zaterdag 29 augustus 2009

Prof. Bert Paasman speelt prof. Bert Paasman

Bert Paasman, Nederlands eerste hoogleraar koloniale en postkoloniale literatuur, speelt toneel op de Tweede Caraïbische Letterendag, a.s. zaterdag 5 september in de grote zaal van de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Hij speelt de rol van… prof. dr Bert Paasman. De hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam – inmiddels emeritus – treedt op in Voor de harten van het licht. De teksten van het stuk zijn geschreven door Michiel van Kempen met fragmenten uit het werk van Edgar Cairo. Voor de harten van het licht is een theatrale presentatie rond het werk van Edgar Cairo. Het gedachtegoed en de levensgang van de grote Surinaamse schrijver worden in het stuk tot leven gebracht. Andere medespelers zijn nog drie hoogleraren: Ena Jansen (hoogleraar Zuid-Afrikaanse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam), Pamela Pattynama (die Paasman opvolgde, zij het met als bijzondere onderzoeksveld de Indische letteren) en Michiel van Kempen (nu aan de Universiteit van Amsterdam belast met de West-Indische Letteren: Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba). De belangrijkste rol echter wordt gespeeld door een professionele acteur: Felix Burleson zet Edgar Cairo op de planken.

Of Burleson de meeste zenuwen zal hebben, moet worden afgewacht. Interessant is wel dat Bert Paasman zelf Edgar Cairo van zeer nabij heeft meegemaakt, toen Cairo in de jaren ’70 student was aan het Instituut voor Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam. Het waren ervaringen om nooit te vergeten, vooral niet toen Edgar Cairo enkele jaren later in Paasman de baarlijke duivel – didibri srefi! – meende te herkennen. Dus, wie ook de bibberaties krijgt…




Boeren, burgers en buitenlui: gaat dat zien!
Plaats: grote zaal van de Openbare Bibliotheek Amsterdam
Oosterdokskade (naast het centraal Station), Amsterdam
Aanvang: 19.00 uur
Toegang: 10 euro (of met Stadspas enz. 7,50)

Het hele programma (met o.m. Abdelkader Benali, Rappa, Noraly Beyer, Ellen Ombre, muziek van Sky Dive enz. enz.) is te zien door hier te klikken.

De smaak van het Vrije Suriname

Op de tweede Caraïbische Letterendag, zaterdag 5 september a.s. om 19.00 in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam, komt Lydia Emanuels (foto rechts) vertellen over de totstandkoming van het hoorspel De smaak van Sranan Libre van Edgar Cairo. In 2007 schreef Sam Jones op de site van Radio Nederland Wereldomroep het navolgende over de heruitzending van het hoorspel, 25 jaar nadat het geschreven werd.

Foto: @ Sam Jones Productions

Prentenboek van Olga Orman & Wendela de Vries

Op zondag 4 oktober 2009 wordt een nieuw prentenboek ten doop gehouden in het Papiaments, Engels en Nederlands: Michi. De tekst van schrijfster en dichteres Olga Orman, de prenten zijn van kunstenares Wendela de Vries




V.l.n.r. Olga Orman, Wendela de Vries en uitgeefster Alida Kock

Olga Orman is op Aruba geboren en woont in Nederland. Tijdens haar werk in het onderwijs in Amsterdam ontmoette ze kinderen uit diverse culturen met de prachtigste namen. Het willetje van haar eigenwijze eerste kleinkind Eva, bracht haar op het idee om samen met Wendela de Vries dit prentenboek Michi te maken. Olga heeft ook twee verhalen over de spin Anansi geschreven: in 1996 Hoe Anansi de ogen van de koning opende en in 1998 Hoe Anansi het Tumbafestival won.

Wendela de Vries, opgegroeid in Suriname en op Bonaire, wist als kind al dat ze tekenares wilde worden. Op de kunstacademie in Kampen koos zij voor de richting ‘vrije grafiek’. Later ontwikkelde ze een eigen techniek: in inkt getekende mensfiguren die aangekleed en omlijst zijn met allerlei stukjes oud en nieuw behang. Inspiratie krijgt ze van het gedrag van mensen en kinderen, dieren, bomen, bloemen en vruchten. Michi, het lieve, soms stoute maar altijd ondernemende peutertje, is de tropische vrucht van de hechte samenwerking met Olga Orman.

Plaats: Openbare Bibliotheek Amsterdam
Oosterdokskade 143, Annie M. G. Schmidt-theater
Aanvang: 15.00 uur.

Deze presentatie vindt plaats in samenwerking met de OBA en de werkgroep Caraïbische Letteren.

Jonge volken

In het onuitgegeven manuscript On(aan)gepastheden, noteerde Albert Helman op Curaçao in 1988 onder het kopje 'Jonge volken' dit aforisme:

Gemis aan historisch besef wijst op gebrek aan zelfrespect.

.

donderdag 27 augustus 2009

Bigi yari Eddy Pinas, minor poet

Op 10 september wordt Eddy Pinas 70, bigi yari! Niet een dichter met een groot oeuvre, maar een minor poet: weinig geschreven en toch belangrijk. Een feestrede.



Het hele gepubliceerde werk van Eddy Pinas is zelfs voor een lang­za­me lezer in minder dan een half uur te lezen. Het omvat twee dicht­­bundeltjes, een verhaal en een handvol verspreide gedichten. Pi­nas behoort niet tot de categorie charlatans die hun geluk beproe­ven door een bundeltje op de markt te brengen en die vervol­gens verdwij­nen bij gebrek aan succes, en voor­al: bij gebrek aan een bood­schap en het talent om een bood­schap vormt te geven. Hij be­hoort even­min tot de categorie schreeuwers, zij die het liefst op­treden in zalen met een slechte akoestiek zodat het publiek niet hoort wat zij nu in feite zeggen, en die zichzelf aanprijzen als de grootste schrijver wan­neer zij met veel tam‑tam hun nieuwe boek aan­kon­digen. Dan is er de categorie (soms al te) bescheiden, maar meestal sympathieke dichters die schrijven omdat dat in hun wezen besloten ligt. Het zijn de perfectionisten, zij die 's avonds laat dezelfde beduimelde velletjes weer oppakken en voor de zoveelste keer een woordje doorstrepen en er een ander voor in de plaats zet­ten omdat zij niet tevreden zijn met de al door anderen gebruikte woorden. Het zijn de stillen, zij die aan de mouw getrokken moeten worden, hé, heb je nog iets?, en ja, in stilte hebben zij iets ge­wrocht dat de moeite waard is. Eddy Pinas behoort tot deze laatste ca­tegorie.

De eerste keer dat Eddy Pinas van zich liet horen, liet hij niet van zich horen. Want zijn eerste bundeltje verscheen onder een schuil­­naam. In 1973, in het heetst van de februa­ri­staking, kwam een bundeltje uit onder de titel Krawasi. Voorzover verzets­poëzie klas­siek kan zijn, was dit een klassiek uitgaafje: gestencild, slordig afgesneden, een om­slag­je met een snel geschetste tekening, twee niet­jes erdoor geramd en het bundel­tje is klaar om in de zakken van de revolutio­nairen gefrom­meld te worden. De schrijver noemt zich Fa­celess X, want, zoals hij in het voorwoord zegt, `ik heb name­lijk geen naam' en `indien ik een gezicht bezat zou ik het nu moe­ten verber­gen uit schaamte'. Een curieus bun­deltje, dit Krawasi. In de open­bare biblio­theken zal de lezer er tevergeefs naar zoeken. Wie er nog een exem­plaar van bezit, kan er maar beter zuinig op zijn. Niet omdat elk ge­dicht nu van zo'n bijzondere kwaliteit is - verre van. Tenslotte is het poëzie heet van de naald, de woorden zijn in een woeste bewe­ging op het papier gesmeten, nuan­ceringen passen niet in deze context: Bespaar ons hen/roei ze uit/tot aan de kiem/plet ze de teelballen en/bespaar ons/hun nageslacht/zo die reeds/ontstaan mocht zijn/naar de pletterij ermee. Waar `die' staat, had `dat' moeten staan, maar deze poëzie is niet bestemd voor filo­lo­gen. Waar­om men dan toch zuinig moet zijn op dit bundeltje, is om­dat het 't po­ziedebuut van Eddy Pinas was, die zijn eigen poë­zie­ge­zicht eerst twee jaar later zou laten zien.

Dit gedicht uit Krawasi, geschreven twee dagen voor het bundeltje uit­kwam, wijst al vooruit naar de stijl van de poëzie uit Pinas' la­te­re bundel.

Testament van een bedelaar




stoep Kirpalani 9 februari 1973


Dit is mijn laatste wilsbeschikking:
mijn slaapplaats ‑ onder het balkon ‑
laat ik na aan oom Hendrik
thans wonend in L.W.G.
met 4 man in een
kamer 3 x 3
de inhoud van mijn plunjezak ‑
1 broek, 2 borstrokken, 1 jas, 1 mok,
1 kam (nieuw), een partij
sigaretten eindjes,
7 dagbladen (februari 1969),
1 geërfde aansteker ‑ zult gij
delen onder de stoepbewoners
mijn wandelstok (Tamarindehout) gaat
naar de politie
mijn beurs ‑ exclusief 10 % pensioenpremie ‑
te delen onder eventuele
weduwen uit de strijd
mijn eergevoel
laat ik na aan de
regering van Suriname.

In het voor de Surinaamse literatuur uiterst lucratieve jaar 1975 verschijnt dan onder Eddy Pinas' eigen naam het bij de Saraswati Press gedrukte bundeltje Te koop wegens vertrek, een cynische titel ge­zien de grote stroom emigranten die Zanderij in die tijd verlaten richting Schiphol. De thuisblijvers in Suriname zijn nooit mals ge­weest over de wegtrekkers, maar Eddy Pinas is een van de weini­gen die er literair vorm aan heeft gegeven. In een gedicht uit de nooit verschenen bundel Mi pasri, opgenomen in Te koop wegens ver­trek, luidt het:

met verkleumde teelballen
verlaten ze hun
kille vlieringen in Amsterdam

uit stijfbevroren kelen
schreeuwen zij leuzen (in Amsterdam)
langsheen hun jachtige ademhaling

in hun witte knoken torsen zij voort
tegenin windkracht acht
protestbordjes

nationalisme noemen ze dat
volk van Suriname
saluut voor uw helden overzee

Eddy Pinas selecteert een aantal elementen uit de werkelijk­heid, veel­al nogal scherp gemarkeerd taalgebruik zoals flarden uit de han­delswereld en staande uitdrukkingen, en rangschikt die tot een ge­heel dat ergens in het grensgebied van ironie en sarcasme gesitu­eerd kan worden. In het bo­venstaande gedicht grijpt de observatie nog di­rect in via zijn subjectieve weer­gave, met name in de bij­voeg­lijke naam­­woorden, pregnant naar voren komend. Maar, net als in `Tes­ta­ment van een bedelaar' verschuilt de observator zich in het vol­gende gedicht achter de compositie van een aantal elementen uit de al­ledaagse werkelijkheid, `ready mades' om met Marcel Duchamp te spreken.

Synthetische Nederlander

importprodukt uit de west
invoerrechten vrij
statistiekrecht en KLM verplicht
handelbaar exclusief BTW
copyright
Den Haag
1863
wandelende synthetische ik
in 1954
te Paramaribo (of elders)
gefabriceerd in licentie
binnenkort
importbeperking ‑ of verbod ‑
te verwachten

Ironie is sowieso niet royaal vertegenwoordigd in de Sranan lette­ren, maar de vorm die Pinas er aan heeft gegeven, lijkt me uniek.

We moeten ons echter niet vergissen in het uitgangspunt van de­ze poëzie. Het is niet een vrijblijvend schimpen dat de dichter be­weegt. Er is een fundamentele bezorgdheid om wat de toekomst zal brengen (ook dat is opvallend in het jaar 1975 dat zoveel ge­dichten voort­bracht van optimisti­sche strekking, het een al holler dan het an­dere). In de `Synthetische Neder­lander' schetst Pinas een beeld van de Surinamer die alle elementen in zich verenigt waarte­gen Su­ri­na­mers in zichzelf hebben te vechten: kolonialisme, kunst­ma­tig­heid, gebrek aan eigenheid en aan zelferkenning. De poëzie is een mid­del om het karakterloze beeld scherp te stellen. Pinas is niet de ar­ro­gante ziener die zich boven het neokoloniaal Suriname ge­spuis stelt; hij weet dat sommige zaken altijd op de loer liggen, zoal niet altijd in ons aanwe­zig zijn en hij vreest de dag dat de balans op­ge­maakt zal wor­den: `Ik heb angst/angst voor de dag/­waarop ik voor hen/te­recht zal staan/­mijn kinderen' enzo­voort. Het is ditzelfde be­sef dat de dichter de afsluiting van het gedicht `Oom Krisjan' in­ge­ge­ven moet hebben. Dit gedicht is misschien het beste uit Te koop wegens vertrek, concreet, maar met een wijde strek­king, een aan­klacht tegen de kolonisering van lichaam en geest, een de­monstra­tie van hoe enga­gement en sensitiviteit kunnen samengaan. In de laatste re­gels is het ook een erken­ning van de eigen onmacht, de eigen laf­heid en in die erken­ning is het een moedig gedicht:

Oom Krisjan

naast het paard waarop
hij wedde sprak hij
met de walm van kokolanpu
in zijn adem
over Topibo
nu onterfd
geschonken aan imperialisten
zijn geest was reeds eerder
als exportprodukt geladen
in ijzergebuikte reuzen
zijn bezit ‑ voorzover hij
mocht bezitten ‑ werd versmolten
tot vliegtuigen voor Vietnam
zijn handen betekenden arbeid
voor hen
zijn hart bauxiet
zijn teelballen aluinaarde
geen aanklacht was het
slechts weemoed
en ik sloop weg




[De gehele tekst van Te koop wegens vertrek is hier on line te raadplegen.]

Duizendste boek uitgeverij Van Oorschot

Over twee dagen, op 29 augustus, brengt uitgeverij G.A. van Oorschot zijn duizendste uitgave op de markt. De uitgeverij is vooral bekend geworden met zijn Russische bibliotheek en met vroege uitgaven van belangrijke Nederlandse schrijvers van na de oorlog als Willem Frederik Hermans en Gerard Reve. Behalve het werk van Rudie van Lier heeft de uitgeverij geen schrijvers uit de West gepubliceerd. Wel stelde Hugo Pos op uitnodiging van Geert van Oorschot in 1973 een nummer samen van het tijdschrift Tirade over de nog tamelijk jonge Surinaamse literatuur. Het werd, zoals te verwachten was, een gevecht tussen de altijd met de vuist op de kassa opererende uitgever Van Oorschot en de legendarisch pinnige Hugo Pos, die meer geld wilde zien. Het prachtnummer kwam er overigens wel.

Uitgeverij Van Oorschot: gefeliciteerd!

Eerste Pravasi Bharatiya Divas conferentie in Nederland

Wij ontvingen dit bericht via het Sarnamihuis in Den Haag:

We are delighted to invite you to participate in the Pravasi Bharatiya Divas - Europe, to be held on Saturday, September 19th, 2009 at the World Forum in The Hague, The Netherlands. The basic objective of this important event is to bring together Indian Diaspora in Europe on a common platform, promote contacts and interaction among them and to strengthen their bonds and engagement with India. A large number of NRIs/PIOs from all parts of Europe are expected to participate in this land mark event.


The themes of the PBD Europe are “Rising India and the Role of Indian Diaspora” and “Cultural Challenges & Opportunities for the Indian Diaspora”. Distinguished speakers from Europe and India will speak on these themes. Further details about the event, its organizers, the detailed programme, including the names of the speakers can be found on our website http://www.pbdeurope.org/.


The participation in the PBD Europe is open to the NRIs and PIOs and others interested in India. There is a nominal participation fee of €50 per person. Students holding valid identity card will receive 50% discount. The participation fee will cover conference material, lunch, dinner and cultural program. Due to limited capacity, the seats will be allocated on first-come, first-served basis.Could you please confirm your participation by registering online? If you have any questions or comments please feel free to contact us.

We look forward to welcome you on the 19th of September in The Hague.Cordial greetings,The Organizing Committee PBD Europe
Oedith Jaharia
Ram L. Lakhina
Badri N. Madan Rajen Ramnath
Jasbir Singh Rajindre Tewari

Meer informatie klik hier

Eerste vruchten Schrijversvakschool Paramaribo

De eerste lichting van de Schrijversvakschool Paramaribo heeft afgelopen week haar overgangscertificaat in ontvangst genomen. Zeven gelukkige eerstejaarsstudenten mogen zich voorbereiden op een uitdagend tweede jaar zoals directeur Ruth San A Jong het verwoordde in haar speech tijdens de uitreiking. Het eerste jaar bestond voornamelijk uit schrijftraining in proza, poëzie en essay schrijven, ondersteund door de bijvakken literaire tekstanalyse, Sranan en Nederlandse spelling en columns schrijven. De inspirerende lessen werden verzorgd door schrijvers en docenten van Surinaamse, Nederlandse en Vlaamse bodem.


Karin Lachmising (r.) ontvangt haar diploma uit handen van directeur Ruth San A Jong

In blokken van één, twee en in één geval drie keer per week, kwamen de studenten bij elkaar om drie uren lang hun schrijftalent te toetsen, bij te schaven en te ontwikkelen. Het was intensief maar het resultaat is ernaar, daar waren alle studenten en docenten het over eens. Behalve het individueel werk kwam er ook nog groepswerk tot stand zoals het groepsgedicht onder leiding van dichter en voordrachtskunstenaar, Celestine Raalte en een essay over ‘Je eigen naam’ onder leiding van de essayist en schrijfdocent van de schrijversvakschool Amsterdam, Louis Stiller.

De Stichting Schrijversvakschool Paramaribo is opgericht op 27 augustus 2008 met het doel het creatief en literatuur schrijven in Suriname te bevorderen. Op 10 oktober 2008 startte de vierjarige schrijversvakopleiding met negen studenten. De school wil met deze opleiding een goed en kritisch fundament leggen voor het kunstvakonderwijs en in het bijzonder voor het creatief en literair schrijven. “Wij willen schrijvers opleiden voor een groter dan het Surinaams publiek”, zegt San A Jong. Voor de studenten van het eerste jaar is het duidelijk dat het om een uitdagende studie gaat en tevens de bedoeling je eigen techniek te vinden en om de ‘taal van het hart’ te vertalen op papier. San A Jong benadrukte de intensiteit van het tweede jaar. “Dit wordt het jaar van verdieping en zal de studenten voorbereiden op de keuze poezie, proza, essay, scenario of toneelschrijven. De voorzitter van de schrijversvakschool, Marisa Pieplenbosch bedankte de studenten voor het vertrouwen en ontvankelijkheid van de studenten in de opleiding.

[Bericht van De Ware Tijd]

dinsdag 25 augustus 2009

Natiecreatie

Natiecreatie. Ik houd van het woord. Van de open vocalen, de speelse opeenstapeling van lettergrepen en het rijm van de zelfstandige naamwoorden waaruit het begrip is opgebouwd. In het Nederlandse woord komen de welluidende klanken nog beter tot hun recht dan in het Engelse equivalent.

Ook de associaties die het begrip omgeven, bevallen mij. Hier wordt naar een activiteit verwezen, die mensen mobiliseert, motiveert en het beste in hen naar boven haalt. Het gaat om een gezamenlijke inspanning, gericht op een hoger doel, namelijk het ontwikkelen van een samenlevingsvorm waarmee mensen zich kunnen identificeren, waar ze de noodzaak, het nut en de waarde van onderkennen en waar ze bereid zijn een bijdrage aan te leveren. Niet alleen ten behoeve van het hier en nu, maar vooral met het oog op de toekomst. Het begrip natiecreatie spoort aan tot het verrichten van handelingen, die zin en betekenis geven aan individueel leven, juist omdat deze handelingen verricht worden ten dienste van de gemeenschap waar deze individuen deel van uitmaken.

Een van de voornaamste pleitbezorgers van het begrip natiecreatie is Jack Menke. Het woord staat centraal in de inaugurele rede die hij eerder dit jaar hield aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname bij zijn aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de sociale wetenschappen. Volgens Menke verwijst natiecreatie in Suriname naar het proces om ‘één natie te creëren op basis van solidariteit, onderling respect en een harmonische afstemming tussen de etnische groepen en hun culturen.’ Naar zijn zeggen kent de Surinaamse samenleving een ‘complexe, maar harmonische culturele diversiteit’, die op ‘relatief natuurlijke wijze’ is gegroeid en waarvan elementen onder andere zijn terug te vinden in het domein van de taal, de muziek en de religie.

Menke maakt een onderscheid tussen natiecreatie en natievorming. Het eerste begrip kan volgens hem worden beschouwd als een Surinaams concept, neemt de culturele groepen in de samenleving tot uitgangspunt en laat deze groepen, zijnde de samenstellende delen van de natie, vanuit het ideaal van culturele diversiteit de ontwikkeling van de natie bepalen. Het laatste begrip heeft volgens hem betrekking op een Eurocentrisch concept, gaat uit van het ideaal van culturele homogenisering en laat de staat de natie van bovenaf inrichten volgens de beginselen van eenheid en uniformiteit.

Het ideaal van culturele homogenisering verbindt Menke met het begrip plurale samenleving. Aanhangers van dit begrip vatten culturele diversiteit a priori op als problematisch en een obstakel voor het ontwikkelen van een harmonische samenleving. Menke verwerpt het model van de plurale samenleving. Dit model houdt naar zijn oordeel niet alleen een miskenning in van de kracht van culturele diversiteit, maar veronachtzaamt ook de gelijkgerichtheid in waarden die de Surinaamse samenleving volgens hem kenmerkt.

Als pleitbezorger van natiecreatie neemt Menke met andere woorden duidelijk stelling en kiest hij voor een aansprekend perspectief waarin politiek-ideologische en wetenschappelijke opvattingen een plaats hebben. Hij geeft zich rekenschap van de fase van onafhankelijkheid waarin Suriname al ruim drie decennia verkeert, sluit aan bij critici die (op grond van overtuigende argumenten) het model van de plurale samenleving al eerder hebben afgezworen en heeft een open oog voor de potenties van het maatschappelijk middenveld.

Het lijkt erop dat bij Menke de staat in het proces van natiecreatie geen rol van betekenis is toebedeeld. Hij stelt dat door de aanhoudende invloed van de (koloniale) staat Suriname strikt genomen een staat-natie en geen natie-staat is. Dat is een interessante observatie die beslist hout snijdt, maar rechtvaardigt deze constatering het buitensluiten van de staat in het proces van natiecreatie? Wordt de postkoloniale staat Suriname daarmee niet te gemakkelijk vereenzelvigd met het ideaal van culturele homogenisering? Bovendien: kan natiecreatie aan het vrije spel van bottom up krachten worden overgelaten? Zijn checks and balances daarbij overbodig?

Een andere vraag: welke invloed heeft de veranderende positie van Suriname in de wereld op het proces van natiecreatie? Vindt de schepping van een Surinaamse natie in een isolement plaats, losgezongen van de processen van regionale integratie en globalisering? De interactie van Suriname met Europa, Afrika en Azië heeft de afgelopen twee decennia juist in cultureel opzicht noemenswaardige impulsen gekregen, die naar verwachting hun weerslag zullen hebben op de vorm en het karakter van de Surinaamse natie. Zeker als we bedenken dat volgens Menke ‘etnische groepen en hun culturen’ een natie gestalte geven. Maar over de middelpuntzoekende en middelpuntvliedende krachten in het proces van natiecreatie bewaart de auteur jammer genoeg het stilzwijgen.



Bovengenoemde notities adresseren natiecreatie als maatschappelijk verschijnsel. Een verschijnsel dat historische wortels heeft, maar door Menke vooral vanuit een sociaal-wetenschappelijke invalshoek wordt beschouwd. Een begrijpelijke keuze gelet op zijn disciplinaire achtergrond. Deze invalshoek roept niettemin de vraag op of natiecreatie ook in methodologische zin van betekenis kan zijn. Menke suggereert in zijn oratie dat dit het geval is, maar werkt deze dimensie niet verder uit. Dit wekt enige bevreemding, omdat zijn betoog juist over methoden van onderzoek gaat. Concreet: kan natiecreatie worden aangemerkt als een onderzoeksinstrument of een onderzoeksmethode? Sterker: kan het begrip als zodanig het model van de plurale samenleving serieuze concurrentie aandoen?

Menke heeft ons een mooi en tot de verbeelding sprekend woord aangereikt en een waardevol uitgangspunt gepresenteerd. Het concept van natiecreatie lijkt hij echter nog niet tot in zijn finesses te hebben doordacht. Hopelijk verrijkt hij zijn beschouwing spoedig met een nadere analyse van de omgevingsfactoren van natiecreatie en met een systematische reflectie op de methodologische aspecten van dit concept. Een dergelijke verkenning zal meer licht werpen op de praktische bruikbaarheid van het begrip voor wetenschappelijk onderzoek.

On line Nederlandse literatuurgeschiedenis nu compleet


Terwijl het ene kloeke deel na het andere verschijnt van de nieuwe Nederlandse literatuurgeschiedenis onder auspiciën van de Nederlandse Taalunie, is nu ook eindelijk een nieuwe Nederlandse literatuurgeschiedenis on line gecompleteerd. Grotendeels was die er al een paar jaar, maar het stuk over de 20ste en 21ste eeuw liet nog op zich wachten. Dat is nu dus, onder redactie van Thomas Vaessens en Yra van Dijk van de Universiteit van Amsterdam, gebeurd. Deze internet-literatuurgeschiedenis richt zich niet op een academisch publiek, maar op een doornsee publiek, of meer in het bijzonder op de middelbare scholieren. De geschiedenis wordt verteld in 20 hoofdstukken, en dan zijn er nog zoekmogelijkheden op teksten, schrijvers en thema’s. De on line Nederlandse literatuurgeschiedenis heeft ook niet een pretentie van volledigheid, zoals de grote gedrukte Taalunie-literatuurgeschiedschrijving die wel min of meer heeft, maar focust in op de belangrijkste verschijnselen, auteurs en werken. Bij elke paragraaf staan dan ook slechts enkele andere titels van secundaire werken, die de gebruikers op weg moeten helpen om verder te zoeken in het moeraslandschap van de Lage Landen.

Dat die Lage Landen al heel vroeg maar toch vooral in de 20ste eeuw ook veel volk van elders hebben getrokken, wordt niet over het hoofd gezien. Er zijn paragrafen over immigranten, de jonge Marokkaans-Nederlandse auteurs komen voorbij (bijvoorbeeld Hafid Bouazza), de Indische letterkunde is redelijk vertegenwoordigd, en uit de West maken drie schrijvers hun opachting: Albert Helman met De stille plantage, Frank Martinus Arion met Dubbelspel en Astrid Roemer met Was Getekend.



Wie er wil gaan kijken, kan hier klikken.

De schreeuw van Bastion Veere

Op vrijdag 2 oktober a.s. vindt de presentatie plaats van een nieuw boek van essayist Theo Para: De schreeuw van Bastion Veere; om de rechtsorde in Suriname. ‘Bastion Veere’ verwijst naar fort Zeelandia, en Theo Para’s boek is dan ook een politiek-maatschappelijke analyse van de impact van de decembermoorden in Suriname en het nu al 27 jaar durende proces om de daders te berechten, de nakomelingen van de slachtoffers genoegdoening te verschaffen en de rechtsorde in Suriname haar beloop te geven.

Bij de presentatie zal het gevoerd worden door onder meer André Telting, voorzitter van de Centrale Bank van Suriname, en Lilian Gonçalves-Ho Kang You, juriste en weduwe van Kenneth Gonçalves, een van de personen die in de nacht van 8 op 9 december 1982 vermoord werden. Een debat met drie sprekers wordt geleid door Noraly Beyer.

Plaats: Mozes en Aäronkerk, Waterlooplein, Amsterdam
Aanvang 19.30 uur.

Voor het programma: scroll tot helemaal onderaan deze pagina.

maandag 24 augustus 2009

Gomperts en de Caraibische literatuur

Komende tijd zendt de cultuurzender Cultura opnames uit die de voormalige Leidse hoogleraar letterkunde Hans Gomperts in de jaren 60 maakte in Suriname en op de Antillen voor de serie Literaire ontmoetingen. De herhaling van de uitzending over de Antillen, met daarin onder andere interviews met Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion, is tot 25 augustus online te bekijken. De uitzending over Suriname zal vanaf 22:00 op de 25e getoond worden. In die uitzending ontmoetingen met Eddy Bruma, John Leefmans en Albert Helman. Aansluitend toont men bovendien een Surinaamse uitzending van het programma Dode dichters almanak.

H.A. Gomperts; foto @ Eddy de Jongh

"Appel en Corneille: erg beperkt"; Erwin de Vries 80

Erwin de Vries wordt 80 en dat wordt gevierd met een overzichtstentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal onder de titel 'Ode aan de vrouw' en een kleinere expositie in galerie Nola Hatterman in Amsterdam. Voor hemzelf is er geen twijfel mogelijk: er is een rangorde, eerst hijzelf als de grootste kunstenaar die Suriname ooit voortbracht, daarna een hele tijd niks, en wie weet helemaal achteraan de staart nog enkele kleinere talenten (niet bij naam te noemen).

Eerder dit jaar maakte Patrick Meershoek dit interview met hem voor Het Parool

'Hoe vertel ik ze in Suriname hoe bijzonder ik ben?' 'Appel en Corneille zijn beperkt in hun mogelijkheden'
De Surinaamse beeldend kunstenaar Erwin de Vries viert zijn bigi yari met een grote overzichtstentoonstelling. In Nederland, want in Suriname snapt men maar weinig van zijn werk. 'Ik kan de mensen hier niet duidelijk maken hoe bijzonder ik ben.'

Hij is net terug uit Amsterdam, waar hij zeven weken is behandeld voor prostaatkanker. Nu heeft Erwin de Vries goede en slechte dagen. Hij is snel moe en slaapt veel. "Het is niet mals wat ze met zo'n bestraling door je body jagen. Ik was na de behandeling vooral bezorgd over de kleine erectie in de ochtend. Maar dat werkt allemaal nog. Ik kan nog steeds porno kijken en een beetje trekken. Het stelt niet zo heel veel meer voor, maar het blijft een fijn gevoel. Op de één of andere manier houdt het nooit op, dat verlangen, hoe oud een mens ook wordt."


De Vries' vakliteratuur


Tachtig wordt hij later dit jaar. Erwin de Vries, ook volgens eigen zeggen de grootste kunstenaar van Suriname, kijkt uit naar zijn bigi yari. "I'm something special. Mijn werk staat in het Rijksmuseum, het huis van Rembrandt! Er is in het Caribisch gebied geen tweede kunstenaar te vinden die is doorgedrongen tot de Europese topmusea. Ik zeg het ook gewoon tegen mijn jonge collega's in Suriname: jullie zijn leuk aan het werk, maar om internationaal door te breken is echt meer nodig."
De Vries heeft het geluk gehad, denkt hij zelf, dat hij zijn artistieke opleiding heeft kunnen genieten in Nederland. "Ik was op school in Suriname een slechte leerling. Ik heb alleen lagere school. Maar het viel op dat ik kon tekenen. Wim Bos Verschuur zei tegen mijn vader: die jongen moet hier weg. Ik zat geen twee dagen op de kweekschool in Den Haag of mijn tekenleraar pakte een tekening van mij om het de klas te laten zien. "Kijk," zei hij, "dit is nu coloriet." Ik was stomverbaasd. Ik was naar Nederland gekomen om te leren. Ik had geen idee dat ik al zo'n voorsprong had op de rest."
Met een akte tekenen op zak keert De Vries terug naar Suriname, maar na drie jaar hangt het leven van tekenleraar hem de keel uit. "Ik wilde vrij zijn. Ik was in Paramaribo bevriend geraakt met Corneille. Hij had een expositie in het kabinet van de gouverneur. Ik had net een eerste schilderij verkocht. Aan Albert Helman, de schrijver. Mijn vader was zakenman en begreep niets van kunst, maar toen hij hoorde dat ik vijfhonderd gulden had gekregen voor dat ding, mocht ik naar de Rijksakademie in Amsterdam. Hij begreep dat er toch wel iets bijzonders aan de hand was."
In Amsterdam maakt de kunstenaar een vliegende start. Hij heeft een atelier in de Utrechtsedwarsstraat en exposeert als student in het Tropenmuseum en belangrijke galerieën als Le Canard en Krikhaar. Zijn werk heet een combinatie te zijn van Europese techniek en Zuid-Amerikaanse warmte en vitaliteit. De Vries wordt gezien als geestverwant van de Cobra-groep, maar neemt daar nu afstand van. "Ik wil de man niet afbreken, maar Appel heeft in zestig jaar weinig verandering of groei doorgemaakt. Hetzelfde geldt toch ook voor Corneille. Ze zijn beperkt in hun mogelijkheden. Een hand tekenen kunnen ze niet."

De Vries is van alle markten thuis. Hij maakt tekeningen, schilderijen en beelden, abstract en figuratief. En: in alle disciplines heeft hij succes. In 1966 wordt hij uitgenodigd werk aan te leveren voor een internationale tentoonstelling in het beeldenpark Sonsbeek. "Daar stond ik tussen Picasso en Giacometti," zegt hij tevreden. Vier jaar later krijgt hij een solo-expositie in het Stedelijk Museum. "Als eerste kleurling. Ik was me daar indertijd niet van bewust, maar het is later tot me doorgedrongen hoe bijzonder dat was. En nog steeds is."




Nieuw Amsterdam (beeld van Alonso de Ojeda)

Het succes in Nederland dringt ook door tot het vaderland, en De Vries krijgt opdracht van de Surinaamse regering een standbeeld te maken van de Spaanse conquistador Alonso d'Ojeda, de ontdekker van Suriname. Als de kunstenaar een jaar later een abstract beeld aflevert, weigert Suriname de rekening te voldoen. "Men begreep er helemaal niets van. Kunst moet lijken in Suriname." Na veel gesteggel wordt er betaald, maar het beeld verdwijnt vier jaar in de kelder van een overheidsgebouw voor het uiteindelijk toch een plaats krijgt ver van Paramaribo, bij het fort Nieuw-Amsterdam, waar Alonso vandaag de dag nog steeds uitkijkt over de Surinamerivier en de Commewijne.


Erwin de Vries - Vlaanderen en Wallonië roken de vredespijp (Art Nocturne Knokke, 2008; niet verkocht)

Ondanks deze moeizame start is Paramaribo tegenwoordig vergeven van werk van De Vries, maar het zijn inderdaad uitsluitend figuratieve beelden. Zo maakte hij voor het monumentgekke Suriname beelden van beroemde zonen als Anton de Kom, Eddy Snijders, Jaggernath Lachmon en Henck Arron. Zijn abstracte werk bewaart de kunstenaar voor Nederland, met als hoogtepunt het in 2001 onthulde nationale monument in het Oosterpark ter herdenking van de slavernij. "Mijn abstracte werk is geheimtaal voor de Surinamers. Het is alsof iemand een Chinese krant moet lezen. Ik ben een Chinese krant."

Het maken van borstbeelden is een andere specialiteit van De Vries. Dat begon als bijverdienste. De Vries maakte beelden van beroemde Nederlanders, en wist ze doorgaans meteen voor veel geld te verkopen. "Mijn eerste kop was die van Toon Hermans. Ik kwam hem op straat tegen en vroeg of hij wilde poseren. Toen ik na afloop vroeg of hij misschien een koper wist zei Toon: bel de schouwburg in Sittard. Die wilde het meteen hebben, voor 12.000 gulden. Stiekem heb ik nog een afgietsel gemaakt, dat ik voor hetzelfde bedrag aan Carré heb kunnen verkopen." Op de aarzelend gestelde vraag of hier dan geen sprake is van oplichting, antwoordt de kunstenaar beslist: "Welnee! De Denker van Rodin staat ook in drie musea. Dan moet mijn Toon toch ook op meer plaatsen kunnen?"

Een hele trits beroemdheden volgde, van Simon Carmiggelt en Joop den Uyl tot, meer recentelijk, Clarence Seedorf en Barack Obama. De laatste twee staan in het atelier met een schitterend uitzicht over de Surinamerivier op een koper te wachten. Voor de Amerikaanse president heeft De Vries contact opgenomen met het Witte Huis, tot nog toe zonder tastbaar resultaat. "Tja, je denkt natuurlijk dat je de enige bent, maar het blijkt dat ze al heel wat beelden aangeboden hadden gekregen. Ik verwacht er niet veel meer van, maar misschien dient zich nog een andere koper aan."
De borstbeelden zullen geen deel uitmaken van de grote overzichtstentoonstelling die Erwin de Vries later dit jaar in de Rotterdamse Kunsthal krijgt aangeboden. Daarvoor is door directeur Wim Pijbes, inmiddels overgestapt naar het Rijksmuseum, een keuze gemaakt uit de duizenden werken die de kunstenaar in zestig jaar maakte. "Van een gebrek aan inspiratie heb ik nooit last gehad," verklaart De Vries zijn hoge productie. "Als ik ging zitten, dan kwam er wat. Ik heb mijn werk spelenderwijs tot stand gebracht. Ik heb er nooit over nagedacht. Dat is mijn kracht."
Heeft De Vries nog wensen voor de komende jaren? "Ik hoop nog een paar jaar mee te gaan. Gelukkig zit de kanker niet in mijn botten, want dan ben je de lul. Verder hoop ik dat het onafhankelijkheidsmonument er nog komt. Het ontwerp heb ik jaren geleden gemaakt, maar tot nog toe ontbreekt het aan geld om het werk uit te voeren. Er ligt nu een initiatief om een nationale inzameling te houden, maar ik weet niet of dat genoeg oplevert. Het zou vervelend zijn als we weer met Holland moeten bellen. Je kunt de mensen hier niet duidelijk maken hoe bijzonder ik ben. Niet alleen voor Suriname, maar ook voor het Caribisch gebied. Ik zie daar ook geen verandering in komen. Van kunst weet men gewoon niet veel. Je denkt toch niet dat onze minister van cultuur ooit van de Kunsthal heeft gehoord?"

zondag 23 augustus 2009

Film Arie Verkuijl op Cinamazonia

door Sharon Singh

De derde speelfilm. Elk eind is een begin/Chaque fin est un debut, van regisseur Arie Verkuijl zal tijdens het Cinamazonia filmfestival zijn buitenlandse première beleven. Het filmfestival vindt plaats van 19 tot en met 24 november in Frans-Guyana. Elk eind is een begin/ Chaque fin est un debut zal zowel in Cayenne als in Saint-Laurent vertoond worden.

In de rolprent worden Frans, Trio, Sranantongo en Nederlands gesproken. Het verhaal van de film, die tijdens het Backlot Festival 2009 in première ging, speelt zich voor een belangrijk deel af in Pelelu Tepu. Vermeldenswaardig is dat dit de eerste Surinaamse productie is van landgenoot Milton Kam, director of photography. Ondanks dat er veel Frans in de film wordt gesproken, wordt hij voorzien van een Franse ondertiteling voor het Cinamazonia filmfestival.
"Het mooie ervan is dat ze een goede sponsoring krijgen. Frans-Guyana zelf, Martinique en Guadeloupe dragen bij aan de kosten voor dit filmfestival. De organisatie verwacht een goede opkomst van deze landen”, vertelt Verkuijl over het festival. De uitnodiging kwam dan ook op basis van de onderlinge band tussen de twee landen. De eerste keuze was Wan Pipel van Pim de la Parra, maar doordat deze film niet op tijd kan worden voorzien van een Franse ondertiteling is toch voor de film Chaque fin est un debut gekozen. "Wij wilden ons met ons filminstituut (Film Instituut Paramaribo) meer gaan richten op de Guyana's en Brazilië en minder op Nederland. Afgelopen juni werd de eerste speelfilm van Verkuijl Wat de vrouw wil is de wil van God (april 2008) als hoofdfilm vertoond op het filmfestival in Bridgetown, Barbados. De slotfilm van dit festival was Het Geheim van de Saramacca Rivier. De twee speelfilms Wat de vrouw wil is de wil van God en Ontworteld (december 2008) zullen ook vertoond worden tijdens een filmfestival in Jakarta, Indonesië. "Het grappige van Ontworteld is dat er voor een groot deel in het Javaans wordt gesproken. Het gaat namelijk over een Hindostaanse danseres die verliefd wordt op een Javaanse danser. Ze dansen ook op elkaars muziek", vertelt Verkuijl. Over twee weken beginnen de opnames voor het volgend filmproject van Verkuijl. Het wordt weer een minimal movie. Over de inhoud wil de regisseur/producer nog niets kwijt. Volgens hem zullen kinderen er een rol in vervullen. De finale versie van deze film moet klaar zijn vóór het Backlot Filmfestival 2010.




Arie Verkuijl





Regisseur: Arie Verkuijl
Producent: Film Instituut Paramaribo / SFA
Cast: Renée Fulgence, Laura Spoor, Erisapeti Ihunu, Reini Erisapeti
Crew: Milton Kam, director of photography, Rodie Jero van Dijk, direct sound recordist, Ajai Kali, editor
Speelduur: 93 min.
Land: Suriname
Taal: Frans, Trio, Sranantongo, Nederlands

[enigszins bewerkt]

Papiamentu in de Grondwet!?

De positie van het Papiaments komt aan de orde bij de aanstaande wijziging van de Nederlandse Grondwet. Dat zegt minister Guusje ter Horst toe aan de Tweede Kamer, in reactie op schriftelijke vragen van CDA’er Jan Schinkelshoek. Die had de minister gewezen op de afspraak in het coalitieakkoord om in de Grondwet vast te leggen dat het Nederlands de ‘bestuurs-, cultuur- en omgangtaal’ binnen het Koninkrijk der Nederlanden is.

Schinkelshoek wil niet dat met de verankering van het Nederlands in de Grondwet gewacht wordt totdat een onlangs ingestelde Staatscommissie Grondwetsherziening haar adviezen presenteert.

Ter Horst antwoordt nu dat de verankering van het Nederlands in de Grondwet geen deel uitmaakt van de opdracht aan de commissie en dat zij nog voor het einde van dit jaar een ‘zelfstandig wetsvoorstel’ bij de Kamer zal indienen om de ‘taalkwestie’ te regelen.

Schinkelshoek had ook gevraagd of er bij de grondwettelijke verankering van het Nederlands ,,uitdrukkelijk aandacht zal worden besteed aan de positie van het Fries en andere minderheidstalen (Engels en Papiamento).”
,,Ja”, antwoordt de bewindsvrouw, ,,Bij de ontwikkeling van de voorstellen om het Nederlands op te nemen in de Grondwet komt de positie van het Fries, het Papiamento en het Engels aan de orde.”
Dat er in politiek Den Haag alleen gesproken wordt over ‘Papiamento’, het Papiaments van Aruba, en niet over ‘Papiamentu’ (Curaçao) en ‘Papiamen’ (Bonaire) betekent dat er voor bijvoorbeeld de stichting Splika dat de Papiamentse taal promoot nog een missie te verrichten is.

Voordat de positie van de talen grondwettelijk is vastgelegd, zal het al gauw 2012 zijn. Een wijziging van de Grondwet vereist namelijk ‘twee lezingen’. Eerst dient een wetsvoorstel dat er voldoende reden is voor de wijzing door de Tweede en Eerste Kamer worden aanvaard. Daarna dient de Tweede Kamer te worden ontbonden waarna het nieuwe parlement (en de Senaat) het uiteindelijke wijzigingsvoorstel met minimaal een tweederde meerderheid moeten goedkeuren.

In de praktijk wordt met het doorvoeren van wijzigingen gewacht tot nieuwe verkiezingen. Die staan gepland voor 2012. Ter Horst zegt in haar antwoord aan Schinkelshoek de ‘eerste lezing’ nog in deze kabinetsperiode te willen afronden.

[bron: Antilliaans Dagblad]

zaterdag 22 augustus 2009

Abdelkader Benali op de Caraïbische Letterendag

Abdelkader Benali is een van de gasten op de Tweede Caraïbische Letterendag op zaterdag 5 september a.s. in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam (aanvang 19.00 uur). In het programma wordt bijzondere aandacht gewijd aan Edgar Cairo, onder meer via een toneelstuk, en Abdelkader Benali neemt deel aan het debat na de pauze. De deelnemers dragen voor uit hun eigen werk en gaan in debat over de vraag wat de Grote Voorlopers in de literatuur voor betekenis hebben voor jonge schrijvers.

Naast Abdelkader Benali is er een stroom aan andere gasten: Rappa en Ellen Ombre uit Suriname, Arthur en Henriëtte Cairo (broer en zus van Edgar Cairo), Noraly Beyer, Felix Burleson die toneel speelt, Lydia Emanuels, Eva Essed-Fruin, Maarten van Hinte, Ena Jansen, Michiel van Kempen, Bert Paasman, Pamela Pattynama, Michael Tedja. De muziek is van de viermansformatie Sky Dive met Sanne Landvreugd. Presentatie is in handen van Manoushka Zeegelaar.

Benali
Abdelkader Benali (1975) werd geboren in Marokko. Als klein jongetje kwam hij naar Nederland. Zijn ouders vestigden zich in Rotterdam, waar zijn vader een slagerij begon.
Benali debuteerde op eenentwintigjarige leeftijd met de roman Bruiloft aan zee, waarvoor hem de Geertjan Lubberhuizenprijs werd toegekend. Dit eerste boek betekende meteen zijn doorbraak in de letteren. Bruiloft aan zee werd onthaald op veel kritische lof en gewaardeerd als het ideale boek van een zeer getalenteerde allochtone schrijver die daarin op een even lucide als lichtvoetige manier een aspect van migrantenproblematiek literair verwerkte. De roman groeide langzaam uit tot een bestseller en werd vertaald in vele landen.
In de jaren direct daarna deed Benali ook van zich spreken als literatuurcriticus (in het Algemeen Dagblad), verhalen- en toneelschrijver, dichter en blogschrijver voor Vrij Nederland. Maar pas in 2002 verscheen zijn tweede roman, De langverwachte, waarmee hij definitief zijn naam vestigde als belangrijk schrijver in de Nederlandse literatuur. De langverwachte werd onderscheiden met de Libris Literatuur Prijs 2003.
Daarna verschenen de roman Laat het morgen mooi weer zijn (2005), Marokko door Nederlandse ogen 1605-2005 (samen met Herman Obdeijn), de dichtbundel Panacee, het toneelstuk Jasser en de reportage Berichten uit een belegerde stad (over Beiroet), Wie kan het paradijs weerstaan (briefwisseling met Michaël Zeeman), Feldman en ik, en tenslotte de roman De Marathonloper, Benali’s (literaire) verbeelding van zijn eigen ervaringen met en fascinatie voor het hardlopen. In 2009 verschijnt de roman De stem van mijn moeder, waarin Abdelkader Benali terurgkeert naar het thema uit o.a. Bruiloft aan zee: dat van het migrantenkind tussen twee culturen.
Voorjaar 2010 begint de NPS met een nieuw televisieprogramma over boeken, gepresenteerd door Abdelkader Benali. Het nieuwe wekelijkse programma, dat nog geen naam heeft, zal worden uitgezonden op woensdagen om half tien.

Fragment uit Feldman en ik

Door op mijn eentje rommelmarkten te gaan bezoeken, was ik in de voetsporen van mijn vader getreden. Het kan zijn dat ik ze bezocht omdat ik de illusie koesterde dat ik daar, in die beduimelde wereld van verwaarloosde mensen en dingen, als rook kon vervliegen zonder verplicht identiteitsbewijs.Alsof de zware sigarenlucht die er hing, de stemmen die overal opklonken, het kakelen van de hooggeblondeerde dames de ideale omstandigheden creëerden voor een geslaagde vlucht uit de barre werkelijkheid. Het was een plek waar mensen zichzelf waren, zonder franje, waar ze geen loze gebaren hoefden te maken en geen last hadden van zichzelf.Zo doolde ik daar, die bewuste dag, door de hallen, met beide handen in de zakken, totdat, net nadat ik had besloten maar weer eens op huis aan te gaan omdat het tijd werd om iets te gaan eten wat niet druipend van het vet onder een laag ketchup en mayonaise schuilging, mijn oog viel op 88 richtlijnen voor het schrijven van een dagboek, opgesteld door Lavoisier Carmel. Uit het Spaans vertaald met een nawoord van dokter Miguel Marineiro.

‘Ligt daar al een tijdje,’ zei de verkoper, die in de smiezen had naar welk boek mijn belangstelling uitging. ‘Heb ik uit de boedel van een weduwe. De staat had voor haar organen maar een luttel bedrag over. Ze moest haar spullen verkopen, waaronder de boeken die haar man verzameld had.’Ik reikte met een onbestemde gretigheid naar het boekje en net op het moment dat mijn hand het omklemde, greep ook een andere hand, toebehorend aan een jongeman van ongeveer mijn leeftijd, alleen wat langer en in het bezit van een donkere bos krullend haar en een opvallend bleek gelaat – alsof hij een ziekte onder de leden had die zijn bloedsomloop vertraagde –, het exemplaar vast. Zijn verschijning had mijn medelijden kunnen opwekken, maar dat gebeurde niet. Ik moest en zou het boekje aan deze begerige bleekscheet ontfutselen.

Anders dan mijn vader was het mijn gewoonte altijd iets op een rommelmarkt te kopen. Ik had al eens twintig eierdopjes gekocht. En een verlengsnoer. En een bot slagersmes. Had ik dat verlengsnoer en dat slagersmes bij me gehad, dan zou ik er die jongen mee gedreigd hebben. Ik bemerkte zelfs dat ik er een handgemeen voor zou overhebben, mocht die jongen de zaak op de spits willen drijven, want er was me ineens alles aan gelegen om in het bezit van dit papieren prullarium te komen. Het was niet zozeer dat ik dit boekje wilde hebben, maar eerder dat ik voelde dat het boekje míj wilde hebben.

Omdat twee handen aan het boekje trokken scheurde het enigszins uit elkaar. De jongen maakte zich schielijk uit de voeten en liep naar de stalletjes verderop waar hij opging in het gewoel van de menigte. Ik had gewonnen.‘Wie het eerst maalt, het eerst haalt,’ zei ik en ik gaf het aan de verkoper.

‘Je bent een taaie,’ zei de verkoper, een man met bloemkooloren die beslist niet in aanmerking kwamen voor donorschap, en hij deed het boek in een verfomfaaid plastic tasje. Hij overhandigde me het en vroeg de prijs die erin gestaan had.

Toen hij me het wisselgeld teruggaf, keek hij me heel strak aan, alsof hij precies wilde weten wie hij voor zich had. ‘Je bent nog niet veranderd,’ zei hij, ‘dat is vreemd want op jouw leeftijd begint de grote schoonmaak zo’n beetje.’ Met de grote schoonmaak bedoelde hij dat mensen, zodra ze volwassen waren, de eerste aanbiedingen ontvingen van bedrijven die je voor luttele bedragen opties voor operaties wilden aanbieden in ruil voor je bereidheid in geval van overlijden je lichaam aan hen af te staan.

‘Ik heb daar niet zo’n zin in,’ zei ik korzelig en ik stak het boek in mijn tas.

[Informatie en fragment ontleend aan de website van Abdelkader Benali]

Het volledige programma van de Letterendag vindt u hier

vrijdag 21 augustus 2009

Aanschuiven bij schrijvers

Een nieuwe activiteit van Schrijversgroep '77: nieuwsgierige lezers kunnen aanschuiven bij een schrijver aant fale en daar al de vragen stellen die al zo lang voor op de tong lagen. De activiteit vindt plaats op woensdag 26 augustus a.s. van 20.00 tot 22.00 uur in Tori Oso, Frederik Derbystraat 76, Paramaribo.



De vijfschrijvers die 'spreekuur' houden zijn:

Kirtie Algoe: zij schreef de sociologische studie Suriname, schip van diversiteit en bestudeert natievorming in Suriname,
De Benjamin: zijn debuut Licht Gebroken gaat over de pijnlijke kanten van huwelijksontrouw,
Erney Landveld: publiceerde onlangs De Marroncultuurgemeenschap in Suriname, over de geschiedenis van de Marron-transmigratie;
Rappa: naast zijn humoristisch proza, vooral bekend om zijn vlijmscherpe columns in de Parbode; binnenkort - op 5 september - te gast in Amsterdam op de Tweede Caraibische Letterendag.
Kit-ling Tjon-Pian Gi (foto): kwam recentelijk uit met een fraai geillustreerde verhalenbundel, De kracht van vrouwen.


Grijp deze gelegenheid aan om meer te weten te komen over deze auteurs, over hun inspiratiebronnen en waarom zij publiceren. Stel de vragen die u altijd al hebt willen stellen en maak van de gelegenheid gebruik om een gesigneerd exemplaar van hun boekwerk tegen een gereduceerde prijs te bekomen.

Info: tel. 00 - 597 - 520513 / 00 - 597 - 8912005

Drie nieuwe boeken van Ismene Krishnadath

Onlangs verschenen drie nieuwe titels van Ismene Krishnadath.
De bundel Welkom Vreemdeling/Welcome Stranger, is geïnspireerd door een bezoek van Schrijversgroep77 aan Zuid-Afrika. Op drie manieren wordt de ontmoeting tussen mensen met verschillende culturen beschreven. Uit de wereldgeschiedenis blijkt dat deze ontmoetingen met diepgevoelde, vaak pijnlijke emoties gepaard gaan. De andere verhalen, hebben etnische diversiteit, overleving en kindermisbruik als thema.

In De vangst van Moen Djasidin dreigt de Djasidin-familie uit te sterven. Moen is de laatste zoon en als geen ander verlangt hij naar kinderen om zijn plaats in het hiernamaals te behouden. Het gevecht met de natuur en het menselijke verlangen om de familie in stand te houden zijn belangrijke themas in deze novelle.

Ram pakt een dief vertelt over Ram die samen met Bello en de politie een dief pakt. Op de laatste bladzijden oefeningen voor het lezertje. Met tekeningen van Raquel Yhap.

Aan de boeken wordt tijdens verschillende presentaties in Suriname en overzee aandacht besteed in aanwezigheid van Ismene Krishnadath.

29 augustus van 18.00 - 20.00 u in het Cultureel Centrum Suriname (bibliotheek)
19 september Boekhandel Diamond Worthy Books - Rotterdam
Van 14.00-17.00 uur zijn er activiteiten voor kinderen.

Om 19.00u is er een presentatie voor volwassenen rond de verhalenbundel Welkom Vreemdeling/Welcome Stranger. Ontmoeting van culturen is hierbij het thema. Er zal ook een documentaire worden vertoond van het bezoek dat Schrijversgroep 77 in 2008 bracht aan Zuid-Afrika.
Plaats: Diamond Worthy Books, Willem Buytewechstraat 223c, 3024 XK Rotterdam, Tel. 010-2763225, Mobiel: 06-44007850
23 september - University of the Western Cape - Kaapstad - Zuid-Afrika
April 2010 - University of Louisiana/ACWWS - Louisiana - USA

Boeken op Curaçao

Ik ga een paar weken college geven aan de nieuwe mastersopleiding van de Universiteit van de Nederlandse Antillen op Curaçao. De UNA vergoedt reis en hotel en geeft een daggeldvergoeding waarvan logies, maaltijden en transport betaald moeten worden. ‘Transport’ betekent: of wachten op busjes die niet komen, of altijd taxi’s nemen, of zelf een autootje huren, zodat je ook gemakkelijk op de verafgelegen stranden kunt komen. Want je bent natuurlijk wel een mafketel als je veertien dagen op Curaçao hebt gezeten en nooit een duik in de vakantiefolder-blauwe zee hebt gemaakt. Fietsen zou kunnen, maar is bij de temperaturen van het Caraïbisch gebied geen lachertje. Tegen de tijd dat je op je werk komt, tekenen zich grote natte plekken af op je shirt: onder de oksels, op de rug en – bij de minste of geringste embonpoint – ook op de buik. Fietsen is wel sterk identiteitsbevestigend: alle Antillianen weten dat het zwetend geval met rood hoofd dat daar puffend voorbijkomt, een Hollander is. Zo zie je ze ook bij bosjes in de straten van Paramaribo tegenwoordig, vooral jonge stagiaires op omafietsen, nagefloten door vrolijke wegarbeiders (die overigens nooit aan een fietspad werken, in het Caraïbisch gebied heeft niemand ooit van fietspaden gehoord). Maar ik ben de stagiaireleeftijd al lang voorbij, en de illusie dat er nog ooit iets zinvols over mijn identiteit gezegd zou kunnen worden ook. Dus wordt het een autootje. Ik heb mazzel: van vriend Erich Zielinski hoor ik dat ik zijn ouwe karretje mag gebruiken.

Nu een reis en hotel geboekt. Natuurlijk wil je als letterkundige in het Avila Beach, waar Boeli van Leeuwen op het terras altijd heel chique zijn koffie dronk en gasten ontving – er is na zijn dood een plaquette opgehangen met een mooie tekst van Tommy Wieringa over Boeli. Maar het Avila valt ver buiten de daggeldvergoeding van de UNA, sterker nog: elk strandhotel is zo prijzig dat het buiten de daggelden van de UNA valt. Ik stel geen uitzonderlijke eisen aan een hotel: casino, massage, fitnessruimte, het hoeft allemaal niet voor mij; als je er maar wat kunt drinken en eten en liefst toch niet te ver van de zee bent. Diana Lebacs kent wel een goed en mooi huis in Santa Rosa, maar dan zit ik daar helemaal alleen, met het enige voordeel dat ik om de drie dagen een andere slaapkamer kan nemen.

Ik surf me een ongeluk op internet, maar vind niet wat ik zoek. Wim Rutgers raadt mij aan naar Arkefly te kijken, die een combinatie van vlucht met hotel tegen schappelijke prijzen aanbiedt in samenwerking met Kras Reizen. Ook die hotels vallen allemaal ver buiten het budget, op Trupial Inn na. Het ligt wel niet aan het strand maar het heeft een zwembad en ziet er verder redelijk uit. Er is alleen iets geks aan de hand: als ik de prijs voor half-pension opvraag komt er maar liefst 1720 euro bij, en voor volpension zelfs 8.000 euro! Het allerduurste hotel op Curaçao, Kura Hulanda, berekent voor volpension voor 14 dagen een meerprijs van 750 euro, dus er moet een grove fout in het Kras-systeem zitten. Ik stuur een mailtje, maar denk vervolgens: ik kan ook wel even opbellen. Dat valt niet mee vanuit België, want Kras heeft alleen 0900-nummers waarvoor je moet betalen en dat kan niet bij internationaal bellen. Via een omweg en heel lang wachten kom ik toch bij een dame in Ammerzoden uit. Die denkt dat ze een gek aan de lijn heeft, en zegt: nee, het systeem moet kloppen. Vind ik ook. Maar als ze het systeem zelf uitprobeert ziet ze dat er iets vreemds aan de hand is. Ik word later teruggebeld, zegt ze. Ik wacht de rest van de dag, maar het telefoontje komt pas laat de dag erna: het systeem is aangepast en klopt nu! Maar als ik de website aanklik blijkt er nog steeds te staan: voor halfpension 1720 euro aan meerprijs en volpension uiteraard meer dan 8.000. Inmiddels heeft ook Thea Aynacioglu van het Contact Center mij per mail verzekerd: ‘Dit klopt wel dat deze prijzen worden gehanteerd bij dit hotel. De toeslagen voor halfpension en volpension zijn inderdaad prijzig op Curaçao.’ Dus Trupial Inn zelf maar eens aangeschreven. De Sales & Marketing Director laat weten: ‘Onze meal plan prijzen zijn inderdaad vermeld op onze website maar zijn niet meer van toepassing.’ Ik besluit dan toch maar via Arkefly/Kras te boeken, maar dan alleen logies/ontbijt. Marlies van Wijk, Helpdesk Kras, reageert met een mail: ‘De prijzen die vermeld staan op onze website kloppen.’ Ik check het nog maar eens. Ze kloppen niet.

Miriam Sluis laat mij weten dat er wel degelijk heel leuke en betaalbare accommodatie op Curaçao is. Ik begrijp nu dat de grote touroperators met hun duurbetaalde it’ers en via omkoping van Google zorgen dat zij met hun sites altijd tot de eerste tientallen hits horen, wat je ook opsurft. Ik besluit mijn boeking bij Kras te annuleren, want het is toch te bespottelijk dat je niet half-pension tegen een redelijk tarief kunt boeken. Binnen drie minuten reageert Bart de B** van Kras.Nl: ‘Bij deze reis is het wel degelijk mogelijk half pension of vol pension te boeken.’ Een uur later gaat de telefoon: een dame van Kras vertelt mij dat er een fout in het systeem zat en of ik nu alsnog de reis wil maken.

Ik heb inmiddels zelf een vlucht geboekt en rechtstreeks een betaalbare accommodatie gevonden, een stijlvol aangepast oud landhuis dat slechts acht kamers kent en dus geen boodschap heeft aan de hordes van de touroperators. Zojuist kwam er een mailtje binnen: Wenze-Albert Sterrenburg van Kras Verkoop & Reserveringen deelt mij mee: ‘De toeslagen waar u over spreekt, kunnen wij niet terugvinden. Wanneer u halfpension bij boekt betaald u een meer prijs van € 220,00 en bij volpension is de meerprijs € 330,00.’ U betaald met een d. Maar ik betaald helemaal niks.

woensdag 19 augustus 2009

De schrijver met de grootste energie sinds Albert Helman

Abdelkader Benali, Noraly Beyer, Felix Burleson, Arthur en Henriëtte Cairo, Lydia Emanuels, Eva Essed-Fruin, Maarten van Hinte, Sanne Landvreugd, Ellen Ombre, Rappa, Michael Tedja, Manoushka Zeegelaar en nog vele anderen werken mee aan de Tweede Caraïbische Letterendag, op zaterdag 5 september a.s. Het programma is gewijd aan de het thema: wat kunnen de Grote Voorbeelden doorgeven aan jonge schrijvers? Wat doe je met tradities? Binnen dat kader is het programma voor de pauze geheel gewijd aan de grote schrijver Edgar Cairo (1948-2000), ‘negerschrijver’ zoals hij zelf met trots altijd zichzelf proclameerde. Plaats: Openbare Bibliotheek Amsterdam. Aanvang: 19.00 uur. Voor het volledige programma klik hier





Edgar Cairo 1948-2000; trauma’s verwoord
Het lijdt geen twijfel dat Edgar Cairo na Albert Helman de Surinaamse schrijver is geweest met de grootste energie en de grootste verbeeldings­kracht. Donderdag 16 november 2000 werd hij gevonden in zijn Amsterdamse woning; hij overleed, evenals drie van zijn broers, aan een maagbloeding, mogelijk een dag eerder.

Edgar Cairo was een absolutist, iemand die de koloniale geschiede­nis in alle uithoeken verkende en er zijn schreeuw over liet horen. Geen enkele andere schrijver uit Neder­lands West-Indië heeft de koloniale trauma's zo indringend verwoord in zoveel genres als Edgar Cairo. Dat klinkt alsof hij een loodzwaar oeuvre bij elkaar schreef, maar er zijn weinig schrijvers bij wie het plezier van het schrijven zo van elke pagina spatte als Cairo. Zijn reeks boeken vormde bovenal een menselijk oeuvre waarin de tragiek dragelijk werd gemaakt door de geestig­heid van observe­ren.

Edgar Eduard Cairo werd op 7 mei 1948 geboren in Paramaribo. Zijn ouders waren afkomstig uit het district Para, echte negers vanuit het diepste van de plantagecultuur van Suriname. Zij brachten hem een besef van zijn roots bij dat hem nooit meer zou verlaten. Edgar had een goeie kop, en belandde op het hoogst bereikbare: de Algeme­ne Middelbare School. Hij was een echte erfjongen maar de rumoerige volkserven vorm­den een slechte studie-omgeving; zenuwen speelden hem parten, de maag speelde op, hij kwam enkele weken bij het gezin van de visionaire econoom Frank Essed en zijn vrouw Eva Fruin die hij als lerares Nederlands had leren kennen (een tijd waarover hij de roman Adoebe lobi/Alles tegen alles zou schrij­ven). Hij slaagde, ging naar Amsterdam, studeerde Neder­lands en Algeme­ne Litera­tuurwetenschap en zoog alles in zich op wat aan zijn oeuvre een uitzonder­lijke diepgang zou verle­nen: de culturen van het Caraïbisch gebied en Afrika, algemene taalweten­schap, dramaturgie.

Hij debuteerde in 1969 met een novelle in het Sranan die nog altijd zijns gelijke in die taal niet heeft gevonden: het indringende verhaal over een vader-zoon-relatie Teme­koe. Later herschreef hij het verhaal tot twee Nederlandstalige versies. Vooral nadat hij in 1977 In de Knipscheer als uitgeverij had gevonden, hield de stroom publica­ties niet meer op. Hij publiceerde in ruim tien jaar tijd vijftien prozaboeken, negen dichtbundels en acht toneelstukken, nog afgezien van talloze essays in tijdschriften en minstens vijf romans die niet in druk verschenen.
Hij verbreedde zijn aandachtsveld: van de stadser­ven van Paramari­bo, naar het leven in de Suri­naamse districten, weer later naar het Ca­raïbisch gebied en de historie van de negerslaven, nog later naar de si­tuatie van Surinaamse migranten in Neder­land en de multiculturele Hol­landse samenle­ving, tenslotte naar Afrika en de geschiedenis van de koloni­sering van de negers en de oorsprong van wat Cairo het `negerver­driet' noemde.


Zijn boeken werden alsmaar omvangrijker: zijn roman Jeje Dis­i/Karakter's krachten telde 560 pagina's, zijn verzamelde gedichten Lelu! Lelu! Het lied der vervreem­ding 877 pagina's. Hij trad talloze malen op in binnen- en buitenland, schreef columns voor de Volkskrant en De Groene Amster­dam­mer, het succes kende geen grenzen meer. Hij kocht een rode Maserati die al gestolen werd aleer hij er het Rokin mee voorbij was. De geschiedenis werd teruggekocht met kostbare meubels uit de koloniale tijd. Met zijn eigenzinnige taalgebruik, een enorm creatief doorgevoerde vorm van Surinaams-Neder­lands, bereikte hij echter niet een massapubliek. Eind jaren '80 begon hij te schilde­ren met hetzelf­de fanatisme als hij schreef. Wie zijn huis in wilde, moest zich tussen plafond­hoge stapels schilderijen doorwrin­gen. Met zijn laatste boeken kon geen lezer hem nog volgen. De psycho­se was compleet. Hij meende dat zijn inspira­tie rechtstreeks van God kwam en de taal van Shakespeare en Dante.

De laatste jaren was hij weer op de terugweg. Het diepzinnige toneel­stuk De doodsboodschapsvogel uit 1978 werd zijn eerste stuk dat in Suriname en Neder­land werd opgevoerd. Hij overleed in Amsterdam-Oost een wijk vol van de minderheden waarvoor hij jarenlang met bruisende energie op de bres stond. Maar in zijn woonkamer, blauw verlicht door een gaskachel, heeft hij het gevecht met zijn doodsbood­schaps­vogel alleen moeten leveren.

Michiel van Kempen

[Verschenen in NRC Handelsblad, 18 november 2000]

De geschrapte godverdomse neger


Marc Reugebrink schrijft op zijn blogspot De Inwijkeling:



Inmiddels werd de Engelse vertaling van mijn radioboek door Michael Blass uitgezonden, voorgelezen door David Swatling. In de aanloop naar de vertaling bleek dat het noodzakelijk was enkele namen te veranderen, alsook de titel van een en ander zo te verbuigen dat het paste binnen wat gezegd wilde zijn (er is bijvoorbeeld een verband met de mythe van Marsyas, waardoor de naam van een van de hoofdpersonen — Martin As — veranderd werd in Marc Suys). Ik was zeer tevreden over die vertaling, en na nog even geflirt te hebben met het idee om zelf ook de Engelse versie voor te lezen (men studeert niet voor niets viereneenhalf jaar Engels aan een lerarenopleiding, waar er veel aandacht werd geschonken aan vooral uitspraak), ben ik bij het horen van het resultaat dan toch blij dat ik dat aan een native speaker heb overgelaten.In hoeverre kent men zijn eigen teksten uit het hoofd? Niet. Maar wel valt onmiddellijk op wanneer er iets niet in de haak is. In de Nederlandse versie komt de volgende passage voor:

Ziet u?’ zei hij, ‘geen embouchure. Uw lippen zijn te dik.’
‘Onzin.’
Er viel iets door ons heen, leek het.
Achterin het orkest maakte Van Eupen een plotselinge beweging, waardoor de souzafoon die rond zijn lijf zat in botsing kwam met de tuba van Van Wieringen.
Met een ruk draaide Somner zich om. Erik Kalekamp stond nog steeds naast het verhoog en keek Somner een kort ogenblik recht in de ogen.
‘Onzin’, zei hij weer, en sloeg zijn ogen neer.
‘Onzin?’ vroeg Somner dreigend.
‘Lippumdoemzrnuttoe’, mompelde Kalekamp.
‘Wát zegt u, meneer Kalekamp?’
‘Lippen doen er niet toe. Dik of dun bedoel ik. Doet er niet…’
Hij slikte even.
‘Louis Armstrong heeft nog veel dikkere lippen dan hij daar’, zei hij.
‘Ah…’ zei Somner, ‘ach zo… Louis Armstrong.… Loe Wie Arm Strong. Dat is het dus. Hmhm. Louis Armstrong.’ Zijn stem werd luider. ‘Louis Armstrong? Louis Armstrong? Die Louis Armstrong van u hè, meneer Kalekamp, die Louis Armstrong, die is… dat is… Die Louis Armstrong is godverdomme een néger!’

en en ander is in het Engels keurig vertaald:

‘You see?’ he said. ‘No embouchure. Your lips are too thick.’
‘Nonsense.’
Something seemed to have dropped into our midst.
At the back of the band, Van Eupen made a sudden movement, so the sousaphone around his body knocked into Van Wieringen’s tuba.
Somner turned round with a jerk. Erik Kalekamp was still standing next to the dais and for a brief moment he looked Somner straight in the eye.
‘Nonsense,’ he repeated, and cast his eyes downwards.
‘Nonsense?’ asked Somner threateningly.
‘Lipsgotnunnerdowit,’ mumbled Kalekamp.
‘I beg your pardon, Mr Kalekamp?’
‘Lips have got nothing to do with it. Thick or thin, I mean. Nothing to do with it.’
He swallowed.
‘Louis Armstrong’s got much thicker lips than him,’ he said.
‘Ah…’ said Somner, ‘ah, right… Louis Armstrong… Loo Wee Arm Strong. That’s it then. Hmhm. Louis Armstrong.’ His voice grew louder. ‘Louis Armstrong? Louis Armstrong? That Louis Armstrong of yours, Mr Kalekamp, that Louis Armstrong, he’s… he’s… That Louis Armstrong is a bloody nigger!’

Die laatste zin is natuurlijk, op zijn allerzachtst gezegd, politiek incorrect, en zorgt in de politiek correcte omgeving die literatuur gewoonlijk is voor een zeker schokeffect. Het verhaal gaat onder meer over de noodzaak van zuiverheid en harmonie, en dat wordt op dit punt dus doorgetrokken in het bedenkelijke. 'Wij zijn geen wilden', zo stond al eerder in de tekst toen de hier optredende Kalekamp aan Somner vroeg of er misschien niet een woodblock aan de slagwerksectie toegevoegd kon worden. Jazz wordt door Somner met jungle en een gebrek aan beschaving geassocieerd. Zuiverheid loopt niet zelden op racisme uit.


Bon, so far so good. Maar bij het beluisteren van de Engelse versie hoorde ik onmiddellijk dat 'the bloody nigger' was verdwenen. Geschrapt, derhalve. Het zou hier dus de tijd en plaats zijn om hoog van de toren te blazen en uit te krijten dat er hier sprake is van 'censuur!' Dat zou ik zelf wat overdreven vinden. Er is hier sprake van een angstvallige politieke correctheid. Je kunt beargumenteren dat je de zin over 'godverdomme een néger' niet nodig hebt om het bedoelde punt te maken, dat het onnodig shockerend is — maar dat laatste geloof ik niet. Pas met die zin wordt het denken over harmonie zoals dat bij Somner en andere personages in het verhaal leeft, werkelijk in het domein getrokken waar het thuishoort — juist door het schokkende racistische karakter dat het streven naar harmonie daar aanneemt.Enfin, niets om me werkelijk druk over te maken, maar nog maar eens een teken dat we in een tijd leven die beheerst wordt door een alles verlammende angst. Het zijn de biepjes van de BBC, de sterretjes in het woord f***; het is de onmogelijkheid om in sommige, op het Engels geënte chatprogramma's het woord 'kunt' te gebruiken — allemaal kinderachtigheden die voorafgaan aan wat werkelijke censuur is.
.

Titiaan, De veroordeling van Marsyas

Historische roman van Jetty Peverelli

Kumanti Kodyo of de liefdes van Lea en Esther van Jetty Peverelli is veel meer dan een historische roman. Het gaat over de strijd tussen moeders en dochters, over de eerste seksuele ervaringen, en over het zich staande houden in de volwassenheid, daarbij geholpen door seichel, Jiddisj en een verbastering van het Hebreeuwse séchel dat verstand of wijsheid betekent. Volgens Lea is het nog het beste samen te vatten als het optimaal gebruik maken van je talenten, de wil tot overleven, een tikkeltje brutaliteit en altijd met humor en barmhartigheid.

Na haar eerste verblijf in Suriname in 1979, dus na de onafhankelijkheid en voor de periode ‘Bouterse’, raakt Jetty Peverelli gefascineerd door dat land. Als ze tijdens haar daarop volgende verblijf verliefd wordt, wil ze nog maar één ding: terug. December 1982 is het zover. Haar baan als remedial teacher heeft ze opgezegd en een baan bij het speciaal onderwijs in Nickerie is haar toegezegd. Echter, de decembermoorden maken een eind aan haar plannen. De grenzen gaan dicht en Suriname gaat een onzekere toekomst tegemoet. De teleurstelling drijft haar tot het schrijven van de roman Boromangrasi. Zelf omschrijft ze haar debuutroman als een neerslag van ervaringen in Suriname, verpakt in fictie.

Het verhaal van Kumanti Kodyo: Lea is een Joodse vrouw die opgroeit in Suriname en rond de vijftiger/zestiger jaren naar Nederland vertrekt om te studeren. Ze ontmoet de liefde van haar leven, maar nadat hij haar – zwanger – verlaat, gaat ze terug naar haar geboorteland en trouwt ze met jeugdvriend Simon. Samen bouwen ze een bestaan op in Nederland.
Rond haar zestigste groeit de behoefte om op zoek te gaan naar familie. Het perspectief verschuift dan naar Esther, een bloedverwant die Lea op het spoor komt. Ondanks het enorme leeftijdsverschil ontstaat er een hechte vriendschap. Toch verzwijgt Lea lange tijd dat ze een zoon heeft. Uiteindelijk gaat Esther naar hem op zoek in Suriname.
Door het verhaal slingert zich als het ware de levensgeschiedenis van Kumanti (Kormantijn, Kormantin, Kromanti) Kodyo, een marronopperhoofd in de achttiende eeuw. Net zoals veel anderen ontvluchtte hij het juk van de slavernij en wist te overleven in de binnenlanden van Suriname, waar nog veel nakomelingen leven.

Kumanti Kodyo of de liefdes van Lea en Esther verschijnt bij GigaBoek en is verkrijgbaar in de boekhandel of via www.gigaboek.nl.

ISBN 978 90 8548 2031 – paperback 254 p. - € 19,50

Contactpersoon uitgeverij: Roel Koedijker, roel@gigaboek.nl.

Leven aan de Saramaccarivier

Bish Ganga, schrijver van het in Suriname veelverkochte Lalbahadoer; een fatale liefde (2008), maakt er ons op attent dat hij bezig is in een aantal verhalen het 'normale leven' uit het midden van de vorige eeuw van de bewoners van de rechteroever van de Saramaccarivier te schrijven. Inmiddels zijn er twee gepubliceerd in Hindu Life Magazine. Deze verhalen, aangevuld met nieuwe zal Ganga t.z.t. bundelen in een boekuitgave.
Wie helemaal naar beneden scrollt op deze blogspot vindt het verhaal '1960'.
.

maandag 17 augustus 2009

Gemma Weekes in Nederland

Gemma Weekes, Brits schrijfster met Caraïbische roots, is te gast bij Manuscripta, de opening van het boekenseizoen in Amsterdam (Westergasfabriek, zondag 6 en maandag 7 september 2009). Zij verzorgt diverse optredens.

Gemma Weekes werd in 1978 geboren in Londen, en pendelt momenteel tussen Londen en
Saint Lucia. Op haar zeventiende publiceerde zij haar eerste verhaal. Daarna ontwikkelde ze zich als dichteres, schrijfster en muzikante. Haar muziek maakt ze onder de naam
Goldyroxx. Haar debuutroman, Love me, verscheen onlangs in Nederlandse vertaling.

Hou van me is een debuutroman over een onmogelijke liefde die zich afspeelt in Londen en New York tijdens een heel hete zomer. Eden, halverwege de twintig, is onzeker, weet niet goed wat ze wil en is geobsedeerd door haar eerste liefde Zed. Wanneer ze Zed na jaren weer terugziet is ze onder de indruk van zijn sexy uitstraling en de overtuiging waarmee hij zijn raps spit. Eden woont elk hiphop-optreden van Zed bij en probeert zo cool mogelijk indruk op hem te maken. Zonder resultaat. Zed is meer geïnteresseerd in haar blonde vriendin, lelieblank en superslank. Maar is de blondine de enige reden waarom een relatie niet van de grond komt? Gaandeweg blijkt dat Zed en Eden een pijnlijke herinnering delen die ze onder ogen moeten zien om erachter te komen wat echte liefde werkelijk betekent.


Enkele persstemmen:
‘Een verrassende love story geschreven in het swingende ritme van een zwoel liefdesliedje dat je op een hete zomerdag uit een open raam hoort komen.’ – Robert Vuijsje
‘Een hartbrekend verhaal over een lange, hete zomer vol eenzaamheid, onbegrip en jaloezie, maar vooral over brandende liefde die zich niet laat verloochenen.’ – Opzij
‘De treffende personages, het goed getypeerde wereldje en de snelle, speelse dialogen maken Hou van me tot een glansrijk debuut.’ – The Guardian
‘Spitsvondig en onderhoudend van toon, een bewonderenswaardig zelfverzekerd debuut.
Hou van me is een opwindende, interculturele Britse roman vol hiphop.’ – The Independent

De website van Gemma Weekes vindt u hier
Of op My Space hier


Hou van me is een uitgave van Anthos, vertaling Marja Borg, isbn 978 90 414 1460 1, 336 pagina’s, € 19,95.


Speciaal voor Manuscripta, de feestelijke opening van het boekseizoen 2009-2010 op de Westergasfabriek in Amsterdam, zal het artistieke team van MC onder leiding van Marjorie Boston het nieuwe MC tori-seizoen aftrappen met een theatrale, muzikale en poëtische middag geïnspireerd op de Caraibische literatuur. Met onder andere te gast dichteres, schrijfster en muzikante Gemma Weekes (1978) uit Londen, bekend van haar geroemde debuutroman Love me, vertaald in het Nederlands als Hou van me (Uitgeverij Anthos), de Nederlandse zanger / songwriter Pete Philly en verhalenverteller Guillaume Pool uit Suriname, Jeffrey Spalburg host de middag. Voor deze tori moeten apart kaarten worden besteld via http://www.manuscripta.nl/mc. Met deze kaart (speciale prijs van 5 euro ipv 10 euro) kan ook de rest van het programma van Manuscripta worden bezocht. De eerste 20 online kaartkopers krijgen het boek van Gemma Weekes cadeau! De MC tori begint om 15:00 u bij MC op de Westergasfabriek.

zondag 16 augustus 2009

Die gozer met die koeie-oge; Rappa op de Letterendag

Voor de Tweede Caraïbische Letterendag op 5 september a.s. komt de schrijver Rappa over uit Suriname. De dag zal bijzondere aandacht wijden aan Edgar Cairo, onder meer via een toneelstuk, en Rappa neemt deel aan het debat na de pauze. De deelnemers dragen voor uit hun eigen werk en gaan in debat over de vraag wat de Grote Voorlopers in de literatuur voor betekenis hebben voor jonge schrijvers. Naast Rappa schuiven aan schrijver Abdelkader Benali, theatermaker Maarten van Hinte, beeldend kunstenaar en schrijver Michael Tedja en via een videopresentatie ook Ellen Ombre. Het gesprek wordt geleid door Noraly Beyer.


Het volledige programma van de dag vindt u door hier te klikken.


Plaats: grote zaal van de Openbare Bibliotheek van Amsterdam, Oosterdokskade (opzij van het Centraal Station).
Datum: zaterdag 5 september 2009.
Tijd: aanvang 19.00 uur exact.
Kaarten reserveren niet nodig


Hieronder een van de stukken waarin Rappa op karakteristieke wijze zijn ervaringen met lezen en schrijven vertelt.

Rappa

Onze leescultuur

Als er sprake is van een leescultuur, moet er op regelmatige basis iets te lezen zijn. Dus er moet ook sprake zijn van een schrijfcultuur. Wil die er zijn, dan moet er iets te schrijven zijn. Dus dan moet er stof tot schrijven zijn. En waar haal je die en dat stof vandaan? Dat stof dwarrelt elke dag naar beneden en bedekt ons en alles om ons heen met een laagje. Die andere stof, stof tot nadenken en als je dat hebt gedaan, stof tot schrijven, haal je uit de praktijk. Vaak is het datgene wat mensen doen, maar meer nog datgene waarover mensen het hebben, wat ze vertellen, hun tories, hun spreekstof. Daar haal je veel stof uit.

Ik moet zo een jaartje of zo oud zijn geweest toen mijn ouders mijn taalgebruik wilden reguleren. “Dit is water,” moet gezegd zijn. Ik zei:”Is nie water, is njeme-njeme.” Ik bleef dit stug volhouden, zodat mijn ouders het overnamen:”Geef hem z’n njeme-njeme,” of:”Hij wil koude njeme-njeme.” Zo leerde ik mijn moedertaal.

Een jaartje of wat verder, we reden rond in de stad, pa had net een auto aangeschaft, een Skoda, die kwam echt niet uit Japan, USA, Frankrijk of Holland. (Ai, Holland met z’n DAF, niet die trucks, maar dat variomatic wagentje dat bij het optrekken als een ouderwetse koffiemolen klonk.) We reden langs de Buitensociëteit Het Park; die eliteclub was toen gevestigd aan de Waterkant, nabij de Marinetrap, in de schaduw van het Fort Zeelandia. “Oom Fred is hier lid,” zei ma.
“Pa, ben je ook lid van hier?”vroeg ik.
“Nee,”zei hij.
“Oh, dus hier is alleen voor litten.”
Mijn ouders schoten in de lach. Ik was verwonderd. Waarom lachten zij mij uit?
“Nee jongen, hier is alleen voor leden,” zei m’n moeder. “Eén lid, twee leden.”
“Maar je zegt: één pit, twee pitten, want ik mag niet op die pitten van die knippa zuigen en tegelijk praten, anders gaat die pit in me keel, dan ga ik stikken.”
“Het is: één lid, twee leden,” zei pa.
“Dan is het ook: één pit, twee peten. En wat is het van potlood dan?”
“Twee potloden.”
“Nee,” zei ik eigenwijs, “één kind, twee kinderen, één potlood, twee potloderen.”
Weer werd ik smakelijk uitgelachen. Die potloderen hebben me nog lang achtervolgd, want in familiegezelschap werd deze anekdote die zich rond en nabij de Buitensocieteit Het Park heeft afgespeeld, steeds met groot succes, gezien de lachsalvo’s, doorverteld. Daar werd ook mijn eigenzinnigheid ten toon gespreid en de vreemde kronkels die ik blijkbaar van Onze Lieve Heer heb meegekregen. Niet voor niets antwoordde mijn oom (nu wijlen) op de vraag wie die R. Parabir was:”Oh, dat is die Rare,” dus zo mijn R. een typische inhoud gevend.

Toen moest ik leren schrijven, en daarbij bleek duidelijk dat ik links was, niet communistisch, dat kwam later een beetje, toen Humphry Keerveld en Bram Behr (beiden doodgeschoten, de ene in Guyana, de andere in Fort Zeelandia) met het Marxistisch-Leninistisch Centrum Suriname (MLCS) begonnen. Nee, ik bleek linkshandig te zijn, ik zou gaan schrijven met mijn verkeerde hand. Dus met kracht en geweld leerde ik rechts schrijven, op school, alsook thuis. Op school kreeg ik tikken op links en thuis werd mijn schrijfgerei op rechts vastgedrukt. We schreven nog met een griffel op een lei, en op de lagere school kwam daar de kroontjespen bij. Daar kon je mooi net als een speertje mee gooien op elkaar, nee, werpen naar elkaar. Maar met een kroontjespen leerde je echt schrijven, met die balpunt als modernisme leerde je alleen drukken, vandaar dat velen nu bijna dwars door hun papier drukken bij het schrijven. Moest je durven met je kroontjespen.

Op de middelbare school kwebbelde ik constant en vooral die bezadigde oudere leerkrachten konden daar niet zo goed tegen. Vooral die ene, een Hollander, één van de velen die we hier op contractbasis hadden, waarbij één tropenjaar dubbel telde op weg naar hun pensioen. Maar goed, zo werd kader naar de tropen gelokt, zo zou je kader nu naar ons binnenland kunnen krijgen en zo zou je kader in je land kunnen houden, want Suriname bevrucht al jaren de wereld met z’n kader: we staan volgens mij in de top 5 van de wereldranglijst van landen die hun kader ejaculeren.

Ik werd zodoende vaker de klas uitgestuurd, maar die ene keer werd bijna historisch; die Hollander kon niet op m’n naam komen:”Hé jij daar, nee jij, met die zwarte haren (hadden we allemaal), nee, die bruine (waren we min of meer allemaal; van zeer donker tot heel licht), nee, jij niet man, nee, jij, nee, ja, jjja, jij, die gozer met die koeie-oge, ja...,” en een ieder keek naar mij:”Ej Parra (mijn vrienden hadden dit nog niet omgedraaid tot Rappa), a kil e kaar joe.” (Die kerel roept jou). Ik werd uit mijn debat gehaald; volgens mij waren we achter in de klas heftig bezig te halen en te trekken over de vraag of je, als je snipverkouden was, beter een maandverband kon gebruiken om je overtollige neusboter in te snuiten (niet met je snuit, maar via je neus natuurlijk), dan een herenzakdoek. Nou, ik dus, die gozer met die ‘koeie-awge’, kon m’n boeltjes pakken en me gaan aanmelden bij de OoDee, de onderdirecteur. Die had er toch zo de pest in me weer op z’n matje te zien, dat hij zei:”Potverdomme kwebbelkous, wat ben je toch een verziekte leuteraar! Meld je de rest van het schooljaar om half zeven aan (de middelbare scholen beginnen nog steeds om zeven uur) en schrijf een strafopstel van één kantje met als titel:”Babbelzucht leidt tot ordemaatregelen.” Die eerste straf leerde me tot de dag van vandaag om half zeven op school te zijn; ik mag er trots op zijn dat ik in al die 35 jaar lesgeven maar vijf of hooguit tien keer te laat ben geweest, waarvan misschien twee keer door verslapen. Die tweede straf had die goeie man mij niet moeten geven, want die twee kantjes werden vier; ik explodeerde daar op papier en hij las het. Jaren daarna vertelde hij me dat hij die strafopstellen van me had bewaard, en dat het hem echt speet dat ze bij z’n laatste verhuizing zoek waren geraakt. Vooral die ene waar ik de school en de directie vergeleek met een moffen-concentratiekamp en ik de directeur betitelde als Blaffen Oberstormbahnhoffzweinhund (we kregen Duits en Europese geschiedenis, discongruente opsomming, ja, ja, ik weet het).

Toen de school (Het Surinaams Lyceum geheten, en niet dat Miranda-ding zoals ze het iets later vernoemden) vijf jaar oud was, mocht ik op voordracht van enkele leerkrachten een artikel indienen voor het Lustrumboek. Tot de dag van vandaag staat de inhoud (ik beschuldigde de regeerders van corruptie, vriendjespolitiek en a-nationaal beleid) nog recht overeind, het erecteert (wist u dat erectie vrouwelijk is?) tot vandaag. Daarna kwam de schoolkrant; mijn artikelen en idiote verhaaltjes maakten die tot de slechtste, maar meestgelezen schoolkrant van die tijd. Hetzelfde gebeurde in de Zondagkrant en de verhaaltjes daaruit werden in 1980 gebundeld en uitgebracht als Friktie Tories. De verhalen waren allesbehalve literair, waren oppervlakkig, neigden naar massalectuur, waren triviaal no moer, er zat seks in en het stikte van Surinamismen, maar tot de dag van vandaag zijn er zovele ouderen, die Friktie Tories als jongeren lazen en er een stuk leesplezier, een stukje leescultuur, een stuk identificatie en confrontatie met het eigene aan hebben gehad. En de jongeren die de verhalen nu lezen ondergaan hetzelfde. Maar zo pienter als we zijn, worden korte verhalen op het MULO geweerd van de literatuurlijst, ze hebben niets om het lijf, ze zijn te dun, die letters zijn te groot, het papier is niet wit en ze zijn te Surinaams, om maar een beetje de draak te steken met de drogredenen waarom vele leerkrachten (gelukkig echt niet allemaal) tot de dag van vandaag steengoede Surinaamse verhalenbundels (van Coen Ooft, van Ruud Mungroo, van Dobr(oe)(u), van Rappa, van John Elskamp, van...) en andere moderne uitgaven van de literatuurlijst weren, in feite censureren. En dan zijn het vaak diezelfde leerkrachten die klagen dat de jeugd niet leest, maar ze schepen die arme jongeren wel op met allerlei oubollig leesvoer, vaak dezelfde titels die ze te slikken kregen tijdens hun onderwijzers- en hoofdakteperiode. Laat de jeugd lezen wat de jeugd wil (Die eerste keer bijvoorbeeld) en daarna, als ze het lezen leuk zijn gaan vinden, buig je ze langzaam naar de literatuur die jij als leerkracht Literatuur met grote L vindt. Dan maken ze hun MULO af met een stukje leesplezier en dan trekken ze op de middelbare school geen zuur gezicht als ze alleen al de L van literatuur horen.
Ach, misschien maken we ons teveel zorgen, want volgens mij maakten de ouderen van toen zich ook ernstige zorgen om al die rommel die we lazen en die we neerpenden. Toen via hitsige liefdesbrieven, nu via puntige sms-jes, draadloos verzonden naar je geliefde. Nu schrijf je niet, maar je toetst. Zo toets je en word je getoetst.

[Eerder verschenen in Parbode]