zaterdag 27 februari 2010

Het hiernamaals van Doña Lisa

Het is alweer de zoveelste Antilliaanse roman die gaat over de gebeurtenissen rondom 30 mei 1969. In 1970 publiceerde Edward de Jongh zijn historishe roman E dia di mas historiko in het Papiamentu. Ook andere auteurs hebben dit als thema gehanteerd of hiernaar gerefereerd. Echter deze versie van Eric de Brabander heeft het meer als decor gebruikt. Vanuit de zijlijn wordt er nu gekeken naar deze dag, die een omwenteling teweeg bracht in de culturele identiteit en emancipatie van het volk. Op het eerste gezicht lijkt het alsof de roman bedoeld is voor liefhebbers van de koopvaardij, maar dan kom je bedrogen uit. Zoals gebruikelijk omvatten de romans van uitgeverij In de Knipscheer een thrillerelement dat het avontuurlijk en spannend maakt.

Thema van de roman is de vriendschap tussen de drie buurtjongens die geen hoge of lage tonen kent en de gecalculeerde liefdesverhouding van een vrouw die meent er beter van te worden. In elke vriendschap heb je van nature een zekere spanning, die zich uit in meningsverschil, jaloezie en soms een woordenwisseling. En juist die spanning ontbreekt in de verhaallijnen. Het verhaal krijgt in het tweede deel van de roman een zekere wending, als men historische elementen weet op te voeren. Dan krijgt de setting die in Venezuela afspeelt meer cachet, te meer daar het zeer actueel is met de komst van Hugo Chavez aan de macht. De afstand tussen Curacao en Venezuela is dan ook niet langer een die je zwemmend de overkant bereikt.

De vriendschap tussen de tandarts Edward Raven bijgenaamd Boyo, de visser Kai en JonJon die in een rolstoel zich voortbeweegt is voor altijd. Dit ondanks dat Boyo als enige uit de wijk naar het buitenland vertrok, terwijl de achterblijvers qua maatschappelijke positie niet verder zijn gekomen. Het verhaal laat ook zien dat de sociale afkomst geen rol hoeft te spelen in de intermenselijke verhoudingen. Na een tijd gevaren te hebben komt het uiteindelijk toch tot een uitbarsting tussen de vrienden. Maar zoals in de Curaçaose cultuur geldt, wordt de haatliefde verhouding bedekt met een zwarte fluwelen mantel.

Het verhaal wordt vanuit het perspectief van Boyo verteld. Hierdoor raken de twee andere personages op de achtergrond en komen pas aan het eind van het verhaal in actie. Je verwacht dat het verhaal op een zeker moment via een flashback van de drie jeugdvrienden terugblikt op hun verleden. Dit had best gekund tijdens de urenlange bootreis naar Tucacas of gedurende hun terugreis naar Curaçao. Daarmee kon met de gebeurtenissen nog fris in het geheugen een contrast worden geschapen van het Curacao van vroeger en dat aan de vooravond van 30 mei 1969. Daar waar het vooral gaat om de klasse- en etnische tegenstellingen en de verschuivingen daarbinnen, had je met het oog op recente gebeurtenissen iets meer verwacht.

Het verhaal gaat in vertraagd tempo voorbij, gehakt in stukjes. Af en toe wordt het een beetje langdradig als het continu gaat over de mal, het bouwen van een nieuw peñero en minder over de menselijke verhoudingen. Met het opvoeren van het personage van Dieter en Lisa krijgt het verhaal een draai. In het laatste deel van de roman komen de drie voornaamste personages echt tot leven. Er is dan meer interactie tussen de personages, met name de tot zijn rolstoel veroordeelde JonJon die zich afvroeg wat zijn rol eigenlijk was onder die twee vrienden?

De indruk bestaat dat de prille liefde tussen Doña Lisa en Boyo een nood ingreep is geweest om het verhaal wat smeuïger te maken. Via enkele filosofische verhandelingen krijgt de lezer een geraffineerd beeld van de Curaçaose maatschappij en samenleving. Jammer dat opnieuw uitgerekend Edward Raven (Boyo) – evenals vroeger de passanten in de Antilliaanse literatuur – als betweter wordt neergezet. De afloop van het verhaal, waarbij zowel Kai en JonJon komen te overlijden is niet zo goed doordacht. Niettemin is het een roman geworden die voornamelijk buiten de grenzen van Curacao afspeelt en nieuwe inzichten aandraagt over de relatie Yiu di Korsou en migranten. Het is een teken dat de Antilliaanse literatuur niet langer beperkt blijft tot het veelvuldig beschrijven van de eigen omgeving.

Auteur(s): Eric C. de Brabander
Prijs: 16,90 euro
ISBN: 9789062656431
Jaar: 2009
Categorie:Literaire roman,novelle
Uitgever: Uitgeverij In de Knipscheer
Aantal pagina's: 271

vrijdag 26 februari 2010

Francio Guadeloupe geeft Van Lier-lezing

Vandaag, vrijdag 26 februari 2010, geeft Francio Guadeloupe in Leiden de Tweede Rudolf van Lier-lezing onder de titel ‘Adieu aan koelies, nikkers en makambas: raciaal denken binnen de antropologie van de Caraïben’ . Referent is Aspha Bijnaar.

Guadeloupe is de auteur van onder meer Their modernity matters too: the invisible links between Black Atlantic identity formations in the Caribbean and Consumer Capitalism en Chanting Down the New Jerusalem: Calypso, Christianity, and Capitalism in the Caribbean.


Klik hier voor meer informatie over de Tweede Rudolf van Lier-lezing.
Aanvang 19.30 uur precies!!

donderdag 25 februari 2010

Schilderijen van Wonny Stuger

Van 1 februari tot 1 mei 2010 zijn schilderijen van Wonny Stuger te zien in 3-STONES, Keniaans restaurant, Laan van Meerdervoort 46 A, Den Haag
De openingstijden van het restaurant zijn van woensdag tot zondag van 17.00-23.00 uur
Na 17.00 uur gratis parkeren.

Bij het schilderij hiernaast noteert Wonny Stuger: ‘Mohamed Ali vs Sonny Liston. Samen met mijn vader naar deze wedstrijd gekeken. Mijn vader euforisch, mijn moeder vol afschuw ineen krimpend bij elke welgemikte stoot. Plagend danst hij om haar heen. Kijk mij dan: " Float like a butterfly and sting like a bee"’

In memoriam Mohamed Ramdjan Soeltan

door Ellen de Vries

Op 25 februari 1980 grepen zestien sergeanten onder leiding van Desi Bouterse de macht in Suriname. Strategische plaatsen werden bezet waaronder de kazerne en het hoofdbureau van politiebureau. Tijdens de coup vielen ten minste vijf slachtoffers: twee militairen, een politieman en twee burgers.
Gesprek met de broer van de op 23-jarige leeftijd gesneuvelde agent Mohamed Ramdjan Soeltan.

PARAMARIBO - 'Hallo', klinkt het slaperig aan de andere kant van de lijn. 'Spreek ik met Mohamed Hanief Soeltan?', vraag ik verheugd. Dolblij, dat ik eindelijk een familielid van agent Mohamed Ramdjan Soeltan te pakken heb. Ik ben op zoek naar de nabestaanden van degenen die op 25 februari 1980 tijdens de militaire coup onder leiding van Desi Bouterse om het leven kwamen. Een poging om een van de nabestaanden van de militairen te interviewen, strandde. Als ik uitleg wat mijn bedoeling is, klinkt ook Soeltan niet erg enthousiast. Hij houdt de boot af. Hij heeft net dienst gehad en moet slapen, zegt hij. Het is tien uur 's morgens. Soeltan is loods. Na enig aandringen stemt hij toch in met een bezoek. Ik neem de bus richting Indira Ghandhiweg - een van de buitenwijken van Paramaribo - en ga verder met een taxi. Ik tref het: de taxichauffeur kent de familie Soeltan en levert me moeiteloos bij het juiste adres af. Bij een groot, vrijstaand huis met uitzicht over de weilanden, staat hij te wachten. Verrassend genoeg: volkomen uitgerust en breed lachend. Hij serveert zoete drankjes en vertelt over zijn broer, politieagent Mohamed Ramdjan Soeltan, die nu 53 jaar oud geweest zou zijn. Zelf is hij 50.


'We zijn geraakt!'

In de nacht van 24 op 25 februari 1980 draaide agent Soeltan extra surveillancedienst. Vanwege acties van militairen die staakten omwille van een vakbondsconflict waren in Paramaribo buitengewone ordemaatregelen getroffen. Toen er tussen 2 en 3 in de ochtend bij de meldkamer van de politie schoten in de omgeving van de Memre Boekoekazerne werden gerapporteerd, besloten de dienstdoende agenten langs de kazerne te rijden om te informeren of de militairen iets hadden gehoord. Niet wetende dat de actievoerende militairen onder leiding van Desi Bouterse hadden besloten tot een coup en het kamp reeds was ingenomen. De wachtcommandant van de kazerne, luitenant Van Aalst, was daarbij gesneuveld. Politieman Freddy de Mees zat achter het stuur van het Volkswagenbestelbusje, met links van hem collega Soeltan en achterin agent Roy Jones, toen ze plotseling schoten hoorden. Jones dook plat op zijn buik. De Mees schreeuwde in de portofoon: 'Prio 1, prio 1, kom in voor dubbel 5 7. Ze hebben op ons geschoten. We zijn geraakt'. De Mees en Jones kwamen er genadig vanaf en wisten het vege lijf te te redden. Soeltan gaf een gil en viel dodelijk getroffen neer in zijn stoel. Bij de overname van de munitiebunker aan de Doekhieweg werd sergeant-majoor Comvalius doodgeschoten. Soeltans lijk werd pas om 11 uur 's morgens door de rebellerende militairen opgehaald. De fotograaf van dagblad de Ware Tijd had er nog een foto van weten te maken, die later op de dag werd gepubliceerd in de krant.


Doodsbang

Broer Mohamed Hanief Soeltan was 's morgens nietsvermoedend naar de zeevaartschool gegaan. Vanaf de steigers kon hij zien hoe een marineboot schoten loste op het statige hoofdbureau van politie aan de waterkant: een ander belangrijk doelwit van de coupplegers. Bij de beschieting kwamen zeker twee burgers om het leven. De leerlingen werden naar huis gestuurd. Thuis aangekomen trof hij louter huilende mensen aan. Toen pas hoorde hij dat zijn broer vroeg in de ochtend doodgeschoten was. 'Ik was 'stom', kon niets zeggen. Onze familie was kwaad op de militairen. Mijn broer deed gewoon zijn werk.' Ramdjan was het vijfde kind uit een gezin van tien kinderen. 'Hij was een rustige jongen, net als ikzelf. Wij zijn opgegroeid op het platteland, tussen de rijstvelden', glimlacht hij. Zijn vader en een oom togen 's middags naar de kazerne, na veel gepraat mochten ze het stoffelijk overschot zien. 'Als wij moslims onze doden gaan begraven dan baden we het lijk zelf. Ze hadden mijn broer gewoon in het mortuarium gegooid, bebloed en al.' Hij wijst op zijn middel: 'Hij was doorzééfd met kogels. Na twee of drie dagen mochten we hem begraven.' De politie verzorgde de begrafenis. Daarna vertrok Soeltans vrouw met de baby van drie maanden naar familie in Nederland; ze had hier onvoldoende opvang.

Aangifte? Schadeloosstelling? Soeltan haalt zijn schouders op. 'Iedereen wist dat de militairen mijn broer hadden doodgeschoten', stelt hij. 'Je begraaft hem en houdt je mond dicht. Iedereen was doodsbang. Het was een problematische tijd. Er was een avondklok.'


De eerste klap

Hij is de enige van de familie die erover wil praten. We rijden naar de islamitische begraafplaats Welgedacht B. aan de Indira Ghandhiweg, uit de verte herkenbaar aan de minaretten. Vooraan op de begraafplaats ligt het graf. Simpel: met een blauw en wit tegelmozaïek. De ingemetselde vaas aan het voeteneind is afgebroken. 'Hier rust onze innig geliefde echtgenoot, vader, zoon en broer', staat er op de gedenkplaat. Rechtsboven zijn de contouren van een fotolijst te zien. Het portret is verwijderd. Soeltan vertelt hoe zijn vader vlak voor de driejarige kranslegging naar het graf ging om het schoon te maken. Hoe bizar kan het gewone leven zijn; een filmscenarist zou de volgende scène schrappen omwille van de geloofwaardigheid. Toen de vader ineens omhoog keek: recht in de ogen van zijn overleden zoon, kreeg hij een hartaanval. 'Hij stierf een paar dagen later in het ziekenhuis.'

Een tijdlang herdacht de politie jaarlijks de dood van zijn broer. Tegenwoordig niet meer. Als iets 'oud' wordt, dan vergeet men, weet Soeltan.

'Er wordt onderzoek gedaan naar de 8-decembermoorden, maar', stelt hij, 'ik vind: moord is moord.' Een paar jaar later, op 8 december 1982, doodden de militairen vijftien vermeende tegenstanders van het militaire bewind. Vijfentwintig personen onder wie Desi Bouterse staan nu in Boxel (Suriname) terecht op verdenking van moord. Iedereen weet van 8 december, meent Soeltan, en suggereert: de slachtoffers van 25 februari is men vergeten. Hij vermoedt dat de Nationale Democratische Partij, de partij van Bouterse, straks een groot feest gaat geven om dertig jaar revolutie te vieren. 'De mensen die een klap hebben gehad, weten beter. Wij waren de eersten.'

Amnestie?

De militairen die op 25 februari 1980 om het leven kwamen, waren: majoor A.J. Comvalius en luitenant I.A. Van Aalst. Zeker twee burgers werden gedood tijdens de beschieting van het hoofdkantoor van politie. Een daarvan werd geïdentificeerd als Joseph Bacchus, Guyanese gastarbeider en werknemer van juwelier Oemrawsingh, de ander was vermoedelijk ook uit Guyana afkomstig. Kort na de coup werd een amnestieregeling afgekondigd die de verantwoordelijken uit de wind hield. Betty Goede van de Surinaamse Organisatie voor Gerechtigheid en Vrede, die zich destijds inzette voor berechting van de 'decembermoorden', noemt het ‘natuurlijk niet terecht’ dat nooit onderzoek is verricht naar de gebeurtenissen op 25 februari. Gaat het hier om een moord zoals Soeltan meent of om een mensenrechtenschending, waarvan je je kunt afvragen of die onder een amnestieregeling valt? In dat laatste geval is verjaring niet aan de orde. Volgens de Surinaamse minister van Justitie en Politie, Chandrikapersad Santokhi, verjaren mensenrechtenschendingen nooit. Desgevraagd zegt hij dat per geval bekeken zou moeten worden of er voor destijds geleden schade nog vergoeding mogelijk is. Mohamed Hanief Soeltan zal er geen gebruik van maken: ‘Ik heb nu een rustig leven en probeer dingen te vergeten.’

woensdag 24 februari 2010

Literatuur in partijprogramma's?

Wat wil jij met 25 mei 2010? Kom het vertellen!

Wat is jouw stemadvies voor de Surinaamse verkiezingen van 25 mei 2010? Wie heeft volgens jou het beste partijprogramma? Wat zou de komende regering moeten doen voor schrijvers en andere kunstenaars? Wat zou de komende regering moeten doen om Surinaamse literatuur de plaats te geven die het verdient? Op wie moeten schrijvers vooral niet stemmen, omdat ze nooit wat voor de schrijvers hebben gedaan?

Of wil je gewoon je column/verhaal/gedicht voorlezen met bijvoorbeeld een kiek op de politicus die het meest op jou lijkt? Of vertellen waarom je dat hele verkiezingsgedoe maar niets vindt?
Het mag allemaal op 28 april 2010 in Tori Oso van 20.00 - 22.00u. Je moet je wel van tevoren opgeven (520513 / 08912005 of emailen naar schrijversgroep77@hotmail.com) . Dit kan tot uiterlijk 10 april 2010. De deelnemers hebben een spreektijd van maximaal 7 (zeven) minuten. Echte politici zijn natuurlijk ook van harte welkom.

Lees je niet, dan ga je dood

Stichting Leesbevordering TOBIDEB organiseert in verband met de 10e nationale voorlees- en verteldag in Suriname een reeks van activiteiten. De aftrap is op zaterdag 27 februari. Evan Rozenblad verzorgt op die dag een lezing met de titel 'Lees je niet, dan ga je dood'. Mevrouw Gerda Bijlhout, al decennia bekend vanwege haar vertelactiviteiten, demonstreert hoe je met boeken en verhalen belangrijke pedagogische doelen kan bereiken.

Tijd: 10.30 - 13.00u.
Plaats: Nola Hattermaninstituut, Paramaribo.
Naast de lezingen organiseert de stichting ook verschillende voorleesdagen in de wijken.

Op de foto: Karin Amatmoekrim,
foto @ Fred Vloo

In memoriam Cécile Zandwijken

Enige dagen geleden overleed Cécile Zandwijken. In december schreef Carry-Ann Tjong-Ayong nog over haar:

Zij zit op een lage stoel. Keurig gekleed. Haar vroegere rastavlechten zijn gereduceerd tot een gemillimeterd grijs kopje, volmaakt rond, waarin de grote ogen vaag verbaasd de ruimte opnemen. Wie ben ik? Wat doe ik hier? Wie zijn al die mensen? Zij is langzaam aan het wegzakken in haar eigen vergetelheid.
Zij is Cécile, een heel begaafde, artistieke vrouw met originele ideeën over de cultuur in Suriname. Een begenadigd dichter. Na een hersenbloeding werd zij nooit meer de oude. Nu praat zij niet meer en mompelt slechts Mmmm., terwijl zij je vriendelijk aankijkt met haar grote ogen. En zij houdt je met beide handen stevig vast.

In 2006 won zij de eerste prijs van de Black Magic Women Poëziefestival met het gedicht ‘Ini a mofo neti’ [In de avondschemering]:

Ini a mofo neti
Fu mi libi
Yu doro
Mi kari yu kon insey

Ini a sula in mi liba
Pe mi syen e kibri
Pe mi frede prakseri e beyfi
Dape yu saka sdon

Dede kapelka ini mi bere
Begin dribi den ffrey ffrey
Wiki ala sortu nyun firi

Mi fruwondru tê
M’ e fruwondru ete
M’ e fruwondru tide

In de avondschemering
Van mijn leven
Kwam je
Ik liet je binnen

In de stroomversnelling in mijn rivier
Waar mijn schaamte schuilt
En mijn angstige gedachten trillen
Daar nam je plaats

Dooie vlinders in mijn buik
Begonnen hun vleugels te strekken
En wekten allerlei nieuwe gevoelens op

Ik was verbaasd
Nog steeds ben ik verbaasd
Vandaag

In De Ware Tijd van 8 augustus 2006 verscheen een verslag van de BMW-middag door Bonnie van Leeuwaarde, dat hieronder wordt overgenomen:

Op de derde dag van het Black Magic Woman Festival, werd tijdens de literaire middag de poëzieprijs uitgereikt aan Cecile Zandwijken.

De twee thema’s waar de deelnemers uit konden kiezen waren ‘Liefde en erotiek’ en Black Magic Women’. Het winnende gedicht was in het Sranan en vol onvervalste erotiek, zoals dit fragment: ‘Dede kapelka ini mi bere/Bigin dribi den frei frei/Wiki ala sortu nyun firi.’

De tweede prijs was voor het gedicht 'In gezelschap' van Soecy Gummels en de derde voor 'Skwala' van Eudya Vos. Behalve dat er werd gelet op creativiteit, taalgebruik en verbeeldingskracht, moesten de deelnemers ingezetenen zijn. De jury wist niet wie de inzenders waren, tot het moment van de bekendmaking. Van de 35 gedichten waren 24 in het Nederlands, 6 in het Engels, 4 in het Sranan en 1 in het Aukaans.

De presentatie van de literaire middag, zondag, werd gedaan door Jetty Mathurin, teatermaakster in Nederland. Ze deed het op haar geheel eigen wijze. Bijvoorbeeld over het laat komen zei ze: “Onze Lieve Heer heeft die witte mensen de klok gegeven en die zwarte mensen de tijd.”

Het gedicht van Zandwijken gaat over een vrouw die gedurfd heeft iemand toe te laten en daarover nog steeds verwonderd is (‘Mi fruwondru te/M’e fruwondru ete/M’e fruwondru tide). De dichteres glundert wanneer ze van alle kanten felicitaties ontvangt en die vlinder steeds weer aangehaald wordt. Op dit moment is ze niet verliefd. “Maar ik kan me nog goed herinneren hoe het was.”

Aan het begin van de middag waren er twee voordrachten, van Arlette Codfried en Soecy Gummels. Codfried zong ook nog een lied, ‘Life is so hard when you’re in love with a married man’. “Speciaal voor alle vrouwen buiten.” Gummels las uit haar boek Touched by love.

Robby Parabirsing, een van de weinige aanwezige mannen, heeft ook meegedaan aan de poëziewedstrijd. Vrouwen die hij in de literatuur het meest waardeert zijn moedige vrouwen. “Moedige vrouwen die zich gelijkwaardig opstellen.” Volgens hem hebben liefde en erotiek te maken met onderlinge verbondenheid. “En volgens mij is dat de essentie van het thema.”

dinsdag 23 februari 2010

Lord onder de loep: geschiedenis van binnenuit?

door Hilde Neus

Zelden gebeurt het dat er zo een prachtig boek over Suriname uitkomt als De Zwarte Lord van Rihana Jamaludin. Mooi uitgegeven, vanbuiten een prachtige harde kaft, vanbinnen een spannend verhaal met een aantal schitterende stijlmomenten. Deze dikke pil is voor leesfanaten een echte aanrader. Betekent dit dat er geen commentaar op het boek zou zijn? Ik zelf heb twee punten die voor mij in de beoordeling van deze roman een grote rol spelen.

Historiciteit
De eerste vraag is die naar de historiciteit van de roman. Naar aanleiding van
De koningin van Paramaribo van Clark Accord, schreef John Leefmans in zijn artikel 'De naakte koningin': 'In abstracto is de vraag: hoever mag de fantasie reiken in een stuk fictie dat niet pretendeert surrealistisch te zijn of een persiflage, maar integendeel stelt de kroniek van een historisch personage te zijn.' Je kunt een figuur nemen die werkelijk heeft bestaan, of een imaginaire persoon in een historische werkelijkheid.

Schrijfster Rihana Jamaludin heeft voor het laatste gekozen en zichzelf een zware graadmeter opgelegd: achter in het boek geeft ze in 'enkele historische notities' uitleg over bepaalde geschiedkundige feiten die ze in haar roman heeft verwerkt. Daarnaast bedankt ze Patricia Gomez, historicus, voor het nalezen en adviseren. Twee zaken waaruit voor mij duidelijk is dat we deze roman als historisch product toch zeer serieus dienen te nemen. Dat doe ik dan ook, en gelegd naast de strenge lat van John Leefmans, blijkt dat - naast de vele juiste historische verwijzingen - het boek toch heel wat missers bevat.

Dit geldt voor de Surinaamse context, bijvoorbeeld het feit dat de vader van Regina vóór 1820 goudzoeker was (p. 24). Pas na de komst van gouverneur Van Sypensteyn (1873) leefde de zoektocht naar goud weer op. Tentboten waren niet volgeladen met vaten, vruchten en bundels riet (p. 83), maar vaak luxueus uitgevoerd (zoals de boten op de Vecht) en bedoeld om de planters te vervoeren. In de hoogste kringen werd niet slechts in het moederland gehuwd (p. 94), maar trouwde men ook wel 'met de handschoen' en kwam de bruid later naar Suriname. Het stenen bakhuis (p. 109) was bedoeld om brood te bakken en niet om regenwater op te vangen. Daarvoor waren er gemetselde regenbakken. De vredesverdragen met de marrons werden al in 1760 en 1772 gesloten, en niet onder Van Heekeren (p. 79). De Boni bleven voor onrust zorgen, maar velen waren naar La Guyane gevlucht. Een zilveren crucifix op de borst van een man met een overduidelijk joodse naam (De Meza) doet ook vreemd aan (p. 142). De grote branden van Paramaribo waren in 1821 en 1832. Bij de eerste gingen 460 panden verloren, en niet meer dan 1000 (p. 191). Er bestond nooit slavernij in Nederland, de opmerking van Regina dat die al tien jaar is afgeschaft, snijdt dus geen hout (p. 363). Thalia werd inderdaad al in 1835 opgericht, het is ook prachtig hoe Jamaludin dit in haar roman verwerkt. Maar het heeft zeker nog tot ver in de 20ste eeuw geduurd voordat gekleurde mensen er op het podium stonden. Zeker een gezelschap als 'La Troupe' met uitgesproken linkse ideeën zou niet zijn geprogrammeerd door het conservatieve Thaliabestuur.
Wat me echter het meest verbaasde in de roman is dat Regina, die het gehele boek door zich bijzonder druk maakt over haar reputatie, er geen enkel probleem mee heeft om als jonge blanke vrouw ongechaperonneerd alleen in een huis samen te wonen met een jonge zwarte man. Dit is in die tijd gewoonweg uitgesloten.


Naast feiten die in Suriname speelden heb ik ook gekeken naar aspecten uit de wereldgeschiedenis. Jamaludin zei tijdens de presentatie van het boek in Tori Oso dat ze veel over de negentiende eeuw heeft gelezen en informatie uit de bibliotheek en internet heeft gehaald. En dat heb ik dus ook gedaan: 1848 ingetypt. Het eerste wat dan opkomt is informatie over de roerige tijd in Europa, met alle revoluties van dien. En dat is ook precies hoe het boek begint. Als je de geschiedenis kent, is het alsof Jamaludin te veel uit dat ene jaar met het boek heeft willen verbinden, wat vaak krampachtig overkomt. Een voorbeeld hiervan is het communisme: in 1848 verscheen het Communistisch manifest van Karl Marx, dat pas na twee jaar in het Engels werd vertaald (p. 207, waar sprake is van 'die doorgewinterde communist'). Gezien de afstanden duurde het lang voordat bepaalde berichtgeving de koloniën bereikte. Proudhon, Louis Blanc en Bakoenin als sociale hervormers lijken er dan ook nogal met de haren bijgesleept.
Zijn deze aanvullingen en vertekeningen - in zowel Surinaamse als globale context - geoorloofd in een historische roman? Als het de intentie van de auteur is om een serieus tijdsdocument neer te zetten, dan ben ik van mening dat het niet kan. Cynthia Mc Leod heeft jarenlang in het archief gezeten, en dat betaalt zich terug in haar romans over de slaventijd. Misschien zijn haar romans geen hoogtepunten van stijl, maar fouten tegen de historie zal de lezer er niet in vinden.

Van binnenuit
Een tweede belangrijke vraag kan over deze roman worden gesteld: waarom gebuikt de auteur, zelf een Surinaamse, het perspectief van een witte vrouw (behalve dat drupje zwart bloed) om haar verhaal te vertellen? Ook Cynthia Mc Leod koos aanvankelijk voor dit perspectief, uiteraard is het zo dat er uit de bronnen veel meer informatie over deze groep is vastgelegd dan over de slaven. Uit het succes van haar werk is wel gebleken hoezeer hier behoefte is aan werk over de Surinaamse geschiedenis, maar ook aan werk waar de Surinaamse lezer zich mee kan identificeren. Elisabeth Samson was wat dit betreft een schoolvoorbeeld. Deze identificatie begint al bij kinderboeken.

Als vrouw (toch verreweg de grootste groep lezers, zeker wanneer het romans als deze betreft) ben je geneigd het pad van het hoofdpersonage Regina te volgen. Als Surinamer echter zou je liever de rol van de Zwarte Lord zelf spelen. Maar ondanks de titel blijft hij in De Zwarte Lord toch een bijfiguur. Bij het herschrijven van de geschiedenis in een roman - zeker in een jonge natie als Suriname - is het perspectief van binnenuit belangrijk en zoekt de lezer naar een huid om in te kruipen, liefst van eigen kleur. Het is knap van Jamaludin dat ze op het einde van de roman toch een stuk herkenning opwekt: het leven van Regina neemt een andere draai, ze besluit in Suriname te blijven en te gaan samenwonen met haar geliefde, geeft les aan neger- en kleurlingkinderen en heeft kweekjes. Daar kunnen we onszelf wel in herkennen, toch?


[Uit: De Ware Tijd Literair, 6 februari 2010]


Voor de reactie van Rihana Jamaludin, zie het bericht hieronder.

Op de foto boven: Rihana Jamaludin; onderste foto: Tori Oso, Paramaribo.

Suriname in de 19de eeuw was meer dynamisch dan gedacht


door Rihana Jamaludin

Op zaterdag 6 februari heeft De Ware Tijd Literair een hele pagina gewijd aan mijn historische roman De Zwarte Lord. Vier recensenten hebben het boek zeer zorgvuldig en met enthousiasme gelezen en vanuit verschillende invalshoeken besproken. Graag wil ik hen hiervoor danken, dat men het een voor Suriname belangwekkend boek vindt, is een bijzondere erkenning.
Het artikel echter dat de historische achtergronden van De Zwarte Lordbespreekt, geschreven door Hilde Neus, beschrijft veel vermeende fouten in De Zwarte Lord. Zoveel dat ik er toch maar even op moet reageren, ook al brengt dat ons in een positie als van Regina en Walther, die een discussie voeren - wat op zich ook wel grappig is.
Voor mijn boek heb ik veel onderzoek gepleegd in boeken en op internet, waar overigens ook veel archieven te vinden zijn.

Correcties
Terecht worden enige fouten door Hilde Neus gecorrigeerd; een volgeladen tentboot had een volgeladen vlot moeten zijn, bakhuis en regenbak zijn door elkaar gehaald en in de hoogste kringen trouwde men niet uitsluitend in eigen land, maar wel uitsluitend met blanke vrouwen, liefst uit eigen kring. * (zie voetnoot)
Deze fouten zullen in een herdruk worden gecorrigeerd, dank voor de opmerkzaamheid.
De rest van Hilde Neus´ bezwaren moet ik echter tegenspreken, wat ik hieronder per onderwerp zal doen.

Goudzoeken
Neus betwijfelt of in de jaren 20 van de 19e eeuw, de vader van Regina wel getroffen zou kunnen zijn door de goudkoorts die volgens haar pas in de jaren 70 van die eeuw weer opleefde. Maar fortuin maken in de Nieuwe Wereld is bij de meeste kolonisten de drijfveer geweest. De goudkoorts sloeg bij vlagen toe, maar in feite is er vanaf de komst van de Spanjaarden gezocht naar goud. Niet altijd in grote groepen tegelijk, maar zeker voor een nieuweling in de kolonie als Regina´s vader, voor wie het fortuin niet vlug genoeg kwam, was goudzoeken een mogelijkheid.

Vredesverdragen met Marrons
Hilde Neus betoogt verder dat de vredesverdragen met de marrons eerder in 1760 en 1772 en niet onder Van Heeckeren werden gesloten. Onder gouverneur van Heeckeren (1832 - 1838) werden echter de verdragen met de Saramaccaners, Aucaners en Matoeari-negers vernieuwd. Als één van de karakters uit het boek hierover praat, ligt het voor de hand dat hij de meest actuele verdragen aanhaalt, en niet die van een eeuw daarvoor.
(bron:'Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië')

Crucifix van mijnheer De Meza
Een zilveren crucifix op de borst van een man met een overduidelijk joodse naam doet volgens Hilde Neus vreemd aan, maar deze zinsnede is een verwijzing naar de in de loop van de tijd in Suriname steeds verder verwaterde joodse erfenis. Na de Beurscrisis van 1773 vertrokken reeds veel joodse plantersfamilies naar Brazilië of Europa, maar halverwege de 19e eeuw ging het de Surinaamse Joden steeds beter. Zij vervulden hoge functies bij de rechtbank en in de geneeskunde. Kort daarop echter, begin 20e eeuw, zakte deze aanzienlijke positie weer weg als gevolg van de trek naar Holland, vermenging met andere groepen en verwaarlozing van het geestelijk erfgoed.
In het boek is dus duidelijk dat mijnheer De Meza voor een ander geloof gekozen heeft. Ook Samuel Lobato heeft zijn geloof verwaarloosd. Er zijn nog meer verwijzingen naar de teloorgang van deze eerste Surinaamse planterselite, de oplettende lezer zal die wel tegenkomen.

Brand
En hoeveel panden werden nu getrofffen door de grote branden in Paramaribo in de 19e eeuw, 460, zoals Neus aangeeft in haar artikel, of is het getal van meer dan 1000 juist, dat in De Zwarte Lord genoemd wordt?
De 19e eeuwse landbouwkundige en schrijver Marten Douwes Teenstra vertelt ons over de brand van 1821: ´Wat dan ook de oorzaak zij, dat het rijkste gedeelte der stad verloren ging, dit is zeker, 400 woonhuizen, 800 pakhuizen en bijgebouwen werden, behalve de in 1811 gebouwde Gereformeerde koepelkerk, de R.K. kerk, het hof van policie, ´s Lands waag, de weeskamer, een schouwburg en de burgerwacht eene prooi der vlammen; de geheele waterkant, de Oranjetuin en vele straten, het beste gedeelte der stad uitmakende, zijn geheel verwoest en plat gebrand.´
In het boek raakt Herr Konrad geëmotioneerd als hij tracht de omvang van deze ramp samen te vatten, door de aantallen van huizen en pakhuizen bij elkaar op te tellen: meer dan 1000 dus.
(bron: De landbouw in de kolonie Suriname - Marten Douwes Teenstra)

Slavernij in Nederland
Er bestond nooit slavernij in Nederland, de opmerking van Regina dat die al tien jaar is afgeschaft, snijdt dus geen hout, aldus Hilde Neus. Dat is niet juist. Juridisch werd de slavernij op Nederlandse bodem afgeschaft in 1838, zoals de hoofdfiguur Regina in het verhaal zegt. Vóór die tijd was het telkens een netelige kwestie als kooplieden uit de West naar Nederland kwamen en hun slavenbedienden meenamen. Er waren diverse regels waardoor slaven die langere tijd in een land zonder slavernij hadden geleefd, zich hierop konden beroepen en zo trachten de vrijheid te verwerven. Zeker was dit echter niet, de rechter kon aanvoeren dat voor de slaaf de wet van de kolonie gold. In 1838 werd dus de slavernij in Nederland formeel afgeschaft.
(bron: ´Over ´natuurgenooten´en ´onwillige honden´ beeldvorming als instrument voor uitbuiting en onderdrukking in Suriname 1842 - 1862´
- Patricia Gomes)

Gekleurde acteurs in Thalia
Het heeft zeker nog tot ver in de 20e eeuw geduurd voordat gekleurde mensen op het podium van Theater Thalia stonden, zegt Hilde Neus.
Dit is een interessant item dat het waard is onderzocht te worden door een deskundige. Stonden er tot ver in de 20e eeuw geen gekleurde mensen op het podium van Thalia, dat is maar de vraag.
In 1837 werd het ´Tooneel-Gezelschap Thalia´ opgericht. De vier bestuursleden Vlier, Wesenhagen, Blancke en Helb acteerden zelf ook. Waarschijnlijk waren Vlier en Wesenhagen kleurlingen. Verschillende gegevens doen hieraan denken, zoals het feit dat mogelijke familieleden: de advocaat Vlier en de procureur Palthe Wesenhagen kleurlingen waren, en het feit dat hun namen in verband werden gebracht met de Maatschappij der Weldadigheid die Joden en kleurlingen als leden had.
(bronnen: 'Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië' en DBNL ´Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur Deel 3 - Michiel van Kempen)

Linkse La Troupe in Thalia
Het conservatieve Thaliabestuur zou, zoals Hilde Neus terecht zegt, zeker geen opruiende toneelstukken op haar podium hebben toegestaan, maar in het boek wordt het theaterbestuur om de tuin geleid door La Troupe, die eerst enkel kluchten opvoert, om zich later te ontpoppen tot een gevaar voor de kolonie. Overigens kan ook gezegd worden dat, hoewel er in werkelijkheid alleen ´brave´ stukken zijn opgevoerd in Thalia, sommige leden individueel misschien minder conservatief waren dan gedacht. Minstens een lid van de familie Vlier heeft zich uitgesproken tegen slavernij.
(bron: DBNL ´De negerslaven in de kolonie Suriname´ - Marten Douwes Teenstra)

Jonge blanke vrouw zonder chaperonne woont in een huis met haar zwarte pupil
Wat Hilde Neus echter het meest verbaasde in de roman is dat Regina, die het gehele boek door zich bijzonder druk maakt over haar reputatie, er geen enkel probleem mee heeft om als jonge blanke vrouw ongechaperonneerd alleen in een huis samen te wonen met een jonge zwarte man. Dit is in die tijd gewoonweg uitgesloten, zegt Neus.
Zeker was het gewaagd voor een jonge vrouw om zonder chaperonne te verblijven bij een man, en nog wel een kleurling. Regina wordt dan ook door de omgeving regelmatig ondervraagd over haar woonsituatie, zelfs de gouverneur wil weten of ´de huiselijke omstandigheden naar wens zijn.´
Ongebruikelijk was het dus ongetwijfeld, er was echter wel al een grote kleurlingenelite en er vonden reeds huwelijken plaats tussen blanken en vrije kleurlingen. De segregatie op kleur leek misschien wel op de hedendaagse ´scheiding´ tussen verschillende Surinaamse bevolkingsgroepen, de uiterlijke tekenen aanwezig, maar zonder ernstige barrière voor de sociale vermenging, behalve waar het de Hollandse elite in de kringen rond de gouverneur betrof, deze hield zich apart.
(bron: 'Samenleving in een grensgebied; een sociaal-historische studie van Suriname' - R. Van Lier)

Communisme
Hilde Neus betwijfelt of het communisme in Suriname reeds bekend was.
Hoewel Marx in de huidige tijd degene is die het best bekend is, was hij niet de enige die voor veranderingen in politiek en sociaal opzicht zorgde. Socialisme, communisme en anarchisme kwamen vrijwel gelijktijdig op en zorgden op verschillende plekken in Europa voor veel beroering. Marx´ tijdgenoten Proudhon, Louis Blanc en Bakoenin zijn er dan ook niet met de haren bijgesleept maar waren de voormannen van die tijd. En ook al jaren vóór 1848 internationaal actief.
O.a. via Europese reizigers, kranten, boeken en via Frans Guyana, konden radicale ideeën Suriname binnen zijn gekomen. Dit kan wel of niet gebeurd zijn, het boek blijft immers fictie geplaatst in een bestaande periode, zoals in historische romans vaak genoeg gebeurt.

Het is waar, berichten bereikten Suriname inderdaad laat. Het nieuws uit Europa kon wel pas twee maanden later in Suriname verschijnen. Als schrijfster heb ik echter gekozen voor het synchroon verlopen van de gebeurtenissen in Europa met die in Suriname, omdat het anders voor de lezer veel te verwarrend zou worden.

Waarom een Nederlandse in de hoofdrol
Hilde Neus betreurt dat De Zwarte Lord is geschreven vanuit het perspectief van een blanke vrouw, en de Zwarte Lord slechts een bijfiguur blijft.´De Zwarte Lord´ is echter niet alleen voor Suriname geschreven, maar ook voor Nederland. Surinaamse koloniale geschiedenis is namelijk ook Nederlandse koloniale geschiedenis, al wordt ze in Holland in het onderwijs gewoonlijk weggemoffeld. De Gouden Eeuw wordt nog steeds uitgebreid besproken, maar de koloniën komen er in het geschiedenisonderwijs bekaaid van af. Een vorm van geschiedvervalsing die niet meer in deze tijd past.
Hand in hand met Regina kan de Nederlandse lezer meer te weten komen over Nederlands koloniaal verleden. Tegelijk kan de Surinaamse lezer het vroegere Suriname leren kennen en een beeld krijgen van hoe het er in koloniale tijden uit kan hebben gezien.

[Verschenen in De Ware Tijd Literair, 20 februari 2010]

* Voetnoot
Na inzending van mijn artikel voor DWT, kwam ik tot nog een andere ontdekking en correctie: In de hoogste kringen, de bewindvoerders die door Nederland tijdelijk waren uitgezonden, huwde men het liefst binnen de eigen stand. Toch vond ook hier al soms vermenging plaats door middel van huwelijken met blanke creoolsen. Zoals dat het geval was bij mr. A.F. Lammens, President van het Hof van Justitie, die met de dochter van de creoolse kunstenaar Gerrit Schouten was gehuwd. (RJ)

De recensie van Hilde Neus staat in het bericht hierboven.

Kind aan de ketting

Op 12 maart aanstaande wordt het boek Kind aan de ketting gepresenteerd bij het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) in Amsterdam. Dit boek onder redactie van Aspha Bijnaar gaat over opgroeien in slavernij, in heden en verleden. Het verschijnt bij KIT Publishers en is een samenwerkingsproject met het NiNsee.

In Suriname en op de Nederlandse Antillen en Aruba hebben tot 1863 honderdduizenden slaven gewerkt op suiker-, koffie- en katoenplantages, in zoutpannen en in de huishouding. Daar waren ook kinderen bij; veel meer dan tot voor kort werd aangenomen. In de eerste delen van het boek ‘Kind aan de ketting’ gaan onderzoekers in op de omstandigheden waaronder deze kinderen opgroeiden.

Officieel is de slavernij overal ter wereld al lang afgeschaft. Toch leven vandaag nog miljoenen kinderen in een toestand van slavernij. In het laatste deel van deze publicatie gaan onderzoekers in op de huidige vormen van (gedwongen) kinderarbeid.

Auteurs

Het boek staat onder redactie van dr. Aspha Bijnaar, sociologe en als onderzoeker werkzaam bij het NiNsee. Bijdragen in de bundel zijn van: dr. Aspha Bijnaar (NiNsee), dr. Dienke Hondius (Vrije Universiteit), prof. Alex van Stipriaan Luïscius (Erasmus Universiteit en KIT), Elise Verheij (COS Zuid-Holland), Ronald Donk (Stichting OONC), dr. Rose Mary Allen (Universiteit Nederlandse Antillen en Allen Social Research and Consultancy), Luc Alofs (Instituto Pedagogico Aruba), prof. Wim Rutgers (Universiteit Nederlandse Antillen, IOL), Jaimie McIntyre (MA Kunstgeschiedenis UvA), Mercita M. Coronel (publicist), prof. Kristoffel Lieten (Universiteit van Amsterdam, IISG en IREWOC), Sarah de Vos (IREWOC) en dr. Birendra Raj Giri (Open University Milton Keynes).

Boekpresentatie

De boekpresentatie vindt plaats op donderdag 12 maart vanaf 16.00 uur, NiNsee, Linnaeusstraat 35 F, Amsterdam, en is vrij toegankelijk. Wel graag reserveren bij NiNsee.

Tentoonstelling

Het boek kwam uit naar aanleiding van de gelijknamige tentoonstelling die nog tot eind augustus staat in het NiNsee. Deze is geopend van do t/m zo van 13.00 tot 17.00 uur.

Boekgegevens

Kind aan de ketting. Opgroeien in slavernij toen en nu

Aspha Bijnaar (red.)

ISBN 978 94 6022 061 6

€ 26,50

Uitgegeven door KIT Publishers, i.s.m. NiNsee

Papiamentu in Nederlandse grondwet?

Tweede Kamerlid Jan Schinkelshoek (CDA) vindt dat het Papiaments en het Engels in de Grondwet moeten worden opgenomen. Hij vindt het een gemiste kans dat het Nederlandse kabinet deze maand besloot dat er in de Grondwet wel een bepaling komt over de Friese taal, maar niet over de op de BES-eilanden gesproken talen. Ook op de Antillen is hier met verontwaardiging op gereageerd.

Het kabinet wil de positie van het Nederlands waarborgen, nu er in Nederland steeds meer talen worden gesproken. Schinkelshoek opperde vorig jaar al dat ook de positie van het Papiaments en het Engels in de Grondwet geregeld moet worden: "Als je de positie van het Nederlands regelt, moet je ook iets regelen voor de minderheidstalen." Dat laatste gebeurt wel voor het Fries, maar niet voor het Papiaments en Engels: "Dat zijn straks officiële talen die in delen van Nederland gesproken worden." Want Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijn na de staatkundige vernieuwing onderdeel van Nederland. Raad van State Schinkelshoek vindt het vreemd dat de regering niet aan de BES-eilanden gedacht heeft.

Over de reactie van de Antilliaanse minister Omayra Leeflang, om desnoods een rechtszaak aan te spannen, moet het CDA-Kamerlid een beetje lachen. Hij richt zijn hoop op de Raad van State, 'een wijs college', om de regering op de omissie in het voorstel te wijzen. "Het moet in elk geval onderdeel van het debat in de Tweede Kamer worden." Voor Curaçao, Sint Maarten en Aruba geldt de Nederlandse Grondwet niet en die kunnen dus hun eigen taalbeleid voeren. Maar voor de BES-eilanden is na de ontmanteling van de Antillen Den Haag verantwoordelijk. "De regering moet met hele goede argumenten komen om te rechtvaardigen waarom je Saba, Sint Eustatius en Bonaire niet geeft wat Friesland wel krijgt."

maandag 22 februari 2010

Opening Tembe Art Studio in Moengo

Op 27 februari a.s. opent de Tembe Art Studio in Moengo zijn deuren, met een kunstproject rond het thema: de toekomst van Marowijne.


Om te werken aan de verandering van het imago van het district Marowijne zijn wij begonnen projecten uit te voeren samen met de gemeenschap uit het gebied Moengo en omgeving. Hierom hebben wij, van het kunstenaarsinitiatief de Tembe Art Studio (TAS), het op ons genomen een school op te richten, met als basis onderdeel het verzorgen van lessen en workshops m.b.t. dans, drama, muziek, schilderen, poëzie, e.a., zodat de creativiteit van de gemeenschap, m.n. van de jongeren van Marowijne, ondersteund wordt en zij in de mogelijkheid gesteld worden om zelfvoorzienend te zijn.

Naast het stimuleren van de kunstzinnige vorming, willen wij op deze manier eveneens een bijdrage leveren, aan de bestrijding van de criminaliteit onder de jongeren uit dit gebied. Jongeren kunnen kunst gaan zien als een bron van inkomsten en kunnen op deze wijze een bijdrage leveren aan de traditionele en moderne kunst beleving / wereld.

In het kader hiervan heeft, op donderdag op 12 november 2009, de Tembe Art Studio te Moengo haar deuren geopend en zijn wij met een lesprogramma gestart, volledig gericht op de ontwikkeling van de kunst en cultuur educatie van de locale gemeenschap. De lessen worden gegeven in een vleugel van het streekziekenhuis te Moengo. Het doel van dit project is om zowel schoolgaande kinderen als niet schoolgaande jongeren en ouderen kennis te laten maken met verschillende vormen van kunst. Hierbij kunt u denken aan beeldende vorming maar ook aan dans, muziek en theater. Door deelname aan de verschillende activiteiten leren studenten hun eigen talenten te ontdekken en deze verder te ontwikkelen.


Nu zijn wij op zaterdag 27 februari a.s. zover dat de Tembe Art Studio te Moengo, officieel, geopend zal worden. Hiervoor hebben wij 10 scholen gevraagd hun medewerking te verlenen. Dit houdt in dat de leerlingen van elke school, onder deskundige begeleiding, 1 paneel gaan beschilderen. De collectieve kunstwerken zullen dan op de dag van de opening tentoongesteld worden, tezamen met die van de studenten van de Tembe Art Studio, die 5 panelen zullen beschilderen.


Om het doel van de Tembe Art Studio te benadrukken, willen wij van deze opening een gedenkwaardige dag maken. Hiertoe nodigen wij u uit om bij deze officiële opening, aanwezig te zijn.

Datum: 27 februari 2010

Tijd: 11.30u. v.m.

Adres: Ziekenhuiscomplex, Moengo

R.S.V.P.: 08806533 / 08510804

Wij hopen van harte u te mogen verwelkomen op deze heugelijke dag en zeggen u bij voorbaat dank voor uw belangstelling.


Met vriendelijke groeten,

Marcel Pinas, Projectcoördinator


Op de foto: Marcel Pinas

Achter het riet

Op 26 februari a.s. vindt bij het NiNsee de presentatie plaats van de roman Achter het riet, of de waarachtige historie van Gabriël Crul, planter in Nederlands-Brazilië van David Vinco.
.

Gabriël Crul is amper zeventien als hij zich laat ronselen voor de vaart naar de West. Het avontuur lokt in Brazilië, dat de West-Indische Compagnie wil veroveren op de Portugezen om de lucratieve suikermarkt in handen te krijgen. Gabriël is een opvliegende vechtjas en maakt snel carrière in het leger van de WIC, dat grote delen van Brazilië weet te veroveren. Vanwege zijn heldhaftig gedrag wordt hij bevorderd tot officier. Hij krijgt aanzien in de kolonie, weet een goede partij te trouwen en verwerft uiteindelijk plantage ‘Niemandsverdriet’. Maar het noodlot slaat toe als een nieuwe slaaf wordt afgeleverd. Met zijn gevoelens voor de slaaf weet Gabriël geen raad; hij verwaarloost daardoor huwelijk en bezit. De gevolgen zijn dramatisch.

Weinigen weten dat Nederland in de Gouden Eeuw grote delen van Brazilië veroverde. In deze historische setting, tegen de achtergrond van de West-Indische Compagnie als een van ’s werelds eerste multinationals, tulpenbollencrisis, de strijd tegen de Spanjaarden en de jacht op grondstoffen, speelt de nieuwe roman van Vinco David. De roman sluit aan op de hernieuwde belangstelling voor de vaderlandse geschiedenis, in dit geval een fascinerende periode uit ons koloniale verleden in een tijd van grote economische en politieke onzekerheid.

Vinco David is van huis uit politicoloog. Hij is naast schrijver manager bij een financiële multinational. Hij woont en werkt in Amsterdam. Tijdens verschillende reizen door Brazilië, waar nog veel Nederlands erfgoed te zien is, raakte hij geïnspireerd om deze roman te schrijven. Hij heeft uitvoerig research verricht. In de roman komen zijn beeldend taalvermogen en zijn historische en financieel-economische inzichten samen op een uiterst originele manier. Achter het riet is de tweede historische roman van Vinco David. Eerder verscheen Mannenharem, dat zich afspeelt in het India van weleer, waar islamitische vorsten er mannenharems op nahielden. Mannenharem kreeg lovende recensies. In 2007 maakte Eddy Terstall de korte film Mannenharem, geïnspireerd op deze roman.

Datum: vrijdag 26 februari 2010

Programma:18.00 - 19.15

Contact: Drs. Ruth Dors, r.dors@ninsee.nl

Of telefoon (020) 568 2083

NiNsee, Linnaeusstraat 35f, 1093 EE Amsterdam

NB. Bij voorkeur reserveren

Afsluiting met een borrel!

Op de bovenste afbeelding: Mauritsstad (schilderij van Frans Post)

Wereldpremière Paulo Coelho's Elf Minuten

Op 28 februari 2010 vindt in de Stadsschouwburg van Groningen de wereldpremière plaats van de toneelbewerking van Elf minuten van de Braziliaanse schrijver Paulo Coelho. De regie is in handen van Ola Mafaalani.

De Braziliaanse schrijver Paulo Coelho is een van de meest gelezen auteurs ter wereld. Het noord nederlands toneel verwierf de exclusieve rechten voor de eerste theaterbewerking van zijn roman Elf minuten. Van 25 februari tot en met 22 mei 2010 is deze voorstelling in de Nederlandse theaters te zien. Met journaliste Noraly Beyer verdiepte regisseur Ola Mafaalani zich in de wereld van prostitutie en mensenhandel. Vormgever André Joosten liet zich inspireren door de sfeer in bordelen.


Lezingen rondom Elf minuten


Voorafgaand aan de voorstelling Elf minuten worden in de Bibliotheek Groningen een drietal lezingen georganiseerd:

Beno Hofman – Geschiedenis van de Groninger prostitutie (16 feb, 20.00 uur)
Ko van den Bosch – Van boek naar theatervoorstelling (18 feb, 20.00 uur)
Noraly Beyer – Research naar de wereld van prostitutie (25 feb, 20.00 uur).

Klik
hier voor meer informatie.

Klik hier voor de blog van Noraly Beyer, waar zij fotomateriaal en achtergrondinformatie van het repetitieproces plaatst.

Themazondag Bersiap-tijd op Bronbeek


Na de Japanse capitulatie ontstond er op Java en Sumatra een chaotische toestand. De jonge Republik Indonesia had alle Nederlanders tot vijand verklaard en haar bevolking opgeroepen hen gevangen te nemen. Tegelijkertijd onttrokken zo’n tienduizend gewelddadige nationalistische jongeren of pemuda’s zich aan ieder gezag en vervielen onder het mom van revolutie tot crimineel geweld tegen Nederlanders en Indo-Europeanen, maar ook tegen de voormalige Japanse bezetter die hen in bedwang moest houden, Britse soldaten en de eigen, in hun ogen feodale, bestuurders. Daardoor werd de situatie grimmiger.

Deze roerige periode wordt Bersiap (‘weest paraat’) genoemd. Het aantal slachtoffers is schokkend. Ruim 3.500 Nederlanders en Indo-Europeanen werden vermoord en geïdentificeerd, en naar schatting 16.000 ontvoerd die niet meer terugkwamen. Aan Indonesische zijde vielen tienduizenden doden, aan Japanse circa 1.000 en aan Britse 660. De Nederlandse regering was als gevolg van de gebrekkige informatiestroom onkundig van dit drama. Ze was bij aan het komen van haar eigen, Duitse bezetting. Aanvankelijk was er voor deze gewelddadige periode in de Indisch-Nederlandse en Indonesische geschiedschrijving weinig aandacht.

Deze periode vol ontreddering is het onderwerp van de themazondag Bersiap op 21 maart 2010 op Bronbeek. Dan wordt ingegaan op de oorzaken en het verloop van de bersiapperiode en de bepaling van de identiteitsvorming van de Indische Nederlanders. Maar ook hoe kwetsbaar de vrouwen en dochters in Malang achterbleven nadat de Republiek een arrestatiebevel had uitgevaardigd tegen hun echtgenoten, vaders, zonen en broers. Voorts is er aandacht voor de bevolking van Chinese afkomst. Afgevraagd wordt waarom ook zij doelwit waren van de gewelddadigheden en of er zoiets als een Bersiap voor de Indische/Indonesische Chinezen bestaat. Tot slot komt de materiële cultuur aan bod: de objecten en voorwerpen die herinneren aan deze turbulente periode in museale collecties. Uitgelegd wordt op welke wijze de Bersiap in de nieuwe presentatie van Museum Bronbeek onderdeel zal zijn van ‘Het verhaal van Indië’.

Datum: 21 maart 2010

Aanvang 11.00 uur. Sprekers zijn: Herman Bussemaker, Remco Raben, Hans Vervoort en Hans van de Akker.

De entree voor deze themazondag is 22,50 p.p.

Opgave bij mw. N. Bosman, telefoon 026 376 35 78 (ma, di en do) of per e-mail kumpulan_bronbeek_evenementen@yahoo.com .

zondag 21 februari 2010

Kunst van overleven

Kunst van overleven. Marroncultuur uit Suriname is om twee redenen een gedenkwaardige tentoonstelling. Een belangrijke troef die de makers van de expositie met verve uitspelen is dat we de gepresenteerde cultuuruitingen door de ogen van de Marrons zelf te zien krijgen. Het zijn de Marrons die in beeld zijn en aan het woord komen. We maken kennis met hún verhaal, zien de wereld vanuit hún perspectief en worden meegenomen in hún denken en handelen. Dat is een breuk met het verleden. Het waren voorheen immers de zienswijze van de westerse etnoloog en de westerse conservator die maatgevend waren. Jarenlang domineerde hún versie van de Marronwerkelijkheid. Door hún bril en vanuit hún veronderstellingen werden objecten, praktijken en systemen waargenomen en gepresenteerd. Op deze tentoonstelling zijn de rollen omgedraaid. Niet langer is de westerse academicus de vanzelfsprekende autoriteit en de onmisbare schakel. Zijn rol is teruggebracht tot die van aangever en gangmaker. De regie ligt bij de Marrons zelf. Hún versie van de geschiedenis ontrolt zich voor het oog en het oor van de bezoeker.

Een ander sterk punt is dat de makers van de tentoonstelling zich hebben toegelegd op het tonen van de verscheidenheid van de Marroncultuur. Niet alleen door het begrip cultuur ruim op te vatten en een veelheid aan thema’s (religie, muziek, sociale verhoudingen, onderwijs, urbanisatie, transmigratie, kunst, economische ontwikkeling) aan bod te laten komen, maar vooral door ruimte te geven aan individuele geschiedenissen. Het zijn de persoonlijke levensverhalen (samengebracht in aansprekende documentaires) die het meest indringende beeld geven van de dynamiek en vitaliteit van de cultuur van de Marrongroepen (die van de Saamaka en Ndyuka voorop). Ouderen en jongeren praten ongedwongen over hun ervaringen en aspiraties. Of zij nu in het binnenland wonen, in Paramaribo of buiten Suriname, duidelijk wordt dat particuliere opvattingen steeds nadrukkelijker ten grondslag liggen aan het leven dat zij voor zichzelf hebben uitgestippeld. Die opvattingen hebben nog wel een relatie met een collectief, maar is steeds minder eenduidig te verbinden met de groep waarmee zij doorgaans worden geïdentificeerd. Het zijn vooral persoonlijke keuzes die Marrons op plaatsen brengen en in situaties doen belanden die niet zelden ver verwijderd zijn van de omstandigheden waaronder zij opgroeiden. De toenemende individualisering heeft ertoe bijgedragen dat een deel van de jongere generatie Marrons in snel tempo wereldburger is geworden. Processen van transnationalisme en globalisering hebben voor hen dezelfde uiteenlopende consequenties als voor jongeren in andere landen.

De keuze voor het perspectief van de Marrons en de focus op hun culturele verscheidenheid weerspiegelt de bescheidenheid van de samenstellers van de tentoonstelling. Zij waken ervoor zich tussen de hoofdpersonen van deze expositie en de bezoekers te positioneren en het evangelie van de buitenstaander te prediken. Dat is een lofwaardige opstelling, die van respect getuigt voor de Marroncultuur en voor de bezoeker, die zich tamelijk onbevangen een mening kan vormen over het vele dat in de Lichthal van het Tropenmuseum op hem afkomt. Tegelijk heeft die neiging tot afzijdigheid een keerzijde. Die bestaat uit een soms krampachtige ijver om stellingnamen uit de weg te gaan. Dit streven naar neutraliteit komt bijvoorbeeld naar voren in de tekstuele toelichtingen bij de verschillende onderdelen van de tentoonstelling. Die begeleidende teksten, tamelijk etherisch in hun formulering, eindigen zonder uitzondering in een vraag. Dat is een beproefd didactisch middel om de bezoeker aan het denken te zetten. Maar na een tijdje in de tentoonstellingsruimte te hebben rondgedwaald en aldus een serie vragen voorgelegd te hebben gekregen, maakt een zeker ongeduld zich van die bezoeker meester. De uitdaging om op thema’s te reflecteren wordt overschaduwd door de vraag welke conclusies de makers zelf aan de gepresenteerde cultuuruitingen verbinden. En door de vervolgvraag wat er op tegen is om bepaalde ontwikkelingen niet alleen te tonen, maar ook te duiden. Leidt dat onmiddellijk tot disrespect voor het getoonde en het opdringen van een mening?

De voorzichtige opstelling van de makers blijkt ook uit hun schroom om het heden al te dicht op de huid te zitten. De aandacht voor onderwerpen als de binnenlandse oorlog en de politieke emancipatie van de Marrons is marginaal. De vrees om op zere tenen te trappen en ongewild bij controversiële discussies betrokken te raken is begrijpelijk, maar de bezoeker wordt op deze manier informatie over een aantal belangwekkende hedendaagse ontwikkelingen onthouden. De meest recente dramatische gebeurtenis die op de tentoonstelling een voorname plaats krijgt toebedeeld, dateert van een halve eeuw geleden. Het gaat om de gedwongen transmigratie van Marrons uit hun woongebied als gevolg van de vorming van het Brokopondo-stuwmeer. Historische beelden, kort geleden afgenomen interviews met ooggetuigen en filmopnamen die duikers maakten op de bodem van het stuwmeer brengen deze gebeurtenis op een sensationele manier tot leven.

Met de beduchtheid voor het tonen van de meer omstreden delen van de hedendaagse werkelijkheid laten de samenstellers van deze memorabele tentoonstelling zien dat waar Marrons de kunst van het overleven beheersen, zij meester zijn in de kunst van het terughoudend balanceren.


Bovenste afbeelding: Captain of the Maroons, by Leonard Parkinson

Bibliotheek onmisbaar in de samenleving

Schrijversgroep '77 organiseert een info-avond met als thema “De bibliotheek: onmisbaar in de samenleving”. Op de avond wordt informatie verschaft over het bewaren van en omgaan met geschreven erfgoed .

Sprekers zijn:
Hilde Neus over de Nationale Database
Sandra Purperhart over haar Abrabroki-bibliotheek
Guillaume Pool over Bukutori
Carry-Ann Tjong-Ayong over een dierbaar bibliotheekmoment

Hilde Neus is docent Nederlands aan de Middelbare Bibliotheekopleiding en betrokken bij de Nationale Database. Guillaume Pool is voorzitter van de stichting Bukutori die een eigen bibliotheek beheert. Sandra Purperhart is regisseur en beheert een bibliotheek op Abrabroki die druk bezocht wordt door kinderen van de buurt. Het publiek krijgt de gelegenheid om te vertellen over eigen bibliotheekervaringen en in te gaan op hetgeen
de inleiders presenteren.

Dag en plaats:
woensdag 24 februari 2010, Tori Oso, Paramaribo, 20.00 uur
Toegang vrij

Op de foto's: links Hilde Neus, rechts: Sandra Purperhart

zaterdag 20 februari 2010

Schrijf een verhaal voor Troepiaal: wedstrijd voor kinder- en jeugdverhalen

Het lijkt zo logisch: Nederlands is de officiële taal van Nederland. Punt uit. In de praktijk is dat ook zo en zal dat ook zo blijven. Maar sommige politieke partijen voelen zich door de meertaligheid van een aantal Nederlandse burgers zo bedreigd, dat er een hele heisa rondom taalgebruik is ontstaan. Gelukkig houden andere partijen in de culturele sector het hoofd koel en zien juist een prachtige kans om de kleurrijke samenleving middels verhalen ruimte te geven. Schrijf een verhaal voor Troepiaal is een wedstrijd voor kinder- en jeugdverhalen, georganiseerd door het Fonds voor de Letteren, in samenwerking met het Nederlands Literair Productie- en Vertalingen Fonds, Boekids Literair Jeugdfestival en Lemniscaat. Iedereen uit het Nederlandse taalgebied kan meedoen. Deelnemers moeten 18 jaar of ouder zijn op 28 februari 2010. Deadline voor inzendingen: 28 februari 2010.

Uitgangspunten
Kinderen groeien op in een kleurrijke samenleving. Het Nederlandse taalgebied telt meer dan negentig nationaliteiten en culturen, elk met hun eigen smaak, geur en kleur. Wat nog ontbreekt is een jeugdliteratuur waarin al deze smaken, geuren en kleuren terugkomen, zodat alle kinderen zich kunnen herkennen in de literatuur die ze lezen.

Winnaars
Wie meedoet, maakt kans op een werkbeurs van €1.500,- en een masterclass Schrijven voor kinderen. Bovendien staat de winnaar direct op het podium van Boekids Literair Jeugdfestival op 28 maart 2010 in Den Haag, waar ook de rest van de prijzen wordt uitgereikt. Een week voor de prijsuitreiking tijdens Boekids wordt bekendgemaakt wie de genomineerden zijn. Zij krijgen persoonlijk bericht op de adressen die door hen zijn opgegeven.

Vragen
Is er een onderwerp waar het verhaal over moet gaan?
Nee, het onderwerp is vrij, alleen de nieuwe gemengde samenleving moet er in voorkomen.

Moet het verhaal zich in Nederland afspelen?
Het verhaal mag zich overal afspelen.

Kan iedereen meedoen?
Jazeker, iedereen ouder dan 18 jaar. Ook schrijvers die al hebben gepubliceerd.

Hoe kan ik schrijven voor een leeftijdgroep van 5 tot 15 jaar? Er zijn verschillende categorieen binnen die leeftijdsgroep.
Je mag natuurlijk zelf bedenken voor welke leeftijd.

Mag je meer dan een verhaal insturen?
Nee, per deelnemer 1 verhaal.

Wat gebeurt er met het copyright van het ingestuurde verhaal?
Dat is van de schrijver.

Zijn er kosten aan deelname verbonden?
Nee, de wedstrijd is gratis.

Moet je in Nederland wonen om mee te doen?
Nee, je mag overal ter wereld wonen.

Mag de inzending illustraties bevatten?
Ja, de inzending mag bestaan uit illustraties en tekst zolang de tekst tussen de 1.500 en 2.000 woorden lang is.

Voor meer informatie en contactadres, zie de website van Troepiaal.

Wanneer zal Anton de Kom in één adem genoemd worden met Codjo, Mentor en Present?

Nu de twee belangrijke Anton de Kom evenementen –de SLAA-activiteit in De Balie en de Anton de Kom-lezing van Freek de Jonge in het Verzetsmuseum– achter de rug zijn, is het misschien tijd om ons nog eens te bezinnen of De Kom inderdaad ‘hervonden’ is en zo ja waar, of (nog) niet.

Jammer genoeg was het mij onmogelijk om voor de gelegenheid even over te wippen naar Amsterdam, daarvoor zijn de tickets ook te prijzig (nog altijd kunstmatig) gehouden, maar ik heb wel kunnen organiseren dat mijn alter ego beide evenementen heeft bezocht en mij verslag heeft gedaan.

De Balie, Marnixstraat, Amsterdam

De feiten
Deze heeft enerzijds kunnen constateren dat beide gebeurtenissen zeer de moeite waard waren, anderzijds dat de belangstelling maar matig was, bij De Balie zo’n halfvolle zaal met ‘n geschatte 100 man, bij het Verzetsmuseum een bijna volle lounge met naar schatting zo’n 150 man. Opvallend bleek ook dat er bij beide evenementen nauwelijks blakamans aanwezig waren.

Is het nog te vroeg om hieruit conclusies te trekken? Opmerkelijk vind ik wel dat in Nederland de jaarlijkse verzetslezing is vernoemd naar Anton de Kom, want Nederland heeft natuurlijk zelf ook een paar blanke verzetslieden gekend: een mooi ‘tegendraads’ Nederlands gebaar voor één van ook Suriname’s grote verzetshelden.

Maar, pratend over Surinaamse verzetshelden, hier heeft Anton de Kom om voor mij onbegrijpelijke redenen nog bij lange niet de status bereikt van illustere voorgangers als bijvoorbeeld Codjo, Mentor en Present, dit ondanks dat hij zijn hele leven in dienst heeft gesteld van de bevrijding en verheffing van zijn landgenoten.

De Kom overschat?
Toen de Universiteit van Suriname werd omgedoopt tot Anton de Kom Universiteit van Suriname ontstond er onmiddellijk een wijd verbreid protest, en niet alleen vanwege de achterliggende revo-gedachte, dezelfde misleidende gedachte waarom Bouterse zich liet afbeelden samen met de beeltenis van De Kom. Maar buitendien bestaat er in Suriname een zeker ressentiment tegen De Kom, naar ik aanneem nog afkomstig uit de mofo koranti van 1933 (“neemt geld van Javanen”, “werkt alleen voor Hindoestanen”, “is een opruier”, etcetera), en sindsdien hardnekkig in stand gebleven/gehouden onder grote lagen van de Surinaamse bevolking.

Ook kan ik me niet vinden in de mening van Hans Breeveld, politicoloog, docent aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname, die in De Kom’s biografie van Boots & Woortman zegt: “De verdiensten van De Kom voor Suriname worden door sommigen overschat. Wat heeft De Kom in die korte tijd voor Suriname gedaan?” (pagina 405) Hiermee gaat Breeveld voor het gemak helemaal voorbij aan het feit dat De Kom’s gehele leven in dienst heeft gestaan van de bevrijding en verheffing van zijn landgenoten, niet alleen tijdens zijn korte verblijf in 1933, maar lang daarvóór en lang daarna.

Evenmin kan ik mij terugvinden in de mening van Silvano Tjong-Ahin, medewerker van de Inter-American Development Bank (IDB) in Suriname, in de revo-jaren student aan de Universiteit van Suriname: “Geschiedenis moet de geschiedenis van Surinamers zijn, niet van de Hollanders. De geschiedenis moet over Boni en Baron gaan, over Mentor, Codjo en Present, en niet te vergeten Jan Matzeliger, de meest ondergewaardeerde Surinaamse voorbeeldfiguur.” (Boots & Woortman, pagina 404)

Ongelofelijk dat iemand zo een vergelijking tussen De Kom en Matzeliger kan maken. De Kom, afstammeling van slaven, die zijn leven lang een ideologische strijd voerde ter bevrijding en verheffing van zijn landgenoten, en Matzeliger, zoon van een Nederlandse vader (ongetwijfeld van Duitse origine) en een Surinaamse, van slaven afstammende moeder, die naar Amerika emigreerde om daar een aantal uitvindingen op zijn naam te schrijven die de schoenenindustrie de laatste stap naar automatisering verschaften. Een vergelijking uit het ongerijmde.

Verzetsmuseum, Planciusstraat, Amsterdam

Wat valt uit een & ander te concluderen?
Het evenement van 17 februari j.l. in De Balie droeg als titel “Hervonden held: Anton de Kom”, waarop ik hier onmiddellijk heb gereageerd met: “Hervonden? Waar?”, omdat ik weet dat De Kom in Suriname nog steeds niet hervonden is en ik me afvroeg in hoeverre dat in Nederland wellicht wel het geval is.

Afgemeten naar de belangstelling en de demografische samenstelling van de belangstellenden bij de twee genoemde evenementen zou ik willen concluderen dat De Kom nog altijd niet hervonden is, niet in Nederland en zeker niet in Suriname. Dat de jaarlijkse verzetslezing in Nederland is vernoemd naar De Kom is hooguit te zien als die éne vogel die nog geen lente maakt.

Wat nu?
Een gedegen sociologisch onderzoek naar de waardering en de beeld- vorming van Anton de Kom door de jaren heen zou op zijn plaats zijn om pseudo-wetenschappelijke meningen en uitlatingen als die van Breeveld en Tjon-Ahing op hun waarde te toetsen en De Kom de plaats te geven die hem toekomt. Daarop vooruitlopend zou ik zeggen: in de rij van Codjo, Mentor en Present.

Met betrekking tot het werk van De Kom zijn er nog een paar punten die mijns inziens meer toelichting vragen.

1) Naar ik heb begrepen dreef in De Balie de discussie nog al eens af naar het veelbesproken aandeel van Jef Last in de tekst van Wij slaven van Suriname, mede door de aanwezigheid van Rudi Wester, die bezig is met een biografie van Jef Last.
Boots & Woortman hebben echter aan de hand van het archief van Uitgeverij Contact kunnen aantonen dat De Kom op aandringen van uitgever De Neve van Contact zijn manuscript geheel heeft herschreven.
De persoon en de rol van De Neve zou ik in dit verband om twee redenen graag verder zien toegelicht, eerstens vanwege diens moed om in 1934 een zo controversiëel boek van zo’n controversiële auteur uit te geven, en tweedens vanwege diens tactische en educatieve gaven die er toe hebben geleid dat De Kom zijn/Jef Last’s tekst met de bekende, goede uitkomst herschreef.

2) Een van de resultaten van de biografie van Boots & Woortman zou hun bevinding zijn dat De Kom niet Suriname is uitgezet. In de biografie lezen we: “Vlak voordat de Van Rensselaer (aan boord waarvan zijn vrouw en kinderen zich reeds bevonden, RvdM) uitvaart, wordt Anton uit zijn cel gehaald en in een geblindeerde auto naar het schip gebracht. Niemand mag de in vrijheid gestelde Anton zien, het gouvernement vreest voor het uitbreken van een oproer. Het ticket derde klas wordt door de overheid door hem betaald.”

De Van Rensselaer, foto uit de biografie

Hij is dan wel “in vrijheid gesteld”, maar het gouvernement heeft hem aan boord van het schip afgeleverd en zijn passage betaald. Helaas is niet bekend wat hem bij zijn in vrijheidstelling door het gouvernement is toegevoegd, maar Anton de Kom was realist genoeg –weten we uit de biografie– om zich daar niet tegen te verzetten. Mijn vraag aan Boots & Woortman is derhalve: wat is het verschil tussen uitzetting en de wijze waarop De Kom Suriname heeft/moest verlaten?

3) Tenslotte de meest prangende vraag: wat gaat er gebeuren met alle niet gepubliceerde literaire werken van Anton de Kom? Bovendien: is er al een studie van gemaakt, zodat er een compleet beeld kan worden gevormd van de schrijver De Kom?

donderdag 18 februari 2010

Getuige

door Carry-Ann Tyong-Ayong


Steeds weer hetzelfde ritueel.

De militair roept naar beneden, in het trapgat, in de rechtszaal : “Verdachte Bouterse aanwezig?”

En van beneden roept een stem steevast: “Niet aanwezig!”

De zitting vangt aan met de aanwezige getuigen.

Lilian Gonçalves-Ho Kang You staat rechtop en zelfverzekerd in de getuigenbank. Ze legt de eed af, nadat zij zich heeft geidentificeerd. Een klein grijsharig vrouwtje.

Ik zie haar in gedachten nog als een schattig klein Chinees meisje met pijpekrullen in een konijnenpakje op een van onze balletvoorstellingen. Nu staat zij daar als een oudere vrouw met een droevige levensloop.

Haar broer Milton, die in Utrecht onze buurman was, werd in zijn huis in Suriname vermoord. Dit werd nooit opgehelderd.

En op 8 december 1982 werd haar man Kenneth Gonçalves die een neef was van onze buren, samen met 15 anderen opgepakt, mishandeld en vermoord.

Hoeveel leed kun je als vrouw verdragen.

Zij hield stand en jaarlijks hoorde ik haar op de herdenking haar verhaal houden.

Haar stem verried de emotie die zij voelde. Maar dapper ging zij door.

Nu leest zij een tiental brieven voor, die Kenneth en de andere organisaties als de Moederbond aan de legerleider schreven met het verzoek om een dialoog, een vreedzaam overleg teneinde de democratische ordening in Suriname te herstellen.

Er kwam nimmer antwoord op. Tot slot werden alle betrokkenen uitgeroeid. Zo laf was het militaire gezag onder Bouterse. Zo laf is hij tot vandaag nog, dat hij de rechtszaal niet durft te betreden Onder het mom van onverschilligheid blijft hij weg.

Zij staat daar rustig, neemt de tijd, drinkt een slokje water, vraagt beleefd aan de rechter of zij verder mag gaan. Bij het verhoor klinken haar emoties door. Het is een schrijnend verhaal van een jonge vrouw, die haar man abrupt heeft moeten missen, zonder afscheid te kunnen nemen, met haar jonge dochter van drieëneenhalf.

De tranen springen in mijn ogen.

De advocaat van Bouterse, mr. Kanhai, stelt voor de vorm nog wat vragen. Of zij wist van een samenzwering, of zij wist of Haakmat wel eens bij haar man kwam. Zelfverzekerd ontkent zij alles. Zij is sterk, dit kleine vrouwtje. Zij is verrast als zij mij ziet. Ik omhels haar en zeg dat ik diep onder de indruk ben.

Kenneth zou trots op haar zijn.


cat, 16/2 2010


Op de foto: Carry-Ann Tyong Ayong