donderdag 30 juli 2009

De vulkaan die niet slaapt

In 1938 vervaardigde de schilder Jan Adriaan Donker Duyvis een portret van Anton de Kom. Ik zag de pasteltekening voor het eerst op de tentoonstelling Black is Beautiful in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Al bij de eerste aanblik van het kunstwerk werd ik getroffen door de zuiverheid van het portret. Donker Duyvis heeft met grote opmerkingsgave, opmerkelijk psychologisch inzicht en veel gevoel voor subtiliteit De Kom afgebeeld. Hij heeft daarmee recht gedaan aan diens sensitieve persoonlijkheid en gelaagde karakter, met wie hij de toeschouwer op een ogenschijnlijk pretentieloze, maar welbeschouwd geraffineerde wijze kennis wil laten maken. Dit is geen geringe verdienste. Achteraf stel ik vast dat mijn enthousiasme voor de tekening in eerste aanleg ook zo groot was, omdat ik onverhoeds op het portret stuitte en aangenaam verrast werd door het bestaan van een mij nog een onbekende afbeelding van De Kom.





Laat het werk van Donker Duyvis ons een ‘andere’ De Kom zien? Voegt zijn schepping iets toe aan het beeld dat er van hem bestaat en dat gebaseerd is op enkele foto’s die al sinds jaar en dag circuleren? Bij oppervlakkige beschouwing moet het antwoord op deze vraag bevestigend luiden. Op de tekening van Donker Duyvis is De Kom opvallend ingetogen afgebeeld. Het hoofd voorovergebogen, de ogen neergeslagen, een houding aannemend van deemoedigheid en berusting. Dit beeld wordt versterkt door de zachte pasteltinten die de kunstenaar gebruikt, waardoor gezicht, bovenlichaam en achtergrond met elkaar harmoniëren en stilistisch een eenheid vormen. Alsof Donker Duyvis de Surinaamse activist en vrijheidsstrijder heeft willen neerzetten als een heilige, voor wie onbegrensd medeleven, eindeloos geduld en verzoening tot elke prijs het devies zijn.

Nadere bestudering laat van deze conclusie echter weinig heel. Beter gezegd: demonstreert de onvolledigheid ervan. Want wie goed kijkt, ziet op het gezicht van de geportretteerde ook een frons boven de wenkbrauwen, lippen die ietwat misprijzend op elkaar worden gehouden en kroeshaar dat in een bijna baldadige toren op het achterhoofd ligt opgetast. Hieruit spreekt opstandigheid, onbehagen en misnoegen, ingehouden weliswaar, smeulend en gistend, maar daarmee niet minder krachtig en betekenisvol. Een vulkaan die niet slaapt en elk moment tot uitbarsting kan komen. Juist omdat het gezicht van De Kom op de tekening alle aandacht trekt – Donker Duyvis heeft overhemd, stropdas en colbert met veel minder precisie weergegeven – springt het element van de tikkende tijdbom in het oog. In werkelijkheid betrof die explosiviteit overigens niet alleen De Koms activistische bestaan, maar ook zijn persoonlijk leven, zoals we vooral weten uit de documentaire die Frank Zichem in 1999 over hem maakte.

Over het ontstaan van het portret is weinig bekend. Donker Duyvis en De Kom kenden elkaar vermoedelijk via de Haagse Kunstkring, maar zelfs dat is niet helemaal zeker. De Haagse connectie zou kunnen verklaren waarom De Kom nooit door een kunstenaar uit de Amsterdamse scene (bijvoorbeeld Nola Hatterman of Jan Sluijters) werd geportretteerd, maar wel door zijn minder bekende stadgenoot Donker Duyvis, mede als gevolg waarvan het grote publiek zo lang geen weet heeft gehad van zijn bijzondere tekening. Men mag aannemen dat het initiatief voor het portret van Donker Duyvis is uitgegaan. Zijn werk past in een trend die in het interbellum in kunstenaarskringen spraakmakend was: het schilderen en tekenen van zwarte mensen, al dan niet vanuit politieke en sociale motieven. Onbekend is of dergelijke niet-esthetische beweegredenen ook voor Donker Duyvis hebben gegolden. Dit is wel waarschijnlijk in aanmerking nemende dat De Kom een uitgesproken links-radicaal profiel bezat. Ook Donker Duyvis’ Indische achtergrond zou een aanwijzing kunnen zijn voor zijn natuurlijke sympathie voor de vrijheidsstrijd die De Kom in een andere Nederlandse kolonie op gang wilde brengen.

Waarom is De Kom met Donker Duyvis in zee gegaan? Beschouwde hij het als eervol om te poseren en zag hij het portret als een alternatieve bijdrage aan de emancipatie van de zwarte mens waar hij zich tijdens zijn leven zo gepassioneerd voor heeft ingezet? Was het een vriendendienst aan de kunstenaar? Ontving hij een honorarium voor zijn medewerking dat hij gezien zijn benarde leefomstandigheden goed kon gebruiken? Waarschijnlijk deden al deze factoren (of in ieder geval een combinatie ervan) opgeld, al valt ook hierover niets met zekerheid te zeggen. Een niet minder interessante vraag is of De Kom inspraak heeft gehad in de totstandkoming van het kunstwerk. Hield Donker Duyvis rekening met de opvattingen van De Kom over de gewenste wijze van weergave van zijn persoon? Ook op dit punt tasten we in het duister, maar het is moeilijk voorstelbaar dat de collega-kunstenaars en (naar mag worden aangenomen) ideologisch gelijkgezinden niet van gedachten hebben gewisseld over de wijze van portretteren van De Kom.

Na die eerste keer ben ik nog een tweede keer naar de tentoonstelling in de Nieuwe Kerk gegaan. En weer werd ik als door een onzichtbare hand naar Donker Duyvis’ naturalistische kunstwerk toe geleid. Mijn fascinatie bleek onveranderd, evenals mijn bewondering voor de verfijnde stijl van de tekenaar. Sinds de beëindiging van de expositie moet ik het doen met de afbeelding van het portret in de tentoonstellingscatalogus. Die ontbeert de zeggingskracht van het eigenlijke kunstwerk, maar houdt de herinnering aan de contemplatieve en vulkanische kracht van De Kom levendig.

woensdag 29 juli 2009

Augusta & Anna Curiel & Suriname

.
Wateroverlast in de Domineestraat circa 1930, foto boekband.

Augusta Curiel, ‘fotografiste’ zoals op haar uithangbord aan de Domineestraat # 28 stond, heeft –met haar zus Anna als trouwe & levenslange handlanger– haar eigen ‘vlekkeloze’ visie gegeven op Suriname in het algemeen en Paramaribo in het bijzonder gedurende de eerste helft van de vorige eeuw: ondernemend, geordend, schoon, multicultureel, koningsgezind, maar vooral: b e e l d s c h o o n.

Noorderkerkstraat Paramaribo omstreeks 1908, helaas is alleen de Noorderkerk van de Hervormde Gemeente, hier in het einde te zien, nog in volle glorie behouden, # 57.

Lezend & kijkend in het magistrale fotoboek*) dat eind 2007 uit haar nalatenschap is samengesteld is als het ware haar levensopdracht terug te lezen uit de aanbeveling die werd meegegeven aan het in 1923 aan Koningin Wilhelmina bij haar 25ste ambtsjubileum aangeboden & opgedragen foto-album over Suriname. Het was een persoonlijk cadeau van Augusta & Anna aan Hare Majesteit. In een begeleidende brief van gouverneur Van Heemstra staat dat de dames “ijverige en fatsoenlijke mensen zijn, die hun uiterste best hebben gedaan omdat het immers voor de Koningin is” (cursivering van mij, RvdM).

De auteurs van het fotoboek zeggen hierover: “Het was ongetwijfeld de bedoeling van de dames Curiel om de koningin, die nooit in Suriname was geweest –en er ook nooit zou komen– met deze foto’s een indruk van de kolonie te geven. (…) Het album geeft niet alleen een beeld van wat de Curiels zelf hun mooiste en meest interessante foto’s vonden, ze schiepen hiermee ook een beeld van Suriname zoals het in hun ogen aan een hooggeplaatst persoon moest worden getoond. Bij het bekijken van de foto’s kan de koningin niet anders dan een positief beeld hebben gekregen van dit overzeese rijksdeel, dat in werkelijkheid in een permanente staat van economische malaise verkeerde, zeker in vergelijking met het veel bloeiender Nederlands-Indië.”

Erfwoningen Paramaribo omstreeks 1920, # 43.

Anna, heb ik zon? Wolkje, wolkje!
Het was aan de Domineestraat # 28 dat Augusta Curiel in 1904 haar zaak vestigde. De foto op de boekband laat een onder water gelopen Domineestraat zien zoals wij die tot op de dag van vandaag bij hevige regens nog kennen. Via een deur in de schutting naast het voorhuis bereikte men het achtererf waar Augusta en Anna vanaf 1904 tot de dood van Augusta in 1937 woonden en hun bedrijf uitoefenden. Daarna zette Anna de zaak op bescheiden voet voort tot 1952.

Augusta was de fotografe, Anna haar assistente. Samen gingen ze op het werk af, samen sjouwden ze door het warme Paramaribo met de zware houten camera: “die twee dames met hun affuit”. Hadden ze eenmaal de juiste locatie en het beste standpunt gevonden, dan installeerde Augusta statief en camera en verdween onder de zwarte doek. Op het matglas bepaalde ze de compositie en stelde scherp –ze zag het beeld op z’n kop en spiegelverkeerd. Dan stelde ze de belichtingstijd vast. Vervolgens schoof ze de gevoelige plaat in de camera en bepaalde het moment van afdrukken. Augusta, eenmaal opgesteld voor de camera, vroeg dan dikwijls vanonder de zwarte doek: “Anna, heb ik zon?” Zo niet dan antwoordde Anna: “Wolkje, wolkje.” Dan duurde het enige tijd voordat er iets gebeurde.

Augusta fotografeerde met een platencamera en gebruikte glasnegatieven van het formaat 18 x 24 cm en 13 x 18 cm. Welk merk camera –en of ze wellicht verschillende camera’s gebruikte– is niet bekend. Zij fotografeerde altijd vanaf een houten statief en nooit uit de hand. Zo was haar stijl, en met het zware type platencamera dat ze gebruikte was dit ook ondoenlijk. De weinige foto’s waarop ze fotograferend staat afgebeeld laten dit zien. Het gebruik van een statief blijkt ook uit de scherpte en de helderheid van de foto’s. Het is opvallend hoe haarscherp alles erop staat, tot in de hoeken van het beeld. Bewegingsonscherpte komt zelden voor, ook niet bij een vermoedelijk lange belichtingstijd. Niet voor niets vroeg ze aan Anna: “Heb ik zon?” Hoe meer licht, des te korter kon de belichtingstijd zijn.

Malebatrumstraat Paramaribo omstreeks 1930, met gezicht op filmtheater Tower, nu kantoor van Self-Reliance Verzekeringen, rechts op de hoek met de Wagenweg het voormalig woonhuis van Elisabeth Samson, bekend van Cynthia McLeod’s boek Elisabeth Samson, een vrije, zwarte vrouw in het 18e eeuwse Suriname, dat nu het Ministerie van Arbeid huisvest, # 41.

Het belang van Curiel’s werk
Het is uniek in de Surinaamse geschiedenis dat twee vrouwen, geboren en getogen in Paramaribo, zich zo intensief hebben beziggehouden met het visualiseren van hun eigen Surinaamse samenleving. Uniek is ook de onafgebroken periode van ruim 30 jaar waarin ze hun vak uitoefenden. Augusta en Anna waren van 1904 tot de dood van Augusta in 1937 bijna dagelijks met de camera in de weer. Ze moeten duizenden opnamen hebben gemaakt. Een deel daarvan is bewaard gebleven in diverse archieven en particuliere collecties in Suriname en Nederland; naar schatting zo’n 1200 foto’s, waarvan een groot deel in het Surinaams Museum te Paramaribo. Misschien zijn het er meer, misschien zijn het er minder, want niet alle foto’s kunnen met zekerheid aan de Curiels worden toegeschreven. Ook is het niet bekend hoeveel materiaal zich nog in particulier bezit bevindt.

Met hun registrerende blik, met hun documentaire fotografie over zoveel verschillende onderwerpen, hebben August & Anna een belangrijke bijdrage geleverd aan de verbeelding van de geschiedenis van Suriname, waarvan dit prachtige fotoboek op indrukwekkende wijze getuigt.

---------

*) Janneke van Dijk, Hanna van Petten-van Charante en Laddy van Putten, Augusta Curiel Fotografe in Suriname 1904-1937, KIT Publishers, Amsterdam 2007, € 29,50.

zondag 19 juli 2009

De Fabels van Kompader

Het laatste boek van Kompader maakt alweer benieuwd naar zijn volgende. Welk genre zal hij dan gaan beoefenen? Sansaña den Sabana, zoals zijn meest recente publicatie heet, bestaat uit twee dierenverhalen, verluchtigd met foto’s die Ariadne Faries heeft gemaakt. De Papiamentstalige fabels van Kompader, pseudoniem van Roy Evers, vaste columnist van deze krant, passen in het literair erfgoed van de orale traditie van de Nanzisprookjes en sommige vertellingen van Elis Juliana en Frank Martinus Arion.

Sansaña den Sabana (vrij te vertalen als Stront aan de knikker in Sabana) bestaat uit twee verhalen: Si bo koba tera, bo ta saka bichi (=hoe meer je in drek roert, hoe meer het stinkt) tot en met bladzijde 61, bestaande uit 22 hoofdstukjes en Kada porko tin su djasabra (=zoals jij mij belazerd hebt, zo zal ik ook jou belazeren), van bladzijde 62 tot en met 114, bestaande uit 19 hoofdstukjes. Beide titels zijn bestaande spreekwoorden (de titel van het boek is dat niet) die al aardig aangeven in welke richting dit boek gaat: er zijn misstanden, daar rijst verzet tegen, maar in plaats van tot een oplossing te komen, resulteert dat verzet in nieuwe misstanden. Het dorp Sabana wordt door pratende dieren bevolkt die erg op mensen lijken. Shon Ka (kakkerlak) en Yochi (dalakochi=sprinkhaan) zijn in het eerste hoofdstuk op de begrafenis van de alleenstaande, aristocratische, kinderloze en beeldschone Shon Dalia Ara (lorre) die bij testament tien goudstukken nalaat die aan de tien armste gezinnen van Sabana moeten worden gegeven. De koning, het is een publiek geheim dat hij haar minnaar was, moet er op toezien dat dit eerlijk gebeurt, maar vindt dit een onmogelijke opdracht omdat hij niet weet wie er arm is, aangezien er niemand is die van de honger omkomt. Zijn raadheer, dr. Palabrua (uil) stelt voor dat de Raad van Advies gaat uitzoeken welke de tien armste gezinnen zijn. Leden daarvan zijn onder andere vakbondsleider Bòchi Blòblò (blauwe hagedis), Moi Morkoi (landschildpad), Shon Ki Kinikini (torenvalk), Shon Pastor Palomba(duif) en Don Kolá Kolebra (slang). Yochi en Shon Ki kunnen niet door één deur, laatstgenoemde is politiek leider van de partij Kunuku Uní (Verenigde Akker), terwijl eerstgenoemde fervent aanhanger is van de partij Sabana Independiente (Onafhankelijk Sabana) van Wa Warawara (caracara), aartsvijand van Shon Ki.
Sabana is een naam voor een fictief dorp, maar het is voor de goede verstaander wel duidelijk waar het een parodie op is. Op bladzijde 17 wordt er meer over het dorp, of de provincie verteld. Sabana, met als hoofdstad Beverstad genoemd naar de eerste koning van de vijf provincies, vormt samen met de provincies Saliña, Montaña, Bahia en Baranka een koninkrijk. Iedere provincie heeft zijn eigen regering onder leiding van een gouverneur die Shon Rei vertegenwoordigt. Sabana Independiente wil uit het koninkrijk stappen en een republiek worden. Shon Ki is niet naar het buitenland gegaan om er te studeren (in tegenstelling tot Wa), maar heeft altijd op zijn akker gewoond en gewerkt totdat zijn lap grond zo groot werd dat hij lui in dienst moest nemen. Zijn beste arbeiders zijn Franssprekende, zwarte bokken en zijn politieke ambitie is de grondwet te wijzigen opdat de koning meer macht heeft over de provincies.
De Raad van Advies is te verdeeld om tot een eensluidend advies aan de koning te komen. De koning besluit tenslotte om de goudstukken dan maar niet te verdelen en ze in het graf bij de rechtmatige eigenaar bij te zetten.
In het tweede verhaal wordt De Mens geïntroduceerd, Dòspata (tweevoeter). Het verhaal wordt weer ingezet door Shon Ka en Yochi, gewone stervelingen, niets geen vakbondsleider, pastoor of anderszins high society. Terwijl Gran Kolebra (Grote slang) en Gran Djaka (Grote Rat) de put, de gratis watervoorziening, voor de andere dieren ten gelde willen maken, speelt het probleem van de verdwijning van onder andere twee puppies en negen tienervlinders. Niemand gelooft Shon Ka die met eigen ogen een buitengewoon vreemd dier heeft gezien, dat rijzig is, op zijn achterste twee poten loopt, de twee voorpoten gebruikt om elkaar en andere dingen vast te houden, die de mond tegen de ander zijn mond wrijft, met alleen maar haar op het hoofd en niet op de rest van zijn zichtbare lichaam; die niet bloot lopen maar die een tweede huid op hun huid dragen en ook voetbedekking dragen. Ja, de oude leguaan heeft wel eens door haar oma horen vertellen van Tweevoeter, maar dat waren educatieve verhaaltjes, over een boe-dier om je angst in te boezemen.
De angst voor het legendarische wezen dat toch echt aanwezig lijkt te zijn is sterker dan de verontwaardiging over het plan om water niet meer onbetaald te kunnen krijgen, zodat de elkaar bestrijdende dieren beslissen om de strijdbijl onderling te begraven om samen te gaan strijden tegen de vuurmakende kinderen van Prometheus. Maar als aan het eind van het verhaal De Mens even geheimzinnig is verdwenen als die eerst was verschenen, gaat het leven in Sabana weer gewoon verder alsof er niets gebeurd was.

Ariadne Faries
De kaft van het boek laat er geen twijfel over bestaan dat het dierenverhalen betreft. Schedels van verschillende viervoeters liggen op een rij naast elkaar tegen het oevergewas bij een zoutwater binnenmeer, als een moderne variant op een schilderij van James Ensor, de Belgische kunstenaar die zo raak de zotheid van het menselijk verkeer kon schilderen. Naast de fullcolour kaft staan er zestien zwart-wit foto’s van Ariadne Faries in het boek die de verhalen visueel verrijken. Volgens de fotografe is dit onder andere gedaan omdat het een bekend feit is dat er niet zoveel Curaçaoënaars een Papiamentstalig boek kopen als er alleen maar tekst in staat. De lezer van het Antilliaans Dagblad zal haar naam wel herkennen: Voor de rubriek A Face in the Crowd, Een portret van ... maakt zij altijd de foto die bij de tekst van Elodie Heloise wordt afgedrukt.
In het colofon van dit in eigen beheer uitgegeven boek staat ook vermeld dat er een redacteur aan te pas is gekomen. Hispanist en Papiamentist Reginald Römer heeft de redactie gevoerd en mede hierdoor is de spelling en de grammatica (en wellicht ook de vocabulaire) van deze publicatie uiterst verzorgd. Hulde aan een auteur die niet bij een uitgeverij huist, dat hij zelf een redacteur in de arm neemt. Een auteur uit het alternatief circuit als Wilfrido Ortega zou dat ook kunnen overwegen.

Traditie
De twee verhalen in dit goed geschreven en uitermate grappige boek passen in de literaire traditie die is ingezet door de orale verhalen van de sluwe spin Nanzi die geen eigen bezit heeft en geen (eer heeft van zijn) werk omdat het resultaat daarvan toch niet voor hemzelf is, zoals de slaven die hem uit West-Afrika hadden meegenomen, maar die wel slimmer is dan de koning en al zijn kennissen gebruikt of misbruikt om aan eten en status te komen. De traditie is in geschreven vorm in recentere tijd voortgezet door bijvoorbeeld Elis Juliana in zijn Aventura di un Kriki (avonturen van een krekel), die door een scherpe tekening van zijn mede-insecten deze diertjes te kijk zet alsmede zichzelf, en Frank Martinus Arion in zijn verhaal dat in twee talen is verschenen De ibismensmuis, een publicatie van stichting NANA. Het verschil met Juliana is dat Kriki in de ik-vorm is verteld en dat de schrijver ook de ik-figuur bespot, terwijl Kompader de alwetende verteller is die wel de gezagsdragers en iedereen die zich status wil aanmeten, maar niet het gewone volk bespot. Het verschil met Arion is dat weliswaar Arion ook alle hotemetoten te kak zet, maar altijd een edele hoofdfiguur ten tonele voert die een alternatief heeft voor de toekomst. Kompader beschrijft het zoals het is en biedt geen hoop op betere tijden, hij is toeschouwer die aan de kant van de straat zit en de belachelijkheid schetst van het menselijk gedoe, die lijkt te willen zeggen: zo is het nu eenmaal, daar verandert niemand iets aan en omdat het leven kort is kan je er maar beter om lachen. Wat deze auteurs bindt is het literaire peil van hun werk en de bruikbaarheid van hun werk in de hogere klassen van het middelbaar onderwijs.

Elk jaar één?
De eerste publicatie in boekvorm van Kompader verscheen in 2006. Si no yobe lo pinga heeft als ondertitel E soño di Katan en toen werkte Ariadne Faries ook al mee, als fotograaf en grafisch ontwerper. De titel is een spreekwoord dat zoiets betekent als Ik zal iets bereiken, hoe gering het ook mag zijn en de ondertitel betekent de droom van Katan. Katan is een dominante Curaçaose vrouw die haar mening niet onder stoelen of banken steekt. Ze woont in Otrobanda en maakt dagelijks van alles en nog wat mee en zet vaak zelf de boel op stelten. Het is een dun boekje van zestig pagina’s in ruim twintig hoofdstukjes, geschreven in versvorm. Dit debuut is opgedragen aan de twee kinderen van de auteur en aan alle andere Curaçaoënaars van ongeacht welke leeftijd. De avonturen van Katan zijn heel herkenbaar, iedereen heeft wel een Katan in zijn familie of kennissenkring. Leerlingen van havo 4 en hoger genieten van deze literatuur.
Een jaar later verscheen Awa di dos be no sa muha makaku. Zelfde uiterlijk en formaat (12,5 x 20 cm), iets meer bladzijden, weer ruim twintig hoofdstukjes, in verzen van meestal telkens vier versregels, Ariadne Faries verzorgt het grafisch ontwerp, dit keer fotografeert zij niet de illustraties want Wop Sijtsma maakt de tekeningen voor dit boekje over ene Nando, het prototype van de Curaçaose man. De titel (spreekwoord) is te vertalen als een ezel stoot zich in het gemeen geen tweemaal aan dezelfde steen. Ondertitel Nando, e machu kumplidó betekent Nando, het plichtsgetrouwe haantje. De auteur waarschuwt dat gelijkenis met bestaande personen geen toeval is omdat bestaande personen tot ons erfgoed behoren. Nando is met Mirna getrouwd en ze hebben twee kinderen. Nando heeft een eigen bedrijf en de daarbij behorende status in de maatschappij. Zijn zwakke punt is dat hij dierlijk reageert op ritselende rokken en graag de bloemetjes buiten zet, samen met zijn vriend Palu Fè. Zijn gezin lijdt hier nogal onder en protesteert tegen dit macho gedrag wanneer duidelijk wordt dat er een buitenechtelijk broertje (of zusje) aan komt. Dit boekje eindigt een beetje ongeloofwaardig met een sessie van het hele gezin bij de therapeut waarbij alles koek en ei wordt en Nando belooft om nooit meer buiten de pot te pissen. Ondanks dit stichtelijke einde ook erg geslaagd voor de lessen Papiamentu in de bovenbouw van de middelbare school. De boekjes zijn niet gespeend van dubbelzinnigheden en de personages bezigen een idioom dat niet zou klinken uit de mond van een hoogwaardigheidsbekleder.
Vorig jaar (2008) verscheen een ander genre: Komehein ta traha kas pa prikichi buta aden, een spreekwoord om uit te drukken dat je werk doet waar anderen hun voordeel mee kunnen doen. Dit is proza, een boek dat dubbel zo dik is als het vorige, in dierenverhaalvorm. Vanwege het scabreuze karakter minder geschikt voor middelbare scholieren.
Kompader zijn kracht zit hem tot nu toe vooral in de satire. Zal het literaire alterego van Roy Evers, in het dagelijks leven directeur van Curises, in zijn volgende boek weer personen of toestanden bespotten om het bespotten of zal hij een ander genre gaan beoefenen, een held opvoeren die de lezer een uitweg voorspiegelt? We zijn benieuwd. Als de schrijver hetzelfde tempo van publiceren aanhoudt, staat het antwoord wellicht in 2010 al in de rekken.

meer van Roy Evers: www.learnforfun.info

Kompader, Sansaña den Sabana, in eigen beheer uitgegeven, Curaçao, 2009, ISBN 978-99904-0-968-0, met foto’s van Ariadne Faries, 116 blz, formaat 12,5 x 20 cm.

Door Jeroen Heuvel

donderdag 16 juli 2009

Pamflet van Jules Marchena

Andere mentaliteit nodig voor autonome status

De nieuwe Curaçaoënaar in een autonoom land. Aan de ondertitel van het onlangs verschenen pamflet van Jules Marchena is duidelijk af te lezen dat de auteur het volk wil vormen tot meewerkende burgers aan het Curaçao van na de staatskundig veranderde structuur. Hoewel dat nogal een aanmatigende wens is zijn veel mensen het met de auteur eens dat op de eerste plaats de mentaliteit van de mensen hier moet veranderen. Hieronder volgt een bespreking van de Papiamentstalig publicatie gevolgd door de vraag welke doelgroep de auteur in gedachten zou hebben gehad.


Jules Marchena is geen onbekende. Hij schrijft bijdragen over Papiamentu poëzie die regelmatig in Het Antilliaans Dagblad de weekendbijlage verschijnen, onder de titel Passie onder de Zon. Minder bekend is dat Marchena ook over andere liefdes publiceert, maar dan in het Papiamentu: over voetbal en mental training daarbij, over het huwelijk en de opstelling van de partners hierin en over de kracht van positief denken, hoewel hij in het Papiamentu dat pamflet de mogelijk tot verwarring leidende titel Poder di Positivismo heeft meegegeven. Het gebruik van de term positivisme, ook de grootste bank die onze vriend beweert te zijn doet dat, hanteert hij hier verkeerd. Positivisme betekent niet: positief denken en de eventueel daarbij horende spirituele opstelling; positivisme is een richting in de filosofie die het gebied van het weten bepaalt tot wat met de vijf (niet meer) zintuigen kan waargenomen worden, en die bij de daaruit afleidbare wetmatigheden, ook op het gebied van de moraliteit, blijft staan, zonder zich te laten leiden door het bovenzinnelijke. Dus zijn boekje heeft niets met deze wijsbegeerte te maken. Maar dit terzijde. Wat staat er in onderhavig pamflet, dat gesponsord is door fundashon ‘Paps’ Capriles?

In het voorwoord van prof. dr. ing. Valdemar Marcha schrijft hij dat hij ,,bijzonder tevreden is dat Jules Marchena zich mengt in al het geschreeuw en geruzie over modellen voor en juridische processen over de herstructurering, omdat hij Marchena beschouwt als een groot kenner van zijn volk en Curaçaoënaar tot in het diepst van zijn ziel.” Hij legt helaas niet uit wat dan wel een yu di Kòrsou is. De nieuwe mentaliteit is nodig omdat ,,we niet langer door kunnen gaan met de zelfde traditionele manier van denken. We moeten onszelf bekeren of omvormen tot burgers met een veel hoger moreel, intellectueel en religieus niveau. Deze verandering hangt van onszelf af; wij hebben dat in eigen hand.”

In de inleiding schrijft Marchena dat hij wil praten over het fundament voor een succesvolle toekomst: de MENS, de nieuwe yu di Kòrsou. Uitgangspunt is dat ,,wij een schepsel Gods zijn, geschapen naar Zijn beeld.” Mijn vraag is dan: en al de criminelen dan? Marchena komt met het antwoord op bladzijde 6: ,,Maar er treedt een complicatie in ons leven, omdat wij ook een EGO hebben. Ons EGO is het plantaardig-dierlijk deel in ons.” Ik ben hier niet tevreden mee, want dit is al een contradictie met zijn uitgangspunt. Maar we blijven bij het boekje van Marchena. ,,Eén van de belangrijkste eigenschappen van het EGO is ANGST!” In de laatste zin van zijn inleiding concludeert de auteur dat hij ,,met eilandkind verwijst naar iemand die in een fase is aangekomen waar hij geleerd heeft zijn EGO tot op zekere hoogte te beheersen.”


De kern van de publicatie bestaat uit vier delen. Elk deel behandelt een aspect van het mens zijn. Achtereenvolgens zijn dat Jij en jezelf (blz 9-23), Jij en je naaste (24-28), Jij en je maatschappij (29-36)en tenslotte Jij en je dromen (37-38). In deel 1 behandelt hij de basisvoorwaarden voor geluk en succes, de wet van de aantrekkingskracht, positief denken, van jezelf houden en het wekken van de reus in jezelf. Deel 2 gaat over verbale communicatie met de ander. In deel 3 beschrijft hij zijn visie van de Nieuwe Curaçaoënaar. Hij doet dat heel anders dan bij voorbeeld Barche Baromeo die in zijn roman E Parto droomt over de mentaliteitsverandering die 30 mei 1969 volgens hem teweeg zou brengen; zie hierover het artikel van Erich Zielinski dat op 29 mei jongstleden in het Antilliaans Dagblad heeft gestaan. Marchena herhaalt allerlei kenmerken die ook in het tripartiet overlegmodel staan dat de Kolaborativo die begin 2002 is ontstaan met vertegenwoordigers van werkgeversorganisaties, vakbonden en overheid. Uitvloeisel daarvan is bij voorbeeld de conferentie van 18 januari 2008 in het WTC dat heeft geresulteerd in het herculisch plan: Labor Force Development Policy and structural Proposal. In ‘Hoezo dialoog?’ van Catrien Ariëns, een documentaire over de sociale dialoog op Curaçao en de noodzakelijkheid van samenwerking om tot veranderingen te komen, komen veel mensen aan bod die zoals Marchena het beste voorhebben met dit eiland waar binnenkort het ei afvalt.
Het boekje besluit met enkele imaginatie en bewustzijnsoefeningen. Storend is dat taalliefhebber Marchena daarin Amerikaanse woorden als strong en boost gebruikt, terwijl hij daar het Papiamentu fuerte en empuhe had kunnen gebruiken.

Voor wie?
Veel mensen hebben een mening over het veranderen van de mentaliteit van mensen die op Curaçao wonen, wil de toekomst voor de bevolking van Curaçao beter worden. Veel mensen denken er al over na, zijn zich er al bewust van. Marchena verwoordt de mening of delen daarvan van veel hier woonachtige of geboren mensen. Voor wie heeft Marchena zijn pamflet dan geschreven? Volgens de eerste zin in het voorwoord is deze publicatie geschreven voor ons volk (nos pueblo) en in zijn laatste zin wenst prof. dr. ing. Valdemar Marcha dat iedereen die van Curaçao houdt het zal lezen. Ik vraag me af of het niet een overbodige publicatie is. Koopt iemand die niet wil dat de mentaliteit verandert dit? Is niet iedereen die het ,,goed voorheeft met het bijna nieuwe land” al lang allerlei boeken, pamfletten, essays, artikelen en argumenten aan het lezen, in welke taal dan ook. Of is het bestemd voor analfabeten? In dit boekje staat niets dat waarde toevoegt aan de lokale situatie. Begrijp me niet verkeerd: er is niets - tot weinig - mis met de inhoud van Mentalidat i outonomia, maar wie gaat dit lezen? Ik zou graag willen dat ik het kon aanbevelen voor de middelbare scholen, maar daarvoor is de vormgeving veel te saai, alleen maar tekst.

Nee, Jules, ik lees je ‘Passie onder de Zon’ altijd met veel plezier. Ik kijk dan ook uit naar je volgende leesverslag van Antilliaanse gedichten, daar staat altijd wel iets nieuws in, daarmee bekoor je me en bekeer je me zelfs in de strikte zin van het woord, omdat ik dan anders, verrijkt, het gedicht lees. Maar waarom je nou een drang om mijn mentaliteit te bekeren hebt gepubliceerd ...?

dinsdag 14 juli 2009

Brigi-Digi-Dam: CD met nieuwe Surinaamse kinderliedjes van Ruth Koenders

Eind vorig jaar is het repertoire van Surinaamse kinderliedjes na jaren weer eens aangevuld met hoognodige nieuwe oogst, en een mooie oogst: 15 oorspronkelijke liedjes, 11 in het Sranan en 4 in het Nederlands.

Ruth Koenders, liedschrijfster/componiste, is in Suriname geen onbekende. In de loop der jaren heeft zij een aantal malen deelgenomen aan het Suripop Festival, een competitie voor liedschrijvers, waar zij twee keer een eerste prijs heeft behaald: in 1983 met haar lied Boni Doro in de categorie ‘politiek’, en in 2000 met het lied Yu na mi son, waarmee zij de veelbegeerde Jules Chin A Foeng-trofee veroverde. Buiten Suriname wist zij in 2006 in de door de Amerikaanse Innovation Entertainment Group georganiseerde 1st International Lo-Budget Love Songwriting Competition de eerste prijs te behalen met haar lied Pasensi Kado (ondanks de Sranan tekst!).


Ruth met Muze Facienne









Gedurende haar recente ervaring als directrice van een crèche annex peuter-/kleuterschool werd zij geconfronteerd met het gegeven dat er zo weinig aansprekende Surinaamse kinderliedjes bestaan. Zelf zegt zij hierover: “Tijdens mijn speurtocht naar wat er onder andere op het internet voorkomt aan Surinaamse kinderliedjes heb ik gemerkt dat er grote misvattingen bestaan over kinderliedjes in het algemeen, maar in het bijzonder over Surinaamse kinderliedjes. Surinaamse kinderliedjes worden vaak in één adem genoemd met bekende Surinaamse volks- liedjes, meestal afkomstig uit de slavenperiode, die echter lang niet altijd kinderlijk van inhoud en/of kindgericht zijn.”

Ook vroeg Ruth zich af: “Wat is nu een kinderliedje? Ik heb geprobeerd”, zegt ze daarover, “een definitie te formuleren van wat een kinderliedje is en ik kom tot: ‘Een kinderliedje is een liedje dat spreekt tot de verbeeldingswereld van een kind en dat bedoeld is om op muzikale wijze het kind iets aan te leren of ergens toe te bewegen, of het nu gaat om een spel, om basis-vaardigheden, of gewoon om blij te zijn of te worden.’ Een mond vol, maar dat is nu precies wat ik vind dat een kinderlied is en moet zijn.” Vanuit deze gedachte en geïnspireerd door de spontaneïteit van de kindertjes van haar Sjommi-school en veelal ook in samenzang met die kindertjes zijn deze liedjes ontstaan.

Het zijn liedjes geworden die perfect aansluiten bij de leef- en belevingswereld van het Surinaamse kind. Dus niet langer meer Berend Botje, maar Anansi koni, Iwan e prey opobal, Meneer de Kakkerlak, Wakawakamira, etcetera, en dan in gangbare muziekstijlen als kaseko, salsa, bhaitak, ghana, wals; kortom voor elk wat wils, van heuse 'rap' tot slaapliedje. Of zoals Ruth bezingt hoe zij van haar grootmoeder heeft geleerd een pop te maken van een overal in Suriname groeiende stugge grassoort:

Tiki popki

Mi gran-mma ler' mi meki
wan tikipopki tide
a har’ wan grasi kaw a rutu
dat n’ a f’ wwir' a popki ede
a tek’ wan swarfutiki
fu meki den anu
ma ke mi tikipopki
hab’ soso wan futu

Mi gran-mma ler’ mi meki
wan tikipopki yapon
a kot’ wan olo n’ in wan krosi
now popki kan prodo kon

A popki no d’ ’a wenkri
fu seri efu bay
yu sref’ kan mek tikipopki
no wan sensi yu e pay

Ay, mi lobi
tikipopki (4x)

De CD is uitgebracht door de Stichting No Fasi Productions te Paramaribo, code 7 05105 78109 9, en bevat een boekje met alle teksten.
Voor Ruth Koenders, ga naar: [http://surisra.wordpress.com/].

maandag 13 juli 2009

Verdriet verwerkt met woordkunst

Over de roman Erfdeel van Giselle Ecury


Verdriet is universeel, het is herkenbaar blijkt uit allerlei liedjes, gedichten, brieven en boeken. Hoe ga je er mee om? Blijf je er in hangen of wordt je er wijzer van. Van de verwerking hangt het af of het interessant is voor iemand anders. De zwaarte van andermans hartzeer invoelen is niet makkelijk, het zielenleed van een ander is meestal minder erg. Het kan als gezeur overkomen, het kan tot leedvermaak leiden, of het kan je eigen verdriet relativeren en het kan je raken van binnen, echt ontroeren. In dit laatste geval is de verteller erin geslaagd de hoofdpersoon kwetsbaar neer te zetten, dan wil je als lezer, luisteraar weten hoe het verdriet wordt geleden en verwerkt tot mogelijk een bron van (nieuw) geluk. Giselle Ecury is zo’n verteller die het lukt om verdriet dusdanig te beschrijven dat het ‘mooi’ wordt, dat het meer is dan alleen maar wat ze beschrijft, dat het kunst wordt, letter-kunst. In ieder geval in haar roman Erfdeel.
Op het eerste gezicht lijkt de roman te gaan over verdriet om een weggelopen vader, heimwee naar de geboorteplaats, verdriet om ongewilde kinderloosheid en een lege relatie, maar bij nader inzien blijken dit aanleidingen te zijn voor waar het echt om gaat: hoe je groeit door deze tegenslagen, hoe de hindernissen in het leven je rijker kunnen maken, hoe je door de troost van muziekkunst en letterkunde je erfdeel kunt verwerken tot geestelijke groei.
Of neemt Ecury de lezer in de maling? Een eigenschap van goede vertellers is dat ze je op een verkeerd been kunnen zetten. Het motto van het boek luidt: Mundus est fabula, dat betekent: De wereld is een kinderverhaal, is maar schijn. Wil ze daarmee zeggen dat de roman niet over mensen van vlees en bloed gaat? Op bladzijde dertien denkt de ik-figuur dat de romanwereld niet echt is, ,,Hier begint een sprookje uit een boek dat mij vroeger voorgelezen werd.” Het motto komt terug op bladzijde 52 in het volgende fragment waarin de ik, Carmen Gonzalez een recital bijwoont van de sopraan Clara van Schoonhoven. Als toegift zingt deze sopraan het Ave Maria van Schubert:
,,Haar stem bracht me terug naar mijn overleden moeder, zoals ze eruitzag in haar blauwe vest. Het leek alsof ik zweefde. Rondom Clara zag ik een ijl en helderwit licht. Ik wilde dat dit altijd zou blijven voortduren. Ik hoorde hoe ergens vlakbij een man onbeheerst begon te snikken. Opwellend verdriet vanuit de diepte. Misschien was het jarenlang verborgen leed, dat nu de stilte in de zaal opeens verbrak. Het stoorde me niet. Ik denk omdat ik het begreep. Het duurde slechts even. Toen werd het weer, alsof ik van de aarde weg was tot Clara van Schoonhovens stem zweeg en de laatste toon zich nog lang in de vleugel verschool. Het werd allesomvattend stil. Het bleef stil. Ik weet nu nog dat ik hoopte, dat het zo zou blijven. Ik wilde niet teruggehaald worden naar de zaal. Het leek alsof ik door een glaswand een andere wereld binnengegleden was. Ave, glanzende, schitterende, doorschijnende wereld. Ave Maria. Mundus est fabulus. Voor het eerst leek het leven me goed, zoals het was tot het laatste applaus losbarstte. Een staande ovatie. Het was voorbij.”
Neen, Ecury neemt je niet in de maling. Wat ze wel doet is de lezer uitdagen tot een soort van interactief lezen. Het echte leven willen vatten en het daarom omzetten tot een doorschijnende, schitterende, glanzende wereld, die net zo echt is. De schrijfster waarschuwt op bladzijde 36, dus in het begin van het boek al, hoe de schijn wordt opgehouden in het huwelijk van Carmen en Paul. Dit soort knipoogjes naar de lezer verhogen het leesplezier. Als Carmen op kamers gaat wonen ontmoet ze Paul al snel:
,,Hij wilde een kind, het liefst direct, maar dat zou niet verstandig zijn zolang we nog studeerden. Het vertederde me. Ik wilde ook graag kinderen. Hij spaarde al jaren voor een huis. Een groot huis, voor een groot gezin. Hij wilde graag een hond om voor te zorgen, net als ik.” (...) ,,We kochten een huis met een grote tuin die beide opgeknapt moesten worden en ik deed zoveel mogelijk zelf. Ik leidde mijn eigen huishouding op mijn manier. Paul was gelukkig. En ik was dat ook. Dacht ik.”
Twee woordjes waar je bijna overheen leest. De roman is eigenlijk net begonnen, er moet nog van alles gebeuren met de hoofdpersoon en dus ook in haar huwelijk. Carmen is geboren op een van de eilanden in de Caribische zee uit een Antilliaanse vader en een Nederlandse moeder. Als ze zes jaar is, vertrekt de vader op een nacht voorgoed. Op de kaft staat als een soort ondertitel Zoektocht naar een vader. Na dit plotse vertrek gaat de moeder met Carmen in Nederland wonen. Hoe is de relatie met moeder? Niet zo best, getuige bladzijde 15: ,,Ik had moeten zien te overleven met wat er nog wel voor me over was: mijn moeder en een vreemd land die beiden ontkenden wat ik gekend had.”
Dus Carmen heeft geen vader meer, aan de moeder, die haar op late leeftijd gekregen had, heeft ze niet zo veel en het huwelijk is ook niet geslaagd. Kortom genoeg ingrediënten voor veel verdriet. Daar komt nog bij dat Carmen geen kinderen kan krijgen. Hierover heeft het tijdschrift Margriet een interview met de auteur gepubliceerd, te vinden op de website van Giselle Ecury.
Erfdeel is een pakkend boek, mooi verteld en goed opgebouwd. Een voorbeeld over de structuur. Naast de ik-figuur hanteert Ecury het hij-vertelperspectief en het zij-perspectief. De roman is verdeeld in een proloog en vijf delen. In het tweede deel beschrijft de auteur de vertrokken vader. De inhoud wordt in deze bespreking niet verklapt. In het derde deel laat de schrijfster de lezer nader kennis maken met Clara van Schoonhoven, het blijkt dat er allerlei verbanden zijn met Carmen, zoals bij voorbeeld de goede (herinnering aan de) vaderband die bij Clara veranderde toen haar vader kwam te overlijden toen Clara zestien was. In het vierde deel kruipt Ecury weer in de huid van de ik-figuur. Carmen gaat naar haar geboorte-eiland terug. Het laatste deel beslaat amper twee bladzijden, het is een soort epiloog, maar zo noemt de woordkunstenaar het niet; en ook niet in de lijn van de verwachting ‘Vijfde deel’. Ecury noemt dit laatste deel ‘Erfdeel’. Ze speelt daarbij zo goed met de taal, dat dit woord niet alleen slaat op iets wat de vader heeft nagelaten, maar ook op iets tastbaars van Clara voor Carmen én op de innerlijke groei die Carmen heeft doorgemaakt.
Over dat spelen met de taal is nog veel te zeggen. Eigenlijk zou het grootste deel van deze recensie daarover moeten gaan, ware het niet dat in een krantenartikel vooral ook nadere informatie over het boek thuishoort. Om te beginnen staan er naast het hoofdmotto nog twee motto’s in de roman. Het zijn allebei zo erg bekende citaten dat ze cliché zijn geworden: Partir, c’est mourir un peu en East is East and West is West and never the twain shall meet. Ecury gebruikt het Franstalige citaat niet alleen voor de vader en het lege gevoel waarmee de dochter achterblijft alsook voor Paul die volgens zijn vrienden zo kapot is van het feit dat Carmen bij hem weggaat, maar ze gebruikt vooral het schijnbare tegendeel van dit motto om aan te geven dat het vertrekken voor Carmen slechts een kléin beetje sterven betekent. Ecury legt hiermee een andere klemtoon op het cliché: ‘un peu’ wordt benadrukt, alsof ze wil zeggen: Partir, c’est vivre beaucoup. Het citaat over de onmogelijkheid dat Oost en West elkaar zullen ontmoeten, wordt als lemma bij het tweede deel (dat over de vader) anders gebruikt door een minimale wijziging. Er staat dan niet meer: And never the twain shall meet, maar ...and ever the twain shall meet, iets dat niet alleen een gegeven is voor een kind uit een gemengd huwelijk, maar dat een eeuw nadat het door Rudyard Kipling voor het eerst is geuit ook voor veel wereldburgers realiteit is geworden. Prachtige paradoxen schept Ecury die met tussenpozen zo’n dertien jaar aan deze roman heeft gewerkt.
Het woordspel levert niet alleen al bij de inhoudsopgave een genoegen op, ook bij de weloverwogen woorden in de hele roman. Bij voorbeeld in de openingszinnen van de verschillende delen. ‘Zoals Clara van Schoonhoven haar hond riep, zo heb ik nog nooit iemand zijn hond horen roepen.’ Zo begint de proloog en deze zin wordt herhaald als beginzin van de laatste paragraaf van het eerste deel. Ecury overweegt haar woorden nauwkeurig als een poëet, en laat Carmen dan ook twee gedichten schrijven. Ecury heeft overigens zelf ook een dichtbundel gepubliceerd. Maar terug naar de beginzin over de hond. Dat is een pakkende zin. Misschien niet zozeer als je die uit de context gerukt plomp verloren eenzaam en alleen ziet staan, maar wel in het hele verband. Vooral omdat deze zin vijfenzestig bladzijden later nog eens herhaald wordt. Het is de openingszin van deze roman, je kunt hem bijna gebruiken om te mediteren over de inhoud van het hele boek. Er wordt een vergelijking in beschreven; er wordt een personage opgevoerd, Clara, die naam houdt een heldere belofte in en in de achternaam staat Schoon, synoniem voor mooi, je kan zelfs de hof die in haar achternaam zit verbinden met het Erf van de titel en dan wordt er een, voorlopig naamloze - maar iets verderop gaat het om drie tonen die zuiver en onvervormd werden meegevoerd door de wind - hond opgevoerd, een huisdier dat bij de drie belangrijkste romanpersonages, Carmen, Clara en bij de vader een zuiverende, troostende rol krijgt toebedeeld. De lezer kan zelfs zover gaan om in deze zin het spel met ‘haar’ en ‘zijn’ aan te gaan. Ander voorbeeld: de openingszin van het laatste deel, De tafel is gedekt, stelt de lezer gerust: dit is een huiselijke, vreedzame sfeer. Eind goed, al goed. Kortom, de schrijfster heeft plezier in haar werk en dat plezier werkt aanstekelijk. Als Carmen besluit om eindelijk terug te gaan naar haar geboorteplek komt meteen het hoofdthema terug: Beschouw je verdriet als een uitdaging om gelukkig te worden. De beginzin van het vierde deel is een schot in de roos: ,,Het is vreemd dat je soms zomaar ineens greep hebt op gebeurtenissen uit je leven.” De lezer die zich mee laat voeren door Giselle Ecury is niet alleen getuige van een prachtig verteld verhaal, maar kan ook troost putten uit het door Carmen verwerkte verdriet. Troost die alleen echte kunst kan bieden.

Giselle Ecury: Erfdeel: Schoorl: Conserve 2006, ISBN 90 5429 224 5.

Panman, film van Ian Valz

Panman vecht voor Caribische identiteit

Wees je zelf, imiteer niet iets wat je niet eigen is. Dat is de boodschap van de steelpanmusicus (het engelse woord steelpan wel te verstaan) in de film Panman, the rhytm of the palms. Als Caribiër ben je geen Noord-Amerikaan, Afrikaan noch West-Europeaan. Zoals de geografische ligging van ieder eiland in de regio uniek is, zo is identiteit van elk volk ook uniek. Die identiteit komt tot uiting in de cultuur, onder meer, in de muziek.

In de film kiest de hoofdrolspeler Harry voor een typisch Caribisch instrument. De steelpan is ontstaan uit ijzeren olievaten. De bodem is met hamergetik dusdanig bewerkt dat er hele toonladders op gespeeld kunnen worden. Harry is gestimuleerd door zijn grootmoeder om zijn eigen ding te doen en hij geeft op zijn beurt weer les aan jonge kinderen om de kunst van het vak in de steelpanstokjes te krijgen. Maar de moderne wereld rukt op en verdrijft het geluid van de steelband. De film vertelt vanaf dit moment op een rustige, ontroerende manier het verhaal van de Panman en zijn obstakels als hij trouw blijft aan zijn oma, eigen identiteit en liefde. De acteurs zijn erg goed op elkaar ingespeeld, en komen heel natuurlijk over. Je voelt dat ze de toneelversie van dit verhaal al vaak samen hebben gespeeld. In het begin is het technisch gesproken even wennen aan de zeer contrastrijke kleurschakeringen in de film en aan het zeer on-Hollywoodse tempo. Als je je echter laat meevoeren in deze langspeelfilm die zeer weinig geld heeft gekost (volgens co-producent Norman de Palm slechts vier ton), dan kom je langzaam maar zeker in het voor de Cariben unieke en typische ritme van de wind door de palm. De prent heeft niet voor niets in zijn zeer jonge bestaan al twee belangrijke prijzen in de wacht gesleept.

In teatro Luna Blou.

Surinaams-Joodse-verzetsvrouw worstelt met haar Joodse identiteit

Tante Bettina vertelt is een recent uitgekomen novelle van Michal M. Bergen. Het is het verhaal van een harde Surinaams Creools-Joodse vrouw die als een van de eersten reeds voor de Tweede Wereldoorlog naar Amsterdam kwam. De strijd in Suriname in haar familie, de afstamming van slaven en de weggedrukte Joodse identiteit komen daarin aan de orde. Maar ook haar heldhaftige optreden tijdens de oorlog, waarin ze, doordat haar Joodse achtergrond niet werd onderkend, verzetswerk deed en onderduikers in haar huis opnam. Totdat zij verraden, gevangengenomen en gedeporteerd werd. Op wonderbaarlijke wijze overleefde ze ook die verschrikking.

Het verhaal wordt verteld vanuit het gezichtspunt van een eigenzinnige nicht (de ik-figuur), die na de oorlog bij haar komt inwonen en met wie een diepe wrijving ontstaat, welke vele jaren later tot uitbarsting komt. In dit op ware feiten gebaseerde boek over haar tante verwerkt Michal Bergen ook gegevens uit haar eigen leven. Zij was, tot zijn overlijden in 1985, echtgenote van de bekende Duitse muziekproducent Nils Nobach, die werkte met o.a. Cliff Richard, Gilbert Bécaud, Conny Froboess en Salvatore Adamo.

Aan het boek werkten mee Dick le Mair, veelzijdig musicus en componist met wie Michal eerder twee cd's met liederen en declamaties heeft uitgebracht, en Corine Y. Warnink.

Uitgeverij Mi'akeev, Hoofddorp, isbn 978-90-814172-1-1). Distributeurs JMM en CB

Meer informatie is hier te vinden.

Lasana Sekou in Oxford Poetry Book and Caribbean Encyclopedia

by Jacqueline Sample

Great Bay, St. Martin (February 21, 2006)—St. Martin poet/author Lasana M. Sekou started 2006 the way he ended 2005, featured in another important book on Caribbean literature and culture.

In January 2006, the double-volume Encyclopedia of Caribbean Literature, the first of its kind, was published in the US and in the UK by Greenwood Press. “I am happy that the editor of the first encyclopedia of Caribbean Literature selected Lasana as one of the literary people to write about.
“To be in this book means that a St. Martin author is considered as one of the important writers of our region,” said Rhoda Arrindell, literature instructor at the University of St. Martin (USM).

The hardcover encyclopedia consists of a whopping 1,016 pages of text, photos, and maps. D.H. Figueredo —author, researcher, and director of the Library and Media Center at Bloomfield College—edited the Encyclopedia of Caribbean Literature. The two volumes, size 7 x 10, are sold for $199.95.

The acclaimed Cuban scholar Emilio Jorge Rodríguez wrote Sekou’s profile. “Serious people from around the world are starting to take a closer look at the quality of writers, books, and a national literature coming out of St. Martin.
“This should inspire more writers and writings from the island in a strong way,” said Arrindell, who also heads the language division at USM. The two-volume tome includes more than 700 entries written by over 20 experts.
“In this month of celebrating history, we can say that Lasana is making some more history for his St. Martin people by being featured with the greats like St. John Perse, Derek Walcott, Nicolas Guillen, George Lamming, Leon Damas, Anton de Kom, the Naipaul Family, Pedro Mir, Maryse Conde, Kamau Brathwaite, Frantz Fanon, and Fidel Castro—all of whom are featured in the encyclopedia.”
In addition to the legion of authors, the publication profiles the region’s literary and socio-cultural movements, among other critical, interconnected aspects of its history, culture, and politics from, refreshingly, every language zone and the Caribbean Diaspora (prior to the early 1800s and up to the present).
The Encyclopedia of Caribbean Literature also reveals how the region’s literature and socio-cultural dynamics continue to impact not only Caribbean people but writers; literature, music, and art; and socio-cultural and political developments throughout the world.

When Oxford Speaks?

In December 2005, Sekou’s poem “Liberation Theology” (Mothernation, 1991) was published in The Oxford Book of Caribbean Verse. This is the newest anthology of Caribbean literature. The editors, Stewart Brown, a London-based poet and critic and Dr. Mark McWatt, an award-winning author and UWI professor of literature, cover 100 years of poetry that they consider to have been among the best and most telling of the last century of Caribbean reality and aesthetics.
To the editors, “The Caribbean has produced what is arguably the most vigorous and exciting body of poetry in the twentieth century, and this anthology will be the first to cover all its major languages.” The 440-page book further covers from the established “to less acclaimed poets of the 20s, 30s, and 40s, and exciting new voices from the 80s and 90s.”
The some 154 poets featured range from Derek Walcott, Aimé Césaire, to Jesus Cos Causse and Olive Senior, to Chiqui Vicioso and Jacques Roumain, to Jennifer Rahim, Kendel Hippolyte, Julia de Burgos, the Dawes family, and Nydia Ecury, Mutabaruka, Rooplal Monar, and Linton Kwesi Johnson.
Fabian Badejo, an impatient advocate for the Caribbean to become the primary publishing center for its own literature, and who broke the news here about the book on the Culture Time radio program last December, said that, “Oxford is still a citadel of Caribbean literary publishing.
“When Oxford University Press publishes a selection of Caribbean poets it is an announcement to the world about who’s who in a region that has produced an unprecedented amount of winners of the Nobel prize in literature given both its small geographic and population size.”
According to the London Guardian newspaper, The Oxford Book of Caribbean Verse is a “wonderful beginner’s guide to the amazing riches of Caribbean poetry” in which “The editors provide an excellent, comprehensive introduction.”

There Is More

If the above literary news was not enough about recent highlights in the progress of St. Martin writing, the US-based NewPages.com, a key portal of independent and university presses, has just listed Sekou’s newest book, 37 Poems, as one of its current “New & Noteworthy Books.”
Here are two more news bytes to “celebrate” St. Martin’s literature. Drisana Debbie Jack, photograph and all, and her new book Skin, appeared in The New York Amsterdam News of February 9, alongside her stellar seniors Austin Clarke (Barbados/Canada) and Frank Martinus (Curacao) – all three authors fresh from Winternachten 2006 in The Hague. Secondly, the just-released tourism magazine St. Maarten/St. Martin Experience 2006 is also attempting to tap into and share with visitors what is authentic St. Martin culture with a short “wordsmiths” write-up, highlighting the poem “Salt pond” by Esther Gumbs (Tales From the Great Salt Pond, 1996).
The Amsterdam News article by media specialist Misani and the Gumbs-Bradshaw poem in Experience 2006 were facilitated through House of Nehesi’s promotions of St. Martin’s artists and writers.


Jacqueline Sample is president of House of Nehesi Publishers Foundation, St. Martin, and Black Dimensions in Art, Inc., New York


[Overgenomen van ChickenBones, A Journal]

Vinkenoog's laatste omhelzing van de angst

.


ALLES IS ANGST,
het eerste hulpeloos gebaar
en de laatste krachteloze oogopslag.

De mens ontstaat in angst,
hij glimlacht om zijn bange dromen
hij vreest de schrik niet voor gevaar
hij denkt niet aan zijn einde,
toch kringelt hij als een worm van angst.

Wie scheidde de mens in een schoon
en in een sterk geslacht?
Stenen verweren, geen handdruk blijft achter,
de zon veroudert, de schaduw wordt zwarter,
papier vergeelt, verbrandt, vergaat.

Waartegen verzet men zich?
Tegen zijn hoop op leven, verbroedering
met moordenaars en beulsknechten.
Men smeult in liefde, vecht met zijn dood
op leven, in de laatste omhelzing van de angst.


Uit: Simon Vinkenoog, Enkele Reis Nederland, Het Model voor de Uitgever (van C.G.A. Corvey Papiergroothandel nv), juni 1957.
Tekening van Simon Vinkenoog uit het manuscript van Barbaar in Azië, als frontispice in dezelfde bundel.

zondag 12 juli 2009

In memoriam Simon Vinkenoog (1928-2009)









Columbus vaart uit


De slaap is een slaaf
- de wil gebroken -
met handen en voeten
aan het schip geklonken
het schip van de droom
die Amerika ontdekt.

Een droom die Afrika ontmant
en de oceanen bevolkt
oceanen van liefde.

De droom is voortvluchtig
ae slaap waanzinnig
een slavenschip van razernij.





Simon Vinkenoog, uit Spiegelschrift; gebruikslyriek (1962)


Foto: Bas Czerwinsky

dinsdag 7 juli 2009

Helman op Tobago: het raadsel vergroot

Tobago is van alle Caraïbische eilanden die ik ooit heb bezocht, misschien toch wel het allermooiste. Groener dan de Benedenwindse Antillen, lieflijker dan Cuba, minder rommelig dan Dominica, authentieker (wat dat dan ook mag betekenen) dan Martinique. Ik ben er in geen 25 jaar geweest en de toeristenstroom heeft het welvaartspeil enorm opgestuwd. Ik vraag me af hoe de supermarkten hun waren kwijt raken tegen prijzen die zeker zo hoog liggen als in Europa.
Beatrice Henry, Helmans huishoudster
Maar ik ben hier niet voor de kapersbaaien, de reuzenschildpadden en de kolibri’s in het al sinds de 18de eeuw beschermde regenwoud, ik ben er voor de biografie van Albert Helman. Ik kom mensen uithoren die Albert Helman goed gekend hebben in de twintig jaar dat hij op het eiland woonde. Zijn huis vond ik 25 jaar geleden ook al niet meer; het is direct na zijn vertrek met de grond gelijk gemaakt. Ik heb gehoord dat het ‘onder architectuur gebouwd was’, maar zijn Libanese vriend Jean Khoury, die Helmans zaken behartigde, helpt me direct uit de droom: ‘Het is maar de vraag of het er nu nog wel zou staan,’ zegt hij. Te goedkoop gebouwd. Waarna een van de vele relazen volgt over Helmans legendarische krenterigheid. We rijden naar Bacolet Point aan de noordkant van het eiland. Ik meende me te herinneren dat het een verlaten oord was, maar het blijkt een residentiële wijk met grote villa’s te zijn. Er staat een prachtig huis op de plek waar ooit Helmans bungalow stond; het uitzicht over de baai is magnifiek.
Het mooiste interview maak ik met Helmans voormalige huishoudster Beatrice Henry. Ze ontvangt me in haar zondagse jurk. Ze heeft niets dan lof voor ‘Doc’, die alleen maar uit zijn werkkamer was te krijgen, als je hem eruit sleurde voor een kop koffie. Ze glimt nog altijd van trots dat ze in het huis van ‘Doc’ heeft mogen werken. Het leven van Beatrice speelde zich vooral af in haar betrekkingen tot Thera, Helmans derde echtgenote. De scheiding van de echtelieden heeft haar pijn gedaan. Veelzeggend detail: nog elk jaar stuurt Thera haar een kaart voor haar verjaardag. Pas later realiseer ik me hoe discreet de huishoudster dertig jaar na dato is geweest over de scheiding van ‘Doc’ en Thera, wanneer een andere vriend van Helman vertelt dat ze stante pede wilde vertrekken toen haar baas in een woedeaanval het portret van zijn verdwenen echtgenote kapot smeet.
En er is nog een voor mij geheel nieuw feit: een nieuwe vrouw in Helmans leven na het vertrek van Thera, een vrouw over wie ik nooit iets heb gehoord. Zelfs in de correspondentie met zijn zoon, aan wie Helman toch altijd alles in benijdenswaardige openheid schreef, staat geen letter over haar.
De raadsels van een leven weergeven, dat is wat een biograaf toch ook moet doen, en zo de fascinatie voor de grote persoonlijkheden levend houden.

maandag 6 juli 2009

Sjanti Mahabier en de Harley Davidson

Na haar werkelijk niet misse debuutroman Mara’s hemel die uitkwam in 2005 en te weinig aandacht kreeg in de media, is Sjanti Mahabier nu uitgekomen met een tweede roman, De keizer van Rotterdam. Hoofdpersoon is Freddy de Keizer die zich per Harley Davidson verplaatst. Bij de doop van haar nieuwe roman liet Sjanti Mahabier zich dan ook op een Harley Davidson langs tien Rotterdamse boekhandels rijden waar de champagne bruiste en de oesters koud werden gehouden – want voor minder doet Sjanti het niet. Sjanti Mahabier houdt van het feest van het leven, en wie van het feest van de taal houdt, leze haar romans.

Voor een interview met de schrijfster klikke men hier.

De keizer van Rotterdam opent zo:
“Hij voegt zich bij zijn onderdanen op zijne excellentie de Harley. Zijn trouwe reisgenoot was rijp voor de schroothoop toen hij hem kocht. Na tien zware ingrepen door een goedheilig man voor Harleyfreaks is zijn machine echter wonderwel rijklaar gemaakt. Hij dicht de bejaarde Road King Classic de snelheid en dynamische kwaliteiten toe van een modern voertuig. Het bijna verteerde schuim in het zadel brengt hem niet op een ander idee. Hij is de uitverkoren bezitter van een racemonster. De erfgenaam van de zwarte motorhelm van zijn vader, vastgezet met een iel, rafelend riempje onder zijn kin. Compleet met de te grote motorbril voor zijn magere kop scheurt hij met vliegenogen door Rotterdam. Mensen lachen en wijzen als hij voorbijkomt. Hij geniet ervan. Want zonder twijfel is hij een man die wordt opgemerkt. Elke dag die hij leeft, laat hij luidruchtig van zich horen.”

Verschenen bij Lebowski Uitgevers, € 16,90.

zaterdag 4 juli 2009

Kluun, Vaessens en Wilders: bien étonnés

‘En ik heb nu alles van Kluun gelezen!’ Triomfantelijke woorden van eerstejaarsstudente Sophie die op het tentamen haar literatuurlijst verdedigt. Ze is Franstalig, zoals al mijn studenten, en volgt Nederlands als hoofdvak. Waarom ze zo gek is op Kluun? Ze heeft op de middelbare school meegedaan aan een wedstrijd speechen in het Nederlands, en de hoofdprijs weggekaapt: Komt een vrouw bij de dokter. Het was de eerste roman die ze las in een vreemde taal. Tot haar verbazing vond ze het meeslepend. Kluun bracht haar tot haar studiekeuze. Anders had ze economie gestudeerd. Op haar literatuurlijst staat ook De avonden. Ik vraag haar wat ze ervan vindt. Ze had twee maanden nodig om het boek uit te krijgen, zei ze, het was saai, niet te begrijpen. Het ging eigenlijk nergens over.

In de bus naar huis denk ik gniffelend aan de achttienjarige Kluun-specialiste met een Frans accent, en haar grijns van dégoût als ze de naam Reve (Rêve) uitspreekt. Ik sla De Groene Amsterdammer open. Mijn oog valt op een uitspraak die mij vervult met een dégoût die de hare moet overtreffen: ‘Er is niet zo veel verschil tussen Thomas Vaessens en Geert Wilders’. Connie Palmen in een interview met Daan Heerma van Voss en Daniël van der Meer. Het duo Kluun-Reve wordt opnieuw aan me vertoond, maar in een lachspiegel. Toen Connie als veertienjarige De avonden opensloeg, staat er, kreeg ze de revelatie van ‘het grote onderscheid tussen Reve en die andere rommel’. Het woord ‘grote’ komt vaak voor in het interview.



Ik probeer door te dringen in het woud van Palmens categorische imperatieven met studente Sophie nog in mijn achterhoofd. Álle gróte kunst komt voort uit éénzaamheid. In lectuur is eenzaamheid synoniem voor alleen-zijn. Maar de gróte kunst komt voort uit de erkenning van de fùndamentele éénzaamheid. Lage cultuur komt voort uit het zoeken naar groepen. Lage cultuur heeft een onbeweeglijke traditie. Het verschil met gróte kunst is dat lage cultuur door meer mensen tegelijkertijd beleefd wil worden. Het heeft iets kerks. De gerichtheid op een populus onderscheidt het van de hóge kunst.

Et voilà, Thomas Vaessens, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, is een populist. Hij sommeert de schrijver neer te dalen uit zijn ivoren toren. De Geert Wilders van de UvA. ‘Het enige wat ze doen is het “gewone volk” laten zien dat het niet serieus genomen wordt en achtergesteld is.’ Ik probeer me Vaessens voor te stellen bij het enige wat hij doet. Ik zie een opruiende literatuurcriticus met opgeschorte hemdsmouwen en geblondeerde haren kloppen op afgebladderde deuren in achterstandswijken om te verkondigen dat het lezen van Kluun een recht is. Het recht van het gewone volk!

Op de achterstandsdeur van Sophie heeft Vaessens blijkbaar al aangeklopt, en ook al bij haar leraar Nederlands van de middelbare school. Anders had die haar De avonden te lezen gegeven, en had Sophie nu economie gestudeerd. Thuis gekomen loop ik naar mijn pc. Mijn collega Shakespeare-specialist even laten weten dat zijn studieobject geen gróte kunst schreef. Shakespeare's toneel is bedoeld om door meer mensen tegelijkertijd beleefd te worden. Shakespeare heeft iets kerks.

Jongerentheaterproductie Tula

Theaterproductie Tula: jongeren over migratie, integratie, identiteit, seksualiteit en onderdrukking

De theater-, dans en muziekproductie Tula gaat in première op zondag 13 juli in Theater Zuidplein in Rotterdam. Tula is gebaseerd op de vrijheidsgedachte van de slaaf en verzetsstrijder Tula, die op 17 augustus 1795 de slavenopstand op Curaçao ontketende. Onder zijn leiding weigerden ongeveer duizend Afrikanen nog langer dwangarbeid voor de Nederlanders uit te voeren. Ze eisten hun vrijheid en gelijke behandeling. De opstand werd onderdrukt en Tula werd op 30 oktober terechtgesteld.

Hoewel de titel van de productie refereert aan de slavernij, fungeert de historische figuur Tula vooral als achtergrond om een raak beeld te schetsen van de actuele situatie waarin Nederland en de wereld op dit moment sociaalmaatschappelijk verkeert.
Tula is voor Stichting Kibra Barera ontwikkeld door de choreograaf/regisseur John Wooter en componist/arrangeur Anthony Vrolijk. De productie vormt de afsluiting van het gelijknamige traject van Kibra Barera dat in 2004 van start ging.


De voorstelling

Tula gaat over hedendaagse vraagstukken als migratie, integratie, identiteit, seksualiteit en onderdrukking. De voorstelling laat zien wat er gebeurt wanneer de oorspronkelijke identiteit van jonge mensen wordt afgenomen: de zoektocht naar een thuis, naar een zielsverwantschap en naar de eigen persoonlijke en culturele waarden. Het laat rauwe emoties zien zoals angst, wantrouwen en de onzekerheid van hoe om te gaan met migratie en integratie, zeker als blijkt dat het land van herkomst of je eigen leefomgeving hier in Nederland - om wat voor reden - óók al verandert. In de voorstelling volgen we een groep jonge dansers die vanuit de geschiedenis van Tula steeds dichter bij zichzelf komt. De menselijke angsten en pijnen van het onbekende, de zucht van erkenning en herkenning, de schreeuw om verandering en een betere toekomst raakt een ieder.

De spelersgroep bestaat uit twaalf dansers van het Albeda Dans College, drie rappers, vijf zangers en zes muzikanten.

Voorstellingen

De try-outs zullen plaatsvinden op:
vrijdag 4 juli, zaal open 19.30, aanvang voorstelling 20.00 u.
zaterdag 5 juli,zaal open 19.30, aanvang voorstelling 20.00 u.
zondag 6 juli, zaal open 13.30, aanvang voorstelling 14.00 u.
Deze vinden plaats in het LCC Larenkamp, Slinge 303 te Rotterdam. Reservering is verplicht (telefoon 010 4804044); de entree is gratis.
De première van Tula is op zondag 13 juli in Theater Zuidplein, Rotterdam; tijd± 19.00 uur, aanvang 18.30 uur.Kaarten zijn verkrijgbaar bij Theater Zuidplein. Reserveringen 010-2030207. Prijzen entree: voorverkoop 5,00 euro jeugd tot 16 jaar 10,00 euro, ouder dan 16 jaar. Entree last minute 10,00 euro jeugd tot 16 jaar; 15,00 euro, ouder dan 16 jaar.

Kibra Barera (Barrières Doorbreken) heeft vanaf 1993 voorop gelopen in ontwikkelingen rondom Antilliaanse en Arubaanse jongeren (in eerste instantie). Met de jaren heeft de stichting deze doelgroep uitgebreid tot jongeren uit diverse culturen. Ze worden via toneel aangesproken en bewust gemaakt van hun geschiedenis en het moment van nu. De jongeren kregen empowermenttrainingen en zijn in debat gegaan over thema’s als identiteit, integratie, discriminatie, seksualiteit en integratie, die de basis vormen van de theaterproductie Tula. De verbreding qua doelgroep toont aan dat Kibra Barera in staat is zichzelf te vernieuwen.


Tula-monument Curaçao

vrijdag 3 juli 2009

Mitrasingh onversneden

Naar aanleiding van mijn eerder hier gepubliceerde artikel Wat bezielt Ben Mitrasingh? van 29 juni j.l. heeft de Werkgroep Caraïbische Letteren mij verzocht het desbetreffende artikel van Mitrasingh in zijn geheel te plaatsen opdat de lezer beter kan oordelen, aan welk verzoek ik hierbij graag gevolg geef.

Het kan inderdaad geen kwaad dat de lezer zelf kennis neemt van het onversneden racisme van Ben Mitrasingh en van het dagblad Times of Suriname, dat deze artikelen op 20 en 27 juni 2009 schaamteloos heeft gepubliceerd.

Creolen mogen na 146 jaar hun geschiedenis grondig herschrijven (deel I)

door Benjamin S. Mitrasingh

Creolen hebben voldoende intellect in huis om de geschiedenis van Suriname te herschrijven, meer nog, om hun eigen geschiedenis eindelijk waarheidsgetrouw op papier te zetten. Rond 1 juli manifesteert deze behoefte zich altijd weer, omdat dan weer eens blijkt hoeveel misvattingen er rond deze bevolkingsgroep in Suriname bestaan. Die misvattingen zijn niet bepaald positief voor de creolen, maar doordat ze steeds weer worden opgesomd in wetenschappelijke werken, beginnen deze onwaarheden en misvattingen een eigen leven te leiden. Dit geldt ook voor de andere bevolkingsgroepen in Suriname, maar die hebben niet zozeer te lijden onder een reeks van streotiepen en vooroordelen waaronder vooral Afrikanen, negers en nu ook creolen, gebukt moeten gaan. Voor creolen lijken al de vooroordelen en stereotiepen bijna op een vicieuze cirkel. Veel wetenschappelijke literatuur en met name die door creolen zelf is geschreven, is nooit internationaal geaccepteerd geworden, omdat zij of te agressief is of te onderdanig en dus nooit eerlijk en objectief. Deze kritieken schijnen de creoolse wetenschappers enorm veel problemen te bezorgen. Zij moeten zich vereenzelvigen met de westerse waarden en normen of zij hoeven als ‘enfant terrible’ niet te rekenen op enige steun en erkenning van de kant van deze ‘beklaagden’.

Volksmonument
Aangezien Suriname nog geen nationaal museum heeft en er ook weinig aandacht wordt besteed aan de nationale geschiedenis van het land, krijgen historici bijna nooit de kans om de juiste toedracht van de geschiedenis te schrijven. Geen enkele sponsor zal ook geld geven voor een publicatie waarin hij moet lezen dat zijn vader of grootvader een ‘notoire schurk’ is geweest. Dit geldt ook voor de musea en archieven in Suriname. Zolang Suriname zijn musea niet zelf kan onderhouden en voeden, moet het als land genoegen nemen met alle soorten zoetsappige verhalen over zijn eigen geschiedenis. Alles mag dan in de musea en archieven mooi bewaard en tentoongesteld zijn, de pronkstukken zijn bijna altijd en aldoor ‘naast de waarheid’. Bovendien, en dat komt nog erbij kijken ook, als je als land in 1975 de ‘guts’ had om het monoument van prinses Wilhelmina te verwijderen, maar tot 2009 je te ‘blut’ bent gebleken of erger nog, je geen idee hebt gehad om er iets anders voor in de plaats te zetten, dan zal daarvan ook nooit iets komen. Zeker niet met buitenlandse hulp. Zo hoeft het Surinaamse kind dus op 1 juli niet te gaan naar een museum om over de slavernij iets te leren en ook niet om te zien hoe wreed de slavernij is geweest en natuurlijk nooit niet te weten wat het aandeel van Nederland in die wreedheden is geweest. Voor deze naschoolse vorming heeft Suriname het geld niet en als het geld er wel is, dan schort er nog een hoop aan het cultuurmilieu van de beleidsmakers. Uit vrees voor het wegvallen van de Nederlandse sponsoring, gaan de Surinaamse beleidsmakers óf de Nederlandse collega’s nadoen óf zij zetten er nog een schepje bovenop. Na 1975 wist men niet wat er op het plein moest komen te staan. Na 5 jaar ook niet en na 35 jaar, dus in 2010, misschien ook nog niet. Want op 25 november 2010 zijn de verkiezingen net achter de rug en dan moeten eerst de politieke drijfnetten uitgezet worden en dan kan het weer een jaar of wat duren alvorens men met een goed idee komt. En aangezien Surinamers houden van lustrumvieringen, lijkt het niet onwaarschijnlijk dat men dan weer moet wachten tot 2015 en dan ook nog op een datum in de regentijd met een ‘25’ erin.

Deskundigen
Het onaangename van veel gedenkdagen is ook, dat er bijna nooit een officiëel staatsorgaan valt aan te wijzen dat ook werkelijk belast is met de totale organisatie van alle activiteiten over het hele land. Waar zijn bijvoorbeeld al die ‘geweldige’ organisatoren van Carifesta 2003, toch niet bij het Directoraat Cultuur? Waar zijn ook al die ‘betweterige sweet talkers’ en waar is het evaluatieverslag van die Carifesta?

Rond 1 juli zal men, zoals gebruikelijk, weer bekvechten over de juiste naam van die dag; is het Dag der Vrijheden, Emancipatiedag (Manspasi), Keti Kotidag of gewoon Afschaffing van de Slavernij. In haar afstudeerscriptie over de introductie van Holi en Idul Fitre als nationale feestdagen, schrijft de jonge sociologe Kirtie Algoe wel heel nadrukkelijk, dat 1 juli Keti Kotidag heet. Waarom doen andere wetenschappers dit ook niet met een reeks van andere onduidelijkheden rond 1 juli? Waarom worden er niet door gezaghebbende deskundigen tijdens gedenkdagen elk jaar weer rubrieken, flyers of boekjes gemaakt en ook gratis verdeeld? Drukwerk waarin de historische juistheden staan vermeld, die elke Surinamer over zijn land moet weten. Of heeft zo een soort vorming niets te maken met volksontwikkeling? Rond elke 1 juli zouden enkele historische feiten over de creolen steeds opgesomd moeten worden. Daardoor kan er een beter begrip ontstaan over het wel en wee van hun ontwikkeling.

Aan de hand van de bestaande literatuur volgen hieronder enkele historische feiten over de slavernij, die elke Surinamer heel goed moet kennen.
Het woord creool is afgeleid van het Franse créole, dat weer is afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord crioulo in het Portugees, dat ‘niet gekocht’ betekent, dus in huis geboren of opgevoed. De slaven werden al vroeg verdeeld in ‘creolennegers’ en ‘zoutwaternegers’. Creolennegers waren in het land geboren en zoutwaternegers werden van overzee aangevoerd. De Nederlandse West-Indische Compagnie monopoliseerde de slavenhandel op Suriname tot 1789 (zie foto). Tot 1844 mochten slavenkinderen geen onderwijs volgen. Pas in 1844 kregen de zendelingen van de Evangelische Broeder Gemeente toestemming tot het geven van onderwijs aan de kinderen van slaven.

Aankondiging van een aanbesteding voor de Zeeuwse Kamer der W.I.C. voor levering van goederen bestemd voor haar kolonies in de West, waaruit men kan opmaken van welke artikelen deze zoal uit Nederkand werden voorzien. Zij dienden slechts voor een klein gedeelte als compensatie voor de uitgevoerde koloniale waren, soms echter ook voor de ruilhandel in Afrika tegen de zozeer begeerde negerslaven.
(Bron van foto en tekst: Albert Helman, Avonturen aan de Wilde Kust, 1982, blz. 103)


Reeds een jaar voor de afschaffing van de slavernij, richtte het Gouvernement in 1862 in Totness (Coronie) een vestigingsplaats in voor ex-slaven. In Nieuw-Amsterdam gebeurde dit in 1875 en in Domburg in 1877.

Het West-Indische familiesysteem
Binnen bepaalde bevolkingsgroepen in Suriname hanteert men een term voor het familiesysteem van de groep zelf. Zo kent de literatuur voor hindostanen de term ‘joint family’ ofwel de grote familie, javanen kennen de term ‘rukun’, ofwel saamhorigheid, maar bij creolen is dat niet zo duidelijk. Wel concluderen wetenschappers dat ‘proletarisering’ als vanouds het levenspatroon heeft bepaald van de slaven en van hun nakomelingen, de creolen. Het was een familiesysteem van de armoede en van de bezitlozen. In de loop der tijd waren de creolen gedwongen hun familieleven aan deze ongunstige omstandigheden aan te passen. Dit familieleven hebben sociologen gelarakteriseerd als het West-Indisch familiesysteem. Men treft het in heel ‘Plantation America’ aan en daarmee bedoelt men te zeggen, het gebied dat bekend staat als de West-Indische Eilanden, de ‘Deep South’ van de VS, de Atlantische kusten van Midden-Amerika, Venezuela, de drie Guyana’s (dus ook Suriname) en het noordoosten van Brazilië.

De belangrijkse kenmerken van dit familiesysteem zijn volgens de sociologen en antropologen:
1. De aanwezigheid van erkende alternatieve man-vrouw verhoudingen. Naast het huwelijk kent men het concubinaat, waarbij man en vrouw samenleven zonder gehuwd te zijn.
2. Veelvuldig voorkomen van vrouwelijke huishoudhoofden. De vrouw vervult een centrale rol in het huishouden.
3. De vrouw is in veel huishoudens de dominerende autoriteit, waardoor kinderen zowel gevoelsmatig als economisch van haar afhankelijk zijn.

Verder leest men in de literatuur dat de kenmerken van het familiesysteem van de creoleen vanf de vroegste dagen van de slavernij tot op de huidige dag aan te wijzen zijn. Het systeem is nauwelijks van karakter veranderd, ondanks de vergaande sociale wijzigingen zoals emancipatie, industrialisatie en dekolonisatie. Het familiesysteem van de creolen is dan ook, zo gaat de literatuur verder, te beschouwen als een aanpassing aan ongunstige omstandigheden zoals armoede, werkeloosheid en discriminatie. Door de creoolse intellectuelen in Suriname wordt te weinig op deze zaken de nadruk gelegd, en ook te weing verklaard, ontkend of ontzenuwt.

Creoolse intellectuelen hebben ook te weinig kritiek geleverd op zaken als ‘zakenrecht’ en ‘personenrecht’. Zo viel de slaaf onder het zakenrecht, wat wil zeggen dat hij geen huwelijk kon sluiten, hij mocht dus niet trouwen. Hij kon wel het ‘slavenhuwelijk’ sluiten en daarna bepaalde zijn meester of hij ‘s avonds of op zondagen zijn vrouw mocht bezoeken. Dit slavenhuwelijk moet worden beschouwd als het begin van de ‘vaderloze’ gezinnen. Dit verschijnsel is helaas nooit goed in Suriname onderzocht, althans niet op een wijze die een beter begrip voor de vaderloze gezinnen heeft bewerkstelligd.


De vaderloze kinderen bij creolen (deel II)

door Benjamin S. Mitrasingh

De vraag naar hedendaagse studies over creolen wordt het best verwoord op bladzijde 89 van het boek ‘Geschiedenis van Suriname' uit 1993 van Frans Steegh en anderen, waarbij er wordt gesteld: “Dat op deze wijze het matrifocale gezin ontstond lijkt zeer aannemelijk. Maar daarmee is niet verklaard waarom het matrifocale gezin zo lang bleef voortbestaan nadat de historische noodzaak was weggevallen.” Simpel gezegd komt het dus hier op neer dat historici en alle andere sociaal wetenschappers zich in gemoede afvragen hoe het komt dat alleen de creolen in Suriname, populair gezegd en ook volgens de internationale normen en waarden van een traditioneel gezinsleven, zo een losbandig leven hebben. En dat al langer dan 146 jaar. Los van de gemakken, vooropgesteld dat losbandigheid ook gemakken kent, van de moderne term West-Indisch familiesysteem of van de sociologische term ‘matrifocaal’, is het heel duidelijk, dat Surinamers te doen hebben met met al die duizenden kinderen, die bij lange na niet kunnen zeggen wie hun vader is. Dat zulke kinderen soms op jonge leeftijd al ontsporen, baart veel Surinamers zorgen. Zolang ze nog jong zijn kan men om ze lachen, maar zodra ze jong volwassen zijn, dus na hub 15de jaar, is er helaas vaak sprake van schoolverzuim, criminaliteit, seksueel geweld en de laatste jaren ook drugsgebruik. Dan is opeens de lol ervan af. Surinamers vragen zich ook af waaraan het precies ligt dat creoolse vrouwen de losbandigheid van de mannen blijven accepteren. In Suriname is het algemeen bekend dat creoolse vrouwen heel goed geëmancipeerd zijn. Dat waren ze al voor ‘gender’ ontstond en toch moeten ze nu zo gebukt gaan onder een bijna primitief gezinsleven. Hoewel Surinamers het verschil tussen een marron en een creool wel heel goed kennen, wordt iedereen die maar een beetje op elkaar lijkt na elk maatschappelijk incident, gestigmatiseerd met de populaire Surinaamse term ‘Blakaman’. Deze onviendelijke term is afgeleid van het Engelse ‘Blackman’, wat niets anders betekent dan zwarte man, neger of Asfrikaan. Net zoals ‘baljaren’ (= dansen) is afgeleid van het Portugees/Spaanse ‘bailar’, wat uitbundig feestvieren betekent.

Een manumissie-brief uit 1857, waarin de vrijheid wordt gegeven aan de zevenjarige slavendochter Mimie. Zij kreeg hierbij de naam Maria Arkard.
(illustratie uit Evelien Bakker e.a., Geschiedenis van Suriname, Zutphen 1998)


Vrolijke cultuur
Over het algemeen staan creolen in Suriname bekend als vrolijke mensen die goedlachs zijn. Ze hebben altijd enorm veel lol en daarom houden ze van feestvieren en van dansen. Van creolen is ook bekend dat ze heel goed kunnen zingen en dat hun gevoel voor ritme de duidelijke verbinding aangeeft voor hun ‘Roots’ ergens in Afrika. De kerkdiensten bijvoorbeeld van de Evangelische Broeder Gemeente, kennen het gezang bij uitstek, in tegenstelling tot de iets saaiere diensten van de katholieken om nog maar te zwijgen over de eentonige monologen met bijna geen gezang van de hindoes en de moslims. Creolen hebben dus altijd veel lol en hun goede humeur brengt ook met zich mee dat ze veel moppen en ook veel zelfspot kennen. Ze lachen zich ‘dood’ om hun eigen zelfspot en die zelfspot kan variëren van mislukte liefdesrelaties tot de verzonnen ‘lollige’ doodsoorzaak van een kennis of van een belangrijk persoon. Hun uitbundige levensbvorm gaat vaak ook samen met lekker eten en drinken. Creolen zijn daardoor ook de consumenten bij uitstek in Suriname, en veel restaurants en cafetaria’s zou men gevoeglijk kunnen sluiten als creolen zouden besluiten een bepaald gerecht niet meer te eten. Een bekend merk bier in Suriname gaat zelfs zover dat het bijna alleen maar creoolse modellen gebruikt voor zijn reclame. Ook radio-advertenties pakken volgens marketing deskundigen (en Joost mag weten wie dat zijn) beter in het Sranantongo dan in een taalcombinatie met bijvoorbeeld een duidelijke Hollandse strekking. Het moet in Suriname nog onderzocht worden wat het effect is van deze taalvariaties op de officiële taal van Suriname. Het is wel algemeen bekend dat creoolse kinderen mondiger zijn dan bijvoorbeeld de kinderen met een Aziatische achtergrond. Maar het is nog niet wetenschappelijk aangetoond dat een ‘vlotte babbel’ ook ‘een foutloze’ schrijfwijze van de Nederlandse taal impliceert. Volgens correctoren bij Surinaamse dagbladen is het nog steeds bar en boos gesteld met een goede taalbegeersing van de Surinaamse journalist. Bovendien moet ook nog onderzocht worden in welke taal een Surinaams kind denkt en in welke taal hij zijn gedachten onder woorden wil brengen. Ten aanzien hiervan moet het sluiten van het Taalinstituut jaren geleden beschouwd worden als een van de grootste culturele blunders van het MINOV sinds de onafhankelijkheid, en ook als een flagrante miskenning van de taal als het belangrijkste vehikel van communicatie binnen elke multiculturele samenleving.

De afschaffing van de slavernij werd met behulp van deze proclamatie aangekondigd. Wie de proclamatie leest, zal kunnen constateren dat de vrijheid niet direct ook gelijkheid met zich meebracht. De ex-slaven moesten wel hun plaats weten.
(illustratie uit Evelien Bakker e.a., Geschiedenis van Suriname, Zutphen 1998)


Vaderloze kinderen
Behalve dat veel Surinamers begaan zijn met het lot van de jonge creoolse kinderen die hun vader niet kennen en misschien ook nooit zullen kennen, hebben ze ook te doen met de moeders van deze kinderen. Die staan er letterlijk en figuurlijk bijna altijd alleen voor, en zeker als het gaat om de opvoeding en begeleiding van het jonge kind. Het zijn deze zelfde jonge kinderen van wie bekend is dat zij het stadsleven door en door kennen, maar waarvan ook bekend is dat zij alles wat los en vast zit van de vruchtenbomen eraf halen en dat zij ook geen enkele loslopende straathond met rust laten. Het zijn kwajongens ten voeten uit, die de samenleving nog net geen overlast bezorgen en die leven volgens het oeroude Surinaamse principe ‘dat wij allen kinderen van een vader zijn’. Dus zijn ook deze kwajongens de kinderen van alle Surinamers. Hoewel er bij deze kinderen vaak ook van een lichte verwaarlozing sprake is, zien deze kinderen er in de naschoolse tijd zichtbaar hongerig uit. Het komt ook vaak voor dat zulke kinderen thuis moeten wachten tot moederlief in de late middaguren thuis komt. Maar het zijn uitgerekend deze kinderen in Suriname die altijd vrolijk en blij door de straten huppelen. De meeste van deze kinderen kennen helaas hun vaders niet. Papa heeft nooit naar ze omgekeken, waardoor ze ook nooit door hem zijn erkend, laat staan verzorgd. Deze kinderen hebben daardoor ook de familienaam van hun moeder. Doordat ze hun vader niet kennen en ook niet aan hem kunnen refereren zijn ze ook bijna altijd in de samenleving de ‘underdog’. Binnen het matrifocale familieleven kennen zulke kinderen vaak ook geen enkele mannelijke voorbeeldfiguur. Surinamers zouden er daarom uitdrukkelijk voor moeten waken, dat dit verschijnsel van de vaderloze kinderen geen algemene vormen begint aan te nemen. Dit familiesysteem heeft nog nergens in de wereld positief gewerkt en het is ook niet een systeem waarover men trots moet zijn.

Emancipatieboodschap
Over het algemeen hebben Surinamers echt te doen met deze vaderloze kinderen, maar na 146 jaar afschaffing van de slavernij, dus na tweemaal een mensenleven, kunnen de boosdoeners zich niet blijven beroepen op een slavernijverleden dat ze bovendien niet eens goed kennen. Maar om alle soorten wandaden van onmenselijk gedrag goed te kunnen praten, lenen sommige negatieve aspecten van de slavernij zich nog altijd uitstekend voor. Waar zijn al de onderzoekers die keer op keer erop hebben gewezen dat bepaalde creoolse gebruiken en gewoonten anno 2009 volstrekt onaanvaardbaar zijn geworden? De bestuurskundige August Boldewijn heeft onlangs een duidelijke uitspraak gedaan ten aanzien van de interne strubbelingen in de politieke partij SPA. Heel ongezouten verweet hij de politici van de SPA dat als zij niet eens in staat zijn orde op zaken te stellen binnen hun eigen partij, hoe in hemelsnaam willen ze dan een land besturen? Niet leuk voor de SPA, maar Boldewijn is ook niet de eerste en de beste, maar waarom zijn zulke uitspraken nooit eerder gedaan door creoolse voorbeeldfiguren ten aanzien van het creoolse gezinsleven? Waar is het creoolse intellect en waar is hun lotsverbondenheid met hun eigen zwakke zusters en broeders? En dan weer voor de zoveelste maal, en meer nog naar analogie van de uitspraak van Boldewijn, “Wat Jupiter mag, mag de os nog niet”, maar waar zijn al die creoolse Jupiters? Vooral die van de Surinaamse politiek, en ook die van de wetenschap.

Moesten de creolen als de meest geëmancipeerde Surinamers er niet voor zorgen dat elk geboren kind heel nadrukkelijk moet weten wie zijn ouders zijn, en dat ook de hele Surinaamse samenleving van elke mannelijke verwekker moet eisen dat hij zijn kind moet erkennen en tot een bepaalde leeftijd moet verzorgen. Dat moet na 146 jaar nu toch wel heel duidelijk bij wet worden vastgesteld en de uitvoering van die wet moet ook op een hele rigide wijze gebeuren zonder aanzien des persoons. Want het kan toch niet zo zijn, dat Surinamers op alle gedenkdagen en feestdagen alleen maar in staat zijn een hoop ‘kiekeboe-achtige’ cultuurevenementen te ontplooien met ‘dromerige’ slogans op spandoeken en billboards, die zo onwerkelijk zijn als maar wezen kan. Op 1 juli 2009 zouden alle Surinaamse mannen elkaar eens eindelijk moeten beloven dat zij voortaan een duidelijk oordeel zullen uitspreken over al die andere mannen die hun kinderen niet hebben erkend en ook nooit hebben verzorgd. Dan hebben Surinamers tenminste een daad gesteld op een van hun herdenkingsdagen. Daar lijkt 1 juli als emancipatiedag uitstekend voor geschikt.

P.S.: de illustratie bij deel I is een keuze van de auteur; de illustraties bij deel II zijn door mij toegevoegd om de woordenbrij zo mogelijk iets te verlevendigen, RvdM.