan zingen. Tanga en Maduro, een onfris duo dat de pest heeft aan Nederlanders. In dezelfde mate als de aan de SGB werkzame Nederlanders de pest hadden aan Bonairianen.

Vanuit dit kweekbed van haat en onbegrip zal zich onstuitbaar een cultureel drama voltrekken dat zich zal manifesteren in een aantal over elkaar heen buitelende gebeurtenissen die door de auteur op meesterlijke wijze en op een zeer onderhoudende, stijlvolle, coherente en transparante manier worden verteld en in de hand gehouden. Een boeiende vertelling met als inzet de strijd tussen twee culturele identiteiten waarvan je je afvraagt of, na 2010, als de huidige staatkundige ontwikkelingen zich doorzetten, de Bonairiaanse identiteit niet langzamerhand zal verdwijnen.

De dragers van het verhaal zijn Frank Andeweg, leraar maatschappijleer en journalist voor een Nederlands-Antilliaanse krant (men herkent het Antilliaans Dagblad), en Wiebe Kramer, een leraar Nederlands, die, net als zijn vriend Frank, ook artikelen voor een krant schrijft. Door hún ogen zullen wij een, volgens hen, lamlendige en corrupte Bonairiaanse samenleving leren kennen. De zware shag rokende Wiebe, die al langer in het Caribisch gebied werkzaam is, heeft de gewoonte om zijn frustraties om te zetten in simplistische en racistische one-liners en ongevraagde adviezen: ‘Nagel die apen aan de schandpaal, Frank!’ Wiebe Kramer heeft een ijzeren discipline in de klas en hij geeft geheel gratis zijn recept voor een goede ordehandhaving door aan zijn vriend: ‘Zet een leerling een keer in de prullenbak! Dat zijn ze thuis gewend!’ Ook schetst Wiebe, zinspelend op de seksuele activiteiten van nogal wat leerlingen, de volgende rooskleurige toekomst voor enkele Mavo-3 meisjes: ‘In de bosjes, Frank, daar ligt hun toekomst!’ Over de collega’s is Wiebe evenmin te spreken: ‘Het is gewoon een lul. Een arrogante klootzak. Net zoals iedereen hier…’ Tja…

Langzaam begin je als lezer wat sympathie te voelen voor Maduro en Tanga. Wie zou niet de pest krijgen aan zo’n neo-koloniaal type als Wiebe Kramer? Maar Tanga raakt dat begrip van de lezer al snel kwijt. Tanga laat geen gelegenheid voorbijgaan om te laten merken dat de Nederlanders wat hem betreft kunnen oprotten en zijn uitspraken worden hoe langer hoe duidelijker: ‘Hier zijn we niet gediend van Hollanders zoals u […] jullie weten alles beter. Maar wij blijven, jullie niet. Nooit. Jullie zijn als kakkerlakken. Die waaien ook altijd verder.’
Directeur Maduro beschuldigt de Nederlanders ervan geen begrip te hebben voor de Bonairiaanse cultuur. Maar voor Andeweg, een sympathieker personage dan Wiebe Kramer, bestaat die cultuur alleen maar uit corruptie, traagheid en lamlendigheid. Zijn klaslokaal is voortdurend op slot, leerlingen komen niet opdagen, iedereen is altijd moe en Tanga heeft geen tijd om kopieën voor hem te maken… Wiebe kan kort zijn over de inheemse cultuur: ‘Schelden, neuken en schreeuwen kunnen ze als de beste!’

Andeweg schrijft scherpe, op reële feiten gebaseerde artikelen over de corrupte politiek van Bonairiaanse politici in samenwerking met Nederlandse bedrijven (je herkent Bouwbedrijf Koop Tjuchem dat smeergelden afboekt als acquisitiekosten) en dat wordt hem niet in dank afgenomen door politici als Janga: ‘Hier zijn we niet gediend van Hollanders zoals u. […] ik zal er persoonlijk voor zorgen dat we niet meer worden betutteld door Nederlanders en mensen zoals u. De toekomst is van ons’. Janga is duidelijk: ‘Zoals hij [= Chávez] de veramerikanisering van Venezuela voorkomt moeten wij de vernederlandsing van Bonaire tegengaan’ en ‘lesgeven in het Nederlands betekent al bij voorbaat dat de helft van de leerlingen geen diploma haalt!’

Voor dit laatste is trouwens wat te zeggen, vind ik.

Ook Andeweg is niet bepaald iemand die over een erg groot empathisch vermogen beschikt. Als zijn Antilliaanse vriendin Minny hem vol trots de – wat onduidelijke – Indianentekeningen laat zien in een van de Bonairiaanse grotten laat hij zich ontvallen: ‘Dat zijn vlekken, geen indianentekeningen’. So much for his understanding!

Het emotionele leven van Andeweg, evenals dat van zijn collega en vriend Wiebe, kennelijk een expert op het gebied van seks met zwarte vrouwen (‘Ze zijn goed. Wild. Primitief lekker’) vertoont geen sporen van enige diepgang. Het zijn allebei verstandsmensen en ze passen van geen kanten op het eiland. Voortdurend botsen ze met de lokale bevolking. Tijdens een politiecontrole (er worden trouwens alleen Nederlanders gecontroleerd, merken ze op) maakt Andeweg een cynisch grapje over extra ontwikkelingshulp in de vorm van georganiseerde boetes. De agent: ‘Wij houden niet van Nederlandse grapjes, meneer.’ De lezer voelt hoe de ondergrondse veenbrand langzaam verder kruipt en elk ogenblik aan de oppervlakte kan komen.

Af en toe betrekt de auteur ook andere personages in zijn verhaal. Glenn is een wat oudere Surinaamse natuurkundeleraar die al dertig jaar op het eiland zit en door zijn anciënniteit onaantastbaar is geworden. Maar ook hij wordt als Surinamer door de Bonairianen gediscrimineerd en heeft zo zijn eigen ideeën over de Antilliaan ontwikkeld: ‘Antillianen geven af op anderen omdat ze onzeker zijn. Hun identiteit bestaat uit verzet tegen ons, tegen jullie, tegen latinos’. Zijn visie op heden en toekomst van het eiland is inktzwart: ‘Het is hier een chaos zonder toekomst. Antillianen missen het vermogen om na te denken en vooruit te kijken.’
In zijn vrije tijd bekommert Glenn zich altruïstisch om Colombiaanse en Dominicaanse hoeren, zowel administratief als klantmatig. Dat is blijkbaar makkelijk te combineren met zijn werk aan het SGB.

Beide Nederlanders, die, net als vele andere Nederlandse passanten, met al hun wortels in de Hollandse klei staan, willen de Antillianen ‘mores’ leren, maar dan wel hún – Nederlandse - mores. Dat lukt natuurlijk niet en hun frustratie neemt hand over hand toe. Ze worden langzamerhand wat paranoïde en zien zelfs de uiterlijke verschijningsvorm van de Bonairianen vanuit het negatieve: ‘Pikzwart kind, veel te dikke lichaam, een dikke neger, een pikzwarte man, een vetklep, negerbillen, dik, lelijk, vette koeien, een pafferige vrouw, drie pikzwarte mannen, een gedrongen Antilliaanse, een moddervette man.’ Een niet onaardige fauna, waartoe ook directeur Maduro behoort die de lesmethode die is ontwikkeld door Andeweg nauwlettend in de gaten houdt. Elk hoofdstuk moet voorzien zijn van een dot katholieke religie. Maduro is niet voor niets van de Kerk afhankelijk. Alles is politiek.

Dwars door zijn tropenkolder heen blijft Andeweg lucide en hij spaart zichzelf daarbij niet. In het begin van het boek vertelt hij ons dat een Antilliaanse leerlinge in Nederland hem eens heeft gezegd dat Nederlanders zo raar ruiken, vooral ’s morgens: ‘naar rot’. Aan het eind van het boek valt hem iets op: ‘Ik stink […] – naar rot, denk ik. Die Antilliaanse leerlinge had toch gelijk!’
Een auteur die dergelijke – ver van elkaar verwijderde - passages zo aan elkaar weet te verbinden, geeft blijk van meesterschap.

De enige onvolkomenheden die ik aan dit boeiende boek (dat overigens vol staat met treffende sfeertekeningen van het prachtige Bonairiaanse landschap) kan ontdekken – een recensent moet altijd iets te zeuren hebben – zijn wat vreemde combinaties en taal- en stijlfouten als: ‘de passaatwind rukt (?) mijn auto binnen’, ‘gortdroge (?) grond’, ‘bewegingsloos i.p.v. bewegingloos (komt nogal eens voor in het boek)’, ‘hij pruilt (?) zijn lippen’, ‘en juist daarom heb je een andere roeping (?) gekozen’, ‘beheerste (?) de gave van het vertellen’, ‘dit zult (?) u bezuren’, ‘te allen tijden’ i.p.v. ‘te allen tijde’.
Eén keer ben ik flink in de lach geschoten bij de volgende erotische passage: ‘mijn vingers verkennen trillende haar vochtige innerlijk (!)’.
Een wat merkwaardige psychologische verkenning van de vagina, zou je denken….

De correctheid van de Spaanse citaten laat hier en daar te wensen over. Op bladzij 6 van Tropenkolder staat in het liedje van Joe Veras het woord ‘basillo’. Dat bestaat niet in het geschreven Spaans. Bedoeld wordt ‘vacío’ (= leegte) en dan wordt het duidelijk. ‘La primavera etera’ moet zijn ‘la primavera eterna’ (vert. eeuwige lente), fouten als ‘Entrada prohibido’ (vert. ‘verboden toegang’ moet zijn ‘prohibida’,) en ‘Kaya peligro’ (vert. ‘Gevaarlijke weg’ moet zijn ‘peligroso’) zijn wel gecorrigeerd in de verklarende – handige – woordenlijst achterin. Er wordt niet helemaal goed geciteerd uit het liedje ‘Anoche soñé contigo’ (vert. Vannacht heb ik van je gedroomd) van Antony Santos op bldz. 179: ‘Y después, en mis brazos se dormía y lloré porque se tiene alegría’. Dat moet zijn ‘sentía’ en niet ‘se tiene’ (vert. En toen viel hij in mijn armen in slaap en voelde ik blijdschap’).

Als je vloekt in het Papiamento moet je dat wel goed doen. ‘Coño pendeo (!)’ bestaat niet als vloek. Je kan ‘coño’ zeggen of ‘pendeu’ (betekenen allebei ‘klootzak’) of ‘ko’i pendeu’ (betekent ‘klootzakkerij’). Ook moet ‘den’ nadrukkelijk aanwezig zijn in de vloek ‘Bai den coño di bo mama’. Er zijn wel varianten zonder ‘den’, maar Hollanders kennen die niet.

Mijn raad aan alle Hollanders op de Antillen is: vloek nooit in het Papiamento of in het Spaans. Uw accent en geringe beheersing van de vloek zullen u alleen maar belachelijk maken. U zult een willige prooi worden van de Tanga’s en Maduro’s. Gebruik zonodig, naast het Wilhelmus, liever uw eigen krachttermen!

Lees dit boek! Lees ‘Tropenkolder’! En huiver!

Auteur: Marcel de Jong, Tropenkolder
Uitgeverij: Passage, Groningen

Waarom zou je lezen?

Nieuwe inzichten over de functies van lezen

Op 4 en 5 november 2010 vindt het symposium Waarom zou je (nu) lezen? van Stichting Lezen plaats in Studio 4 op het Mediapark in Hilversum.


Over het belang van lezen en literatuur is maar weinig discussie. Voor leesbevordering bestaat dan ook een breed draagvlak. Maar de vraag naar de betekenis van lezen en literatuur in de huidige samenleving is daarmee allerminst beantwoord. Lezen is belangrijk maar waarom? Welke feiten biedt de wetenschap daarover?

Op het symposium komen wetenschappelijke ontwikkelingen en nieuwe inzichten aan de orde. Inzichten over de stand van het lezen, het lezen via digitale media, de functie van lezen voor de ontwikkeling van het individu en de samenleving. Nieuwe perspectieven op leesbevordering en opvoeden in de literatuur en de rol van de leerkracht, ouders, de bibliothecaris en de docent. Hoe kunnen zij via de doorgaande leeslijn lezers wegwijs maken in de steeds groter wordende omgeving van het lezen?

Wie wil weten welke antwoorden onderzoekers uit verschillende disciplines op deze vragen geven en mee wil denken over de consequenties daarvan voor leesbevordering mag dit symposium niet missen.
Voor wie?
Leraren en lerarenopleiders
Wetenschappers
Beleidsmakers
Leesbevorderaars
Bibliotheekmedewerkers

Wie kunt u onder anderen op het congres verwachten?
Donderdag 4 november
Keynote spreker Bas Heijne (publicist), Frans-Willem Korsten (Universiteit Leiden en Erasmus Universiteit Rotterdam), dagvoorzitter, Dick Schram (Vrije Universiteit Amsterdam), Coosje van der Pol (Universiteit van Tilburg), Elisabeth Duursma ( Rijksuniversiteit Groningen)
Vrijdag 5 november
Ronald Soetaert (Universiteit van Gent), dagvoorzitter en spreker, Niels Bakker (Vrije Universiteit Amsterdam) en Wiebe de Jager (uitgeverij Eburon), Suzanne Mol (Universiteit Leiden)

Het volledige programma wordt begin september bekend gemaakt op http://www.congres.lezen.nl/

Wilt u verzekerd zijn van deelname? Stuur een email met uw naam, functie en adresgegevens naar: congres@lezen.nl. U ontvangt dan in september het definitieve programma en informatie over de inschrijving.

Kijk voor meer informatie over het symposium en de aandachtsgebieden van de sprekers op de site van de Stichting Lezen.
Op de rechterfoto: Bas Heijne (met papier in hand) in Paramaribo, 21 april 2010;
@ Michiel van Kempen