zondag 29 november 2009

Twee pittige aanklachten in verhaalvorm

door Jeroen Heuvel

Curaçao, morgen is er weer een dag. Zo heet het meest recente boek van Michel Sanders. Het is één grote aanklacht tegen het bestuurscollege dat maar niet adequaat wil reageren op enkele wantoestanden die de schrijver en zijn echtgenote al meer dan een kwart eeuw onder de aandacht van de overheid aan het brengen zijn. In dit boek zijn ter illustratie van het verhaal veel fotokopieën opgenomen van officiële brieven aan en van advocaten, allerlei diensten van het eilandgebied, de landsontvanger, het gemeenschappelijk hof van justitie en spaarbankboekjes. Sanders vertelt de twee verhalen ondanks de zeer serieuze, schier tragische onderwerpen op humoristische en soms zelfs hilarische wijze. Je staat er als lezer versteld van dat de instanties zo slecht functioneren.
.


In een vorig boek van Sanders, Señorita permitimi, viel er veel te glimlachen, omdat de situaties en anekdotes zeer herkenbaar waren. In zijn nieuwe boek is er ook veel herkenbaar, maar nu is het niet grappig. De herkenning gaat misschien ook niet zo diep als in dit boek: Het gaat om twee zaken waar het echtpaar Sanders-Karel bij betrokken is: de overdracht van een stuk grond met het daarop gebouwde aan de erven van A.P. Karel en een stichting voor naschoolse opvang te Santa Maria. Goed gezien twee zaken die helemaal niet de moeite waard zijn om er een boek over te schrijven, maar die normaal goed hadden moeten verlopen. Want in de brief van het hoofd van het hulpkantoor Dokterstuin aan het hoofd van Bureau Domeinbeheer d.d. 22 september 1981 staat letterlijk vermeld ‘dat met de erven Alexander Pedro Karel een huurkoopcontract is gesloten voor een stuk grond op Klein Sta. Martha (Helfrichdorp) met het daarop gebouwde ingevolge G.B. d.d. 20 december 1939 no. 8028. De erven Karel heeft de koopsom inmiddels in zijn geheel voldaan. Ik moge u dan ook verzoeken de officiële overdracht te doen verzorgen.’ Deze zaak wordt echter een boekstaving waard omdat de overheid tot op de dag van het verschijnen van het boek nog niet het terrein heeft overgedragen. Curaçao, morgen is er weer een dag neemt de lezer ook mee in een ongelooflijk verhaal van strubbelingen rond met subsidie frauderende bestuursleden van een jongeren- en kinderopvang en de lakse rol van de overheid hierin. Mevrouw Sanders die in 1975 toen zij nog inspectrice van het kleuteronderwijs op het departement van onderwijs was, werd gevraagd in een op te richten stichting buurtcentrum Sta. Maria zitting te nemen om een crèche te starten, heeft vanaf dat moment tot ver na haar pensionering zich het lot van honderden kinderen aangetrokken die geen goede naschoolse opvang hadden. Die kinderen hadden volgens haar wel recht op aandacht, vorming, voeding en een veilige omgeving. Het is onbegrijpelijk dat er bestuursleden zijn die de vrijgemaakte gelden voor zo’n normaal menselijk maar toch ook nobel doel durven misbruiken voor eigenbelang. De opvang is door malafide praktijken helaas beroofd doordat de stichting waaronder de opvang viel failliet werd verklaard, maar omdat dit soort werk nou eenmaal alleen maar mogelijk is door offergeld of subsidie die juridisch gezien slechts door een stichting kan worden beheerd, is er later opnieuw een stichting opgericht om door te kunnen gaan met de opvang. De eerste stichting heette ‘Graag gedaan’, de latere ‘Un man pa mayan’.
De lezer valt van de ene verbazing in de andere naarmate het boek vordert. Daarom is het terecht dat dit verhaal zo goed gedocumenteerd is en de schrijver het aandurft om het in eigen beheer te publiceren. Bijna op het eind van het boek, op bladzijde 286 staat dan ook het volgende te lezen:
‘Zo’n mooi en rijk eiland!’ en Tamara schudde haar hoofd. ‘Rijk en lijdend aan /onder een intimidatie-cultuur!
‘En dus komt er geen boek!’
‘En dus komt er een boek! Natuurlijk wel, Tamara. Bang ben ik niet. Ook nooit geweest. Nilda en ik zeulen al decennia op Curaçao rond met een koffertje vuile was, op zoek naar een eilandelijke wasserette. Maar er is ons ter ore gekomen dat er veel mensen met koffertjes stinkende was rondlopen. Onze vuile was gaan we nu noodgedwongen uithangen. Mensen in heel het koninkrijk mogen weten hoe burgers op dit schitterende eiland soms, maar soms ook vaak het leven zuur gemaakt wordt door een aantal arrogante gezagsdragers of malafide bestuursleden en hun hielenlikkers.’
‘En de titel van dat boek is, Michel?’
‘Wat denk je van: Curaçao, morgen is er weer een dag?’
‘Lijkt me enig.!’


Michel Sanders: Curaçao, morgen is er weer een dag, uitgegeven door de auteur, ISBN 978-99904-1-150-8, 311 bladzijden.

Twee teksten ter illustratie:

‘Heeft het allemaal nog wel zin,’ vroeg ik na het lezen van het besluit.
‘Je denkt toch niet dat ik het opgeef? Deze mensen hebben jarenlang aan dit plan gewerkt, die zijn natuurlijk tijdens hun inventarisatie op tal van problemen gestuit. Terreinen waar geen duidelijkheid over bestond. Die problemen moesten natuurlijk opgelost worden. Maar ze hebben de tijd genomen om die op te lossen. Ze denken die oplossing te hebben: “Kom maar met je papieren.” Omdat ze weten dat Curaçaoënaars slordig omgaan met officiële documenten....’ (blz 40)


‘Er gebeurt niets, helemaal niets. Ook verloren LAR-zaken legt dit Bestuurscollege naast zich neer. Geen verontschuldiging voor het niet tijdig uitvoeren van het vonnis en geen excuus voor de foutieve adressering.’
‘Maar Michel, dat is toch arrogant handelen?’
Árrogantie ten top. Dan moest je die mevrouw op de televisie zien, naar aanleiding van het feit dat de Ombudsman haar en haar College verweet dat ze brieven van burgers niet op tijd beantwoordden. Laaiend was ze.’
‘Ja. Nou dan kan ze haar borst nat maken. Jij wacht vanaf 26 oktober 2006, bijna drie jaar. Een eventueel boek van jou zal haar beslist weer de gordijnen in jagen. Nodig je haar uit bij de presentatie? Centro Pro Arte lijkt me een geschikte locatie. Flinke gordijnen.’ (blz 227)

Foto: @ Michiel van Kempen

De Kunst van de Dichter (4)


door Erich Zielinski

In mijn artikel “De Kunst van de Dichter” schreef ik:

“Ik heb de indruk dat nog teveel dichters zich uitsloven om met beeldspraak en stijlbloemen de lezer te imponeren, terwijl die gekunsteldheid veeleer afdoet aan hetgeen hij zeggen wil.”

En iets verder:

Mijn kritiek op een overdaad aan woordkunst wil afrekenen met datgene wat overbodig of misplaatst is. Ik moet weten wat de dichter zegt: niet wat hij zou willen zeggen. Dat betekent dat de dichter wat te zeggen moet hebben. Ik moet getroffen worden door zijn emotie of door het onderwerp dat hij beroert. Stijlmiddelen* kunnen daarbij behulpzaam zijn zoals ook het juiste woordgebruik de effectiviteit verhoogt.” Zij mogen niet de overhand krijgen; een eigen leven leiden of verstoren wat de dichter zeggen wil.
Eenvoud betekent niet dat het gedicht kort moet zijn of dat de dichter van beeldspraak en ritme moet afzien
Ik wil u daarvan een voorbeeld geven: een gedicht van Jorge Luis Borges; Argentijn, geboren in Buenos Aires 1n 1899*.
In 1969, hij was toen 70 jaar oud en bijna blind, verscheen zijn bundel “Elogio de la Sombra.” Uit die bundel lees ik voor u het gedicht “Elogio de la Sombra”. De Nederlandse vertaling is van Fred de Haas en is door mij wat vrijer bewerkt.

Stijlmiddel: een middel waarvan men zich in de schrijftaal bedient om een bepaal effect teweeg te brengen.

Elogio de la Sombra

La vejez (tal es el nombre que los otros le dan)
puede ser el tiempo de nuestra dicha.
El animal ha muerto o casi ha muerto.
Quedan el hombre i su alma.

Lofdicht aan de Duisternis

De ouderdom (dat is de naam die anderen er aan geven)
kan de tijd van ons geluk zijn.
Het dier is gestorven of is bijna dood.
Blijft slechts de mens en zijn ziel.


Vivo entre formas luminosas y vagas
que no son aún la tiniebla.
Buenos Aires,
que antes se desgarraba en arrabales
hacia la llanura incesante,
ha vuelto a ser la Recoleta, el Retiro,
las borrosas calles del Once
y las precarias casas viejas
que aún llamamos el Sur.

Ik leef tussen lichtende en vage vormen
die nog niet zijn opgegaan in duisternis.


Buenos Aires,
dat vroeger in voorsteden werd uiteengerukt
naar de eindeloze vlakte,
is weer la Recoleta en el Retiro,
de drabbige straten van el Once
en de oude bouwvallige huizen
die wij nog altijd het Zuiden noemen.

Siempre en mi vida fueron demasiadas las cosas;
Demócrito de Abdera se arrancó los ojos para pensar;
el tiempo ha sido mi Demócrito.
Esta penumbra es lenta y no duele;
fluye por un manso declive
y se parece a la eternidad.

De dingen in mijn leven zijn steeds te veel geweest;
Democritus van Abdera stak zich de ogen uit om te kunnen denken;
de tijd is mijn Democritus geweest.
Deze schemer komt langzaam en doet geen pijn;
als stroomt hij van een trage helling
hij lijkt op de eeuwigheid.

Mis amigos no tienen cara,
las mujeres son lo que fueron hace ya tantos años,
las esquinas pueden ser otras,
no hay letras en las páginas de los libros.

Mijn vrienden hebben geen gezicht,
de vrouwen zijn wie zij al zo lang geleden waren,
de hoeken kunnen andere zijn,
er staan geen letters op de bladzijden van de boeken.

Todo esto debería atemorizarme,
pero es una dulzura, un regreso.
De las generaciones de los textos que hay en la tierra
sólo habré leído unos pocos,
los que sigo leyendo en la memoria,
leyendo y transformando.

Dit alles zou mij angstig moeten maken,
maar het is een genot, een terugkeer.
Van de generaties aan teksten die er op aarde zijn,
zal ik slechts weinige gelezen hebben,
die ik in gedachten lezen blijf,
blijf lezen en vervormen.

Del Sur, del Este, del Oeste, del Norte,
convergen los caminos que me han traído
a mi secreto centro.
Esos caminos fueron ecos y pasos,
mujeres, hombres,agonías, resurrecciones,
días y noches,
entresueños y sueños,
cada ínfimo instante del ayer
y de los ayeres del mundo,
la firme espada del Danés y la luna del persa,
los actos de los muertos,
el compartido amor, las palabras,
Emerson y la nieve y tantas cosas.
Ahora puedo olvidarlas. Llego a mi centro,
a mi álgebra y my clave,
a mi espejo.
Pronto sabré quién soy.
Uit het Zuiden, het Oosten, het Westen, het Noorden
komen de wegen samen die mij brachten
tot mijn verborgen centrum.
Die wegen waren echo’s en voetstappen,
vrouwen, mannen, doodstrijd en herrijzenis,
dagen en nachten,
tussen waken en dromen,
elk nietig ogenblik uit het verleden,
en al het verleden van de wereld,
het geduchte zwaard van de Deen en de maan van de Pers,
de daden van degenen die gestorven zijn,
de gedeelde liefde, de woorden.
Emerson en de sneeuw en zoveel andere dingen.
Nu kan ik ze vergeten. Ik ben gekomen aan mijn centrum,
mijn algebra en mijn sluitsteen,
mijn spiegel.
Spoedig zal ik weten wie ik ben.

Borges heeft nog tamelijk geleefd. Hij stierf in 1986 in Genève. Hij was toen 87 jaar oud.

Waarom noemen wij dit stuk proza een gedicht; en wat een gedicht ? De vorm zou een indicatie kunnen zijn. Deze is versterkt doordat ik het gedicht heb opgedeeld om de vertaalde inhoud zinvol te kunnen weergeven. Maar niet aan de vorm herkent men het gedicht. Zou men de zinnen laten dóórlopen, dan zal de lezer herleiden en vorm geven.
Dus niet de vorm; niet op de eerste plaats de vorm. Stijlmiddelen zijn hulpmiddelen schreef ik.

Zou men het gedicht herkennen aan de kracht van de beelden die de blinde of de bijna blinde oproept ? Deze bepalen ongetwijfeld de kwaliteit

Dit gedicht wordt erkend als een meesterwerk door de eenvoud van het taalgebruik; verheven menselijkheid en de diepte van de beleving die de dichter overdraagt:

“El animal ha muerto o casi ha muerto. Quedan el hombre y su alma”
Het dier is gestorven of is bijna dood; blijft slechts de mens en zijn ziel.
De filosofische driedeling van de mens: materie, ego en ziel krijgt betekenis in hetgeen daarna komt. En het gedicht eindigt:

Emerson y la nieve y tantas cosas.
Ahora puedo olvidarlas. Llego a mi centro,
a mi álgebra y mi clave,
a mi espejo.
Pronto sabré quién soy.

Emerson en de sneeuw en zoveel andere dingen.
Nu kan ik ze vergeten. Ik ben gekomen aan mijn centrum,
mijn algebra en mijn sleutel,
mijn spiegel.
Spoedig zal ik weten wie ik ben.

Het gehele gedicht leidt naar dit einde van hermetische mystiek: ieder woord is vol betekenis.
Wat het gedicht maakt, is niet de vorm, ook niet het gebruik van stijlmiddelen. Het is wat de dichter te zeggen heeft. Ik ben terug bij mijn artikel “De Kunst van de Dichter”.
Ik schreef:
Mijn kritiek op een overdaad aan woordkunst wil afrekenen met datgene wat overbodig of misplaatst is. Ik moet weten wat de dichter zegt: niet wat hij zou willen zeggen. Dat betekent dat de dichter wat te zeggen moet hebben. Ik moet getroffen worden door zijn emotie of door het onderwerp dat hij beroert. Stijlmiddelen* kunnen daarbij behulpzaam zijn zoals ook het juiste woordgebruik de effectiviteit verhoogt.”

“Elogio de la Sombra” is daarvan een goed voorbeeld.
Ik dank u voor uw aandacht.

woensdag 25 november 2009

Russisch roulette in Paramaribo

Een dezer dagen stond er hier een ingezonden stuk in het ochtendblad de Ware Tijd met als kop “Riverside Harbour Village is testcase”, geschreven door Unesco’s site manager historische binnenstad Paramaribo, Ir. Stephen Fokké. Wat is er aan de hand?

Zo’n twee maanden geleden werd –volledig out of the blue– een Memorandum of Understanding (MOU) ondertekend door de Minister van Ruimtelijke Ordening, Bos- en Grondbeheer met het Surinaamse bouwbedrijf Carimexco N.V., de (parastatale) Scheepvaart Maatschappij Suriname (SMS) en de Nederlandse investeerder Wizard Ventures B.V. voor de bouw van een River Harbour Village annex jachthaven aan Paramaribo’s Waterkant.

Voor degenen die bekend zijn met Paramaribo: te bouwen aan de Waterkant, schuin tegenover de Centrale Bank van Suriname, ter weerszijden van De Waag, een dorp met hotel, winkels, woningen, shoppingmall, jachthaven, etcetera, dat deels boven het water moet worden uitgebouwd, oplopend tot 5 à 6 verdiepingen hoog. Voorwaar een mooi plan, maar niet op deze plek!
.


Niet onbegrijpelijk kwamen er onmiddellijk protesten uit de hele gemeenschap dat een dergelijk project een regelrechte aanslag vormt op de historische binnenstad van Paramaribo, sinds een aantal jaren toegevoegd aan Unesco’s Wereld Erfgoedlijst, waardoor op de Surinaamse regering de dure verplichting rust deze als zodanig te beschermen en in stand te houden conform de Werelderfgoed Conventie.

Blijkt dat de minister deze MOU heeft getekend tegen het advies in van de directeur Stichting Gebouwd Erfgoed Suriname (SGES), tevens Unesco’s site manager, bovengenoemde Fokké. Blijkt nu ook na lezing van diens stuk dat River Harbour Village een testcase is, want indien de Surinaamse regering het groen licht geeft voor dit project, dan wordt Paramaribo van de Wereld Erfgoedlijst verwijderd. De minister speelt dus gewoon Russisch roulette.

dinsdag 24 november 2009

Anton de Kom de eer bewezen die hem toekomt?

door Rob Woortman & Alice Boots

Wij, de auteurs van de biografie van Anton de Kom willen een korte reactie geven op het stukje dat op de blog gepubliceerd is door Rolf van der Marck. Later als we terug zijn in Nederland zullen we uitgebreider verslag doen van onze bevindingen in Suriname rond de presentatie van ons boek.

Wij zijn vereerd dat Rolf ons boek ‘monumentaal’ noemt. Na ‘gezaghebbend’ is dat een nieuw warm compliment. Wat betreft de locatie en de aanbieding van het boek “her en der aan deze of gene hoogwaardigheidsbekleder” doet Van der Marck de werkelijkheid echter enig geweld aan en is het boek waardiger ontvangen dan hij schetst.

In de eerste plaats is het boek een dag tevoren aangeboden op het kabinet van de president. Bij afwezigheid van president Venetiaan (hij bracht met een delegatie een bezoek aan het FAO-congres in Rome) is het boek namens hem in ontvangst genomen door vice-president Ramdin Sardjoe.

De locatie Zus en Zo was zeer bewust gekozen door de familie De Kom. Het zou ongepast zijn geweest de uitdrukkelijke wens van de familie niet in Fort Zeelandia te presenteren te negeren. In Zus en Zo waren onder meer aanwezig Maurits Hassankhan, minister van Binnenlandse Zaken, mevrouw Rita Tjien Fooh de beoogde archivaris van het Nationaal Archief, de waarnemend directeur van de Anton de Kom universiteit van Suriname Allan Lie Fo Sjoe en vele andere prominenten waaronder vertegenwoordigers van het MINOV.

De bijeenkomst was veel minder commercieel dan Rolf suggereert. Het is op zich niet bijzonder dat de boekimporteur zijn naam aan de bijeenkomst wil verbinden en de belangrijkste sponsor van de presentatie was Staatsolie, wat geen commerciële instelling is.

Formeel is het boek in Zus en Zo een tweede keer overhandigd aan een vertegenwoordiger van de Surinaamse regering in de persoon van minister Hassankhan en is het Anton de Komarchief overhandigd aan het Nationaal Archief van Suriname. Een presentatie waar weinig op aan te merken is, lijkt ons.

maandag 23 november 2009

Anton de Kom is nog altijd niet de eer bewezen die hem toekomt

Eindelijk, 75 jaar na publicatie van zijn onvolprezen boek Wij slaven van Suriname, is Anton de Kom in heel zijn grootheid uitgebeeld. Na zijn monumentale –maar nog steeds omstreden– standbeeld in de Amsterdamse Bijlmer hebben we nu ook zijn zojuist verschenen biografie, geschreven door Alice Boots en Rob Woortman: een monumentaal boek, een monumentaal man waardig.


Eén van de tragedies van Anton de Kom was, en is helaas nog steeds, dat er veel misvattingen –al dan niet moedwillig– over hem in omloop zijn gebracht die decennia lang zijn ware beeld vrijwel volledig uit zicht hebben gehouden. Deze biografie rekent daarmee eindelijk af. De Kom’s onzichtbaarheid is niet alleen een gevolg van de door de tijd heen moeizame betrekkingen met onze (voormalige) kolonisator, maar ook van de verlate (her)ontdekking in de jaren ’50 en opnieuw in de jaren ’70 van Wij slaven van Suriname, en –niet te onderschatten– de onterechte claim die de Revo heeft gelegd op de ‘revolutionair’ (naar hun opvatting) Anton de Kom. Want laten we wel wezen: de toen in omloop gebrachte button met daarop De Kom en Bouterse is een regelrechte aanfluiting en een belediging van De Kom.

Dat mistgordijn rond Anton de Kom is er waarschijnlijk ook de verklaring voor dat zijn biografie op een morsige manier (anders kan ik het niet noemen) in Suriname is ontvangen, met enkel en alleen een commerciële presentatie in het morsige etablissement Zus & Zo, en meer niet. De auteurs hebben her en der een exemplaar aangeboden aan deze of gene hoogwaardigheidsbekleder, en daarmee was de kous af. Maar is daarmee de kous af? Bepaald niet!


Op z’n minst had het Directoraat Cultuur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (MINOV) voor de presentatie van De Kom’s biografie aan het Surinaamse volk een grootse happening moeten organiseren in Fort Zeelandia, waar Anton de Kom in 1933 drie maanden wederrechtelijk gevangen is gehouden, in plaats van de slappe oefeningen die zij daar nu voor het komende Carifesta hebben gepresenteerd. Daarbij hadden bijvoorbeeld de nog vrijwel onbekende Anansi tori’s van Anton de Kom kunnen worden voorgedragen, en verder enkele hoogtepunten uit zijn overige ongepubliceerde werk, om tot slot de biografie door de auteurs te doen aanbieden aan de President.

Daarop volgend had de President kunnen aankondigen dat onze regering opdracht heeft gegeven een tekstkritische studie te maken van alle gepubliceerde en ongepubliceerde werken van Anton de Kom, om vervolgens binnen nu en twee à drie jaar Anton de Kom’s Verzamelde Werken in druk te doen verschijnen.

Niets van dit alles, alleen een morsige presentatie in een morsig etablissement, Anton de Kom onwaardig. Helaas werken de misvattingen rondom zijn persoon en zijn werk nog steeds door, zodat de vrije Republiek Suriname zijn grote landskind Anton de Kom nog altijd niet de eer heeft bewezen die hem toekomt. Maar wat niet is, kan komen. Moge het Directoraat Cultuur van MINOV en/of de Anton de Kom Universiteit van Suriname zich uitgedaagd voelen om revanche te nemen voor deze onwaardige aanlanding en presentatie van Anton de Kom’s biografie in Suriname.

Hoe smal en hoe breed ook: ‘de Verzamelde Anton de Kom’ moet er komen, het is een verplichting aan de Surinaamse literatuur!

(De illustraties zijn afkomstig uit genoemde biografie, het standbeeld van Anton de Kom in de Bijlmer en diens nog altijd niet gerenoveerde geboortehuis in de voormalige Pontewerfstraat, nu Anton de Komstraat, in Paramaribo.)

zaterdag 21 november 2009

Driedimensionaal werk

Er zijn boeken die deuren openen naar werelden waarvan je het bestaan vermoedde, maar die pas gaan leven en bezit van je nemen, nadat ze door de hand van een schrijver zijn aangeraakt. Wij slaven van Suriname van Anton de Kom is zo’n boek. Ik las het lang geleden voor het eerst. In de Groningse boekwinkel waarin ik graag mocht ronddrentelen, was mijn oog op de uitgave gevallen. Deze lag links bij de ingang, op een lage tafel, omringd door werken over de staatsgreep in Suriname van 1980. Boeken van vooral journalisten, die ik al had aangeschaft en gelezen. Volgens een aantekening die ik voorin het exemplaar maakte, kocht ik de derde druk van Wij slaven van Suriname op 14 april 1982.

Nog maar kort ervoor was ik mij met de geschiedenis van Suriname gaan bezighouden. Uit een soort balorigheid. En een onbestemd gevoel dat er iets recht gezet moest worden. Al mijn medestudenten met belangstelling voor koloniale geschiedenis richtten hun aandacht op Indonesië. Hoewel er voor de hand liggende redenen waren voor deze concentratie op de gordel van smaragd, bevreemdde dit mij. Maakten Suriname en de Nederlandse Antillen geen deel uit van het Nederlandse koloniale verleden? Waarom werd de geschiedenis van ‘West-Indië’ door mijn docenten zo goed als buiten beschouwing gelaten? Had juist de coup van 1980 niet aangetoond dat de ontwikkelingen in Suriname niet minder ingrijpend verliepen dan in andere voormalige koloniën en dat er een taak lag voor juist historici om de achtergronden van de staatsgreep te duiden?

Tamelijk argeloos was ik begonnen Wij slaven van Suriname te lezen, mij ervan bewust een klassiek werk in handen te hebben. En erop bedacht dat de leesbaarheid van de tekst mogelijk geen gelijke tred had gehouden met het voortschrijden van de tijd. Als ik ergens niet op voorbereid was, dan was het wel op de kracht van het verhaal en de meeslepende stijl van de auteur. De Koms boek maakte een verpletterende indruk op mij, zelfs in die mate dat ik onmiddellijk zelf de pen ter hand nam. De wereld moest kennis nemen van de geschiedenis die in dit meesterwerk was geboekstaafd. Een geschiedenis die veel meer verduidelijkte over de recente ontwikkelingen in het land dan al die amechtig achter elkaar geproduceerde journalistieke rapportages bij elkaar.

Mijn artikel over Wij slaven van Suriname werd gepubliceerd. In een weinig bekend tijdschrift. Gelukkig maar. Stukken die op stel en sprong zijn geschreven, in de spreekwoordelijke koortsachtige roes, bevredigen immers vaak wel het ongeduld van de schrijver, maar niet de kritische zin van het lezerspubliek. Ik heb mijn bijdrage nooit meer durven teruglezen. Maar de vonk was overgeslagen. Voortaan zou de geschiedenis van Suriname mijn deel zijn en Wij slaven van Suriname een belangrijke drijfveer en inspiratiebron.

Op dat moment kon ik nog niet goed uitleggen waarom het boek mij zo had geraakt. Vanwege de tragiek van de Surinaamse geschiedenis? De onvervulbaarheid van De Koms programma? De ontoereikendheid van zijn idealen? Het was allemaal waar. Maar ook vanwege De Koms toewijding, inzet en volharding, zijn menselijkheid en integriteit, en zijn onvermoeibare pogingen tegen de verdrukking in iets van het leven te maken. Pas veel later besefte ik dat het geheim van de zeggingskracht van het boek schuilt in de unieke mengeling van beeld, idee en emotie. Wij slaven van Suriname is een driedimensionaal werk. De lezer wordt aangesproken op het niveau van voorstellingen, denkbeelden en gevoelens, en er onbedwingbaar toe aangezet zich persoonlijk te verhouden tot de auteur en de Surinaamse geschiedenis.

Het boek overschrijdt hierin grenzen van tijd en ruimte. Studenten in Suriname en Nederland die ik het werk laat lezen, ondergaan dezelfde sensaties als de lezers van mijn eigen generatie en tonen zich even snel gewonnen voor het verhaal dat De Kom vertelt en de boodschap die hij wil overbrengen. Het elan dat de schrijver losmaakt, manifesteerde zich in verhevigde mate bij gelegenheid van 75 jaar Wij slaven van Suriname. De biografen van De Kom toonden bij de presentatie van hun levensbeschrijving een aanstekelijk enthousiasme voor hun held en de voordrachten op het aan Wij slaven van Suriname gewijde IBS colloquium lieten een vergelijkbare begeestering bij de sprekers zien. Kleinzoon Antoine de Kom met zijn dichterlijke opwekking ‘Doe iets’ voorop.

Bij de presentatie van de biografie werd het verstilde ‘Waterboy’ van Paul Robeson gedraaid. De Kom was verzot op dit lied en hield van Robeson, het multitalent met de majestueuze basstem. Niet minder dan De Kom was de Amerikaan een gevoelsmens, die politiek en artistiek zijn eigen weg ging en daardoor veelvuldig met de gevestigde orde in conflict kwam. Hij schrok er niet voor terug een eigen bewerking van het volkslied van de Sovjet-Unie te maken, waarin hij behalve Lenin ook Stalin als leidsman en inspirator verheerlijkte. Robeson was een internationale beroemdheid, maar is nu vrijwel vergeten. Getuige de verschijning van zijn biografie en een nieuwe herdruk van Wij slaven van Suriname is de ster van De Kom nog altijd rijzende.

Luister naar 'Waterboy' door hier te klikken
Over de aanbieding van de biografie in Suriname zie het STVS Journaal van 18 november 2009.



Foto rechtsboven Rob Woortman en Alice Boots; @ Michiel van Kempen
Op de foto rechtsonder Paul Robeson

vrijdag 20 november 2009

De spokende stad

door Karin Amatmoekrim

Ik schreef eens een boek waarin de meeste gebeurtenissen zich in de tropen afspeelden. Op een paar hoofdstukken na: die had ik in Nederland geplaatst, om precies te zijn: in een klein havenstadje genaamd IJmuiden. In mijn ervaring, en dus ook in het boek, is Ijmuiden geen prettige plaats om te wonen. Maar het was voor mij ook niet meer dan dat: een plaats. Ik dacht zelden terug aan Ijmuiden en zoals ik het boek dacht te hebben geschreven, kon de lezer voor Ijmuiden elk ander stadje lezen dat hem kleinzielig en sociaal achterlijk leek. Voor de rest was Ijmuiden onbelangrijk. Anders had ik er wel meer hoofdstukken, of misschien zelfs een heel boek aan gewijd. Ijmuiden deed er niet toe.Maar ik had het mis.



Nu heb ik gemerkt dat je het als schrijver nogal eens mis kan hebben. Je baseert bijvoorbeeld een verhaal op een bepaald thema, en dan blijkt er altijd wel een recensent te zijn die bewijst dat het een heel andere thematiek heeft dan jij als auteur had bedacht. Weet jij veel. Of je neemt een boeking aan om te lezen tijdens een literair festival in de veronderstelling dat de bezoekers van dat festival geïnteresseerd zijn in literatuur. Maar o jee, wat heb je het weer mis. Het gros van de bezoekers wil natuurlijk gewoon wijn drinken en zichzelf horen praten, bij voorkeur door de voordrachten van de bestelde schrijvers heen. En je kijkt toe hoe je voorgangers de strijd aangaan met de desinteresse van de zaal, weggemoffeld in een hoekje op een podium dat zo laag is dat je betwijfelt of het niet eerder de term ‘stoepje’ verdient dan het gewichtig klinkende ‘podium’. Ondertussen probeer jij koortsachtig te bedenken hoe je aan dit lot kan ontsnappen: een plotseling opgekomen buikgriep veinzen, of stiekem de deur uitglippen en achteraf beweren dat je het verkeerde adres had gekregen. Maar acteren kan je niet en de organisator heeft je allang gezien, dus wacht je laf op je beurt – je realiserend dat je er weer eens goed naast zat.
Ook met dat stadje Ijmuiden had ik het weer helemaal niet begrepen. Natuurlijk was het meer dan een stom stadje. Maar om dat te beseffen, moest ik eerst afreizen naar Numansdorp, een klein plaatsje onder Rotterdam. De eigenaars van een alleraardigst boekenwinkeltje in dat dorp hadden mij gevraagd om die avond een lezing te geven voor een klein groepje vrouwen. Een deel ervan kende mijn werk, een deel niet. Het werd een ontzettend gezellige avond en, los van het incident dat ik zo dadelijk uit de doeken zal doen, was het een van de leukste lezingen in mijn carrière tot nu toe. Ik las wat stukken voor die goed in de smaak vielen, wat mijn ego dusdanig streelde dat ik helemaal op mijn gemak aan mijn koffie nipte. Het publiek stelde intelligente vragen, en zoals u begrijpt zijn dat de leukste vragen om te beantwoorden. Ik mag dus zeggen dat we lol hadden. Toen iemand vroeg hoe ik nu terugkeek op mijn jeugd en in hoeverre dit overeenkwam met de gebeurtenissen in het boek, legde ik openhartig uit hoe weinig aansluiting mijn moeder en ik hadden gevonden met de Ijmuidenaren waartussen wij beland waren. Er werd begrijpend geknikt en ik ging verder; er was een probleem tussen alle buitenlanders in die stad en de ‘echte’ Ijmuidenaren geweest. Waar dat dan aan lag? Tsja, misschien lag het wel aan de aard van het volk in Ijmuiden. Ik vond het niet zo’n heel interessant onderwerp en wilde al iemand anders het woord geven, toen een vrouw op de voorste rij opstond, haar handen in haar zij, haar bovenlichaam naar voren hellend, en me in onvervalst, plat Ijmuidens accent vroeg; ‘Wat is er mis met Ijmuiden? Ík heb er me hele leven gewoond.’Het was net een slechte mop: Loopt een vrouw door Numansdorp, komt ze een Ijmuidenaar tegen.Ik stamelde iets over allochtonen, achterstandswijken, onbegrip, maar de vrouw wilde méér. Ze wilde mij van mijn ongelijk overtuigen. En om dat te bereiken, kwam ze – uiteraard – na afloop van de lezing naar me toe voor een goed gesprek. ‘Luister,’ zei ze. Het accent knauwde in mijn oren, maakte onbedoeld allerlei emoties en herinneringen los. ‘Het leg niet aan de Ijmuijenaren. De regering had die buitenlanders gewoon niet bij elkaar motten zetten. Dat gaat allemaal samen klieken, daar komt niks tussen. En dan sta je als Ijmuijenaar gek te kijken hoor, als je buurtje zo verandert.’‘Ja.’ Ik kuchte wat, schoof mijn kopje heen en weer.‘En ik had niks tegen buitenlanders hoor. Nog steeds niet. Ik had zelfs een Marokkaanse collega. Zó’n kerel. Niks mis mee. Zelfs een keertje bij wezen eten. En ik zeg tegen ‘m, we eten gewoon zoals jullie dat gewend zijn, zeg ik. Jaha, gewoon op de grond zitten en met je handen eten he. Lachen joh. Maar op het werk was ie heel gewoon, merkte helemaal niet dat ie buitenlands was. Zó’n kerel.’Ik deed alsof ik het met haar eens was (buitenlanders zijn nu eenmaal pas aardig als je helemaal niet merkt dat ze uit het buitenland komen) en maakte me uit de voeten. Op de terugweg naar Amsterdam, dacht ik na over de vrouw. Los van haar typische opmerkingen over haar collega (‘Hij was Marokkaans, maar hij was echt heel aardig.’), was het een vriendelijke, zelfs hartelijke vrouw. Had ik echt zo uitgesproken onvriendelijk over Ijmuiden geschreven? Moest ik daar spijt van hebben? Nee, besloot ik. Zo belangrijk was Ijmuiden nu eenmaal niet.Maar zoals ik al zei, ik had het mis.Een week daarna schreef een journalist van een middelgrote krant namelijk, dat Ijmuiden wel degelijk belangrijk was in het boek. Bovendien had ik het heel overdreven neergeschreven. Ten eerste was dat stadje helemaal niet onaardig. De rook van de Hoogovens was bijvoorbeeld niet grijs, zoals een personage in het boek beschreef, maar wit. Ja, dat zegt alles. En wilde de auteur bovendien suggereren dat Nederlanders dom waren? A-sociaal en racistisch bovendien? Schande! Schande!Ja maar, dacht ik hulpeloos, er staat toch Ijmuiden? Er staat toch niet Nederland? Had ik het weer mis gehad? Misschien wel. Waarschijnlijk wel. Ik toog diezelfde dag nog naar de gewraakte stad, zelfs naar de wijk waar die paar hoofdstukken zich hadden afgespeeld. Even kijken hoe alles er tegenwoordig bijstond. Je weet immers maar nooit; je herinneringen kunnen je bedriegen. Met het artikel van de kritische journalist in mijn jaszak, parkeerde ik mijn auto bij een van de flatgebouwen waar een deel van dat boek speelde, en waar ik een deel van mijn jeugd doorbracht. Ik stapte uit, artikel in gedachten en vastbesloten mijn geest open te houden: open voor alle nieuwe en frisse indrukken die deze stad op me zouden maken. Kijk, er was wat meer groen gekomen. Toch minder grauw dan je had gedacht, sprak ik mezelf streng toe. En het veldje voor de flat lag niet meer bezaaid met vuilnis. Vroeger gooiden de bewoners alles wat ze niet meer wilden hebben, gewoon naar beneden. Of misschien had ik dat wel verzonnen. Je weet het niet, het zou best kunnen. En god, hoe onvriendelijk konden de mensen hier nou zijn. Ik liep al een kwartier rond en was nog niemand tegengekomen. Allemaal op hun werk natuurlijk. Harde werkers hoor, die Ijmuidenaren. Met een vreemde mengeling van tevredenheid (de wereld is mooier dan ik die had kunnen bedenken) en irritatie (had die journalist toch gelijk gehad?), liep ik weer terug naar mijn auto. Vlakbij gekomen, ging mijn telefoon. Ik reikte naar mijn tas, toen iemand me iets toeriep. Het was een jongen, zestien, zeventien jaar. Hij stond op een balkon van een huis op de eerste verdieping. Hij was lang en had een puisterig gezicht. Hij had zich verveeld, denk ik, en zocht een manier om die verveling te verdrijven. ‘Hey,’ riep hij weer. ‘Hey,’ echode ik. Toen drukte ik op de groene knop van mijn telefoon en nam daarmee het gesprek aan. De jongen riep nog iets dat ik niet hoorde, omdat ik naar de stem aan de telefoon luisterde. Ik stond inmiddels vlak bij hem, omdat mijn auto voor zijn balkon geparkeerd stond. Toen riep hij, van boven naar beneden, zo hard en kwaad dat ik hem wel móest horen: ‘Ik vraag je wat!’ Ik keek naar hem op. Dat had ik niet moeten doen. ‘Arrogante hoer!’ Verbaasd liet ik mijn telefoon zakken. ‘Wát zeg je tegen me?’‘Je bent een kankerhoer! Een vieze vuile kankerkuthoer ben je.’Zomaar. Ik liep daar en dat stond hem niet aan. Dus ik was een hoer. Het kan verkeren.Ik zou willen vertellen dat ik me uiteraard niet zo heb laten beledigen en met een enorm lenige kattensprong op zijn balkon ben geklommen om zijn puisterige hoofd klem tussen de spijlen van het balkon te duwen. Zijn moeder zou thuis komen om hem zo te vinden, hulpeloos overgeleverd aan de wind en regen en spottende lach van voorbijgangers en buren. Ze zou de brandweer moeten bellen die hem alleen met grof geweld en een cirkelzaag los kon krijgen.Maar dat is natuurlijk niet gebeurd.Ik heb mijn middelvinger opgestoken – dat nog wel – en ben in mijn auto gestapt en weggereden. Weg uit Ijmuiden, terug naar de beschaafde wereld. Ze kunnen me nog meer vertellen, dacht ik dapper, een held in mijn gedachten, maar het is gewoon een kutstad.

[overgenomen van de website van Karin Amatmoekrim; de tekst komt uit En toen viel ik van het podium (uitgeverij Prometheus 2007).

Geestig-serieuze verhalen van Nederlandse topschrijvers over de krenkingen, beledigingen en misverstanden die zij tijdens de uitoefening van hun beroep hebben moeten doorstaan. Vol zelfspot of vanuit oprechte kwaadheid vertellen ze over de lezingen zonder publiek, de onbezochte signeersessies en het missen van de laatste trein. Aan deze bundel werkten mee: Thomas Roosenboom, Nicolien Mizee, Dirk van Weelden, Marga Minco, Thomas Verbogt, Rascha Peper, Tsead Bruinja, Michael Frijda, Mensje van Keulen, Moses Isegawa, Frans Pointl, Arnon Grunberg, Anneloes Timmerije, A.F.Th. van der Heijden, Nilgün Yerli, Bart Chabot, Gerbrand Bakker, Christiaan Weijts, Karin Amatmoekrim, Geerten Meijsing, Tijs Goldschmidt, Annejet van der Zijl, Jan van Mersbergen, Joost Zwagerman, Maarten ‘t Hart, Nelleke Noordervliet, Ronald Giphart, Renate Dorrestein en Gerrit Krol.

woensdag 18 november 2009

From Jerusalem with Love

Een fascinerende reis door het Heilige Land met kunst, foto’s en souvenirs, 1799-1948

In de tentoonstelling From Jerusalem with Love vertellen ruim 500 objecten en foto’s het verhaal van de bijzondere relatie tussen het 19de- en vroeg 20ste-eeuwse Palestina en Europese joden en christenen vanaf 1799 tot aan de stichting van de staat Israël in 1948. Van 10 december 2009 t/m 5 september 2010 toont het Bijbels Museum in Amsterdam deze grote selectie uit de omvangrijke en bijzondere collectie van de filmer en verzamelaar Willy Lindwer. Deze unieke collectie uit het Heilige land is hiermee voor het eerst voor het publiek toegankelijk.




Het Heilige Land, bakermat van het jodendom en christendom, wordt in de 19de eeuw opnieuw ontdekt. Joden, protestanten, rooms-katholieken, oosters orthodoxen, Armeniërs: allen zijn gefascineerd door het land van de bijbel. De eeuwenlange betrokkenheid krijgt een nieuwe impuls. Het wordt opnieuw een reisdoel om de wereld van het heilige boek te ervaren, om dromen tastbaar te maken. En iedere reiziger wil zijn herinneringen delen: talloze historische foto’s, souvenirs, ceremoniële objecten, sieraden, gebruiksvoorwerpen en reisverslagen vinden hun weg naar de huiskamers in Nederland, Europa en de Verenigde Staten. Tentoonstelling From Jerusalem with Love neemt de bezoeker mee op een reis langs voorwerpen en verhalen die een belangrijke episode uit de voorgeschiedenis van het huidige Israël belichten. De bezoeker ervaart de sfeer van het 19de-eeuwse Palestina. Foto- en filmmateriaal van Willy Lindwer geven een indruk van het land dat werd herontdekt door Joden en christenen. Een schat aan 19de- en vroeg 20ste-eeuwse kunstobjecten en souvenirs illustreert de grote verbondenheid die zij voelden met het land van de bijbel. Kunst uit de Art Nouveau, de Art Deco en de Bauhaus periode geeft een beeld van het bloeiende artistieke klimaat dat in joods Palestina in de eerst helft van de 20ste eeuw heerste. De wisselwerking tussen Europese en lokale stijlen en de bijzondere betekenis van Eretz Israël voor het joodse volk creëren een unieke beeldtaal. Historische beeldmateriaal toont hoe reizigers en fotografen het land in de 19de eeuw visualiseerden. Een periode uit de geschiedenis van het Heilige Land wordt in de tentoonstelling From Jerusalem with Love opnieuw tot leven gebracht.


Willy Lindwer
Documentairemaker en verzamelaar Willy Lindwer woont en werkt in Jeruzalem en Amsterdam. Hij is geboren en getogen vlakbij het Waterlooplein, eens het hart van de oude Amsterdamse jodenbuurt. Toen hij in de jaren ’60 van de vorige eeuw aan de filmacademie studeerde, kocht hij op de rommelmarkt zijn eerste 19de eeuwse chanoekalamp. Zijn interesse in de joodse geschiedenis, zijn afkomst en het besef van wat er in de oorlogsjaren verloren is gegaan, dreef Lindwer tot het verzamelen van judaica. Zijn unieke verzameling kent inmiddels een indrukwekkende omvang. Als documentairemaker en televisieproducent heeft hij talloze documentaires en films op zijn naam staan en won verschillende prijzen, zoals een International Emmy Award voor zijn documentaire De Laatste Zeven Maanden van Anne Frank uit 1988.
Plaats en tijd
Bijbels Museum, Herengracht 366-368, 1016 CH Amsterdam: 10 december 2009 t/m 05 september 2010

Activiteiten

Bij deze tentoonstelling wordt een catalogus (Nederlands- en Engelstalig) uitgegeven. Daarnaast is er een speciaal aanbod voor volwassenen met voorbereidend materiaal op een tentoonstellingsbezoek, rondleidingen op verschillende niveaus en diverse activiteiten.
· Rondleidingen op de tentoonstelling: voor groepen (maximaal 15 personen, 1 begeleider) in overleg te boeken. Kosten hiervoor: € 49,00, excl. entree. Verder is er iedere laatste zondag van de maand, behalve in juli en augustus en op feestdagen een ‘open’ rondleiding, aanvang 15.00 uur. Deelname hiervoor is gratis, excl. entree.
· Toverlantaarnlezingen: op zondag 17 januari en zondag 14 februari. Tijdens deze lezing voor volwassenen wordt gebruik gemaakt van de 19de-eeuwse toverlantaarn die speciaal voor deze gelegenheid uit het depot is gehaald. Aanvang 15.00 uur. Kosten €2,50, excl. entree.
· Intiem concert in de prachtige binnentuin van het museum, zondag 16 mei. Aanvang 15.00 uur. Kosten €12,50, incl. entree.
Reserveren is noodzakelijk, tel. 020 624 24 36. Kijk voor actuele informatie op www.bijbelsmuseum.nl.

Presentatie De Zwarte Lord

In haar debuutroman De Zwarte Lord beschrijft Rihana Jamaludin het verhaal van de Bossche gouvernante Regina Winter die naar Suriname vertrekt om les te geven aan Walther Blackwell, een jonge kleurling die van zijn blanke vader een plantage heeft geërfd. Door de kolonisten wordt hij spottend de Zwarte Lord genoemd, binnen de elite wordt hij met wantrouwen bekeken vanwege zijn buitenissige gedrag. In het geheim moet Regina zijn gangen nagaan. In haar zoektocht naar de waarheid ontmoet ze veel personen uit verschillende lagen van de Surinaamse samenleving. Het leven in Suriname blijkt ontdaan van conventies en fatsoensnormen, maar ook omhuld met taboes en mysteries. Alles is doortrokken van de gevolgen van slavernij, voor degenen die erin leven, zwart en blank en de vele tinten daartussen. Het is ook het jaar 1848, een woelig jaar voor de wereld, dat ook in Suriname zijn sporen nalaat. Hoe moeten de autoriteiten in Suriname omgaan met deze geest van oproer die een risico vormt voor de kolonie met zijn overmacht aan zwarte tot slaaf gemaakten?
Het NiNsee en KIT Publishers nodigen u graag uit voor de presentatie van dit boek met daarop aansluitend een paneldiscussie.
De presentator voor deze avond is Tanja Fraai, televisie- en radiojournaliste bij Radio Nederland Wereldomroep.

Rihana Jamaludin (1959, Paramaribo) vertrok in 1983 naar Nederland, waar ze werkte als beeldend kunstenaar en docent volwasseneneducatie. In 1999 debuteerde ze met het verhaal De Schepping in de Crossing Borderbundel van het gelijknamige festival in Den Haag. De bundel Minnewake verscheen in 2008 (Paramaribo).

Datum: vrijdag 4 december 2009
Locatie: Muiderkerk, Linnaeusstraat 37 in Amsterdam (nabij het Ninsee en Tropenmuseum) Programma:
17.30 -18.00 Inloop
18.00 -20.00 Inleiding Rihana Jamaludin, paneldiscussie en vragenronde
Na afloop borrel, boekverkoop en signeren
Rihana Jamaludin, De Zwarte Lord, Amsterdam: KIT Publishers, Prijs € 24,95, ISBN 9789460220340

*****

Taraq Hok-Ahin, model en fotograaf, poseerde voor het omslag van de historische roman De Zwarte Lord. De sympathieke jongeman was bereid om iets over zichzelf te vertellen.


1 - Hoe vond je het om als Zwarte Lord te poseren?
Het was voor mij een nieuwe ervaring om enkel met mijn hand te poseren. Desalniettemin vond ik het erg leuk om te doen. Je maakt toch deel uit van een creatief proces en de sfeer was ook goed om in te werken.

2 - Doe je het modellenwerk al lang?
Ik sta zelf zelden voor de camera. Wel heb ik vaker runway gelopen. Ik sta trouwens liever achter de camera. Ik ben er nu bijna 2 jaar mee bezig en ben van plan er na mijn studie serieus mee aan de slag te gaan.

3 - Het was opvallend hoe snel je de pose van de Lord te pakken had, je kon de figuur goed uitbeelden, het is haast jammer dat we het gezicht niet op de cover hebben! Heb je hiervoor een opleiding gehad?
Nee ik heb hier geen opleiding voor gehad maar ik ben zelf veel bezig met fotograferen waar ik zelf de regie heb in de poses van de modellen.
.

Fotograaf Irene de Groot en Taraq op de set aan het werk



4 - Is het voor zwarte modellen moeilijker of makkelijker aan werk te komen?
Van wat ik hoor uit ervaringen van anderen en van wat ik zie als ik zelf naar shows ga, is het erg zwaar voor een zwart model om goed geld te verdienen in die industrie. Enkel bij thema-shows als "Africa" of "Jungle" vind je een representatief aantal zwarte modellen op de runway. En dan het liefst met een paar blote borsten voor extra provocatie. Ik ben blij dat Vogue Italia, door middel van haar "Black edition", iets aan het probleem probeert te doen. In hun laatste editie brengen zij ode aan de Zwarte Barbie. Wel jammer dat het een pop moet zijn en geen persoon.

5 - Doe je nog ander werk / studie?
Ik zit nu nog op school. Komend semester begin ik met mijn laatste jaar aan de Hoge Economische School en nadat ik deze opleiding heb afgerond ben ik van plan naar Berlijn te verhuizen om de opleiding Fotografie te volgen. Naast mijn school werk ik part-time bij Graydon (bedrijfsinformatie en incasso) en bij T-mobile. Eén keer in de week maak ik Radio voor MosaFM en organiseer en presenteer ik talkshows en debatten. Daarnaast word ik regelmatig gevraagd voor het hosten van verschillende evenementen en maak ik deel uit van het productieteam van Ejed productions.
.

Op de set van De Zwarte Lord, rechts Rihana


6 - Je fotografeert zelf ook, wat is je favoriete onderwerp?
Mijn favoriete onderwerp heeft alles te maken met kleding en vrouwelijk schoon. Ik ben nu vooral bezig met zwart-wit fotografie en probeer eigenlijk nog mijn eigen stijl te vinden. Mijn close-ups vind ik het best.

7 - Heb je nog een opmerking?
Ik kan niet wachten om het boek te lezen. Ik heb net een boek uit dat zich in ongeveer dezelfde periode afspeelt en het verhaal vertelt van een witte slavenhouder in de West omstreeks de afschaffing van de slavernij.

[Interview overgenomen van de website van Rihana Jamaludin]

Bouwcultuur in Suriname

Bij KIT Publishers is zojuist verschenen een rijk geïllustreerd boek over de Architectuur en bouwcultuur in Suriname. Het boek is van de hand van Michel Bakker en Olga van der Klooster en beschrijft uitvoerig de zeer uiteenlopende vormen van bouwkunst in Suriname. Van de beroemde houten kathedraal tot de Nederlandse ambassade. Van villa’s aan de Anton Dragtenweg tot woningprojecten in de volkswijken. Van oude plantages tot spoorlijnen en bruggen. Over de woningen van Marrons en Indianen. Kortom, een prachtig boek voor iedereen die van Suriname houdt, of die beroepsmatig geïnteresseerd is in bouwkunde in de tropen.

Michel Bakker is architectuurhistoricus en onder andere gespecialiseerd in religieuze bouwkunst, waaronder de houten zendingskerkjes op de (voormalige) missieposten en waterbouwkundige werken. Olga van der Klooster is architectuurhistoricus en onder andere gespecialiseerd in bouwwerken van Openbare Werken op de Nederlandse Antillen, Aruba en Suriname. Van Surinaamse zijde is meegewerkt aan het boek door alle bekende architectenbureaus van Suriname. Het boek is ontstaan als een samenwerkingsproject met de Stichting Gebouwd Surinaams Erfgoed.

Het boek wordt in Suriname gepresenteerd tijdens opening van een fototentoonstelling in Fort Zeelandia, ter ere van de oprichting Stadsherstel Paramaribo NV.

Michel Bakker , Olga van der Klooster, Architectuur en bouwcultuur in Suriname. Amsterdam: KIT Publishers, 2009, ISBN 9789068325317
Paperback, 360 pagina's
Prijs € 49.50

dinsdag 17 november 2009

Burlesque loopt nog niet hard

De hogere circustoeren en de hogere striptease-acts die het Amsterdam Burlesque Festival belooft, vertalen zich blijkbaar nog niet in een voldoende aantal verkochte kaarten. Het festival start overmorgen op 19 november en tickets worden nu aangeboden met 75% korting.

Vooraf boeken wordt aangeraden, al zijn er volgens de organisatoren ook ‘een beperkt aantal’ tickets aan de deur verkrijgbaar. Dat zal nogal meevallen, denken we, maar er is natuurlijk niets op tegen de dappere organisatoren alvast van hun eerste zorgen af te helpen door tickets te reserveren.

Voor onze eerdere berichtgeving klik hier
Voor verdere detailshttp://www.amsterdamburlesquefest.com/
Tickets zijn te koop door hier te klikken.
.

Seks en seksualiteit in Latijns-Amerika en het Caraïbisch gebied

Op 26 en 27 november 2009 vindt er in Amsterdam een internationaal symposium plaats, onder de noemer 'Sex and sexuality in Latin America and the Caribbean'. Key note speakers zijn Peter Wade van de University of Manchester en Amalia Cabezas van de University of California Riverside. Bij het debat onder leiding van Michiel Baud zullen aanschuiven Lorraine Nencil een Francio Guadeloupe.

De aankondiging van het symposium luidt aldus:


This international conference seeks to explore contemporary issues in the study of sex and sexuality in Latin America and the Caribbean. In particular, we are interested in shifts in the political economy of intimacy and the ways in which cultural, political and economic power structures shape sexual practices and ideologies in the region. How is sexual agency and identity situated within political and economic structures? On what scales and through which dynamicsare sexual subjectivities constructed, and how do they intersect with gender, race and ethnicity and class? How do intimacy and economics interact in sexual encounters? Are social norms and practices changing, and how is this influenced by or reflected in fields such as popular culture and religion? What impact have women’s and gay rights movements had on sexual freedom? How do nation-states compete with global actors, including international NGOs, in shaping sexual ideology and practice? How can we understand changes in reproductive and sexual rights in a regional context of migration, transnationalism, democratization and the ‘Left Turn’?
Voor meer details klik here

maandag 16 november 2009

Simson gelanceerd

Een fotoreportage van de presentatie van Nieuwe pennenvruchten van Waldy Simson, in Fort Zoutman op Aruba op 1 november j.l.
.



Karin Amatmoekrim wint BMW Literatuurprijs

Op de afsluitingsavond van het Black Magic Woman-festival - gisteravond in het Bijlmerparktheater in Amsterdam - is bekendgemaakt dat Karin Amatmoekrim met haar roman Titus de eerste winnaar is geworden van de Black Magic Woman Literatuuroprijs.

De andere genomineerden waren Tessa Leuwsha met Solo, een liefde en Naima el Bezaz met Het Gelukssyndroom. De jury van deze eerste BMW Literatuurprijs bestond uit Laetitia Griffith (Tweede Kamerlid voor de VVD), Christine Otten (schrijfster), Lucia Nankoe (letterkundige en specialiste in Caraibische vrouwenliteratuur), Michiel van Kempen (letterkundige en Surinamist) en Alfred Schaffer (schrijver en redacteur Bezige Bij).

Hieronder het integrale juryrapport.


Titus van Karin Amatmoekrim

De jury is er unaniem over eens dat het hier een geboren schrijfster betreft die het vak beheerst en een duidelijke ambitie aan de dag legt om het eigen schrijverschap serieus op de kaart te zetten. Dat eigen schrijverschap stoort zich niet aan grenzen: voor de nieuwe generatie vallen grenzen alleen samen met de hele globe. Amatmoekrim is een schrijfster die trefzeker beschrijvingen neerzet, overtuigende dialogen schrijft, die het verhaal zorgvuldig opbouwt en er niettemin flink de vaart in houdt. Zij bedient zich van een eigenzinnige manier van schrijven die overtuigt, en die het existentialisme van de jaren ’50 een geheel nieuwe dimensie geeft als eigentijds kosmopolitisch verhaal.
De thematiek in dit boek is intrigerend: ieder einde is een nieuw begin. Vervreemding en ontworteling zijn zeer goed uitgewerkt. Het is een schrijversprestatie om zo de andere kant van verdriet te laten zien.



Het Gelukssyndroom van Naima El Bezaz

De jury is vol lof over de Het Gelukssyndroom. Deze, ogenschijnlijk eenvoudig geschreven en gecomponeerde roman, heeft vele lagen. Het verhaal gaat over vriendschap, ziekte, dood, de gevolgen van migratie, cultuurverschillen, over schrijven en, niet in de laatste plaats, over een diepe depressie. De schrijfster toont moed in het literair uitwerken van persoonlijke dilemma’s (depressie) ; ze stelt zich kwetsbaar op zonder larmoyant te worden. Haar taal lijkt eenvoudig, maar de beelden van zowel Marokko als Nederland die El Bezaz oproept, verraden een scherp literair gevoel. Haar stijl is oorspronkelijk en consistent. Het verhaal is meeslepend en beeldend geschreven. De schrijfster weet wat ze teweeg brengt. De roman bevat van begin tot het einde komische passages, en is zeer beeldend geschreven.
Bij de passages die zich in Marokko afspelen waant de lezer zich in Marokko en roept de auteur een wereld op die niet bekend is bij de gemiddelde Nederlandse lezer.
De meerdere lagen in Het Gelukssyndroom zijn ingenieus; door te schrijven over het schrijven zelf, krijgt het verhaal nog een duidelijke extra betekenis en diepgang. De urgentie dampt van iedere pagina, dit boek is geschreven op het scherpst van de snede.


Solo, een liefde van Tessa Leeuwsha

Het verhaal Solo van de Surinaamse Tessa Leeuwsha doet een beroep op alle zintuigen en op een subtiele manier waant de lezer zich in Suriname.
De jury is zeer onder de indruk van deze gave van de schrijfster, de sferische beelden, de geuren en kleuren, ze overtuigen.
De schrijfster weet ook op natuurlijke en herkenbare manier de Surinaamse cultuur en geschiedenis in het verhaal te verweven.
Het thema, het niet kunnen ontstijgen van je eigen milieu , is zowel actueel als universeel.
De omgekeerde Orpheus-mythe verwerkt in het boek is een mooie vondst. De schrijfster slaagt er verder in de levens van de personages en de omgeving op herkenbare en ontroerende wijze neer te zetten.



Foto van Karin Amatmoekrim: Bert Nienhuis

In memoriam Edgar Cairo

Vandaag exact negen jaar geleden werd Edgar Cairo dood aangetroffen in zijn woning in Amsterdam-Oost. De grootste virtuoos van het Surinaams-Nederlands en een van de allergrootste schrijvers in het Sranantongo was heengegaan. Om hem te gedenken een van zijn mooiste gedichten, dat ik zo vrij ben op te dragen aan alle gongosaman die sinds het verschijnen van de biografie van Anton de Kom opeens vonden dat de wereld hun braaksel verdiende. Beterschap!


mekunu


den wer' den neti‑rowyapon
fu ber' den krin deifesi

den kenki kunbat'tei
fu tori noyaso

...span den tongo k'ba
fu tes' a sapa
fu b'buwortu

...kari den gari k'ba
fu srepi kon na dorosei
a faya fu den du

den e bron

gongosaman
de fu bar' urei
dyarusuman
de fu dansi

a mi nen tapu
mi nyunman‑nen

tyuri f' den
baya
tyurun



ongerechtigheid


zij hebben hun rouwjapon van nacht aangetrokken
om hun schone gezicht van overdag te begraven

zij hebben hun navelstreng verwisseld
voor praatjes, op dit ogenblik

...hebben reeds hun gal opgeroepen
om naar buiten toe te slepen
het vuur van hun daad

ze staan in brand

de kwaadsprekers
staan op het punt hoera te roepen
zij die jaloers zijn
staan op het punt te dansen

ten koste van mijn naam
mijn rituele bijnaam

voor hen het teken van minachting
hoor
nog eens het teken van minachting

zondag 15 november 2009

Gezaghebbend

[Woord door Michiel van Kempen bij de presentatie van de biografie Anton de Kom door Alice Boots & Rob Woortman, Vereniging Ons Suriname te Amsterdam, zondag 1 november 2009]

Wat doen mensen als er een nieuw dik boek uitkomt met een personenregister? Ze kijken allereerst of ze zelf in dat personenregister voorkomen. Het boek is al half geslaagd als dat ook inderdaad het geval blijkt te zijn. Vervolgens bladeren ze snel naar de pagina waar hun eigen naam staat om te zien war er over hen geschreven is.
Nu kan ik u verzekeren dat ik bij deze biografie van Anton de Kom niet eerst naar mijn eigen naam ben gaan zoeken in de index, en voor wie mij niet op mijn woord wil geloven: ik heb daar ook twee getuigen voor, te weten de auteurs van de biografie, Alice Boots en Rob Woortman. Maar ik stuit bij het lezen wel op mijn naam in het zevende hoofdstuk van het boek, op pagina 188, waar het gaat om de vraag hoe ingrijpend de aanpassingen zijn geweest die een redacteur maakte op de oorspronkelijke manuscripttekst van Wij slaven van Suriname. Ik citeer: ‘Is er werkelijk sprake van een “verminkt werk” zoals Michiel van Kempen vele jaren later in zijn gezaghebbende werk Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur (2003) opmerkt?’ Einde citaat. Die kernvraag wordt door de biografen uitvoerig beantwoord, zoals dat ook moet in een levensverhaal: de genese van een boek hoort in de goede biografie thuis. De biografen geven hun antwoord door allereerst in te gaan op een artikel van Ben Scholtens uit SWI Forum van 1989 – het artikel komt spijtig genoeg niet voor in de Bibliografie, maar na lang zoeken in het zeer complexe voetnotensysteem heb ik wel een verkorte referentie gevonden. Ik kende het artikel natuurlijk, want ik had me er voor mijn literatuurgeschiedenis zelf ook op gebaseerd. Ben Scholtens wordt echter flink de oren gewassen: er deugt niet veel van wat hij zegt over de aanpassingen in Wij slaven van Suriname. Omdat Alice en Rob als eerste publicisten inzage hebben gehad in het archief van De Koms uitgever De Neve, weten zij op exacte en overtuigende manier aan te tonen hoe het wel gegaan is met de redactie van De Koms oertekst. Zij corrigeren daarmee een bestaand beeld over Wij slaven van Suriname als een ‘verminkt werk’, een beeld dat dus niet blijkt te kloppen. Ikzelf word in het zevende hoofdstuk niet meer genoemd. Dat is een buitengewoon elegante manier om een literatuurhistoricus te corrigeren.

Die elegantie is een van de kwaliteiten van deze biografie. Want laten we eerlijk wezen: het is op eieren lopen met Anton de Kom. Hij is voor velen een grote zoon van Suriname, een onaantastbare held, een icoon, en gelijk men weet moet men een icoon niet uitkleden. Maar het is de taak van de biograaf om de bestaande kennis te toetsen, om vigerende denkbeelden tegen het licht te houden en om ideeën van waanideeën te scheiden. Ik heb bij het lezen van het boek de ervaring gehad alsof er op een stralend-zonnige dag plotseling grote deuren worden opengegooid in een ruimte die jaren met zware gordijnen afgesloten was geweest van het buitenlicht. Ik stond werkelijk versteld van het aantal nieuwe feiten dat Alice en Rob naar boven hebben weten te halen. Niet alleen op de kwestie over het auteurschap van Wij slaven van Suriname valt een geheel nieuw licht. Al de oude etiketten – De Kom zou een vakbondsman geweest zijn, hij zou uit een armoedig proletariërsmilieu komen, hij zou hardhandig tegen zijn wil op de boot naar Nederland zijn gezet – al die etiketten worden voorzichtig en zorgvuldig afgeweekt en naar de prullenmand verwezen. Er is ook menige bladzijde gewijd aan de literaire kwaliteiten van Anton de Kom en aan teksten die volstrekt onbekend zijn bij het publiek (ik zal over de literaire De Kom hier zwijgen, omdat ik daarover volgende week op het colloqium over Anton de Kom zal spreken). Als ik al die nieuwe feiten heb gelezen, blijf ik alleen nog achter met de levensgrote vraag: hoe is het mogelijk dat er van zo’n belangrijke en spraakmakende Surinamer niet al veel eerder een biografie is verschenen?

Alice en Rob: ongetwijfeld zijn jullie met een verbijsterend grote mate aan naïviteit aan de biografie van De Kom begonnen. Het levensverhaal van Anton de Kom is een tragisch levensverhaal dat zich niet eenvoudig laat reconstrueren. In het tweede deel van het boek doen jullie dan uitvoerig uit de doeken hoe met de geestelijke erfenis van De Kom is gesold, met misschien wel als diepste van de vele dieptepunten de manier waarop de leiding van de Surinaamse universiteit (en hun handlangers in Nederland) in de jaren ’80 meende dat het intellectuele debat het beste gevoerd kon, te weten door mensen de mond te snoeren. Misschien hebben biografen van De Kom ook wel een zekere mate van ‘onschuld’ nodig om de klus te klaren. Rob heeft mij wel eens iets onthuld over de oorsprong van wat ik hier de ‘onschuld’ noem: hij was aan het einde van de jaren ’60 een enthousiast deelnemer aan de Kabouterbeweging, en het pleit natuurlijk voor hem dat hij altijd zorgvuldig is blijven waken over zijn imago van flink uit de kluiten gewassen tuinkabouter.

Maar hoe elegant en toch ferm jullie met eerdere scribenten in discussie gaan, en hoe overtuigend jullie ook aantonen dat De Kom geen vakbondsman was, niet uit een verpauperd milieu kwam enz. enz., over tien of twintig jaar zal er toch weer iemand komen aanzetten met de oude, vergeelde etiketten met hun afgebrokkelde lijm. Dat is niet jullie verantwoording. Jullie hebben naar best vermogen gedaan wat jullie konden. Aan jullie als biografen zal er altijd maar één groot nadeel blijven kleven en dat is dat jullie bakra’s zijn. Daaronder zul je de rest van je dagen gebukt moeten gaan.

Of ik nog verder gezocht heb naar mijn naam in het boek, na het eerste démasqué? Wel, mijn naam komt ook nog verderop in de biografie voor, ook daar heet mijn Surinaamse literatuurgeschiedenis nog altijd ‘gezaghebbend’, ook al hebben jullie dan al flink aan mijn stoel geknaagd. Maar zo is de gang van de geschiedschrijving, die altijd door verdere research zal worden bijgesteld. Dat lot wacht ook jullie boek. Maar voor dit moment aarzel ik niet om jullie biografie aan te duiden met het enige woord dat ik ervoor kan bedenken: ‘gezaghebbend’.


Foto's MvK; rechtsboven: Alice Boots; links: Rob Woortman.
Foto rechtsonder: overhandiging aan de Universiteit van Amsterdam
van een deel van het teruggevonden archief van De Kom,
in aanwezigheid van Ad en Judith de Kom
Foto @ Kirsten Dorrestijn

Biografie De Kom in Paramaribo

De kersverse biografie van Anton de Kom wordt a.s. dinsdag in Paramaribo ten doop gehouden, nadat het eerste exemplaar al in Amsterdam op 1 november bij de Vereniging Ons Suriname was aangeboden aan De Koms enige dochter, Judith de Kom. Daarbij zal ook een exemplaar van het gedigitaliseerde archief van De Kom worden aangeboden aan een vertegenwoordiger van het Surinaams Nationaal Archief.

Alice Boots en Rob Woortman hebben na uitgebreid onderzoek in de archieven en gesprekken met de nazaten van De Kom, zijn levensverhaal gereconstrueerd. In Anton de Kom vertellen zij over zijn jeugd in Paramaribo, zijn vertrek naar Nederland en over Wij slaven van Suriname, het boek dat hij schreef als aanklacht tegen het Nederlandse kolonialisme.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog belandde De Kom in het verzet en hij zou vlak voor de bevrijding overlijden in het Duitse concentratiekamp Sandbostel.

De Koms gedachtegoed over Suriname en de geschiedenis van de slavernij is nog steeds actueel en ook dat wordt nu verteld in deze boeiende biografie.

Datum: dinsdag 17 vovember 2009
Plaats: Zus&Zo, Grote Combeweg, t/o de Palmentuin

Programma

· 19.30 uur: Inloop
· 20.00 uur: Aanvang
· Welkom
· Inleiding drs E Jagdew
· Nina Jurna in gesprek met de auteurs van de biografie, Alice Boots en Rob Woortman
· Muzikaal intermezzo
· Overhandiging van het archief aan de minister van Binnenlandse Zaken
· Woord Cees de Kom, zoon van Anton de Kom
· Boeksignering door de auteurs.

zaterdag 14 november 2009

Nieuw boek van Gert Oostindie

Gert Oostindie, hoogleraar Caraïbische Geschiedenis in Leiden en onlangs nog uitvoerig gelauwerd door Sandew Hira voor de wijze waarop hij de geschiedenis van het Caraïbisch gebied op een objectiveerbaar wetenschappelijk niveau heeft weten te brengen, komt binnenkort uit met een nieuw boek: Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen. De aanbieding van het eerste exemplaar vindt plaats in het gebouw van de KNAW in Amsterdam, het Trippenhuis, op dinsdag 1 december a.s. van 15-17:30 uur.

Programma

15:00
Welkom namens KNAW (en NWO) door Pearl Dykstra, hoogleraar sociologie Erasmus Universiteit Rotterdam en dagvoorzitter
Welkom door Mai Spijkers, directeur uitgeverij Prometheus/Bert Bakker

15:15 drie korte lezingen
Gert Oostindie, directeur KITLV-KNAW, hoogleraar geschiedenis UL, programmaleider
Ruben Gowricharn, hoogleraar sociologie Univ Tilburg
Paul Scheffer, publicist en hoogleraar grootstedelijke problematiek UvA

16:00 rondetafelgesprek over het boek van Gert Oostindie, Postkoloniaal Nederland. Vijfenzestig jaar vergeten, herdenken, verdringen,

met
Eddy Campbell, voorzitter Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden
Glenn Helberg, voorzitter Overlegorgaan Caraïbische Nederlanders
Wim Manuhutu, voormalig directeur Moluks Museum
Marjan Schwegman, directeur Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie
Edy Seriese, directeur Indisch Wetenschappelijke Instituut

17:00 aanbieding eerste exemplaren Postkoloniaal Nederland, alsmede de eerder verschenen studies van Lizzy van Leeuwen, Ons Indisch erfgoed en Ulbe Bosma, Terug uit de koloniën, aan Robbert Dijkgraaf, president van de KNAW

17.15 Afsluiting

Toegang uitsluitend na aanmelding via:
jolanda.pel@bureau.knaw.nl of 020 551 0859
Trippenhuis, Kloveniersburgwal 29
1011 JV Amsterdam
www.knaw.nl

Lasana Sekou’s Caribbean poetry in Turkey

St. Martin author Lasana M. Sekou was invited by the Istanbul Tanpınar Literature Festival (ITEF), (Oct 31-Nov 3), and the Winternachten Hague International Literary Festival for what amounted to a literary tour of two cities in Turkey, said Jacqueline Sample of House of Nehesi Publishers (HNP).

“Lasana Sekou’s poetry on cultural identity in the Caribbean was welcomed by the public,” said Ton van de Langkruis, director of Winternachten, a partner of the second festival in the 7000-year-old city of Diyarbakir. During his recitals, Turkish translations of the Caribbean author’s poetry and short story selection were projected on screen for the audiences to read. The ITEF, with its theme of “City & Time,” was the first literary conference for the legendary city of Istanbul, according to festival coordinator Nermin Mollaoglu. Sekou recited his poetry and fiction, sat on panels and discussed St. Martin and Caribbean culture, history and politics at Kaktus literary cafe, Mavikum Bookstore and Okan University. He was one of 10 writers and one film producer that participated in a closed-door writers meeting at the Dutch Consulate General in Istanbul, said Sample. The intensive day-long meeting was hosted by Consul General Onno Kervers in the consulate’s palace building and organized by Winternachten. The visiting authors coordinated by Winternachten were Sekou, Frank Westerman (Netherlands), Abdelhey Moudden (Morocco), and Diana Ferrus (South Africa).

Among the Turkish writers at the meeting were Gunduz Vassaf (moderator), Karin Karakaslı of Armenian descent, and Ragıp Zarakolu, who is also a publisher, human rights activist, and former political prisoner, said Sekou. Van de Langkruis and Winternachten editor Muzaffer Gulsen sat in on the writers meeting.

Sekou was the only Caribbean author among the 90 writers from 33 countries at the ITEF. The festival ran concurrently with the city’s book fair, both on the eve of the cultural and tourism bash planned for Istanbul as the EU designated European Capital of Culture in 2010.
The second leg of the literary tour was the International Literature Days (ILD), (Nov 5-7), in Diyarbakir. The Winternachten-Diyarbakir “rendezvous” included Turkish writers and intellectuals mostly from this Kurdish region along with Sekou, Westerman, Moudden, and Ferrus. All of the visiting authors read from their works in their native language.

In a city that is not without recent historical turbulence and through which the biblical Tigris flows, evidence of the some seven civilizations that once ruled the city are still visible in the faces and customs of the people; and by viewing the historic buildings, especially the magnificent city walls linked by 82 black basalt towers, said Sekou.

At the Diyarbakir Anatolian High School recital, students practiced their English by reading aloud from “The Wake,” a WWI-period St. Martin story in Sekou’s book Brotherhood of The Spurs. A copy of Sekou’s critically reviewed The Salt Reaper was presented to English teacher Mustafa Yalcin for the English language collection of the school’s library, said Sample. Both books were published by HNP.

An ILD high point, said Sekou, was the Nov 7 launch and reading in Kurdish from the first Kurdish novel The Kurdish Shepherd by Ereb Semo – now re-published in Turkey for a second time since it first appeared in Yerevan in 1935.

Sekou was particularly impressed during a city tour and at the ILD closing ceremony with the dengbêj singers. “It was a cultural honor to meet and hear these men and women who are the ‘houses’ of hundreds of dengbêj songs, passed down from generation to generation,” said Sekou.
“The dengbêj, a lyrical storytelling form of Turkey, is considered an essential part of Kurdish language, culture and history,” said Sekou. In 2002, the Turkish government lifted its ban on Kurdish-language education and media.


Photo Caption: St. Martin author Lasana Sekou (2nd from R)
pose with Kurdish masters of the dengbêj in the ancient city
of Diyarbakir, Turkey (11/7/09). (Ton van de Langkruis photo).

Surinoemer 7

Op woensdag 11 november 2009 is het zevende nummer verschenen van de Surinoemer, met interviews met duizendpoot Alida Neslo en Roberto Tjon A Meeuw die met zijn gezin drie maanden bij het Rotterdamse kunstenaarsinitiatief B.a.d te gast was. Verder bijdragen van Karin Lachmising, Karel Doing en de centerfold van Risk Hazekamp.

Voor de lezers in Suriname liggen gratis Surinoemer-exemplaren bij het Instituut voor de Opleiding van Leraren, NAKS, de Nola Hatterman Art Academy, Tori Oso, de Academie voor Hoger Kunst en Cultuur Onderwijs en bij boekhandel Varekamp. Lezers van elders kunnen de digitale versie van de laatste editie als pdf-bestand (5,8Mb) van de Surinoemer website downloaden, klik hier

Op de afbeelding: Alida Neslo

… dat ik in welke vorm ook, BLIJF!

Het blijkt steeds weer een zegening een goede en meevoelende broer in Nederland te hebben die je zo nu en dan een verrassing bezorgd. Hem had ik gevraagd mij de laatste druk van Wij slaven van Suriname en de biografie van Anton de Kom toe te sturen, en dan vindt hij altijd nog ‘n paar aardigheidjes die hij er eigener beweging aan toevoegt. Ditmaal was dat een interessant exemplaar van Bzzlletin, # 143, De Caraïbische Verbeelding aan de Macht, alsmede Het Vlas en de Beuk (een ware fabel) van Albert Helman, een uitgave van Bührmann-Ubbens Papier B.V., Zutphen 1986. Over deze laatste uitgave wil ik het hier hebben.


Mij was niet bekend –en ongetwijfeld velen met mij niet– dat Helman kennelijk niet afkerig was van een commercieel project als het onderhavige en er ook de tijd voor inruimde. Het is een fabel in dichtvorm over de geschiedenis van papier & druk, verwoord door “het golvend Vlas” en “de oude Beuk”.

De verzen, om de beurt zesvoetig en vijfvoetig,
die ik in jamben schreef, zijn uit de mode.
Desalniettemin deed ik net waar ik zin in had,
als altijd tegendraads, maar ‘t nog niet zat.


Na de geschiedenis van papier en druk komt welhaast als vanzelfsprekend de (maatschappij)kritiek:

Wat wordt het niet vermorst door al die ambtenaren,
die alles controleren, àl te vrij;
op formulieren zo verzotte burocraten,
parasiterend op de maatschappij.
Wat zij verbruiken, neemt met elk nieuw ministerie haast logaritmisch toe, en ‘t blijft malaise.
Het kneuterig kiesvolk dat miljoenen stembiljetten,
door politiek gezwam belazerd, invult,
verdoet zo tonnen scheurpapier. Want na de uitslag,
maakt een “partij” uit, wat van háár belang is,
terwijl de burger staan blijft met zijn mond vol tanden,
vergeten, zonder inspraak waar dan ook.

In massa’s overstelpt papier “de grote massa”
– al gaat toch soms een fabrikant failliet –
als, ongeleid door ongecultiveerde “leiders”,
zij “letteren” graast op een beïnkte wei
waar zoveel tijd besteed wordt om die te “passéren”
met lullige lectuur en onnut leesvoer.
Die lieden lijkt iets zinnigs lezen hoogst gevaarlijk;
zij zijn onzeker of het niet een vloek laat
in plaats van zegening. Vandaar ‘t “Den lezer heil!”
waarmee zo menig “Voorbericht” begint.
Het ordinairste wat door ‘t mensdom circuleert,
heeft met papier van doen. ‘t Is erg, maar waar.



Maar ook van de eindigheid van papier was Helman zich bewust:

De laatste i waar nog een puntje op moet gezet,
is, dat wij in ‘t “Papieren Tijdperk” leven,
terwijl een kind al merkt dat dit het tijdvak is
van Plastic, – zie teevee’s en films en floppies!
Ook pasjes, passepartouts en credit-cards
drukt men dààrmee, niet langer op papier.
Wat “paperassen” heette, draagt men met zich mee
in plastic hoezen, geplastificeerd.
‘t Wordt ook benard voor al die oude en nieuwe boeken,
die men op microfilm fotografeert, –
als rol, net als ten tijde der antieke schrijvers,
maar uiterst klein, geborgen in een kluis.


Nochtans was Helman niet bang voor eigen ondergang:

Het COLOPHON hiervoor kan ik helaas niet schrijven.
onwetend wat er met dit werk gebeurt.
Of ‘t wordt gedrukt? Wanneer? Door wie? Op welk papier?
Dit alles ligt nog op de knie der goden,
Maar mijn bestemming is: toch steeds te moeten schrijven, –
en publiceren is een andere zaak.
De Beuk heeft mij geleerd: mijn roeping stil te volgen;
het Vlas: dat ik in welke vorm ook, BLIJF!

vrijdag 13 november 2009

Waar is Olivier?

Diana Lebacs heeft een nieuw jeugdboek uitgebracht in het Nederlands en Papiaments Waar is Olivier?/Unda Olivier ta?, en verhaal dat zich afspeelt op Aruba. Het boek werd gedoopt tijdens de feestelijke opening en receptie, onderdeel Book Launching, van de internationale conferentie van de Association for Building Capacity and Educational Leadership (Curaçao ASCD) waarvan Lebacs dit jaar voorzitter is. Het thema van de conferentie was: ‘Gezonde Scholen-Gezonde Gemeenschap; voor het Succes van elke Lerende.’ Peettante van het boek is de Gedeputeerde van Onderwijs, mevrouw Marilyn Alcalá-Wallé, peetoom dr. Krishna Henk Panday, Grand Marshall of the Sovereign Medical Order of the Knights Hospitaller. Doper is Inpector-General, de heer Paul de Rooy van het ministerie van Onderwijs (foto links).

Ook is het boek op de tweede dag van de conferentie aangeboden aan de Gedeputeerde van Gezondheid, de heer Humphrey Davelaar (foto rechtsonder).

Waar is Olivier?/Unda Olivier ta? Tweetalige uitgave in full colour.
Uitgeverij: Fundashon Sembra Buki (Curaçao)
Uitgeefster: Nel Casimiri.
Leeftijd: 8-11 jaar.

Volgend jaar mei brengt Diana Lebacs een nieuwe jeugdroman uit, die zal worden gepresenteerd in Amsterdam. Intussen werkt zij ook stug door aan een nieuwe roman voor volwassenen.

Stapels helderblauwe boeken

door Giselle Ecury

Achteraf bleek, dat het om optimisme (zo niet om jeugdige overmoed) vraagt in Bergen NH je boek ten doop te houden aan het begin van "De Kunsttiendaagse". De openingsceremonie van dit evenement, waarin een klein dorp groot kan zijn, heeft meestal plaats op de donderdagavond. Echter niet dit jaar. In 2009 had men de festiviteiten bedacht voor de vrijdagavond, 16 oktober. Laat dit nu juist de datum zijn, die werd uitgekozen om Glas in lood te presenteren, het derde boek van Giselle Ecury.

En zodra zij hierachter kwam, werd ze wat bleek om de neus. Er waren ook al heel wat afzeggingen: griepgevallen, herfstvakantievierders. De opkomst zou wel eens tegen kunnen vallen. Dat zou jammer zijn voor zowel de uitgever als de eigenaar van de boekhandel, die zo gastvrij was zijn zaak ter beschikking te stellen voor een auteur uit eigen gemeente.
Om half acht was het inderdaad angstaanjagend stil in de helverlichte zaak, waar de glazen en flessen wijn al klaar stonden. Een toevallige passant had opgemerkt dat het in de plaatselijke Ruïnekerk bomvol was. Op de signeertafel lagen diverse - wellicht te veel - stapels van de helderblauwe boeken: Glas in lood. De tijd kroop.

De eerste belangstellenden druppelden binnen, nog te tellen op de vingers van één hand. De fotograaf van de portretfoto op het boekomslag was er opeens, met vrouw en kind. Zij gaven zonnebloemen, hij hield meteen zijn camera in de aanslag. Had deze Ernest Selleger als deelnemend kunstenaar niet in die bomvolle kerk moeten zitten? Hij bleef de hele avond in de boekhandel. Met dat fototoestel van hem op actief. Het leek wel een bruiloft, waar de schrijfster dan a.h.w. de bruid was, nauwlettend in de lens genomen. Giselle - goed in de bloemen - met allerlei mensen, signerend, pratend en vooral breed lachend en verre van pips. Wat een feest! Waar kwam iedereen vandaan? Vrienden van verre, van dichtbij, vrienden van vrienden. Ze waren er. Belangstellenden, dorpsgenoten, collega schrijvers, zoals Henk ten Berge, Theo Olthuis, Frits David Zeiler, en de vertegenwoordigers van Eric Abbas, die zelf niet kon komen. Olga Orman. Nóg meer leden van Simia Literario fleurden de avond op. Maar ook mensen uit de tijd dat de auteur nog fitnessinstructeur was. Geen plekje in de boekhandel was onbezet. Het was gewoon - het is even niet anders: bomvol.

Om kwart over acht werd de avond geopend door uitgever Franc Knipscheer, die de schrijfster lovend toesprak. Daarna kreeg zij het woord. Een feestelijk ingepakt exemplaar werd overhandigd aan Annemiek Paping, journalist van dagblad De Telegraaf, maar inmiddels ook: vriendin van de schrijfster. En "vriendschap" is een van de thema's uit het boek, waarom het deze avond draaide.
Uit Annemieks toespraak bleek haar journalistieke vaardigheid. Daarna ontving ook Marlou Min als meelezer van het manuscript een exemplaar van Glas in lood.
Even stonden zij op rij. Toeval? Drie vrouwen van exact hetzelfde bouwjaar. Had de tijd voor hen soms al die jaren al gekropen? Alle drie met een schoolverleden aan de Loudelsweg in Bergen, waren zij nu weer even verenigd in het dorp. Optimistisch, niet vies van een tikje jeugdige overmoed. De stapels helderblauwe boeken waren per slot aardig weggewerkt.

Foto: @ Jouke Minkema