vrijdag 30 april 2010

Antillen Festival

Van 7 t/m 16 mei barst in de Concert- en congresgebouw de Doelen in Rotterdam en het Tropentheater in Amsterdam het Antillen Festival los. Het festival presenteert een breed overzicht van de Antilliaanse cultuur. Naast concerten staan er ook films en een kindervoorstelling op het programma.

Een paradijs van zon, zee, strand, salsa en cocktails: dat is wat men zich doorgaans bij de Nederlandse Antillen voorstelt. De grote culturele rijkdom is echter een verborgen schat die door de meeste Nederlanders nog ontdekt moet worden. Vanwege een historie van kolonisatie en slavernij steunt de Antilliaanse muziek op drie culturele pilaren: de Europese, de Afrikaanse en de oorspronkelijke indiaanse cultuur. Al deze elementen – van traditionele tot hedendaagse muziek – komen aan bod tijdens het Antillen Festival.

Pianist Randal Corsen en schrijver Jan Brokken illustreren de Antilliaanse salonmuziek, waaronder mazurka’s en walsen. Dezelfde Corsen brengt een ode aan de Curaçaose musicus Julian Coco. Eveneens uit Curaçao, maar al jaren woonachtig in Nederland, komt jazz-zangeres Izaline Calister. Speciale gast bij haar concert is de nestor van het Papiamentse lied, Oswin Chin Behilia. Ook St. Eustatius is vertegenwoordigd met de kettledrum- en stringband-muziek van Afrikaanse afkomst van Victor Sams.
Uit Aruba komt Grupo di Betico, die de traditionele stijlen paranda, aguinaldo (uit Venezuela overgewaaide kerstliederen) en de dandé vertolken. De traditionele dansgroep Nos Caribe toont de rijke erfenis van de Antilliaanse dans.

Klik hier voor het hele programma

Vergeten strijders van Oranje

Op dinsdagavond 4 mei toon het Sarnami Instituut Nederland in Den Haag de filmspecial De vergeten strijders van Oranje. 4 mei en 5 mei herdenken Nederlanders de Tweede Wereldoorlog. Veel mensen realiseren zich niet dat ook Suriname ernstig geleden heeft in de Tweede Wereldoorlog. De niet eerder op televisie vertoonde film 'De Vergeten Strijders van Oranje' toont de bijdrage die Surinamers hebben geleverd aan de bevrijding van Nederland.

Het wrak van het Duitse koopvaardijschip Goslar in de Surinamerivier is nog steeds een stille getuige van WO II. Er was een directe dreiging voor het land door aanvallen op de bauxietmijnen, het eten was er op de bon en zeker vijfduizend Surinamers hebben meegevochten onder Nederlandse vlag om in Suriname doelwitten te beschermen. Suriname voorzag indertijd in ruim zestig procent van de bauxietproductie in de wereld en was daarmee van groot strategisch belang voor de Verenigde Staten. Voor de bouw van Amerikaanse vliegtuigen werd bauxiet uit Suriname gebruikt.

Regisseur Ramdjan Abdoelrahman filmde getuigenissen van oud-strijders, afgewisseld met het relaas van mensen die de oorlog op een andere manier hebben meegemaakt, plaatsen die historisch een speciale betekenis hebben en archiefbeelden. Het Sarnámihuis herdenkt deze vergeten strijders van Oranje en de Tweede Wereldoorlog met een bijzondere filmavond. (tekstbron: www.filmfestival.nl)

Programma

19.00 – 19.15 Inloop
19.15 – 20.00 Interview met Ramjan Abdoelrahman & Surinaamse oud-schutter
20.00 – 20.02 Twee minuten stilte
20.03 – 21.30 Film ‘de vergeten strijders van oranje’
21.30 – 22.00 Nabeschouwing & slot

Aanmelden via lezing@sarnamihuis.nl
Entree: gratis (inclusief een kleine versnapering)

Visie van de regisseur
“De vergeten strijders van Oranje - elke dag valt er een blad van de boom”
(speelduur 85 min.)

In november 2006 zat ik op een bankje aan de oever van de Surinamerivier, achter Fort Zeelandia en staarde ik naar het wrak van het Duits koopvaardijschip de Goslar. Toen mijn blik afdwaalde naar het verweerde standbeeld van Koningin Wilhelmina, weggezet naar een onopvallende plek, leek het me alsof ze van daar uit wakend naar de Goslar kijkt. Eenzaam op die verlaten plek en met een trieste, maar o zo fiere blik kijkt zij in de richting van de Goslar, die daar nog altijd ligt in de vaargeul van de Surinamerivier. Een koud en bizar gevoel ging door me heen; dit zijn de laatste twee verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog hier in de West, daar het scheepswrak, moedwillig door zijn kapitein tot zinken gebracht in mei 1940 en hier de trieste blik van de koningin, symbool van het koninkrijk, haar koloniën en hun onderlinge verbondenheid.
En ik dacht terug aan mijn jonge kinderjaren en mijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Ik heb als peuter van vier op – om precies te zijn – 10 mei 1940 dit schip zien zinken. Ik heb, weliswaar met kinderogen, voor een groot deel gezien hoe het Suriname is vergaan tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Later, toen Koningin Wilhelmina de troon overdroeg aan haar dochter Juliana en toen dit standbeeld nog glorieus op het Oranjeplein stond, in het kloppend hart van het land, heb ik daar samen met duizenden anderen in de regen gestaan en uit volle borst het Nederlands volkslied meegezongen.

Op dat moment, in november 2006, voelde ik een zekere drang om als documentairemaker dit geschiedkundig verhaal verder uit te diepen en vast te leggen. Ik kreeg daarbij ook een gevoel van 'nu of nooit', want nu leven er nog Surinamers die deze periode met oudere ogen dan kinderogen hebben meegemaakt, mensen aan wier leven plotseling een soms zeer ingrijpende wending is gegeven, omdat zij geheel onverwacht onder de wapenen werden geroepen om te dienen in de Schutterij. Zij werden met spoed getraind om de kust te bewaken en de grenzen te beschermen en met name de grens met Frans-Guyana, alsmede de beauxiet-winplaatsen tegen Duitse invallen, tevens werden zij ingezet om geïnterneerden (veelal Duitsers, soms ook Nazi-sympathisanten) achter de hekken van hun kamp te houden.

Als filmer heb je wel vaker zo'n aanvechting. Soms loopt die vanzelf ook weer weg, maar deze bleef bij mij, ook toen ik allang weer terug was in Nederland. Ik ontdekte dat de mensen in Nederland denken dat de Tweede Wereldoorlog ongemerkt voorbij is gegaan aan Suriname en ik ontmoette veel verbazing wanneer ik hen met de feiten confronteerde. Uit peilingen is gebleken dat zowel Nederlanders als Surinamers (jongere generaties) weinig tot niets afweten hieromtrent.
Ik startte een zoektocht naar nog levende veteranen en hun getuigenverhalen, naar hetgeen zij zouden kunnen vertellen.

Tijdens verdere research werd het mij steeds duidelijker dat vooral in Nederland, maar ook in Suriname, de betrokkenheid van Suriname tijdens de Tweede Wereldoorlog in vergetelheid is geraakt. Suriname is tijdens deze periode van groot strategisch belang geweest vanwege de export van bauxiet ten behoeve van de strijd van de geallieerden. Ruim zestig procent van de vervaardigde vliegtuigen tijdens deze oorlog, is gemaakt van aluminium uit Surinaams bauxiet. De Duitsers waren zeer alert en probeerden deze bauxietexporten te verhinderen. Duitse duikboten waren daarom zeer actief in de Caraïbische wateren en hebben een aantal van deze transportschepen tot zinken gebracht. Op hun beurt was de Amerikanen er alles aan gelegen de aanvoer hiervan veilig te stellen. Deze kwestie vooropgesteld heeft President Roosevelt zich in een persoonlijk schrijven gericht aan Koningin Wilhelmina en heeft haar onder grote druk gezet om Amerikaanse troepen toe te laten op Surinaamse bodem.
Gouverneur Kielstra heeft er, binnen zijn mogelijkheden, alles aan gedaan om het aantal Amerikanen te beperken om hun aanwezigheid zo onzichtbaar mogelijk te maken als hij maar kon.
Een belangrijk middel om zijn doelen te bereiken was uitbreiding van de reeds bestaande Surinaamse troepenmacht door het instellen van de Schutterijplicht. Mede door de invoering van deze dienstplicht en de economische groei tijdens de Amerikaanse aanwezigheid ontstond er een landbouwcrisis toen de jonge mannen van de akkers wegtrokken.

De hele geschiedenis en haar verloop begon mij, tijdens voorgesprekken met de persoonlijke verhalen en belevenissen van het aantal overgebleven hoogbejaarde oorlogsveteranen - met diverse etnische achtergronden - in Suriname en in Nederland, steeds meer te intrigeren. Van sommigen kreeg ik zeer indrukwekkende en ontroerende ervaringen te horen. Van Surinaamse dienstplichtigen en vrijwilligers (schutters, militairen, mariniers, zeelieden, burgerwachten) die voor het koninkrijk en moederland hun plichten zijn nagekomen en hun strijd hebben geleverd tegen de onderdrukkers in Suriname, Nederland, Australië, Nieuw Guinea, voormalig Nederlands-Indië en Korea voor vrijheid in de wereld. Helaas zijn er ook velen gesneuveld.

Zo groeide een nog vage en betrekkelijk losse gedachte uit tot een steeds ambitieuzer plan. Het roestige wrak van de Goslar en het gepatineerde brons van Koningin Wilhelmina zijn, hoe je het ook wendt of keert "dode monumenten". Met het vastleggen van de geschiedenis van Suriname aan de hand van hen die het allemaal aan den lijve hebben ondervonden wil ik - nu het nog kan - met hun herinneringen en ervaringen een levend monument samenstellen.

Ramdjan Abdoelrahman
Producent/regisseur
Rahman Films International

Patricia Kaersenhout: Invisible Men

door Albert Hagenaars

Met haar zwarte (Surinaamse) achtergrond als basis onderneemt kunstenaar Patricia Kaersenhout (º1966, Den Helder) tochten die van het persoonlijke naar het universele leiden maar thematisch altijd streven naar het vestigen van de identiteit in een verschuivende realiteit. Deze Engelstalige uitgave over haar werken op papier, bewerkingen van pagina’s van een oud Nederlands anatomieboek, is daar een overtuigende weergave van. ‘Invisible Men’ is echter nog meer een kunstwerk dan die bladen. Kaersenhout gebruikt gretig de extra mogelijkheden van druktechniek, zoals de afwisseling tussen mat en glanzend papier. De originele werken profiteren daarentegen meer van toegevoegde stoffen, o.a. wol. Ze zet vooral de mond en het oog in als motief, de twee elementen die direct met observatie en communicatie van doen hebben. In het inleidende interview legt ze uit beïnvloed te zijn door collega Ellen Gallagher en, meer nog, schrijver Ralph Ellison, aan wiens roman ‘Invisible Man’ (met een a) citaten ontleend zijn: “…and you stand naked before the millions of eyes who look through you unseeingly.”
Kaersenhout geeft dan wel extra informatie maar haar werk is veelzijdig en symbolisch rijk genoeg om op zich te staan. Het vormt mede daarom een relevante bijdrage aan onze multiculturele maatschappij.

Invisible Men – Patricia Kaersenhout
Eindeloos Publishers
€ 45,00
ISBN 978 90 78824 02 2

Papiamentu en Sranantongo eisen nieuwe status

door Quito Nicolaas

Op 14 april jl. werd een motie (kamerstuk 32213-38)in de Tweede kamer aangenomen om zowel de Nederlandse- alsook de Papiamentse en Engelse taal als officiële talen in het Koninkrijk te erkennen. Ik kan me die jubelende stemming voor de geest halen bij het aanvaarden van zo’n motie. Het is bijna een halve eeuw geleden dat Papiamento eindelijk als een dominante taal kon worden beschouwd. Aan het begin van de twintigste eeuw zagen we dat het Spaans en later het Nederlands in afwisselende periodes als de dominante taal op de eilanden gold. In die periode zagen we zowel op Aruba als op Curacao dat behalve kranten ook tijdschriften in het Spaans verschenen. Het is daarna altijd een strijd geweest tussen het dominante Nederlands en de niet-dominante taal Papiamento. Echter vanaf eindjaren zestig werd het Nederlands stapsgewijs door het Papiamento ingehaald en sinds de jaren ’70 vervangen door de laatste. Op de Bovenwindse eilanden is de voertaal altijd het Engels geweest.

Wat de motie betreft zijn de parlementaire handelingen nog niet voorhanden, zodat naar de beweegreden(en) van de indieners van de motie en de beraadslagingen hieromtrent gekeken kunnen worden. Wat wel valt op te merken over deze motie is dat het in principe alleen geldt voor de vijf eilanden van de Nederlandse Antillen.
Immers er wordt van Papiamentu en de eilandgebieden van de Nederlandse Antillen gesproken. Is Aruba hierbij opnieuw uitgesloten of dient aan de strekking van de motie een ruime interpretatie gegeven te worden? Het Papiamento dat op Aruba wordt gesproken is op een etymologische basis gestoeld, terwijl dat van Bonaire en Curacao op een fonologische basis steunt. In dat opzicht is de fonologische variant een afgeleide van datgene op Aruba wordt gehanteerd. Wellicht hebben de indieners van de motie er niet bij stil gestaan en daarbij zijn ontgaan dat men over drie erkende talen binnen het Koninkrijk heeft.

De inhoud van de motie is in zeer algemene termen verwoord, zodat de wetgevers van die landen ruim baan wordt geboden om met afzonderlijke, meer specifiek gerichte regelingen te komen. In principe is het een goede zaak, daar Nederland nu eindelijk duidelijkheid verschaft betreffende de toekomst van deze Caribische eilanden. In politiek opzicht zou dit betekenen dat de eerste steen is gelegd om op termijn het gehele Koninkrijk te vervangen door een Gemenebest-relatie met de zes eilanden, inclusief Aruba. De eindeloze discussie of het Papiamento(u) wel of niet als instructietaal in het middelbaar onderwijs wordt gehanteerd of als eindexamenvak zijn definitief voorbij. Voor schoolbesturen en tegenstanders van invoering van het Papiamento dit ten spijt. En wat betekent de uitwerking van deze regeling hier in Nederland? Projecten als onderwijs in eigen taal en cultuur zijn sinds 2001 afgebouwd. In elk geval betekent dat o.a. info-folders vanuit de lokale overheid, in de toekomst naast het Arabisch, Engels of Spaans ook in het Papiameno(u)moet verschijnen.

Met de verdergaande integratie van Nederland in het grotere Europa, is er voldoende reden geweest om het Nederlands in de grondwet op te nemen. Ook naar de eventuele geopolitieke bedreigingen voor de eilandstaten, is dit een bescherming van de eigen identiteit. Door de officiële talen in de Grondwet te incorporeren ontstaat voor zowel Nederland als de BES-eilanden een grondwettelijke norm, waarvan niet afgeweken kan worden. Alleen moet dit nog in het Statuut van het Koninkrijk voor Aruba, Bonaire, Curacao en St. Maarten verankerd worden. Als minderheidstaal moest het Papiamento(u) en het Engels voor de BES-eilanden; Bonaire, Saba en St. Eustatius beschermd worden. Een grote toename van het personenverkeer vanuit Nederland naar de eilanden, vergt om deze bescherming in het Statuut en de Grondwet. Dit om te voorkomen dat de taalsituatie op Aruba en de Antillen zodanig verandert en het Papiamento opnieuw verdrongen wordt tot een niet-dominante taal. In het verleden werd het idee van een taalunie geopperd, wellicht een alternatief voor de toekomst indien toch blijkt dat de landen uit elkaar gaan of de regeling weinig soelaas biedt.

Na dit pleidooi moet ik nog hierop wijzen dat de motie in feite de Koninkrijksregering verzoekt om te bevorderen dat in het Statuut voor het Koninkrijk de erkenning van de Nederlandse, de Papiamentse- en de Engelse taal zal worden geregeld. Het is een verzoek het Papiaments en het Engels naast het Nederlands en het Fries in de grondwet op te nemen, om eveneens die twee talen in het Statuut te incorporeren. De drie Benedenwindse eilanden: Aruba, Bonaire en Curacao en St. Maarten moeten de koppen bij elkaar steken en - met respect voor de positie van Aruba - gezamenlijk optreden. Moet de nieuwe regering die na de verkiezingen in juni zal aantreden of Aruba en de overige eilanden het initiatief nemen? Eerder hecht ik meer waarde dat door instelling van een Koninkrijkswerkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van Aruba, Curacao, St. Maarten, de BES-eilanden en Nederland verdere invulling hieraan moet worden gegeven. Bestaande Papiamento-organisaties moeten actief betrokken worden en als procesbewaker optreden. In elk geval zijn de Tweede Kamerleden Leerdam en van Gent en de heren Sulvaran en Atacho gehouden om te waken dat de motie wordt uitgevoerd.

Nu gaan er in Suriname ook stemmen op om de Nederlandse taal te vervangen door hetzij het Spaans of het Engels. Elk land en volk dat zichzelf respecteert moet de eigen creoolse taal herwaarderen, niet nu maar al in het verleden. Echter je moet je afvragen of een dergelijk idee gesteund wordt door de Surinaamse gemeenschap. Wellicht dat de huidige generatie er anders over denkt, maar dan zou je een herleving van het Sranantongo in de Surinaamse literatuur moeten stimuleren. Uiteraard verwelkom ik het Sranantongo in het parlement en de rechtszaal, maar dan moet het een voltooid historisch groeiproces zijn. Indien van het Nederlands als officiële taal wordt afgestapt, impliceert deze keuze ook dat het Spaanse of Engelse rechtssysteem en handelsregisterwetgeving wordt geïntroduceerd. In Suriname evenals in Indonesië diende het Nederlands destijds als een bindmiddel tussen de verschillende taalgroepen.

Nieuwe website Flower to the People

Flower to the People, de groep met Fleur Tolman en Frank Ong-Alok als kern, heeft een compleet nieuwe website. FttP maakt muziek voor de luisteraar die méér wil horen in de muziek en verder wil luisteren dan alleen de eerste laag. FttP wordt mede door de constante muzikale en artistieke kwaliteit in de pers altijd positief beoordeeld. Hun liedjes zijn regelmatig op de radio te horen. Onlangs heeft heel Nederland kennis gemaakt met Flower to the People toen miljoenen mensen keken naar het Olympische schaatsfestijn in Vancouver. Het herkenningsdeuntje dat tijdens de dweilpauzes werd gebruikt is afkomstig van het eerste album To the Heart.
Zangeres Fleur Tolman weet met haar warme stemgeluid de harten van menigeen te raken.
Begeleid door gitarist en partner Frank Ong-ALok vormen ze de kern van FttP.
Beluister de liedjes op de site en geef een reactie in het gastenboek. FttP stelt dat zeer op prijs.

Highlights
Filmregisseur Pim de la Parra (Filmmuziek voor Het laatste Verlangen)
Auteur Astrid H.Roemer (Cd Omhels Mij)
Zanger Oscar Harris (Single Shalom Salam)
Tune Olympische Spelen 2010 (Tv commercialtune tijdens schaatsdweilpauzes)
De 3 albums To the Heart, Hunger en Omhels Mij
De 4 singles Miracle Circle, Love to hold you, Shalom Salam en Fan van Sven.

Volg deze link voor de website

donderdag 29 april 2010

Walther Muringen 60


door Ricardo E. Meyer

Ik had op Overbridge al van Hennah Draaibaar gehoord dat Walther Muringen in zijn Crab House aan de Verlengde Gemenelandsweg een feestje gaf en ik was zondagmiddag weer nauwelijks weer binnen het bereik van Telesur's mobiele telefoonnet toen last-minute Wakther aan de lijn hing. En maar klagen dat hij zowel Titia (die zaterdag met haar vriendin Monique bij mij te gast was geweest) als mij al drie dagen zoekt om ons uit te nodigen voor zijn feest. Wel nu, ik heb Titia meteen opgebeld en tegen een uur of 7 waren ook wij van de partij.

Kwabi (Walthers troetelnaam) was natuurlijk in opperste beste stemming en liep er typisch Walther op zijn eigen feest als enige heel relaxed bij met een T-shirt en short, maar ze waren er wel allemaal! Van hoog tot laag en van bijna alle politieke gezindten. Zus Dulci Graanoogst had voor een uitgebreide moksi alesi gezorgd en er werd volop gedanst op de tonen van een mij onbekende kaseko formatie, terwijl het vocht bleef toe stromen en het publiek dat al vanaf 16.00 uur van de partij was pas tegen 23.00 uur aanstalten maakte om naar huis te gaan.

Ondertussen blijft Walther wie hij is: een niet te regisseren levensgenieter die met zijn hartelijkheid en virtuoze dwarsfluitmuziek, bij tijd en wijle veel vrinden om zich heen weet te verzamelen.

Symposium ‘De toekomst van Multatuli’

Op 15 mei a.s. wordt in De Balie te Amsterdam het symposium ‘De toekomst van Multatuli’ gehouden, naar aanleiding van het verschijnen van de Max Havelaar anderhalve eeuw geleden.

Het symposium richt zich primair op de toekomst van Max Havelaar, op de kracht die de tekst en het onderliggende gedachtegoed te bieden hebben voor huidige en toekomstige generaties. In drie fora wordt aan de hand van een thema gediscussieerd over de ideeën, de man en de mythe Multatuli in relatie tot het heden. Tot slot worden conclusies getrokken over de kracht en betekenis van Multatuli voor huidige en toekomstige generaties.

In de pauze kunt u genieten van een muzikaal optreden door gamelanensemble Widosari. Aan het eind van de middag zal het Max Havelaar-luisterboek gepresenteerd worden dat door Job Cohen is ingesproken. De dag wordt afgesloten met een Indisch buffet.

Programma
13.30 – 14.00 uur Inloop met koffie en thee
14.00 – 14.05 uur Welkom door Winnie Sorgdrager, voorzitter Multatuli Genootschap
14.05 – 14.20 uur Inleiding door Gijsbert van Es, NRC-redacteur en hertaler van Max Havelaar
14.20 – 15.00 uur Forum 1 Handel en Ontwikkeling
• Thomas von der Dunk, cultuurhistoricus en publicist
• Ronald van Raak, lid van de Tweede Kamerfractie van de SP
• Jan Pronk, oud-politicus, professor aan het Institute of Social Studies in Den Haag
15.00 – 15.40 uur Forum 2 Levenskunst, Emancipatie en Feminisme
• Elsbeth Etty, redacteur literatuur bij NRC Handelsblad
• Hans van den Bergh, literatuurwetenschapper en publicist
• Margriet van der Linden, hoofdredacteur van Opzij
15.40 – 16.10 uur Pauze met muzikaal optreden gamelanensemble Widosari
16.10 – 16.50 uur Forum 3 Macht en politiek
• Cees Fasseur, historicus en jurist
• Frans Timmermans, ex-staatssecretaris Europese zaken
• Job Cohen, lijsttrekker PvdA
16.50 – 17.00 uur Plenaire discussie en afronding
17.00 – 17.10 uur Presentatie luisterboek
17.10 – 18.00 uur Borrel
18.00 – 21.00 uur Indisch buffet (vooraf reserveren)

Locatie: De Balie, Kleine Gartmanplantsoen 10, Amsterdam
Datum: 15 mei 2010
Tijd: van 13.30 uur tot 21.00 uur

Kaartverkoop
U kunt via www.debalie.nl online kaarten kopen. Voor meer informatie over de kaartverkoop is De Balie telefonisch bereikbaar op werkdagen tussen 16.00 en 17.00 via telefoonnummer 020-5535100. De kaarten voor het symposium kosten € 20 per stuk; de kaarten voor het symposium en het Indisch buffet na afloop kosten € 45 per stuk.

Groot filmzalencomplex voor Paramaribo

Levenswerk Eddy Wijngaarde bijna voltooid!

door Ricardo E. Meyer

Ik heb het in de regel niet zo op superlatieven. Ze hebben in mijn beleving maar al te vaak een vervlakkende werking, waardoor initiatieven en gebeurtenissen die het werkelijk verdienen, niet die aandacht krijgen waar ze aanspraak op maken. Maar goed, ik begrijp ook wel dat ik niet het monopolie van het geschreven woord bezit, noch dat die behoefte zich ooit van mij meester zal maken. Voor wat dat betreft laat ook ik als goed democraat graag 1.000 bloemen bloeien, ‘a wansi wan lo fu dem lay maka nanga furadan spesrutu na ini a yari disi’.

Het goede nieuws dat ik vandaag graag met jullie deel is dat het levenswerk van Eddy Wijngaarde haar voltooing nadert, wat wil zeggen dat de Republiek Suriname binnenkort een gigantische attractie rijker is, die op elk gebied kan meedoen met elk soortgelijk project, waar ook ter wereld. ‘The city of smiles’, zoals Paramaribo gelet op de gastvrijheid van haar kleurrijke bevolking ook wel om bekend staat, mocht zich - en dat zelfs internationaal - al laten voorstaan op haar tongstrelende keuken en haar jaarlijks terugkerende Avond Vierdaagse en Pagara-estafette, maar moro e doro!

Op zaterdag 24 april j.l. mocht ik me om 18.00 uur met een groepje andere genodigden melden bij de nog in de steigers staande Multiplex van The Back Lot (TBL) bij de Hermitage Mall en wel voor ‘a sneak preview’ van wat daar per juni a.s. zoal te gebeuren staat. We werden even na zessen door Hennah Draaibaar die samen met Eddy Wijngaarde de iniatiefnemer is van dit project, met een snelle lift meegenomen naar de 2e verdieping, waar we in zaal 1 werden opgewacht door onze gastheer en C.E.O. van TBL Multiplex N.V Eddy Wijngaarde, om vervolgens gedurende bijna 30 minuten te worden getrakteerd op een ‘state of the art’ vertoning van een aaneenschakeling van uiteenlopende nieuwe Amerikaanse trailers. Een meerdere zinnen prikkelende gewaarwording, kan ik jullie verzekeren, die de vraag wanneer het echte werk gaat beginnen, alleen maar brandender maakt.

De fully airconditioned filmzaal nr. 1 oogt alsof ze 600 bezoekers kan herbergen. In werkelijkheid heeft het een nog altijd respectabele capaciteit van 338 stoelen. Zeg maar gerust “fauteuils”, waarin je je met je ogen wijd open toch weer waant in één van de comfortabele VIP-stoelen van onze prestigieuze STAR bioscoop van Emile de la Fuenta van weleer, waar menigeen zijn of haar eerste of zoveelste kus tijdens een zaterdagmiddag matinee voorstelling heeft gestolen.

Alleen, beeld, geluid en ambiance van TBL zijn 10 maal indrukwekkender. Dit, beste vrinden, is Genieten met een hoofdletter “G“! In het hart van de Multiplex, de projectieruimte, staan diverse digitale Barco-projectoren opgesteld, die worden gevoed via een Dolby server en geluidsinstallatie, waarvan het geluid haar uitweg naar onze trommelvliezen vindt via echte JBL-boxen. De filmdoeken in alle vijf zalen (er zijn nog vier kleinere zalen met elk 166 stoelen) hebben een zodanige kwaliteit, dat je door de bijzondere weergave van het beeld, vanaf elke plek in de zaal alles goed kan zien. Kortom, aan alles is af te zien dat TBL in ontwerp zowel als uitvoering veel aandacht heeft besteedt aan de kwaliteitsbeleving van haar a.s. bezoekers.

Als ik deze ‘landmark’ in wording optel bij onze bijna gerenoveerde kathedraal, de vorige week in gebruik genomen gerenoveerde Nieuwe Haven, Zsa Zsa Zu (de discotheek, waarin vroeger theater de Paarl was gehuisvest), het Marriot Hotel en niet te vergeten Royal Torarica, om maar wat te noemen, dan neemt het voorrecht om in deze stad te mogen wonen alleen maar grotere proporties aan.

Wat de door Jim Klinkhamer ontworpen Multiplex ook zo bijzonder maakt, is de fantastische foyer, die door de beglazing waarin het gegoten is, zeeën van licht toelaat en continue zicht biedt op de omgeving waarin het gebouw is opgetrokken.
Natuurlijk ben ik net als veel andere trendwatchers erg benieuwd of het TBL Cinemas gaat lukken haar nieuwe multifunctionele uitgaanscentrum dat ruim 8.5 miljoen US dollars heeft gekost en nagenoeg geheel in Surinaamse handen ligt, rendabel te maken en te houden. Gelet op de toegepaste vormgeving, inrichting en de geprojecteerde hoge kwaliteit van de dienstverlening, denk ik van wel. “TBL’s filmtheater is trouwens behalve voor film- en andere vertoningen ook geschikt gemaakt voor satelietontvangsten, wat ongekende mogelijkheden geeft om met alternatieve ‘content’ de zalen gevuld te houden. Zo kunnen bezoekers behalve voor een filmvertoning ook naar TBL voor een life toneelstuk uit Londen of een life concert uit L.A. en wie weet zelfs lifebeeld en geluid van de WK-voetbal in Zuid Afrika, waar we nog mee bezig zijn.” Aldus mijn zegsman, Eddy Wijngaarde.

Waar ik wel mijn hart voor vasthoud is de instandhouding van al dat mooie meubilair in de vele ruimtes die de Multiplex telt. Het zou niet de eerste keer zijn dat betalende bezoekers de dekking van het duister misbruiken om nodeloos schade aan te richten aan andermans haven en goed.

De ruimtelijk opgezette Multiplex beschikt behalve over vijf filmzalen, een grote projectieruimte en een foyer, ook nog over een grote kantoorunit op de 4e verdieping van ca. 320 m². Op de begane grond bevinden zich verder diverse verhuurbare bedrijfsruimtes, waarvan al 80% is verhuurd. Behalve een sjieke sigarenboer, een ijssalon en een ticketbureau van Surinam Airways, komt er nog een verkooppunt van alle grote confectiemerken en als icing op de cake een heus Grande Café.

Wat jullie in elk geval van mij moeten weten is dat Paramaribo en daarmee Suriname een mega trekpleister rijker is en jullie zodra jullie ons weer met een bezoek vereren, ook tijd moeten vrijmaken voor een avondje en misschien zelfs een dagje TBL. Gelet op de grootse plannen van Eddy Wijgaarde c.s. m.b.t. de programmering en het voorzieningenniveau van de Multiplex, kan ik niet anders dan een bezoek warm bij jullie aan te bevelen.

De eerlijkheid gebiedt mij ondertussen wel tot het maken van een serieuze kanttekening bij mijn eigen enthousiasme. Ons land is politiek helaas nog steeds niet stabiel. Het risico dat Desiree Delano Bouterse na 25 mei a.s. met zijn Mega Combinatie ‘The city of smiles’ veranderd in ‘The city of tears’, is helaas niet geheel denkbeeldig. Maar ja, ook dat is democratie en als het overwegend jonge electoraat en de 32 % nu nog zwevende kiezers liever een machtsstaat heeft dan een rechtsstaat, dan suma na mi? Misschien moeten jullie toch nog even afstemmen met jullie stemgerechtigde achterban in dit land om zeker te stellen dat ze toch nog een keer kiezen voor en ontwikkeling, welvaart en stabiliteit, zodat ook deze investering kan renderen en ‘meki moro kan doro’.

Hebben jullie in elk geval weer “De Hartelijke Groeten Uit Paramaribo”.

Op de bovenste foto: Eddy Wijngaarde

Art Rules Aruba Kicks off July 16th, 2010

An educational Arts program titled Art Rules Aruba will kick off here July 16th.
Conceived and produced by the Pancake Gallery, Art Rules Aruba will offer programs in 7 different disciplines including Theater, Dance, Dj-ing & Music-production, Fashion, Poetry & Rap, Photography & Design and as a bonus workshop a VIP Film program.

The Pancake Gallery has selected a team of renowned international artists, which will be joined by local professionals, and this team of creatives will collectively introduce, educate and share their professional experience, talent and skills with local teens, providing two-week intensive workshops, several master classes and special events for anyone interested in the Arts.

The Pancake Gallery wants Aruba’s youth to get involved with the Arts during summer vacation, and benefit from the exposure to abundant knowledge and rich talent.
Ira and Ayra Kip are the motors behind the Pancake Gallery. Ira hales from the University of Arts in Amsterdam (Hogeschool voor de Kunsten) becoming a Theater Director with a Masters in Fine Arts from the New School for Drama in New York.
Ayra is a Journalist/Producer with a Bachelor in Media & Arts Management from the Haarlem Business School (Inholland) and a Masters in Journalism from the London University of Arts.

On January 21st 2010, Ira and Ayra launched The Pancake Gallery Foundation.
This organization is based on Aruba and is a subdivision of the Pancake Gallery Company based in The Netherlands and New York. The Pancake Gallery Foundation focuses on international creative concepts designed to promote Aruba’s Arts and Culture. As proud natives of Aruba, Ira and Ayra developed an educational Arts Program for its youth, which kicks of this summer!

For information, updates, or how to apply, visit the Pancake Galley blog
Don’t forget to become a member of the Art Rules Aruba Facebook Group and follow them on Twitter

Source: Bati Bleki, April 2010

Photo: The Pancake Gallery

Licenne Boekhoudt - E Sombra... Su Mes

E Sombra... Su Mes


Un hende kier bo
Mas di loke bo ta kere
Kizas mas di loke bo ta desea

Un hende ta admirabo
Pa tur loke bo ta
Y ta keda kier bo, dia pa dia mas

Sin estorbo un dia lo bo realiza
Penetrante lo ta su mirada
Seductivo lo ta su palabra
Cariñoso lo ta su lenguahe
Y pa semper bo lo keda su Musa salvahe

Un hende lo ked...

Telegram from a Traveler


Telegram from a Traveler is a modern Greek Tragedy set in ‘Big City’ somewhere in the early 1940s. Lyla Hawkins and Cathy Warner, two aspiring actresses, are best friends sharing an appartment. One night out, a band of Travelers changes their lives forever.

After two successful productions by Lester Hekking and Rosie Piets, the Dutch Courage Theatre Collective now presents the debut play by Joy van Dongeren. This production is Dutch Courage's most elaborate yet, infusing live music with compelling theatre!

Performances on May 20/21 at 8pm and May 22nd at 2pm.
Tickets can be reserved through the Crea theatre: 020-525 14 00
Turfdraagsterpad 17
Amsterdam
View Map


Op de foto: Joy van Dongeren

Sting like a bee...

Een nieuwe expositie van Wonny Stuger, onder de noemer Sting like a bee…... wordt op zondag 30 mei 2010 geopend in de lentetuin van Atelier LerAmant in Zoetermeer.

Opening door mw. Kathleen Ferrier, lid Tweede-Kamer
Optreden van Popkoor Popart uit Rijswijk

Datum: zondag 30 mei 2010
Plaats: Zaansgroen 19, 2718 GL Zoetermeer
Tijd: vanaf 14.00 uur
Hapjes en drankjes staan voor u klaar
Primeur: Pomproeverij van Leraman Culinar
Demonstratie Pommarinade
Mee eten kan ook! Voor €13,00 kunt u mee doen aan het lopend buffet
rond 18.00 uur incl. nagerecht en dranken. Wel aanmelden.
Overmaken kan op rekening 5132522 t.n.v. Y.M.Stuger
Wonnystuger@hotmail.com
www.wonnystuger.exto.nl
mobiel: 06-23823775

woensdag 28 april 2010

David Bade - Catch of the day


door Albert Hagenaars

Catch of the day is het eerste overzicht van het werk van David Bade (º1970, Willemstad, Curaçao), die sinds z’n debuutexpositie in 1995 flink aan de ‘beeldende weg’ timmert, ook internationaal. Het boek volgt chronologisch Bades ontwikkeling, die zowel qua kleurgebruik als vormentaal altijd in het teken van dynamiek heeft gestaan. Aan bod komen vooral tekeningen, schilderijen en sculpturen. Bade is zo’n kunstenaar bij wie het geheel meer is dan de som der delen, al kunnen de meeste werken prima op zich staan. Hoe uiteenlopend het publiek vaak ook op Bades taal reageert; mooi of lelijk is nauwelijks een uitgangspunt voor hem; wat telt is de authenticiteit van het leven, de directe en toch herscheppende weergave daarvan. Het ontwerp van de uitgave is afgesteld op de drukke stijl van de kunstenaar en kent tal van bijdragen: korte reacties van kenners als Jan Hoet en Rudi Fuchs op eerdere projecten/exposities en een paar prikkelende, goed doorknede essays. Alle teksten zijn in het Nederlands en Engels. Al bij al betreft het een representatief beeld van een spraakmakende kunstenaar.

Laura Stamps, D. Hardeman, Kitty Zijlmans, David Bade - Catch of the day
GEM – Uitgeverij d’jonge Hond
€ 34,95
ISBN 978908910160 0

dinsdag 27 april 2010

Nogmaals De Zwarte Lord

Reactie op de recensie van Rihana Jamaludins De Zwarte Lord door Hilde Neus (voor die recensie, klik hier)

door Patricia Gomes

Ik vind dat Rihana een prachtige roman geschreven heeft,met onverwachte wendingen en met veel aandacht voor sfeer,waardoor de lezer zich moeiteloos in die tijd kan verplaatsen. Ik vind het wel jammer dat ze het thema van de blanke die zwart blijkt te zijn niet verder heeft uitgewerkt. Maar dan zou de roman twee keer dikker zijn geworden, dankzij haar fantasie. Ik vind dat Hilde Neus op enkele punten gelijk heeft. Maar deze fouten zijn niet zodanig dat er een verkeerd beeld van de historie ontstaat. Wat ik wel kwalijk vind is dat ze met grote stelligheid mijn ongelijk als historica probeert aan te tonen, terwijl zij het zelf mis heeft. Mijn reactie:

1) Hilde Neus zegt met grote stelligheid dat er rond 1820 geen goudzoekers in Suriname zijn. Haar argument is dat dit pas van de grond kwam rond het gouverneurschap van Van Sypesteijn omdat hij toen percelen voor goudwinning ging verpachten. Mijn drievoudige reactie:
• Op grond van die kaart die hij uitgaf (in april 1879) kun je stellen dat de goudwinning toen serieus werd aangepakt door het gouvernement. Er werden percelen in pacht gegeven. Maar dat betekent niet dat er geen goudzoekers ter plekke naar goud hebben kunnen zoeken.
• De vader van Regina was een gelukzoeker en in de omringende landen in Zuid-Amerika werd er al heel lang naar edele metalen gezocht. Waarom zou een enkeling in een roman niet op de gedachte kunnen komen om dit te proberen?.
• Dat de goudwinning pas in een later stadium officieel door het koloniaal bestuur werd aangepakt toont Rihana's verhaal aan, dat het avontuur van haar vader mislukt is, maar dat er wel iets in de lucht zat dat later opgepakt werd.
Kortom: deze kritiek is naar mijn mening overdreven.

2) Neus heeft gelijk wat de tentboten betreft. Hoewel ik me kan voorstellen dat sommige daarvan wel vaten, vruchten en andere zaken zouden hebben kunnen vervoeren, samen met hun passagiers. Bijvoorbeeld een vervallen tentboot.

3) Neus heeft gelijk wat betreft het trouwen. Dit gebeurde niet alleen in eigen land. Maar ze heeft het ook mis, want ze zegt verder ter ondersteuning van haar kritiek ‘'... maar trouwde men ook met de handschoen.'' Door haar formulering krijg ik de indruk dat dit in die tijd ook buiten Nederland gebeurde. Ik betwijfel dit laatste. Het systeem houdt in dat de man door afwezigheid een vertegenwoordiger met een handschoen naar de bruid stuurt en dan via de handschoen met haar trouwt. Aangezien in die tijd de witte bruiden in Nederland woonden en de bruidegom in de koloniën verbleef, zal het touwen met de handschoen in Nederland hebben plaatsgevonden. Zoals Neus het formuleert lijkt het alsof de blanke elite in die tijd ook in Suriname met de handschoen trouwde. Onderzoek van de trouwboeken zal hier uitsluitsel overg even. Daar deze bewering van Neus komt en niet van de schrijfster, is die verder niet aan de orde. Het verzwakt haar betoog wel. Ook de argumentatie moet kloppen.

4) Vredesverdragen. De beschuldiging van Hilde Neus is hier honderd procent onterecht. De vredesverdragen werden inderdaad tussen 1760 en 1772 gesloten (zie De ondraaglijke stoutheid der wegloopers van Frank Dragtenstein, 2002). Maar ...
In 1835, 1837 en 1838 werden er onder gouverneur Van Heekeren wel degelijk ook vredesovereenkomst herzien en opnieuw bevestigd. Zie: Peter Meel (red) ´Ik ben een haan met een kroon op mijn hoofd. Pacificatie en verzet in koloniaal en postkoloniaal Suriname´, 2007. Hieruit: het artikel ‘'Traditioneel gezag op een tweesprong: de Ndyuka-Marrons'' door Thomas Polimé, pagina 58.)

5) Neus heeft het ook mis als ze schrijft: ‘' Er bestond nooit slavernij in Nederland. De opmerking van Regina dat die al tien jaar is afgeschaft, snijdt dus geen hout.'' Haar bewering klopt niet. De slavernij bestond in de praktijk niet meer, maar werd wel degelijk pas in 1838 formeel afgeschaft. (Zie hiervoor mijn boek ‘'Over natuurgenooten en onwillige honden ...", 2003, p. 77, waarin ik verwijs naar het boek van Gert Oostindie ´In het land van de overheerser´, 1986 p. 16. Regina had het dus bij het juiste eind.

6) Wat de kritiek betreft met betrekking tot het geschetste tijdsbeeld:
• Er waren in Suriname in die tijd niet alleen Hollanders, maar ook Fransen en Duitsers. Die konden best informatie uit het moederland hebben opgepikt over ontwikkelingen en personen die zij in Suriname bespraken. Daar hoefde niet per sé een boek aan vooraf te gaan. (We hebben het in onze tijd bijvoorbeeld ook al jaren over de hebzucht van de economische en financiële elite gehad voordat er boeken over begonnen te verschijnen)
• Verder waren de economische en bestuurlijke elite goed op de hoogte van wat er in de naburige landen en in hun moederlanden aan ontwikkelingen was. Lees daarvoor de contemporaine kranten. Ik denk niet dat deze figuren er met de haren bijgesleept zijn. Ik ben het er wel mee eens dat termen als ´linkse rakker´ niet kunnen. Dit had ik ook aan de schrijfster doorgegeven.
• Verder behoorde Regina tot een groep vrouwen die zichzelf graag ontwikkelde en die veel las. Zie van W.H. Posthumus-van der Groot et al.: ´Van moeder op dochter. De maatschappelijke positie van de vrouw in Nederland vanaf de Franse tijd´, hoofdstuk 1 (1977). Volgens mij is het aannemelijk dat Regina op de hoogte zou kunnen zijn van de Franse teksten. Ze was ondernemend genoeg om haar lot in eigen hand te nemen, dus waarom zou ze niet over dit lot in zijn algemeenheid lezen en nadenken?

7) Ik ben het wel met Hilde Neus eens dat Regina vanwege haar opvoeding, huidskleur en de invloed van de sociale controle nooit zo'n zelfstandige eigengereide positie had kunnen innemen. Ik vond ook dat de lord te weinig uit de verf kwam. Ik heb de schrijfster ook hierover ingelicht en erop aangedrongen dit aan te passen. Ook heb ik hier en daar aangegeven dat een bepaald taalgebruik te populair was voor die tijd. Ik heb echter maar één versie gelezen en die was niet de laatste.

Michael Tedja - Hosselen


door Albert Hagenaarss

In een grote verzameling materiaal, o.a. korte prozateksten (veelal essays), afbeeldingen van kunst, gedichten, bewerkte foto’s, verdeeld over 550 pagina's, maakt de lezer kennis met de ideeën van Michael Tedja (1954). Dit als roman bestempeld boek handelt vooral over identiteit en kunst en de talrijke, in velerlei vorm gegoten verbindingen en discrepanties daartussen. Onderwerpen als etniciteit, het doorbreken van bestaande structuren en de verhouding tussen vorm en inhoud passeren de revue.
Tedja’s prikkelende stijl is al even divers als zijn thema’s; begrippen als ‘diachronie’ en ‘Kantiaanse zorgvuldigheid’ worden vermengd met straattaal en groepsjargon, het perspectief wisselt aan de hand van ‘facetten’ genoemde stukjes constant zonder dat de rode lijn losgelaten wordt en de lezer heeft veel zelf te interpreteren. Hoewel lang niet al zijn stellingen duidelijk zijn en zeker de gedichten eendimensionaal blijven, weet Tedja door zijn wervelende aanpak tal van interessante vragen op te roepen. Er hoort een, soms overlappende, dvd bij met o.m. fragmenten van een forum en beeldloze muziek.

Michael Tedja, Hosselen
ISBN 978-9068327915
KIT Publishers
€ 19,50

Hosselen betekent geld verdienen op wat voor manier dan ook kan dus ook gewoon werken zijn.

Diachronisch of diachroon komt van de Oud-Griekse woorden dia ("door") en chronos ("tijd"). Het betekent letterlijk 'door de tijd'. Het wordt gebruikt als kwalificatie van een analyse of onderzoek: een diachronische analyse onderzoekt de ontwikkeling van een verschijnsel door de tijd heen, hoe in de loop der tijd veranderingen zijn opgetreden en dergelijke. Bij de studie van (gedrags-)veranderingen, of het effect van therapieën over langere termijn spreekt men ook over longitudinale studies. Het tegengestelde is hier dan een dwarsdoorsnede-studie, ook met een Engels jargon "cross-sectional" onderzoek genoemd.
In de geologie kunnen aardlagen of biozones diachroon zijn. Continu vervolgbare lagen of zones met een vergelijkbare inhoud hoeven op verschillende plaatsen niet even oud te zijn. Bij een kouder wordend klimaat zullen bijvoorbeeld flora en fauna die kenmerkend zijn voor een bepaalde klimaatzone Zuidwaarts migreren. Bij een continu aanwezige laag met deze flora en fauna zal een Noordelijke plek een hogere ouderdom hebben dan een Zuidelijke plek. De laag heeft weliswaar dezelfde kenmerken maar loopt 'schuin door de tijd' van Noord naar Zuid en is daarmee diachroon.
In de geschiedwetenschap is een diachronisch thema bijvoorbeeld antisemitisme vanaf Julius Caesar tot en met Hitler.
Synchronisch of synchroon komt van syn ("samen met") en chronos. Het duidt een onderzoek of analyse aan waarin een fenomeen op één punt in de tijd onderzocht wordt. De aandacht ligt dan niet bij verschillen tussen verschillende tijden, maar op verschillen tussen bijvoorbeeld verschillende plaatsen.
Bij de plantenanatomie wordt de term longitudinaal ook wel gebruikt bij het doorsnijden van de scheuttop.
In de geschiedwetenschap is een synchroon thema bijvoorbeeld antisemitisme in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw in de Sovjet-Unie, Verenigde Staten, Duitsland en Frankrijk.

zondag 25 april 2010

Surinamers in 19de-eeuws Amsterdam

Onverwachte voorouders

Als een ding Amsterdam heeft 'gemaakt' is het wel de voortdurende stroom van nieuwkomers uit streken ver van hier. Zo ook vanuit Suriname. De overgrootvader van straatviolist Jan Wijnoord was lang niet het enige 'mulatte kind' dat in de 18-de eeuw (of eerder) hier naartoe werd gestuurd. Menig stadgenoot heeft Afro-Surinaamse wortels. Vaak zonder het te weten.

Jean Jacques Vrij schreef voor het blad Ons Amsterdam (nr. 4, april 2010) een interessant artikel over de vroege vestiging vanuit Suriname. Een grote groep van de migranten uit Suriname die in Amsterdam terecht kwamen bestonden zonen en dochters van Afro-Surinaamse moeders en Europese vaders. Zij werden voor vorming en scholing naar Nederland gestuurd.

Ons Amsterdam is te koop in de betere boekhandel en krantenkiosk. Voor meer informatie klik hier.




(Foto: Dirk de Herder / Nederlands Fotomuseum)

vrijdag 23 april 2010

Sranantongo in het Surinaams parlement: ja of nee?

Het is een terugkerende discussie: het gebruik van Sranantongo toestaan in het parlement, en landelijk het Nederlands vervangen door het Engels om aansluiting op de regio te vergroten.

Sinds jaar en dag is het Nederlands de officiële taal in Suriname, daarom is het vrij logisch dat debatten in het Surinaamse parlement ook in het Nederlands worden gevoerd. Nederlands is ook de voertaal in het onderwijs en alle andere officiële instanties, op straat is het naast het Sranantongo de bindtaal in het meertalige land.

Juist die meertaligheid is voor Hermanus Schalwijk, NDP'er uit Brokopondo, reden om in een artikel in De Ware Tijd te pleiten voor het invoeren van het Sranantongo als discussietaal in het parlement, voor politici die de Nederlandse taal niet goed machtig zijn.

Deze discussie over het taalgebruik in het parlement wordt niet voor het eerst gevoerd, ik kan me herinneren dat deze kwestie na de Onafhankelijkheid ook al op de agenda stond, ik weet echter niet meer precies wanneer. De conclusie was dat men zich in een officiële instantie als het parlement moest houden aan de officiële taal van het land.

Discussie in De Ware Tijd
De uitspraak van Schalwijk is voor dagblad De Ware Tijd reden geweest hierover op 21 april een discussie te starten Stelling op de nieuwe weblog van de krant, met als stelling:

"Het is absoluut belangrijk dat een lid van de assemblee zich goed kan uitdrukken in het Nederlands. Aan de andere kant vind ik wel dat we rekening moeten houden met de Surinaamse realiteit. Niet iedereen in Suriname is het Nederlands machtig. Sterker nog, in dit land worden tientallen talen gesproken. Naast het Nederlands spreken veel mensen Javaans, Hindostaans, etc. Echter, bijna iedereen spreekt en begrijpt het Sranan. Ik vind dus dat het echt mogelijk zou moeten zijn om Sranan in de assemblee te spreken."

Waarom deze Stelling? "...een breedvoerige discussie over een goede beheersing van onze voertaal, het Nederlands, in het hoogste college van staat, (laat) nochtans op zich wachten. Maar daar hoeft de Ware Tijd natuurlijk niet op te wachten. Want waar ligt dit aan, maar vooral: wat is de oplossing? Is dat het onderwijs, de cultuur, of het feit dat er zoveel talen door elkaar worden gesproken?"

Taalunie
In een reactie op het artikel in de krant noteert De Ware Tijd uit de mond van Helen Chang, coördinatrice van Taalunieprojecten in Suriname, dat zij niet wenst te reageren op deze kwestie van de taal in het parlement. De krant brengt daarom een eerdere reactie in herinnering: Op 17 februari legde ze, naar aanleiding van een polemiek over een werkbezoek van de Taalunie aan Suriname, wel deze verklaring af in de Ware Tijd: "De Taalunie doet niet aan politiek, wij wensen enkel mensen te ondersteunen die Nederlands praten. Dat is onze kerntaak. Zolang men in Suriname Nederlands praat, zal de Taalunie hulp aanbieden. Wil men hier Engels praten, dan moeten ze het maar veranderen. Dat is voor mij ook goed. We kunnen echter niet zomaar de samenwerking tussen Suriname en de Taalunie stopzetten, want we zijn nu eenmaal in 2003 die associatie aangegaan. Als sommigen dan toch zo ontevreden zijn over de Taalunie, waarom hebben ze bij onze toetreding niet gereageerd?"

Om op de Stelling te reageren, kun je hier klikken. Hieronder volgt het artikel waarin Schalwijk wordt geciteerd.

Artikel in De Ware Tijd

Nederlands versus 'taal van het volk'
Tekst: Rosita Leeflang en Pieter Van Maele

20/04/2010

Volksvertegenwoordigende kandidaten die niet of nauwelijks uit hun woorden komen of tijdens een interview het Nederlands de nek omdraaien. Een fenomeen waarmee één de spot drijft en waaraan een ander zich bij elk woord mateloos stoort. Toch laat een breedvoerige discussie over een goede beheersing van onze voertaal, het Nederlands, in het hoogste college van staat, nochtans op zich wachten. Parlementariërs zelf denken er het 'hunne' van.

Wie Otmar Rodgers zegt, weet dat er correct Nederlands wordt gesproken in het parlement. Uiteraard kan dit te maken hebben met zijn achtergrond als onderwijzer. Hij is van mening dat de kwestie over de taal in De Nationale Assemblee in een ander perspectief moet worden geplaatst. "Ik denk dat misschien onbewust speelt dat het Nederlands in opgelegd", zegt Rodgers. Maar het zit bij hem nog dieper. De parlementariër stelt dat we met z'n allen zullen moeten proberen om de gap op te vullen. Een kwestie die zijn oorsprong vindt in de grondwet.

"De grondwet schrijft een residentieplicht voor. Dan is het niet eerlijk om mensen slechts op grond van hun taalgebruik te beoordelen. Natuurlijk wil men dat de leden van de volksvertegenwoordiging zich vlot uitdrukken in het Nederlands, omdat die nog de voertaal is, helaas. De correcte uitdrukking in het Nederlands mag niet de enige beoordelingsgrond zijn." De NF fractieleider erkent dat er zeker het een en ander schort als wordt gekeken naar de beoordelingsnormen. "Maar ik spreek geen veroordeling uit. Het moet ons juist leren te zoeken naar iets dat ons verder zal brengen."

'Ik vind dat het echt mogelijk moet zijn om Sranan in de assemblee te spreken'

Taal van de achterban
"Het is absoluut belangrijk dat een lid van de assemblee zich goed kan uitdrukken in het Nederlands", versterkt Hermanus Schalwijk, NDP'er uit Brokopondo, het standpunt van zijn collega. "Aan de andere kant vind ik wel dat we rekening moeten houden met de Surinaamse realiteit. Niet iedereen in Suriname is het Nederlands machtig. Sterker nog, in dit land worden tientallen talen gesproken. Naast het Nederlands spreken veel mensen Javaans, Hindostaans, etc. Echter, bijna iedereen spreekt en begrijpt het Sranan. Ik vind dus dat het echt mogelijk zou moeten zijn om Sranan in de assemblee te spreken", zegt Schalwijk, die er van overtuigd is dat het gebruik van het Sranan alle burgers veel dichter bij de politiek zal brengen.

"Sommige collega's van me gebruiken in het parlement diep Nederlands. Zelf heb ik absoluut geen moeite om dat te begrijpen, maar je kan je voorstellen dat dat voor bijvoorbeeld iemand die ongeschoold is, wel moeilijk kan zijn. Ik vind dat we meer voor het volk moeten spreken, niet enkel voor de hoogopgeleiden. Daarom benader ik mijn achterban altijd in hun eigen taal, ik vind dat véél prettiger", gaat Schalwijk verder. Ook Ronny Tamsiran, die vanuit de kieskring Commewijne voor Pertjajah Luhur volksvertegenwoordiger is, vindt dat het taalgebruik in het parlement vaak beter kan. "Er vallen veel te veel hoge woorden en ambtenarentaal. Wat hebben we daaraan als de bevolking daar weinig van snapt? Bovendien is een groot deel van mijn achterban natuurlijk van javaanse afkomst. Die hebben soms minder oor voor het politieke werk, gewoonweg omdat ze niet altijd begrijpen wat er gezegd wordt."

'Zelfs Javaans of Hindostaans moet kunnen'

Vertaling
Schalwijk en Tamsiran delen dezelfde mening. "Als parlementariër is het belangrijk dat je boodschap duidelijk overkomt bij de bevolking. In de assemblee spreken we Nederlands, dus een goede beheersing van onze taal is echt wel belangrijk. Daarnaast moeten we er ernstig over nadenken over het gebruik van andere talen, zoals het Sranan, toe te laten tijdens vergaderingen van DNA", vindt Tamsiran. Hij gaat echter nog een heel eind verder dan zijn NDP-collega. "Zelfs Javaans of Hindostaans moet voor mij kunnen. Dat gebeurt nu soms eigenlijk al, dat er eens enkele woorden of een hele zin Hindostaans valt. Dan zorgen we gewoon voor een vertaling, zodat we niemand uitsluiten en iedereen het kan begrijpen", beweert Tamsiran.

'Met het Engels komen wij veel, veel verder dan het Nederlands'

Engels
Eigenlijk zouden we ook andersom kunnen denken. Zo zouden niet de politici de taal van de straat kunnen aannemen, maar zou het Surinaams onderwijs in de districten geïntensifieerd kunnen worden, zodat echt élke Surinamer vlot Nederlands leert spreken. Dat is tenslotte nog steeds de officiële taal van ons land. Als het van deze drie politici afhangt, komt daar echter ooit verandering in. "Ik vind het verschrikkelijk jammer dat ik één van mijn idealen als parlementariër niet heb kunnen realiseren." Rodgers doelt op het invoeren van het Engels als tweede taal, formeel geaccepteerd en breed gedragen. De taal heeft hem aan het denken gezet, ook na discussies met anderen die het misschien zelfs beter weten waarom het Nederlands vervangen moet worden door het Engels. Dat standpunt heeft hij al in de begin jaren 70 geformuleerd. Rodgers noemt in dit verband de naam van de toenmalige minister van Onderwijs Ronald Venetiaan, die een wezenlijke bijdrage heeft geleverd bij de totstandkoming van die gedachte. Een keuze die drie dingen met zich zou kunnen meebrengen. Het volk maakt een bewuste keus, het wordt een bewuste keus in vrijheid en die keus wordt gemaakt met het verstand. "Met het Engels komen wij veel, veel verder dan het Nederlands", benadrukt de parlementariër.

"Om echt aan te kunnen sluiten bij onze Caribische en Latijns-Amerikaanse buren, zou Suriname er beter voor kiezen om af te stappen van het Nederlands en te kiezen voor het Engels of het Spaans. Dat zal een proces van lange adem zijn, maar het is zeker niet onmogelijk. Bovenal denk ik niet dat het veranderen van taal het niveau van het parlement naar beneden zal halen", besluit Tamsiran. Alsof het partijgenoten zijn, sluit Schalwijk zich weer bij zijn collega aan. "Het Nederlands hebben we door ons koloniaal verleden overgeërfd, maar we moeten ervan durven afstappen. Dat is op de Nederlandse Antillen al min of meer gebeurd. De Engelse, of eventueel zelfs de Spaanse taal invoeren, daar sta ik voor de volledige honderd procent achter. Mocht de volgende regering zich daarvoor inzetten, dan zou ik me daar volledig voor inzetten", besluit Schalwijk.

Rodgers is ervan overtuigd dat wanneer voor het Engels wordt gekozen, het geen taal is van de kolonisator en het ons niet wordt opgelegd. De parlementariër gelooft dat wij in staat zullen zijn ons internationaal beter uit te drukken. Hij blijft realistisch, want Rodgers erkent net als Tamsiran dat dit proces tijd gaat vergen. "Maar we moeten ermee beginnen. Kijk niet tegen het werk op. Zeg ook nooit het werk is teveel, want het is nooit teveel. Het is pas teveel als je er niets aan doet."

Nederlandse taalunie reageert
Helen Chang, coördinatrice van de taalunieprojecten in Suriname, wenste niet te reageren op de kwestie van de taal in het parlement. Op 17 februari legde ze, naar aanleiding van een polemiek over een werkbezoek van de Taalunie aan Suriname, wel deze verklaring af in de Ware Tijd:
"De Taalunie doet niet aan politiek, wij wensen enkel mensen te ondersteunen die Nederlands praten. Dat is onze kerntaak. Zolang men in Suriname Nederlands praat, zal de Taalunie hulp aanbieden. Wil men hier Engels praten, dan moeten ze het maar veranderen. Dat is voor mij ook goed. We kunnen echter niet zomaar de samenwerking tussen Suriname en de Taalunie stopzetten, want we zijn nu eenmaal in 2003 die associatie aangegaan. Als sommigen dan toch zo ontevreden zijn over de Taalunie, waarom hebben ze bij onze toetreding niet gereageerd?".-.

Bron: DWT, 20 april 2010

woensdag 21 april 2010

Altijd langs andere wegen

Arie Verkuijl in memoriam (29 november 1940 – 18 april 2010)

Of Arie Verkuijl de grootste architect is geweest die Suriname ooit gekend heeft, kan ik niet beoordelen. Dat hij een van de opmerkelijkste was, is absoluut waar. Niemand kan om zijn gebouwen heen, ze springen altijd in het oog en staan op markante plaatsen in heel Paramaribo. Dat deze man, die zo concreet zijn stempel op de stad heeft gedrukt, nu na zijn dood met weinigzeggende labels als “universeel mens” adieu wordt gewuifd, is wel wat jammer. Blijkbaar is iemand die een spiritueel leven leidde, onttrokken aan de materie. Hijzelf vond dat allerminst als hij aan de tekentafel zat: hij was een perfectionist als het ging om elk detail van een constructie, elk balkje, elk schroefje, elk ruitje. Hij was ook een man met brede belangstelling en iemand met veel talenten, die hij misschien geërfd had van zijn vader, J.A.H. Verkuijl, die onder de naam Joachim proza en poëzie publiceerde.


Arie Verkuijl ontwierp verschillende kerkgebouwen voor de EBG zoals die aan de Rust-en-Vredestraat/hoek Gemenelandsweg, een school met ronde ruimtes naast het voormalige Tower-theater, de prachtig vormgegeven ruimtes van het heilpedagogisch centrum Matoekoe in Lelydorp, de Surinaamse Postspaarbank, het gebouw van de Lands Accountantsdienst, van de Stichting Lobi (met geheel open, windonderdoorlatend dak) en meest recentelijk de prachtige Ark aan de Anton Dragtenweg die een hotel en grand café zal gaan herbergen. Hij tekende overigens ook kleinere gebouwen, woonhuizen zoals dat van Jan Bongers (de dichter Jabón die politieke boodschappen verspreidt via De Ware Tijd Literair waarmee het morele verval van de Republiek Suriname wordt bestreden vanuit degelijk antiek-marxistische no-nonsense principes). Dat huis aan de Bechaniestraat 6 bestaat uit vier ronde ruimtes (slaapkamers, keuken, badruimte) met een centraal middengedeelte overhuifd door een dak dat vanaf een hoog punt aande ingangzijde helemaal naar beneden helt tot bijna op de grond aan de achterzijde, op de plaats in de salon waar het dakwater de bloemen bedruipt. Het dak bestaat uit singels, duurzame houten latjes, een herontdekking van natuurlijk Surinaams materiaal, dat overigens geen ontegenzeglijk succes is, want het geeft ongedierte de kans er zich in te nestelen.

Niet alle ontwerpen van Verkuijl waren even succesvol. Paramaribo dankt aan hem ook een aantal foeilelijke ontwerpen, zoals de glazen Congreshal aan het Onafhankelijkheidsplein recht tegenover het Presidentieel Paleis. Onbegrijpelijk dat iemand die zich inzette voor Tropische Architectuur dit monstrum van staal en glas zo kon laten vloeken in een omgeving van houten architectuur.

In de laatste jaren van zijn leven legde Verkuijl zich ook toe op de cinematografie. Hij produceerde drie films waarmee Pim de la Parra directe creatieve bemoeienis had, Hori Yu Srefi, Het geheim van de Saramaccarivier en Het Laatste Verlangen. Onder zijn regie werden gedraaid: Wat de Vrouw wil, is de Wil van God, Ontworteld (Rootless) en Chaque Fin est un Debut. Zijn vierde film, Mijn Moeder is Overal, moet nog in première gaan. Ik heb niet al die films gezien, maar wat ik er wel van gezien heb leidt mij tot de conclusie dat die belangwekkend waren als producties van een beginnende Surinaamse filmindustrie, maar voor het publiek zo slaapverwekkend saai en amateuristisch dat je al na een alf uur geeuwend wegholde.

Ik zou overigens Arie Verkuijl allerminst de maat willen nemen aan de hand van zijn minder geslaagde creaties. De man heeft een niet aflatende energie laten zien om dingen te scheppen langs niet voordehandliggende wegen, en dat is veel meer dan gezegd kan worden van bijna alle Surinamers. Iedereen moet daar diep het hoofd voor buigen.

Middelste foto: gebouw Stichting Lobi; onderste: woonhuis Bechaniestraat 6,
@ Michiel van Kempen

Glashard liegen

Als ik op donderdag 15 april op vliegveld Zanderij kom voor mijn terugvlucht naar Nederland met de KLM, wachten twee groundstewardessen van de SLM ons op: de vlucht is gecancelled. Aswolk, IJsland. Dit nieuws is al uren bekend, maar waarom de KLM email- en telefoonbestand niet gebruikt om de passagiers een berichtje te sturen: ik vraag het maar niet. “Er zijn ons geen berichten bekend van passagiers die tevergeefs naar het vliegveld zijn gekomen,” zegt een luchtvaartwoordvoerder later over de radio. Glashard liegen kost immers niks.

Ik ben een maand in Suriname om lessen te geven aan de Schrijversvakschool: Caraïbische literatuurgeschiedenis, Surinamistiek en interpretatie van Caraïbische teksten. Op maandag 19 april worden mijn derdejaarscolleges aan de Universiteit van Amsterdam weer hervat. Dat 1 vulkaan de global village in de war kan sturen heeft wel iets moois. Er zijn mensen die dan in opstand komen tegen – in volgorde van belangrijkheid – de KLM, God en de vulkaan, maar dat helpt alleen hun bloeddruk verhogen. Ali Campbell, voorzanger van UB40, is zo iemand. Hij is in Suriname en zal op zaterdag een concert geven met zijn nieuwe band, maar hij weigert zijn hotel te verlaten, omdat hij geen schadevergoeding krijgt voor het feit dat hij pas op woensdag kan terugvliegen. Na een uur op hem inpraten begint hij zijn concert. dat om 8 uur moest beginnen, om kwart voor 1 ’s nachts. Hij zingt Bring me your cup, maar weet niet dat ze in Suriname cups zeggen als ze één beker bedoelen, en cupsen in het meervoud. Hij wordt compleet weggefloten.


Vrijdagochtend naar het KLM-kantoor. Instapkaarten blijven geldig, afwachten tot de vlucht zal gaan. Maar via de radio wordt een uur later omgeroepen dat iedereen zich moet aanmelden voor herregistratie. KLM-telefoonnummer onbereikbaar, kantoor zaterdag gesloten, maar we bereiken opeens wel een telefoniste die meldt dat we over een week, op vrijdag 23 april zullen worden teruggevlogen. Maandagochtend melden op het kantoor voor instapkaarten.
Volgens de nummering zijn er 140 wachtenden voor me in het bomvolle kantoortje, waar twee medewerkers minimaal 10 minuten per klant nodig hebben. De telefoon rinkelt onophoudelijk, niemand neemt op. Ik reken snel uit dat ik ’s avonds om 10 uur aan de beurt zal zijn. Maar dan komt er een mededeling dat iedereen mag weggaan die de dag ervoor zou vliegen, ze vertrekken vandaag nog. De laatst bijgekomen gaan dus het eerste weg. Ik heb mazzel: iemand geeft me haar nummertje, ik schuif 80 nummers op.
Ik vind zowaar een kuipstoeltje om te zitten. Links van me zit een marronman uit Tilburg, rechts een stadsnegerin uit de Stoelmanstraat, Paramaribo met een vredig slapende baby met krentjes op het hoofdje. Ze kijkt vuil naar de KLM-bedienden: “Allemaal homo’s hier,” zegt ze. Ik geloof dat ik het niet goed gehoord heb. “Allemaal homo’s,” herhaalt ze. Daar zal het wel aan liggen, want mevrouw Chocolaad, van wie ik zeker weet dat die degelijk hetero gehuwd is, is nergens te bekennen.
Uren wachten. Dan is de KLM-bediende zover dat hij me de reserveringscodes kan geven. Die zijn exact gelijk aan wat ik al had. En of ik morgen wil terugkomen voor de instapkaarten. Er begint een kleine vulkaan in me te koken. Wat de natuur al niet vermag. “Ja,” zegt de bediende, “want als iemand niet wil vliegen, kunt u eerder gaan.” Het is de logica van iemand die meent dat een uitgehongerde bende leeuwen dat smakelijke gazellekalfje niet zal verslinden. “Belt u morgen,” zegt de bediende.
“Er neemt toch niemand op,” zeg ik.
“Ik kan de telefoon ook opnemen en niets tegen u zeggen,” dreigt de bediende. Als ik mijn instapkaarten opeis, blaft hij dat ik dan absoluut ook niet eerder dan vrijdag weg kan.
Ik sta buiten tussen de menigte op de stoep. Haal adem. Iemand heeft me gezegd dat er tegenwoordig een goeie slijterij is in Paramaribo. Die ga ik opzoeken. Ik krijg er koffie en er ligt een krant. “De KLM doet er alles aan om zijn klanten zo accuraat mogelijk voor te lichten,” lees ik.

maandag 19 april 2010

Twee schrijvers, twee romans


Op zaterdagmiddag 1 mei 2010 vindt de presentatie plaats van twee nieuwe romans: Devah van Jacques Thönissen uit Aruba en Ruwe olie van Karel de Vey Mestdagh over Curaçao

Uitgeverij In de Knipscheer de OBA en de Werkgroep Caraïbische Letteren nodigen u van harte uit aanwezig te zijn bij deze dubbelpresentatie.


Peter de Rijk (presentator Kunst&Cultuur Amsterdam FM Radio)
gaat in gesprek met Jacques Thönissen over zijn roman Devah en met Karel de Vey Mestdagh over zijn roman Ruwe olie.

Beide auteurs vertellen over hun romans en lezen een fragment voor uit Devah en Ruwe olie.
Na afloop signeren de auteurs voor belangstellenden hun boeken.

Tijd: zaterdag 1 mei 2010, 15.00 uur
Plaats: Openbare Bibliotheek Amsterdam, Centrale Bibliotheek
Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam
Theater van ’t Woord, 7de etage
Zaterdagmiddag 1 mei 2010, 15.00 uur
Toegang: gratis
Bereikbaarheid: klik hier
Reserveren noodzakelijk: via deze link of aan de kassa in de bibliotheek of telefonisch op 020 - 52 30 900

Over Jacques Thönissen zijn roman Devah klik hier
Over Karel de Vey Mestdagh zijn roman Ruwe olie klik hier

Bovenste foto: Jacques Thönissen, onderste: omslag van het boek van Karel de Vey Mestdagh

Zweet & sweet kisses


[Bij de opening van het nieuwe gebouw van het Nationaal Archief Suriname in Paramaribo]

Vier maanden lang zat ik in 1997 in wat toen nog het ’s Lands Archief heette, gezellige helikopters wind wiegend boven mijn hoofd. Om een reconstructie te maken van de geschiedenis van de Surinaamse literatuur vanaf het einde van de 18de eeuw tot het jaar 2000 had je voor de vroegste tijd eigenlijk maar één bron: de Surinaamse kranten en weekbladen. Daarvan zijn er heel veel geweest, vanaf 1774 al! Iedereen heeft wel eens gehoord van de Weekelyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant, de Surinaamsche Courant of De Surinamer, maar er zijn er veel meer geweest, honderden! Ik vind hier nog een aantekening met twee titels:

Commewijne Bulletin
[veertiendaags, gestencild] verscheen circa 1964-1966 (nr. 58 is van 4 november 1966)

Het weekblad Hindustani Surinamke/Indiërs in Suriname, dat werd uitgegeven door H. van Ommeren, verscheen in 1922.

Het was bijna onbegonnen werk om al die bladen zorgvuldig uit te pluizen, en ik werd bijna wanhopig van de gedachte dat ik ’s avonds en in de weekends niet zou kunnen doorwerken. Daar werd gelukkig iets op gevonden. Dankzij de welwillende medewerking van de directie, kon ik de grote zware banden met ingebonden krantenjaargangen in mijn auto laden op vrijdagmiddag. Er werd een keurig lijstje gemaakt: die krant, die jaargang, en op maandagochtend keerden de kranten terug en werd het lijstje weer afgevinkt. (Dat een psychopaat die mij al jaren met een proces bedreigt sinds ik hem op plagiaat betrapte, mij op een website belastert dat ik gestolen heb uit Surinaamse archieven, toont dat hij nog nooit in een archief is geweest. Hoe zou je in godsnaam loodzware, één meter hoge banden moeten ontvreemden en in een vliegtuig het land uit krijgen? Psychopaten in films zijn altijd superintelligent; in werkelijkheid oliedom.)
Ik heb me rot gesjouwd met die kranten, maar was o zo gelukkig dat ik dag en nacht kon doorwerken. Het werd een ritueel: de archiefmedewerkster wierp me altijd van bovenaf knipoogjes en handkusjes toe als ik aankwam, kam loom heupwiegend naar beneden om het lijstje te maken, waarna ik me in het zweet werkte om al het materiaal in of uit te laden.
De allerlaatste keer was de lading misschien wel het allergrootst: het Toyotaatje kreunde onder de vele kilo’s krantenpapier. De lippen gezellig naar voren toe gespitst kwam de bibliotheekmedewerkster me laten zien hoe ze ook zonder muziek zwoel kon dansen. Ik was klaar met uitladen, niet nat van de kronkelende dame, maar wel van naar schatting zeshonderd kilo verstouwd papier. Ik kreeg een big smile namens het Lands Archief: ‘De volgende keer ga ik je helpen, me skat!’

zondag 18 april 2010

Ook in het Sranan kan je limericks maken!

Wan yayo misi f’ Nyun Foto
ging dansen in een bigi koto.
A ben go nanga en pèl
d’ a ben weri heri stel.
Den ben go nanga limousien oto.

Èn pa Hendrik fu baka Konasi
kon niet meer met die misi haar fasi.
A wenke ben griti en
en baka ben priti en
A ben habi fu suku osopasi.

Tra dey f’en a misi nanga en koto
fen’ wan dansi tapu SMS-boto
A sma kap’ en tros
ze gooide alle remmen los.
Te fu k’ba a kapséis nanga a boto.

Pa Hendrik fu Konasi ben sari
bika en lobi fu omeni yari
ben gwe go lasi
tangi f’ yayo pasi
Èn tye, !dati ben hebi fu tyari.

zaterdag 17 april 2010

Het hondje van Kapuściński

Toen Ryszard Kapuściński ruim drie jaar geleden overleed, buitelden in necrologieën de superlatieven over elkaar. Commentatoren bewezen de een na de ander eer aan Kapuściński, die decennialang als buitenlandcorrespondent door de wereld was getrokken en over zijn ervaringen verslag had uitgebracht. De meeste waardering reserveerden zij voor de in boekvorm uitgegeven reportages, waarin Kapuściński op onnavolgbare wijze verslag deed van oorlogen, staatsgrepen en revoluties in Afrika, het Midden-Oosten en Latijns-Amerika. Critici waren het er over eens dat vooral de synthese van persoonlijke waarneming en historische beschouwing zijn boeken kleur en betekenis geeft.

Ik kon mij destijds gemakkelijk vinden in al die loftuitingen. Mijn bewondering voor Kapuściński was gewekt tijdens het lezen van De keizer, zijn boek over Haile Selassie van Ethiopië, een evocatieve en intieme beschrijving van het leven aan het hof van Zijne Hoogvereerde Majesteit. Door het stijlvol verwoorden en inventief schikken van interviewfragmenten – afkomstig uit gesprekken die Kapuściński voerde met hoog- en laaggeplaatsten uit de entourage van Ras Tafari – wist de auteur op een overtuigende wijze het hofleven met al zijn intriges tastbaar te maken. Misschien omdat De keizer het eerste boek was dat ik van Kapuściński las, is het voor mij altijd zijn meest indrukwekkende prestatie gebleven, al verschenen er nadien nog een aantal eveneens voortreffelijke werken, zoals De sjah aller sjah’s – over het bewind van de sjah van Perzië. Ook dit boek is een studie over de nachtmerrie van de macht, zoals Salman Rushdie het verwoordde. Over de ondergang van een regime, het einde van een tijdperk en het ongewisse aanbreken van een nieuwe morgen.

Zoals voor zoveel lezers is één scene uit De keizer voor mij onvergetelijk gebleven. Een bediende vertelt: ‘Het was een klein hondje van een Japans ras. Het heette Lulu. Het mocht in het bed van de Keizer slapen. Bij diverse plechtigheden ontsnapte het aan de keizerlijke knieën en plaste dan op de schoenen van de hoogwaardigheidsbekleders. Het was die hoge heren niet toegestaan om iets te laten merken, om ook maar een gebaar te maken wanneer ze voelden dat er vocht in hun schoenen doordrong. Ik had tot taak tussen de daar staande hoogwaardigheidsbekleders door te gaan om hun de urine van de schoenen te vegen. Daarvoor gebruikte ik een satijnen doek. Dat was gedurende tien jaar mijn functie.’

Recentelijk werd via de Britse krant The Guardian wereldkundig gemaakt dat Kapuściński het niet al te nauw nam met de feiten. Volgens zijn biograaf Artur Domoslawski overschreed hij meer dan eens de grens tussen non-fictie en fictie, dikte hij feiten aan, ging hij onzorgvuldig om met details en beweerde hij soms ergens ooggetuige van te zijn geweest, terwijl hij zich op het bewuste moment aantoonbaar op een andere plek had bevonden. Ook verzon Kapuściński beelden om zijn verhaal kloppend te maken of mooier te laten lijken. De passage in De keizer over het speelse hondje is volgens Domoslawski een verzinsel waar in Ethiopië van meet af aan afwijzend op is gereageerd.

Domoslawski is de vijfde biograaf van Kapuściński, maar de eerste die barstjes heeft geslagen in het standbeeld dat zijn voorgangers van de Poolse schrijver hebben opgetrokken. Heeft zijn reputatie daardoor schade opgelopen? Ik denk het niet. Het merk Kapuściński kan tegen een stootje. En de successchrijver wist waarmee hij bezig was. Hij studeerde geschiedenis en Poolse taal- en letterkunde, debuteerde met gedichten en korte verhalen, en zag geschiedschrijver Herodotus en antropoloog Malinowski als zijn intellectuele rolmodellen. Daar rust zegen op zou je zeggen. De beschuldigingen van Domoslawski zijn ook niet nieuw. Nog bij zijn leven werden dezelfde kritiekpunten tegen het werk van Kapuściński ingebracht. De meester zelf reageerde er minzaam op. Naar zijn zeggen ging het hem minder om de feiten dan om de werkelijkheid achter de feiten.

Kapuściński leidde in overdrachtelijke zin een dubbelleven. De verslaggever Kapuściński beoefende het journalistieke handwerk, waarmee hij voldeed aan de wensen van zijn broodheer, het Poolse nieuwsagentschap PAP. De schrijver Kapuściński produceerde boeken, die hij in het Pools schreef en publiceerde, maar die vanaf de jaren tachtig in steeds meer talen werden uitgegeven. Domoslawski weigert de journalist en de schrijver los van elkaar te zien. Dat verklaart voor een belangrijk deel zijn aanmerkingen op Kapuściński’s werk. Daarnaast vergist hij zich in zijn aanname dat fictie en non-fictie strikt gescheiden compartimenten zijn en geen tussenvorm kennen.

In zijn boeken is Kapuściński een literator, die gebeurtenissen bijna terloops aanraakt, oppakt, van alle kanten bekijkt, tegen het licht houdt en op een andere plek weer teruglegt. Een kunstenaar die new journalism naar een hoger plan tilt en perfectioneert. New journalism had de grenzen tussen feit en fictie al tot stippellijnen teruggebracht. Literaire journalistiek, literaire non-fictie, creatieve non-fictie en faction zijn synoniemen die misschien nog preciezer dan het begrip new journalism uitdrukken dat mythologiseren en verdichten het bewandelen van een andere weg zijn om dezelfde werkelijkheid te bereiken: de werkelijkheid van de schrijver. Die de waarheid liegt om te kunnen stuiten op een diepere en persoonlijkere waarheid. En dan doet het er niet toe of het hondje van Haile Selassie werkelijk over de schoenen van hoogwaardigheidsbekleders heen plaste. En is het irrelevant of deze zich inderdaad niet mochten verroeren en of de doek waarmee hun schoenen werden afgeveegd van satijn, katoen of schapenwol was. Het hondje is dan een metafoor voor de verhoudingen aan het hof, voor de hiërarchie tussen Zijne Verheven Majesteit en zijn onderdanen. En zijn plasje het afwijkende en ongerijmde dat onafwendbaar door de paleismuren naar binnen sijpelt.

Waar is de Kapuściński die verslag doet van de breuklijnen in de geschiedenis van Suriname? Die de ontwikkelingen vanaf 1980 beschrijft met welgekozen metaforen en aandacht voor het betekenisvolle detail? Romanschrijvers, korte verhalen schrijvers en dichters hebben al dicht op de hartslag van die tijd gezeten. Al dan niet met aandacht voor de honden van Paramaribo – de gevangenen van hun erf en verschoppelingen van de straat. Maar waar blijven de literair bevlogen onderzoeksjournalisten?


Voor het Guardian artikel en enkele lezenswaardige reacties hierop:
http://www.guardian.co.uk/world/2010/mar/02/ryszard-kapuscinski-accused-fiction-biography

vrijdag 16 april 2010

De mens is een mysterie

Eerbetoon aan pater Römer

door Jeroen Heuvel


Monseigneur Römer, dr. Amado Emilio José Römer, vindt het jammer dat onze jeugd opgroeit met onderwijs dat op business is gericht, op zaken, op economie. In het onlangs verschenen boekje Dat maakt de mens, de missie van Amado Römer staat dit te lezen op bladzijde 31, met meteen daarachter: ‘Wij hebben de neiging menselijke waarden slechts nog uit te drukken in geld. Bedrijven vragen mensen die zakelijk gevormd zijn en niet mensen die menselijk zijn, sociaal gevormd zijn.’

Het boekje, verluchtigd met foto’s gemaakt door een van de twee tekstbezorgers, Marijke Swank, is een eerbetoon aan de Curaçaose priester en wetenschapper, waarin de tekstbezorgers, naast de reeds genoemde Swank is dat Jan Boessenkool. de méns Amado Römer huldigen, naast de wetenschapper, priester en initiatiefnemer van onder andere een kredietcoöperatie en de FESSKA.

Aan deze publicatie van 64 bladzijden heeft Valdemar Marcha bijgedragen, die in 1996 de motor is geweest achter het liber amicorum van de Universiteit van de Nederlandse Antillen ter gelegenheid van het vijftig jaar priesterschap van Römer. Sommige delen in onderhavig boekje komen bijna letterlijk uit dat vriendenboek. Dit doet geen afbreuk aan het boekje als geheel. Maar bij lezing van deze recente tekst, uitgegeven door Carib Publishing, rijst wel af en toe de vraag: waarom dit boekje, nu? Is het liber amicorum uitverkocht? Spreken de verschillende boeken die Römer zelf heeft geschreven niet duidelijk genoeg voor zich? Het antwoord geven de tekstbezorgers niet alleen zelf, het eerbetoon garandeert het bestaansrecht van deze uitgave, maar ook het feit dat het is geschreven in het Nederlands en daarmee een andere lezersmarkt bedient.

Voor Amado Römer gaan godsdienst en humanisme samen (blz 29), je kan niet alleen maar god dienen, je moet ook op de aarde staan en je op de aarde dienstbaar maken, jezelf ontwikkelen door bewust te worden wat je als mens hier komt doen en dat je een onderdeel bent van de mensheid: dat je een god dienend medemens bent. De mens heeft twee geweldige eigenschappen (blz 33): hij kan zich verheffen boven het materiële en hij kan zin geven aan zijn leven door voor zichzelf en zijn ontwikkeling te kunnen zorgen. Als katholiek onderscheidt Römer lichaam en geest in de mens, hij maakt niet de driedeling lichaam, ziel en geest die wetenschappers als bij voorbeeld Rudolf Steiner maken. Daarom gaat Römer ook niet verder dan vragen als Wie ben je? Hoe verhoud jij je met de ander? Wie en wat is de mens? Weet je wie je bent? Weet je wat je bent? Hoewel de sociaalwetenschapper geen geesteswetenschappelijke antwoorden zoekt op vragen naar de (geestelijke) realiteit in het aardse leven van de mens, zijn de vragen zoals Römer ze stelt uitermate bevorderlijk om humaner te worden en tot een humanere wereld te komen. Zo is op initiatief van hem in 1976 de Fundashon Estudio Superior i Sientífiko Antia (FESSKA) opgericht, een instituut om filosofische vorming te geven op het gebied van waarden en normen, gebaseerd op de leer van de katholieke kerk. Monseigneur Römer is in 1921 geboren en is er volgens eigen zeggen nog niet achter wat de mens is, zo ondoorgrondelijk is de mens, ook al ben je er je hele leven mee bezig (blz 7).

Dat maakt de mens is een klein en fijn eerbetoon dat veel lezers kan helpen bewuster menselijk te worden.

Boessenkool, Jan en Swank, Marijke (tekstbezorgers) met bijdrage van Marcha, Valdemar (2010). Dat maakt de mens, de missie van Amado Römer. Amsterdam: Carib Publishing

ps. Vrijdag 16 april heb ik dit bericht geplaatst. In de nacht van vrijdag op zaterdag (17 april) is Amado Römer overleden. Moge hij rusten in vrede.

Glenn Kallasingh exposeert

Op zaterdag 1 mei 2010 vindt de opening van enkele exposities in Galerie Thyencamp Hooghalen plaats. Een van de exposanten is Glenn Kallasingh.

U kunt binnenlopen vanaf 14:00 uur.
De formele opening is om 15:00 uur met een openingsspeech van Ton Peters, voorzitter van Stichting Pro-Graph uit Orvelte, de samensteller van de expositie "Landschap Hoogdruk".

De Haagse kunstenaar Glenn Kallasingh zal de opening muzikaal ondersteunen met zijn zang (invocatie) en begeleiding op de Tanpura.

Ton Peters zal enige gedichten ten gehore brengen. Ook de dichters Rob Boudestein, Gezienus Omvlee en Ben Hoogland zijn aanwezig.

In de grote zaal presenteert Pro-Graph het project “Landschap(pen) in zwart- wit op basis van een schets” (werktitel) . Hieraan doen 6 grafici uit Honolulu, 4 grafici uit Berlijn en 5 grafici uit Nederland mee.
In de gang zijn werken te bewonderen van de zelfde kunstenaars, zoals opgenomen in de 2008 kalender.
Op de taszolder exposeert Glenn Kallasingh zijn zeefdrukken.
Download hier de catalogus .
De expositie is te bezichtigen tot 31 oktober;
dagelijks van 13:00 tot 17:00 uur
Voor een routebeschrijving zie
www.galeriedrenthe.nl

Laaghalerveen 23
9414 VH Hooghalen
Tel. 0593-592330

Een Operagebouw aan Paramaribo’s waterkant?

Dat dit de ultieme droom is van de Nederlandse sopraan en zangpedagoge Dieuwke Aalbers, die zojuist voor de tweede maal in Paramaribo is geweest met haar ‘missie’ om Surinaams zangtalent techniek en achtergrond te leren, leerde ons een artikel in de Ware Tijd van een dezer dagen.

Het is de tweede maal dat de zangpedagoge samen met de Surinaamse Nel Dahlberg leerlingen onderricht. “We startten het concept in 2009. Nel Dahlberg vroeg me om haar te ondersteunen, omdat ik aan het conservatorium heb gestudeerd. Maar liefst 140 mensen wilden de cursus volgen. Nel en ik hebben vervolgens via audities de beste zangers gekozen”, legt Aalbers uit. Dit jaar heeft de sopraan met dezelfde mensen gewerkt. Ze bouwt voort op wat ze hen al heeft aangeleerd. Dat bestaat uit notenleer, de geschiedenis van de artiesten en stemtechnieken.

Tekort aan muziekspecialisten
Volgens Elviera Sandie, directeur van het Cultureel Centrum Suriname (CCS), is het nodig dat deskundigen vanuit het buitenland naar Suriname komen. “Er is een tekort aan muziekspecialisten in Suriname. Mensen die het wel geleerd hebben blijven in eigen land, terwijl juist zíj kennis aan jongeren moeten overdragen”, aldus de directeur. Ook volgens Aalbers heeft Suriname behoefte aan geschoolde muziekleerkrachten.”Er is een gebrek aan leerkrachten die op een conservatorium hebben gestudeerd en die ook op een podium hebben gestaan. Als je nog nooit voor een groot publiek hebt gezongen, kun je die belangrijke kennis niet aan je leerlingen overbrengen. Verder zou men ook over de geschiedenis van de artiest moeten vertellen. Sommigen kennen niet eens de naam Mozart, laat staan zijn levensverhaal.”

Dieuwke Aalbers met haar Surinaamse leerlingen, 2010, foto @ de Ware Tijd

De Effendi Ketwaru Volksmuziekschool van het Cultureel Centrum Suriname (CCS) en Dieuwke Aalbers willen er geen afzonderlijke projecten van maken, maar zij willen zorgen voor continuïteit. “Het is belangrijk dat de mensen blijven groeien. Daarom wil ik ze ook blijven volgen. Eenmaal ik terug ben in Nederland kunnen ze me e-mailen (info@dieuwkeaalbers.nl) voor tips. En eind november kom ik terug”, vertelt Dieuwke Aalbers. “Surinamers zijn immers erg muzikaal, ik wil er veel meer uit halen. Mijn ultieme droom is om een mooi operagebouw te bouwen langs de waterkant. Waarom zou dat hier niet kunnen?”

Nog een lange weg te gaan
Bepaald een mooie droom, maar er zal nog héél veel water door de Surinamerivier stromen alvorens dit ooit realiteit zou kunnen worden. Haar inspanningen en die van Nel Dahlberg, respectievelijk de Effendi Ketwaru Volksmuziekschool, verdienen bewondering en aanmoediging, maar het is nog slechts een druppel op de gloeiende plaat. De Surinamers zijn zeker muzikaal, zo ontstond er er in het spoor van de in Paramaribo geldende (Europese) muziektraditie, voor een belangrijk deel door de inzet van de Herrnhutter zendelingen in Suriname, de Evangelische Broeder Gemeenschap Suriname (EBGS), vanaf de tweede helft van de 19e eeuw een klassieke muziektraditie die was gestoeld op de Europese klassieken, al dan niet gelardeerd met Surinaamse ingrediënten. Hierbij zijn namen te noemen als die van Helstone, Ketwaru, Dahlberg, Mühringen, Nelom, Snijders, en anderen.

Muziek van de zoutwaternegers
Het waren de paters en fraters die, zij het gebrekkig, de muziek- geschiedenis schreven van de Surinaamse indianen en van de uit Afrika geïmporteerde slaven die zij zoutwaternegers noemden. Aan de muziek van de creolen met een scheutje blank bloed, en van de Hindoestanen die na de afschaffing van de slavernij in 1863 als contractarbeiders uit India naar Suriname waren gereisd gingen zij geheel voorbij. “Alleen authentiek is interessant”, dat vond muziekvorser Herskovits die omstreeks 1930 een reeks beschrijvingen, teksten en transcripties van bosnegermuziek produceerde. De als heidens te boek staande winti-muziek kwam natuurlijk absoluut ‘nicht im Frage’. Complex verweven ritmes, meerstemmige zang en bijbehorende rituele dansen trof hij aan, dit alles naar Westafrikaans recept. Over de lichtvoetiger kawina-drumensembles repte hij niet, de feestmuziek kaseko moest nog worden uitgevonden maar zou evenmin zijn waardering hebben weggedragen.

Omstreeks 1800 waren er al negerorkesten die bestonden uit vrijverklaarde slaven. Zij speelden walsen en polka's, salonmuziek voor de baas, maar langzamerhand pasten zij die aan hun eigen smaak aan, de stijl werd wat ritmischer. Hun vertrouwdheid met Europees repertoire en instrumenten kwam deze muzikanten goed van pas toen in 1825 de Militaire Kapel werd opgericht.

Monument voor Johannes Nicolaas Helstone op het Kerkplein, Paramaribo

De invloed van de Christelijke kerkmuziek
Christelijke kerkmuziek betekende voor velen een intensieve kennismaking met een Europese muziekopvatting. Vooral de Duitse Herrnhutters hadden veel succes, zij leerden hun bekeerlingen psalmen en gezangen, het Wilhelmus en andere vaderlandslievende liederen waaronder het onvermijdelijke Wien Neêrlands bloed. Het was wel even wennen, het tempo van de Surinamers lag al snel een stuk hoger dan de Duitsers graag hadden gezien. Kerkorganisten konden dan ook bogen op een brede achtergrond. Zoals Rudolf Adamson, hij begon als drummer bij een jazzband, zijn favoriete genres waren swing en ragtime. Als vijftienjarige zong hij in een jeugdkoor, daarna leerde hij orgel spelen, ritmisch en up-tempo. Ook het voorspel paste hij aan, geen partita's en fuga's maar eenvoudige aria's, pakkende melodieën die de mensen kunnen meeneuriën. “En welke Surinamer kan dat bij Bach of Händel?”, vroeg Adamson zich af.

Het Surinaams Philharmonisch Orkest
Eind jaren veertig richtte Eddy Wessels in Suriname het Philharmonisch Orkest op dat werd bemand met musici uit de militaire kapel en andere ‘handige’ muzikanten die bijvoorbeeld ervaring hadden opgedaan met het begeleiden van stomme films. De vroegere bron van goede muzikanten, de Militaire Kapel, was inmiddels opgedroogd. Pas toen bij een belangrijke beëdiging de plaat met het Wilhelmus bleef ‘hangen’ werd het miltaire orkest opnieuw opgericht. Het Philharmonisch speelde pianoconcerten en symfonieën van Beethoven, de celloconcerten van Saint Saëns, concerten van Mozart, Les Préludes van Liszt voor een publiek van beter gesitueerde burgers in Paramaribo. Gaandeweg ontstond er nieuw repertoire doordat de vier Eddy's, Mühringen, Snijders, Vervuurt en Wessels, nieuwe stukken schreven, hetzij in een strikt Europees idioom, hetzij op basis van Surinaamse volksmuziek.

Met het overlijden van dirigent Wessels ging ook het Surinaams Philharmonisch Orkest ter ziele, alleen drie blaaskapellen bleven over: de Militaire Kapel, de Politiekapel en Harmonie De Trekkers. Naast Europees en Amerikaans repertoire voor plechtige gelegenheden spelen zij volksliedjes in bewerkingen van de Surinaamse componisten.

Na het wegvallen van het Philharmonisch en het wegkwijnen van de Volksmuziekschool, is het Surinaamse muziekleven min of meer in slaap gedommeld, van een ‘klassiek’ repertoire is helaas nog maar nauwelijks sprake, alleen de populaire muziek mag zich verheugen in een blijvende belangstelling. De opkomst van de brassbands moet daarbij zeker worden genoemd en –niet te vergeten– de gospelkoren als gevolg van de enorme groei van de Volle Evangelie gemeenten. Maar behalve dat er geen orkesten meer zijn, zijn er ook geen ‘rolmodellen’ meer, zoals de hierboven genoemde Surinaamse ‘klassieke’ musici.

Monument voor Eddy Snijders tegenover Fort Zeelandia, Paramaribo

Taak voor het Directoraat Cultuur
Het is duidelijk dat hier een taak ligt voor het Directoraat Cultuur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (Minov). Daar zouden plannen moeten worden ontwikkeld voor muziekeducatie in Suriname, om te beginnen met een curriculum dat kan worden gehanteerd op de lagere en middelbare scholen. Ook zou door het Directoraat Cultuur moeten worden toegewerkt naar een samengaan van de inmiddels herboren Volksmuziekschool Suriname en de Effendi Ketwaru Volksmuziekschool van het CCS, want dat is niet alleen een ongewenste versnippering van krachten, maar bovendien is Suriname (Paramaribo) gewoon te klein voor twee muziekscholen. Samenvoeging geeft dan wellicht ook uitzicht op een uit leerlingen geformeerd orkest, waarmee een oude traditie weer kan worden opgepakt, dit naar het voorbeeld van het door Eddy Snijders geformeerde en jarenlang geleide zeer succesvolle Jeugdorkest. Eerst als een en ander goed van de grond is gekomen kan er sprale zijn van muziekeducatie in Suriname, en nóg veel langer daarna (misschien) van een Operagebouw aan de waterkant van Paramaribo.


[Dit artikel is gelijktijdig gepubliceerd op wwwsurinamestemt.com]