maandag 29 juni 2009

Wat bezielt Ben Mitrasingh?

Bij gelegenheid van de Dag der Vrijheden van woensdag 1 juli a.s. heeft Benjamin S. Mitrasingh, archeoloog en kunsthistoricus zoals hij wordt genoemd, voormalig directeur Cultuur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (MINOV), in het dagblad Times of Suriname twee artikelen geplaatst, één op zaterdag 20 juni en één op zaterdag 27 juni j.l., respectievelijk getiteld Creolen mogen na 146 jaar hun geschiedenis grondig herschrijven, en De vaderloze kinderen bij creolen, die alleen al door hun titel niets aan duidelijkheid te wensen overlaten: Mitrasingh provoceert (weer eens).

Misvattingen, stereotiepen en vooroordelen
Het begint al onmiddellijk met de intro van het eerste artikel: “Creolen hebben voldoende intellect in huis om de geschiedenis van Suriname te herschrijven, meer nog, om hun eigen geschiedenis eindelijk eens waarheidsgetrouw op papier te zetten. Rond 1 juli manifesteert deze behoefte zich altijd weer, omdat dan weer eens blijkt hoeveel misvattingen er rond deze bevolkingsgroep in Suriname bestaan.”

Zonder deze misvattingen te benoemen vervolgt hij: “Die misvattingen zijn bepaald niet positief voor de creolen, maar doordat ze steeds maar weer worden opgesomd in wetenschappelijke werken, beginnen deze onwaarheden en misvattingen een eigen leven te leiden. Dit geldt ook voor de andere bevolkingsgroepen in Suriname, maar die hebben niet zozeer te lijden onder een reeks van stereotiepen en vooroordelen waaronder vooral Afrikanen, negers en nu ook creolen gebukt moeten gaan.”


Alhoewel Mitrasingh vaststelt dat het hier gaat om misvattingen, stereotiepen en vooroordelen, die volgens hem rond 1 juli altijd weer leiden tot de behoefte een en ander “eindelijk eens waarheidsgetrouw op papier te zetten”, doet hij er integendeel nog eens een schepje bovenop: “Voor creolen lijken al de vooroordelen en stereotiepen bijna op een vicieuze cirkel. Veel wetenschappelijk literatuur en met name die door creolen zelf is geschreven, is nooit internationaal geaccepteerd geworden, omdat zij of te agressief is of te onderdanig en dus nooit eerlijk en objectief zijn. Deze kritieken schijnen de creoolse wetenschappers enorm veel problemen te bezorgen. Zij moeten zich vereenzelvigen met de westerse waarden en normen of zij hoeven als ‘enfant terrible’ niet te rekenen op enige steun en erkenning van de kant van deze ‘beklaagden’.”

Met veel omslag van woorden, maar zonder man en paard te noemen, laat staan met ook maar een spoor van bewijsvoering, beweert Mitrasingh hier in feite dat de creolen de misvattingen, stereotiepen en vooroordelen over zichzelf hebben afgeroepen. Welk een gotspe.

Volksmonument op het Vrijheidsplein
Volgt een verward ‘tussendoortje’: “Aangezien Suriname geen nationaal museum heeft, en dat er ook weinig aandacht wordt besteed aan de nationale geschiedenis van het land, krijgen historici bijna nooit de kans om de juiste toedracht van de geschiedenis te schrijven”, uitmondend bij het verwijt: “Bovendien, en dat komt er nog bij kijken ook, als je als land in 1975 de ‘guts’ had om het monument van prinses Wilhelmina te verwijderen, maar tot 2009 je te blut bent gebleken, of erger nog, je geen idee hebt gehad om er iets anders voor in de plaats te zetten, dan zal daar nooit iets van komen.” Maar van de VHP moest op datzelfde plein wél het beeld van Lachmon komen, die mag immers niet onderdoen voor de daar al aanwezige Pengel, alhoewel het nu volledig misplaatst is.

Om dan de overstap te maken: “Zo hoeft het Surinaamse kind dus op 1 juli niet te gaan naar een museum om over de slavernij iets te leren en ook niet om te zien hoe wreed de slavernij is geweest en natuurlijk nooit niet om te weten wat het aandeel van Nederland in die wreedheden is geweest. Voor deze naschoolse vorming heeft Suriname het geld niet, en als het geld er wel is dan schort er nog een hoop aan het cultuurmilieu van de beleidsmakers.” Helaas heeft Mitrasingh als directeur Cultuur daaraan ook niets bijgedragen, althans niet voor zover mij is gebleken.

Dag der Vrijheden
Ook schiet Mitrasingh zijn giftige pijlen af op 1 juli, althans op de naamgeving van die dag: “Rond 1 juli zal men, zoals gebruikelijk, weer bekvechten over de juiste naam van die dag; is het Dag der Vrijheden, Emancipatiedag (Manspasi), Keti Kotidag of gewoon Afschaffing der Slavernij. In haar afstudeerscriptie over de introductie van Holi en Idul Fitre als nationale feestdagen schrijft de jonge sociologe Kirtie Algoe wel heel nadrukkelijk dat 1 juli Keti Koti heet.”

Algoe is daar waarschijnlijk nog te jong voor, maar Mitrasingh met zíjn jaren –en al helemaal als voormalig directeur Cultuur– had moeten weten, sterker: wéét dat in 1959 1 juli door de toenmalige regering Emanuels is gedoopt tot Dag der Vrijheden, hetgeen ook is gepubliceerd in het Staatsblad (SB). In 1959 werden in het kader van de natievorming enkele nationale symbolen bij wet ingevoerd: de vlag, de tekst van het Volkslied (Trefossa), het wapen, en de Dag der Vrijheden (1 juli). Met deze Dag der Vrijheden hoopte de regering een compromis gevonden te hebben voor de wens van de grote bevolkingsgroepen een eigen, voor die bevolkingsgroep, gedenkwaardige dag tot nationale vrije dag te verheffen. Dat deze naam nog altijd geen gemeengoed is geworden is te wijten aan mensen als Mitrasingh die keer op keer die benaming weer als probleem aan de orde stellen.

Het West-Indische familiesysteem
Aan de hand van enkele historische feiten omtrent de slavernij belandt Mitrasingh dan eindelijk bij het punt waar hij wilde uitkomen: de bandeloosheid van de creool, echter niet dan na eerst (heel even maar) te tippen aan andere groeperingen. “Binnen bepaalde bevolkings- groepen in Suriname hanteert men een term voor het familiesysteem van de groep zelf. Zo kent de literatuur voor hindostanen de term ‘joint family’ ofwel de grote familie, javanen kennen de term ‘rukun’ ofwel saamhorigheid, maar bij creolen is dat niet zo duidelijk. Wel concluderen wetenschappers dat ‘proletarisering’ als vanouds het levenspatroon heeft bepaald van de slaven en hun nakomelingen, de creolen. Het was een familiesysteem van de armoede en van de bezitlozen. In de loop der tijd waren de creolen gedwongen hun familieleven aan deze ongunstige omstandigheden aan te passen. Dit familiesysteem hebben sociologen gekarakteriseerd als het West-Indische familiesysteem.”

Wéér zo’n Mitrasingh-gotspe: “bij creolen was dat niet zo duidelijk.” Wat héét?! Hadden de creolen een ander keuze? Nee toch zeker.


Een groep slavenwoningen op (suiker)plantage Dordrecht, getekend door Winkels in 1859. (Illustratie uit Geschiedenis van Suriname, Zutphen, 1998.)

Mitrasingh vervolgt: “Men treft het West-Indische familiesysteem in heel ‘Plantation America’ aan en daarmee bedoelt men te zeggen het gebied dat bekend staat als de West-Indische eilanden, de 'Deep South' van de VS, de Atlantische kusten van Midden-Amerika, Columbia, Venezuela, de drie Guyana’s (dus ook Suriname) en het noordoosten van Brazilië. De belangrijkse kenmerken van dit familiesysteem zijn volgens de sociologen en antropologen:
1. De aanwezigheid van erkende alternatieve man-vrouwverhoudingen. Naast het huwelijk kent men het concubinaat, waarbij man en vrouw samenleven zonder gehuwd te zijn.
2. Veelvuldig voorkomen van vrouwelijke huishoudhoofden. De vrouw vervult een centrale rol in het huishouden.
3. De vrouw is in veel huishoudens de dominerende autoriteit, waardoor kinderen zowel gevoelsmatig als economisch van haar afhankelijk zijn.”

En dan krijgen de creolen er weer van langs: “Het systeem is nauwelijks van karakter veranderd, ondanks de vergaande sociale wijzigingen zoals emancipatie, industrialisatie en dekolonisatie. Het familiesysteem van de creolen is dan ook, zo gaat de literatuur verder, te beschouwen als een aanpassing aan ongunstige omstandigheden zoals armoede, werkeloosheid en discriminatie.” En nu komt het: “Door de creoolse intellectuelen in Suriname wordt te weinig op deze zaken de nadruk gelegd en ook te weinig verklaard, ontkend of ontzenuwd.” Zo kan die wel weer, Ben.

En dan in één adem door: “Creoolse intellectuelen hebben ook te weinig kritiek geleverd op zaken als ‘zakenrecht’ en ‘personenrecht’.” Zómaar, alsof hij ‘t over het heden heeft in plaats van over het verre verleden, toen er nog geen creoolse intellectuelen waren, lees maar verder: “Zo viel de slaaf onder het zakenrecht, wat wil zeggen dat hij geen huwelijk kon sluiten, hij mocht dus niet trouwen. Hij kon wel het ‘slaven- huwelijk’ sluiten en daarna bepaalde zijn meester of hij `s avonds of op zondagen zijn vrouw mocht bezoeken. Dit slavenhuwelijk moet worden beschouwd als het begin van de ‘vaderloze’ gezinnen. Dit verschijnsel is helaas nooit goed in Suriname onderzocht, althans niet op een wijze die een beter begrip voor de vaderloze gezinnen heeft bewerkstelligd.”

Bandeloosheid bewezen volgens Mitrasingh. De gevolgen hiervan komen in een vermoeiend tweede deel.

De vaderloze kinderen bij creolen
Om te beginnen citeert Mitrasingh in het tweede deel van zijn betoog Frans Steegh e.a., Geschiedenis van Suriname, 1993, die stelt: “Dat op deze wijze het matrifocale gezin ontstond lijkt zeer aannemelijk. Maar daarmee is niet verklaard waarom het matrifocale gezin zo lang bleef voortbestaan nadat de historische noodzaak was weggevallen.” En dan slaat Mitrasingh –zonder naar die verklaring te zoeken– weer op hol: “Simpel gezegd komt het dus hierop neer, dat historici en alle andere sociaal wetenschappers zich in gemoede afvragen hoe het komt dat alleen creolen in Suriname, populair gezegd en ook volgens de internationale normen en waarden van een traditioneel gezinsleven zo een losbandig familieleven kennen. En dat al langer dan 146 jaar.”

Waar Mitrasingh begon in algemeen verband, Plantation America, vernauwt hij zijn focus nu tot “alleen creolen in Suriname”, die zich in tegenstelling tot internationale normen en waarden (welke?) van een traditioneel gezinsleven (hoe, waar?) aan bandeloosheid overgeven. Niet meer en niet minder dan een slag in de lucht, een trap onder de gordel.

Emancipatieboodschap
Ik zei het al, Mitrasinghs verhaal is vermoeiend, eentonig, langabere. U zult mij moeten vergeven dat ik méér van hetzelfde oversla en even verder de draad weer oppak. Alhoewel, er zit weinig draad in. Na een uitweiding over de vrolijke cultuur van de creolen, dat ze houden van feestvieren en dansen, dat ze goed kunnen zingen en daarmee hun ‘roots’ aantonen van ergens in Afrika, dat een bekend merk bier (Parbo durft hij niet in de mond te nemen) zelfs zover gaat bijna alleen maar creoolse modellen te gebruiken voor haar reclame, dat ook radio-advertenties pakkender zijn in het Sranantongo, etcetera, etcetera, etcetera, komt hij tot zijn emancipatie-boodschap: “Surinamers zouden er daarom nadrukkelijk voor moeten waken dat dit verschijnsel van vaderloze kinderen geen algemene vormen begint aan te nemen.”

“Moeten de creolen als de meest geëmancipeerde Surinamers er niet voor zorgen dat elk geboren kind heel nadrukkelijk moet weten wie zijn ouders zijn en dat ook de hele Surinaamse samenleving van elke mannelijke verwekker moet eisen, dat hij zijn kind moet erkennen en tot een bepaalde leeftijd moet verzorgen. Dat moet na 146 jaar nu toch wel heel duidelijk bij wet worden vastgesteld en de uitvoering van die wet moet ook op een heel rigide wijze gebeuren, zonder aanzien des persoons. Want het kan toch niet zo zijn, dat Surinamers op alle gedenkdagen en feestdagen alleen maar in staat zijn een hoop ‘kiekeboe-achtige’ cultuurevenementen te ontplooien met ‘dromerige’ slogans op spandoeken en billboards, die zo onwerkelijk zijn als maar wezen kan. Op 1 juli 2009 zouden alle Surinaamse mannen elkaar eens eindelijk moeten beloven dat zij voortaan een duidelijk oordeel zullen uitspreken over al die andere mannen die hun kinderen niet hebben erkend en ook nooit hebben verzorgd. Dan hebben Surinamers tenminste een daad gesteld op een van hun herdenkingsdagen. Daar lijkt 1 juli als emancipatiedag uitstekend voor geschikt.”

Wat bezielt Ben Mitrasingh?
Provocatie, zoals ik in het begin al heb gesteld, is één ding. Maar er is meer. Het verband met die andere provocatie van kort geleden, het aan ons volkslied toe te voegen derde couplet in het Sarnami, is natuurlijk onmiddellijk duidelijk. Het is nog net geen georkestreerde actie om de etnische kaart te spelen, maar het zou wel de opmaat daartoe kunnen zijn.

Graag wil ik daarom verwijzen naar het eerder hier gepubliceerde artikel van Ricardo E. Meyer van zaterdag 20 juni j.l., getiteld “Een Sarnami couplet in het Surinaamse volkslied?” Meyer stelt daar, en ik sluit me daarbij volledig aan: “Volgens mij is het hoog tijd om elementen in deze samenleving die puur etnisch denken, streven en handelen voor eens en voor altijd de pas af te snijden. Zij dreigen anders het nationaal bewustzijn en daarmee de broodnodige natievorming van dit land en volk te frustreren.”

zondag 28 juni 2009

Wie bepaalt: Nederland of Suriname?

Nadat een aantal jaren geleden de bestaande Surinaamse taalautoriteit om welke redenen dan ook door het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (MINOV) jammerlijk om zeep is geholpen, is er nooit meer iets voor in de plaats gekomen, een leegte die nu pijnlijk voelbaar wordt. Deze verzuchting kwam bij mij op na lezing van het bericht in de Ware Tijd van zaterdag 27 juni j.l. dat de Nederlandse Taalunie zowel op de Antillen als in Suriname voorlichting gaat geven over de spelling van het Nederlands.

De Nederlandse Taalunie en Suriname’s geassocieerd lidmaatschap
Voor niet-insiders is het van belang te weten dat Suriname sinds 2004 geassocieerd lid is van de Nederlandse Taalunie, een beleidsorganisatie waarin Nederland, Vlaanderen en Suriname samenwerken op het gebied van de Nederlandse taal en letteren en het onderwijs in en van het Nederlands. De Taalunie ziet het als haar opdracht om ervoor te zorgen dat alle Nederlandssprekenden hun taal op een doeltreffende manier kunnen gebruiken. In 2007 is een raamwerkovereenkomst voor samenwerking gesloten met de Nederlandse Antillen en Aruba.

Dat geassocieerd lidmaatschap (waarom niet een gewoon, volwaardig lidmaatschap is geheel onduidelijk) is overigens zonder slag of stoot gerealiseerd, zonder dat iemand – buiten die paar direct betrokken taalkundige dames zonder enige autoriteit om – in Suriname daar weet van had, daarover is geraadpleegd, of daarin zeggenschap heeft gehad. Toen het DNA hiervan lucht kreeg heeft zij zonder precies te weten waarover het ging zo maar wat kreten geslaakt, en daarbij is het gebleven. Het lidmaatschap was een feit.

De ‘vruchten’ van dit lidmaatschap beperken zich voorlopig tot opname van circa 600 Surinaams-Nederlandse woorden in het jongste Groene Boekje van 2005 (een woordenlijst in de vastgestelde, correcte spelling van het Nederlands), de medefinanciering van het Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands van Renata de Bies in 2008, en nu dus deze voorlichting over de spelling van het Nederlands.


De Nederlandse Taalunie als paard van Troje
Ter begeleiding van deze voorlichtingsactie heeft de Taalunie drie brochures uitgegeven onder de titel Spelling: de regels op een rij, één voor Nederland en Vlaanderen, één voor de Antillen en één voor Suriname. Het wordt mij bang om het hart als ik in de Antilliaanse brochure (nee, niet in de Surinaamse!) moet lezen: “In Suriname wordt een besluit voorbereid om deze spelling eveneens voor overheid en onderwijs voor te schrijven.” Wie bepaalt: Nederland of Suriname? Ik dacht Suriname! Maar dan moet er toch snel iets gebeuren anders gaan we er wéér onderdoor, dan laten wij ons domweg ringeloren door de Nederlandse Taalunie. Dan hebben we met de Nederlandse Taalunie het paard van Troje binnengehaald.

Tijdens een door de Henry Frans de Ziel Stichting belegde discussieavond op 21 april 2009 in Theater Unique over het initiatief voor een eigen Surinaamse taalautoriteit, heeft de Surinaamse taalkundige Dr. Hein Eersel zich een groot voorstander betoond van taalordening. Eersel hekelde daar vooral de betrokkenheid van Suriname bij de Nederlandse Taalunie. Hij ziet dit als een grote fout van de Surinaamse regering. “Er wordt veel te weinig rekening gehouden met de eigenheid van het Surinaams-Nederlands in de Taalunie.”

“Niet De Dikke Van Dale, maar wachten op De Dikke De Bies!”
“Het vorig jaar verschenen Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands van Renata de Bies”, zo vervolgde Eersel, “bevat 5.000 Surinaamse woorden en is uitgegeven door de Universiteit van Suriname. Helaas is dit geen officiële taalautoriteit en is de Taalunie dat wel. De verschillen tussen het Surinaams-Nederlands en het Noordzee-Nederlands zijn te groot om tot dezelfde unie te behoren. In plaats van nu De Dikke Van Dale te gebruiken zouden we beter allemaal wachten op De Dikke De Bies!”

Eersel haalde nog het voorbeeld aan van de taalautoriteiten van Azië en de Afrikaanse Unie. “We weten allemaal dat er in Afrika zeer veel talen worden gesproken. Toch is er maar één taalautoriteit en dat werkt. De Afrikaanse Unie erkent vier werktalen: Engels, Frans, Swahili en Arabisch. Maar alle andere gesproken talen worden ook erkend. De Surinaamse taalautoriteit moet vooral naar deze voorbeelden kijken als ze wordt opgericht.”

Kortom, de Surinaamse taalautoriteit zal snel moeten worden opgericht willen we ons niet opnieuw laten kolonialiseren.

donderdag 25 juni 2009

Interview met Toni Morrison in NRC

'Sterke vrouwen zijn bedreigend'
Toni Morrison over literatuur, onrecht, zwarten en de First Lady van de VS

door Elsbeth Etty

Ik ben een schrijvende zwarte vrouw, zegt Nobelprijswinnares Toni Morrison, die wel het geweten van Amerika wordt genoemd. Maar ik wil zwarte vrouwen niet behagen.

In A Mercy (Een daad van barmhartigheid), Toni Morrisons nieuwste roman, draait het voor de verandering niet om de koppeling slavernij en racisme, het thema in vrijwel al haar werk. Deze historische roman over de opkomst van de slavernij in 17de-eeuws Amerika handelt over álle vormen van rechteloosheid die tot afhankelijkheid en discriminatie leiden. Al haar personages zoeken bescherming om te overleven. De manlijke kolonisten kunnen het niet stellen zonder de steun van een kerkgenootschap, hun vrouwen niet zonder echtgenoot, de autochtone bevolking niet zonder hun clan, kinderen niet zonder vader of moeder.

Toni Morrison, de eerste zwarte Nobelprijs-winnares, begint instemmend te knikken bij deze interpretatie. Ze neemt in deze roman dan ook expliciet afstand tot wat zo langzamerhand een afgekloven thema is geworden, namelijk dat het Amerikaanse racisme en de pijn van zwarte vrouwen in het bijzonder, een direct gevolg zijn van het slavernijverleden.

In Een daad van barmhartigheid krijgt de uit Nederland afkomstige avonturier Jacob Vaark in 1682 de Angolese slavendochter Florens van een Portugese plantagehouder als betaling. Vaark is tegen slavernij, maar als hij in 1690 sterft laat hij op zijn boerderij vier hulpeloze vrouwen achter. Zijn uit Engeland afkomstige echtgenote Rebekka is aan hem uitgehuwelijkt. Haar personeel bestaat uit drie meisjes: de Indiaanse Lina, wier dorp is uitgeroeid, de zwangere kapiteinsdochter Sorrow, enige overlevende van een piratenaanval, en de zestienjarige Florens, die denkt dat haar moeder haar op achtjarige leeftijd aan Vaark weggaf.

Toni Morrison: Deze vrouwen kunnen als individu niet overleven, daarvoor zijn zij afhankelijk van instellingen als kerk, clan of familie. De personages, gedepriveerde, wanhopige vrouwen, proberen een soort gezin te construeren. Voor mij vertegenwoordigt de Hollandse immigrant Jacob een eigenschap die nog steeds kenmerkend is voor het Amerikaanse zelfbeeld: de lone ranger die schijnbaar in zijn eentje de wereld aan kan, maar wel door rechteloze anderen aan zich te onderwerpen. Als Jacob sterft, moet zijn weduwe om haar land te behouden bescherming zoeken bij de kerk die ze als vrijdenker altijd heeft veracht. Haar personeel heeft helemaal geen bescherming. Rebekka zal Lina, Sorrow en Florens moeten verkopen. Als niet de slavernijhistorie maar rechteloosheid in het algemeen de basis vormt van de maatschappelijke ongelijkheid in de VS, hoe komt het dan dat discriminatie op grond van huidskleur voort bestaat, terwijl iedereen formeel gelijke rechten heeft? En waarom willen mannen nog altijd vrouwen aan zich onderwerpen om zelf de lone ranger te kunnen uithangen?

Volgens Morrison, als uitgeefster, literatuurprofessor en schrijfster doorkneed in de discussies over racisme en seksisme, zijn de gelijke rechten van etnische minderheden en vrouwen nog lang niet gerealiseerd. Vrouwen die werkelijk onafhankelijk zijn van kerk, clan, familie of echtgenoot worden als bedreigend ervaren, niet alleen voor mannen maar voor de hele samenleving. Een gerespecteerde, machtige natie moet aan drie eisen voldoen: oorlog kunnen voeren, belastingen kunnen innen en omwille van de voorplanting en de zorg voor het nageslacht de vrouwen eronder houden. "Als vrouwen zwangerschap kunnen voorkomen of afbreken, recht hebben op echtscheiding en zelfs met elkaar mogen trouwen, vormt dat een immens gevaar voor het voortbestaan van de natie. De westerse samenlevingen zijn helemaal niet ingericht op zelfstandige vrouwen. En zolang er nog afhankelijke vrouwen zijn die de bescherming van een huwelijk nodig hebben, zal er niet veel veranderen."

Morrison schudt haar grijze dreadlocks, vraagt om een asbak en steekt een filtersigaret op. Ze vertelt over haar werk aan de universiteit, waar zij geldt als expert in het onderzoek van literatuur op racistische en seksistische clichés. De verhitte discussies over stigmatiserende beeldvorming van zwarten en vrouwen in literaire fictie zijn volgens haar een beetje weggeëbd: De afgelopen jaren ging de belangstelling van studenten vooral uit naar economie, bedrijfskunde en bankwezen - dat soort studies. Colleges in de humaniora worden als overbodige luxe beschouwd, iets wat studenten er als franje bij doen. Maar de verkiezingscampagne voor Obama heeft wel iets veranderd. De betrokkenheid van de studenten, zowel blank als zwart, was overweldigend. Tegelijk is zij bang dat die betrokkenheid snel kan overwaaien. Soms vragen studenten aan mij wat ze moeten doen met hun engagement. Demonstreren, ageren, redevoeringen houden? Dan zeg ik: zoek dat zelf maar uit, realiseer je je wel dat Martin Luther King 26 was, Angela Davis 23, Miles Davis 15 toen ze besloten in actie te komen?

Door in haar roman de discriminatie van zwarte Amerikanen los te koppelen van de slavernijgeschiedenis wil Morrison een statement afgeven aan nieuwe generaties. Het Amerikaanse racisme is geen automatisch gevolg van de slavernij, alle volkeren hebben slavernij gekend, maar het racisme is van bovenaf opgelegd, geïnstitutionaliseerd en gelegaliseerd. Daarom is Obamas verkiezing zo belangrijk, het is de kroon op de burgerrechtenbeweging en een slag voor alle racisten. Als je racisten hun racisme, dat wil zeggen hun superioriteitsgevoel, afpakt dan houden ze niets over: geen energie, geen zelfvertrouwen, geen identiteit.
De Nobelprijswinnares schiet in de lach als ze hoort dat in Nederland een roman waarin een keurige Joodse jongen op seksueel beschikbare voluptueuze negerinnen valt, Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, als racistisch wordt aangemerkt. Maar degenen die dat beweren wijzen wel op een reëel maatschappelijk verschijnsel, al zegt dat niets over een afzonderlijke roman. Streng doceert ze: Blanke mannen gaan naar zwarte gettos om exotische vreemdelingen op te pikken, iemand die niet van hun soort is. Meestal doen ze dat om hun eigen milieu te schofferen: kijk ik ben anders dan jullie, ik haat jullie. Ze exploiteren zwarte mensen voor hun rebellie. Dat is au fond racistisch.

Blanke schrijvers, stelt Morrison, hebben niet zelden zwarten in hun romans geëxploiteerd, van Edgar Allen Poe en Mark Twain tot Hemingway. Die ging uitsluitend naar Afrika om zichzelf te zuiveren, om zich beter te kunnen voelen. Dus kan zij begrijpen dat zwarte vrouwen zich gekrenkt voelen als zij in romans als wellustig, wulps en hoerig worden afgeschilderd. Een man wil zich superieur kunnen voelen aan een vrouw, veel blanke mannen kunnen hun superioriteitsgevoel niet botvieren op vrouwen die hun gelijken zijn, dus zoeken ze iemand boven wie ze zich verheven kunnen voelen.

Maar van politieke correctheid die er toe leidt dat romans worden verguisd als racistisch moet zij niets hebben. Zij is strijdlustig, maar ook ontspannen. Het is altijd goed als taboe doorbrekende romans discussie losmaken. Hoe urgent een discussie over de beeldvorming van zwarte vrouwen hier is, weet ik natuurlijk niet. Wat ik wel weet is dat blanke Europeanen als ze naar de VS emigreren ontdekken dat ze daar niet in de eerste plaats Italiaans, Pools, of Nederlands zijn, maar wit. Die verandering moeten ze ondergaan om een echte Amerikaan te kunnen worden. Je moet accepteren dat je historisch gezien hoort bij de mensen die zwarten verachten.

Zelf beschouwt Morrison zich niet in de eerste plaats als Amerikaans schrijfster maar als zwarte schrijfster. Dat wil niet zeggen dat ik een zwart publiek wil behagen. Integendeel, ik hoor vaak van mijn zwarte lezers dat ik de vuile was buiten hang. Dan zeg ik: ja, zoals James Joyce dat met die van de Ieren deed en Tolstoj met die van de Russen. Joyce was een schrijvende Ierse man, Tolstoj een schrijvende Russische man en ik een schrijvende zwarte vrouw. Van het verwijt dat ze, zeker in haar eerste boeken zoals The Bluest Eye bijdraagt aan een negatieve beeldvorming over zwarte vrouwen heeft ze zich nooit iets aangetrokken. Maar, bedenk wel dat het met die beeldvorming in de VS anders ligt dan in Europa. Bij ons heb je zwarte vrouwelijke rolmodellen in alle soorten en maten. Kijk naar de nieuwe First Lady, Michelle Obama. Anders dan haar echtgenoot is zij zo zwart als je maar zijn kunt, ze heeft slaven onder haar voorouders, maar zij is onafhankelijk, hoogopgeleid, ziet er prachtig uit en er is geen man, blank of zwart, die zich superieur kan voelen in haar nabijheid.

Neemt het racisme dus af naarmate zwarten hogere posities innemen? Niet automatisch, meent Morrison, maar naarmate zwarten meer rechten verwerven, meer kansen krijgen om hun talenten te ontplooien, neemt wel de legitimiteit van discriminatie af. Vandaar dat zij als gevierde zwarte auteur, die wel het geweten van Amerika wordt genoemd steun betuigde aan de presidentskandidatuur van Obama. Het is ongelooflijk inspirerend voor alle antiracisten dat Amerika nu een zwarte president heeft. Toen ik in 1993 op mijn 62ste de Nobelprijs kreeg was ik buiten zinnen van opwinding en geluk. Mijn oude moeder leefde nog, zij kreeg het te horen van mijn zus en zei: Word ik soms geacht te weten wat dat is, de Nobelprijs? Nee, natuurlijk hoefde ze dat niet te weten. Maar nu weten heel veel gewone mensen dat het de belangrijkste internationale literaire onderscheiding is en dat die aan een zwarte schrijfster is toegekend. Ik denk, als we het over beeldvorming hebben, dat die prijs veel zwarte schrijfsters in de VS en in de hele wereld moed heeft gegeven om door te zetten. Het is ongelooflijk inspirerend dat Amerika nu een zwarte president heeft.

Toni Morrison (Lorraine, Ohio, 1931), de grande dame van de Amerikaanse literatuur, schreef behalve negen romans ook essays, kinderboeken, toneelstukken en librettos. Voor haar werk ontving zij de Pulitzer Prize, de National Book Critics Circle Award en in 1993 de Nobelprijs voor Literatuur. Morrison studeerde letteren aan de Howard Universiteit in Washington. In 1964 scheidde ze van architect Harold Morrison en nam de opvoeding van haar twee zoons op zich. Als redacteur voor Random House legde zij zich toe op het uitgeven en promoten van Afro-Amerikaanse literatuur. Vanaf 1989 was ze hoogleraar in de Letteren aan de Princeton-universiteit. En daar geeft ze sinds haar afscheid in 2006 nog steeds colleges.

[van NRC Boeken, 29-05-2009]

maandag 22 juni 2009

Leesverslag E Parto in Papiamentu

Dit leesverslag van het belangrijkste literaire boek over de rebellie van 30 mei 1969 is, net als het boek zelf, in het Papiamentu geschreven. Het bestaat uit deel A (beschrijving) deel B (verdieping) en deel C (waardeoordeel. Ik heb momenteel geen tijd om het te vertalen. Ik heb zo nog een aantal leesverslagen, als daar belangstelling voor mocht bestaan ben ik bereid die ook te plaatsen. Als ik geen reactie krijg, zal ik jullie niet meer lastig vallen met bijdragen in het Papiamentu.
Saludo,
jeroen

A Deskripshon

Título: E Parto
Outor Barche Baromeo
Original na papiamentu si, ounke outor ta bisa ku el a kuminsá skirbié na ulandes.
Género novela den forma di kolazje. E ta parti novela históriko, parti novela di idea, parti novela di kultura di kurá i parti novela thriller. E tin algun karta i poema den dje. Gran parti di e teksto ta italiko, esaki ta e manuskrito, outobiografia di Frèt Wilbar.
Aña di publikashon 1996
Editorial ?
Edishon promé
ISBN 99904 0 185 3
Kantidat di página 300
Ilustrashon? no
Portada dilanti Diseño di Jennifer Gomperts: Na un manera artístiko, poko apstrakto, e hòmber nobo a nase for di e muhé. Alabes e ta un matris ku èmbrio i un pia ku ta skòp e hende ku ta bira lus, spiritualisá. Henter e portada ta reflehá e poemanan di den e novela.
Portada patras Potrèt di outor ku deskripshon di kontenido i algun rekomendashon
Kantidat di kapítulo E buki ta konsistí di shete parti, ounke no tin kontenido. E partinan ta di un tipo di diario ku Frèt Wilbar a skirbi. Sindia ta esun ku ta lesa esaki pero e ta bula aki aya den e páginanan. Resultado ta ku parti 5 ta kuminsá despues di parti 6.
Índise No tin, pero despues di e moto na página 5, e teksto ta kuminsá na p 7. Parti un ta kuminsá na página 12, parti dos na 96, parti tres na 152, parti kuater na 184, seis na 152, parti seis na 216, parti sinku na 240 i parti shete na 290.

Biografia kòrtiku di e outor:
Wilfred Florencio Baromeo a nase na Kòrsou (27/10/1943) komo grawatá di wea. El a bai Peter Stuyvesant College. En bes di bira ingeniero el a bira mener di skol. A bai Hulanda pa studia hoofdakte (1965/66). Bèk na Kòrsou el a traha na skol di Infansia Sint Antonius, pa djis despues di a realisá profundidat di 30 di mei ’69, move pa Da Costa Gomez College na Koraal Specht. Despues di graduá pa gym i spaño i LO papiamentu na 1984 e ta duna lès na Joseph Civilus school na Barber.

{Sr. Baromeo a bin papia tokante su buki i bida pa mi studiantenan na UNA, dia 23 di mei 2005.}

Bibliografia di e outor:
E Pali’i Bida (novela kòrtiku), 1990; E Parto (novela grandi), 1996. Pa esaki e ta risibí na aña 2002 e Chapi di Plata di Fundashon Pierre Lauffer. E ta trahando riba un novela nobo, titulá Baile di Almasola, Quo Vadis?


B Profundisashon

Motibu di eskoho
Ya ku esaki ta e úniko gran novela ku a sali e último añanan, i ku a gana e premio di Fundashon Pierre Lauffer, tambe e hecho ku Frank Martinus Arion a deklará ku E Pal’i Bida ta balapena mashá, mi no por keda sin lesa e buki akí.

Espektativa
Rumor tin ku e tin un struktura kompliká, i ku e ta kontené hopi idea pro kambio pa desaroyo di Antia spesialmente pa enseñansa en konekshon ku papiamentu. E kombinashon akí ta un reto pa desifrá e struktura i pone mi na altura di otro hende su idea pa mehorashon di enseñansa di nos pais.

Promé frase
Breda, Ulanda.
E no a kaba di drenta, ku sapatu ta zuai kai den huki, yas ta bai hak na kapstòk, suèter di kòl ta waya baha slap den stul..

Último frase
“Mas bo trafiká den hende, mas bo apresiá bestia”, e ta gruña.
“Mmmmmm”, Mèmè ta kafuña rabitu...

Tema
E revolushon di 30 di mei 1969 por trese kambio positivo den sosiedat Antiano. E por nifiká e parto di e antiano nobo.

E tema ta bini kla dilanti den dos sita di página 209. Nan ta saká for di pensamentu di Sindia:

Si. Skirbi i pinta. T’asina e ta analisá, saka kada bes di nobo... FORSA! Despues di kada krísis, Frèt ta nase di nobo, adaptá su Ta-den-mundu riba un plan mas elevá, biba kumpli ku PROPOSITO di su NASEMENTU. Manera el a tuma, biba, prosesá Trint’i Mèi, visualis’é den e kolazje den su kamber!
...
Anto el a skirbi “E PARTO” komo entrada di PARTI KUATER i mand’é pa bo, kèns! Ki sorto di yu “E PARTO” ei lo produsí: ANTIANO NOBO òf YU di DESESPERASHON...?!

Baromeo a kontestá durante su bishita na mi grupo di estudiante na UNA riba e pregunta unda el a haña inspirashon, ku e gusta skirbi i e ta desilushoná pa polítika ku a kibra e skol di Pasenshi.
E meta dje outor ta pa:
• Proba pa su mes ku e por skirbi un historia bastante amplio na papiamentu.
• Aportá na papiamentu (skarsedat di título optenibel)
• Dokumentá 30 di mei 1969 den konteksto
• Klarifiká un ke otro pa su mes.

Baromeo a skohe pa e título E Parto pasobra hóbennan tabata kere den era nobo ku lo bini despues di 30/5/69. Kada figura ta papia riba 30 di mei i nan mes renasementu. Outor ke sa kiko lesadó mes ta pensa, e antiano nobo a nase kaba?


Personahenan
Frèt Wilbar, artista di Arte-Pòp i mener di skol. (Esaki ta un anagram di e nòmber dje outor). El a vota blanku pasobra ounke e ke pa Frente Obrero ta haña voto, esaki no tin sufisiente inteligensia, ku URA si tin pero esaki no ta kuadra ku si vishon.
Sindia Martis, mama soltero di dos yu. Un di nan ta den klas di mener Frèt. Pa sostené trabou di mener Frèt den tim di Pasenshi e ta lanta su organsisashon di tiner-na-barika: Mama Pasenshi. Sindia ta esun ku ta lesa mayoria di e outobiografia di Frèt ku a sak’é na estado (kasi shete luna pasá) di un fruta ku e ta yama Plushe.
Ida Barry (=Kitty Emmen), feminista iskierdista ku a yega di tin relashon amoroso ku Frèt, ku e ta yama Kibrahacha. El a bai for di Kòrsou biba na Merka pa djòin Black Panther, despues a bai Cuba, Hulanda i Afrika pa asistí na e lucha pretu. E ta yega Kòrsou pa inougurashon di e skol nobo. Ida tambe ta lesa algun parti (PARTI SINKU, p’esei esaki ta bini despues di PARTI SEIS) di e manuskrito. Esaki ta na kas bashi di Frèt den kurá di Ma’a Lin. (p 240)
Ada, bunitesa, otro relashon seksual di ántes di Frèt.
Cayetano Prieto, agente di CIA ku a bin Kòrsou pa eliminá delaster un simia di revolushon kubano. E personahe aki ta hasi ku e novela ta parti thriller tambe.
Sado, kabes di skol di Pasenshi i otro miembro di e tim di Pasenshi. Nan no ta di akuerdo ku otro tokante vishon riba desaroyo di e antiano nobo.
Habitante di kurá di Ma’a Lin, e kurá fundeshi den bario ku su kas-wela i kas-mama, rondoná di kas di vipénan, yu, ñetu i bisañetu.
Personanan históriko manera Stanley Brown, Mac Alberto, Amos Nita, enfin muchu pa menshoná tur.

Desaroyo di karakter
No ta solushoná dudanan di personahe. Meta di e buki ta parse mas pa hasi pregunta na e lesadó ku pa skirbi un novela sikológiko.

Tempu
Tempu ta un elemento masha esensial. E tempu kontá ta ménos ku 24 ora, di 6 di mei 1974 te ku 7 di mei 1974, ku hopi flashback pa luna di mei 1969 i desaroyo despues di esaki. P’esei tambe por bisa ku e tempu kontá ta tuma mas o ménos sinku aña.

Lugá
Ta kuminsá na Hulanda pero mayoria ta tuma lugá na Kòrsou. Sindia ta sinta na su kas lesa e outobiografia.

Konflikto
Entre deseo pa via di skol di Pasenshi yuda krea antiano nobo i realidat polítiko ekonómiko ku ta laga sosiedat na su forma bieu. No tin balansa entre bida spiritual/kultural i e partinan ekonómiko i polítiko di bida.

Solushon
No tin un solushon. E buki ta laga e lesadó ku e pregunta: E antiano nobo a nase kaba? Frèt si ta kere ku e solushon ta kreatividat, arte ta bida i bida ta arte. E no ke bringa loke e ta bringa ku mesun arma ku esun ku e ta bringa, sino ku arte, amor. No ta arma ta disidí lucha, sino hende. Amor di klase i poder di amor. Na p 287 Cayetano ta bisa:
“Ta DOS alternativa Bida a lagabu kuné, Señorita Ida Barry... AMOR di PODER... òf... PODER di AMOR...!”

Estilo
Outor a skohe pa eksperimentá hopi ku e lenga. Tribilidat di krea palabra i verbo. E no ker a uza e pronòmber personal muchu. P’esei e ta personifiká tantu asina. Mira e promé frase sitá akiriba.
Banda di e rikesa di vokabulario ta uza hopi dicho i ekspreshon. E ta apliká verbo serial i reduplikashon verbal, elemento típiko di idioma krioyo i lenga papiamentu.

Perspektiva di kontamentu
Tin un kontadó omnipresente. Outobiografia (manuskrito) di Frèt ta for di perspektiva di Frèt. Sindia ku ta les’é ta reakshoná for di su mes perspektiva. Lesadó ta testigu di pensamentu di Ida tambe, pero nos no por drenta pensamentu di p.e. Cayetano. Loke nos ta tende di dje ta loke e ta papia ku Ida.

Resúmen di kontenido
E kuenta ta resultá den renombramentu di e skol di Pasenshi den dr. Efraim Jonckheer College na e bario pober di Pasenshi. Na kaminda pa e evento aki tur personahe pro i kontra e desaroyo di e antiano nobo pa medio di un skol eksperimental ta bringa otro. E mainta ei, 7 di mei 1974, 1) yu di Sindia i Frèt ta nase, 2) inougurashon di e skol no ta bai manera planiá, pasobra Frèt a organisá un sorpresa kreativo (el a buta e piesa di Dalí i un piesa di arte di su mes na lugá di e kara di Dr. Efraim Jonckheer den bròns, p 268) i 3) Staten ta habri na un manera inesperá. Aki tambe Frèt ta trese sorpresa.

Aplikabilidat pa enseñansa
Hopi posibilidat.
• E novela ta kontené asina tantu personahe i akshon ku por laga buska i deskribí por ehèmpel Sendy Curton, Cayetano Prieto, Chio, Sado
• Por buska informashon históriko tokante 30 di mei ’69
• Kompará E Parto ku Edward de Jongh su buki E dia di mas históriko
• Laga alumno traha un tipo di sosiograma di e personahe i figuranan prinsipal i nan relashon interaktivo
• Deskribí e habitantenan di ekurá di Ma Lin òf skirbi un ensayo tokante kultura di Kurá di Ma’a Lin
• Skirbi un artíkulo tokante Salvador Dalí i e pintura menshoná den e buki
• Buska informashon tokante Werner von Braun
• Traha un kolazje manera Frèt ta deskribí
• Traha un glosario pa E Parto di palabranan ménos frekuente
• Kompará Ida Barry ku Ada i Sindia Martis nan relashon ku Frèt i nan filosofia di bida
• Buska informashon tokante e movementu Black is Beautiful ku Angela Davis, Isaac Hayes (Black Moses), James Baldwin i Sammy Davis Jr. i skirbi un ensayo tokante e movementu aki
• Buska e muzik di Confusion will be my epitaph i analis’é
• Traha un ensayo tokante Dr Martin Luther King, ku bo ta sita henter su charla I Have a Dream den dje;
• etc....


Remarke òf pregunta
E trabou pa skirbi e buki akí mester tabata un trabou inmenso. Tòg tin algun punto chikitu di krítiko:
• Outor ta bisa ku e kantika Confusion will be my epitaph ta unu di The Isle’s Brothers. Esaki no ta korekto. E kantika ta di King Crimson. The Isley Brothers (esaki ta e spèlmentu korekto) a kuminsá saka LP na 1971 so.
• E ta spèl nòmber di Dr. Martin Luther King robes (Marten), di Isaac Hayes Black Moses tambe (Mozes e ta spèl e) (p 26), di Toussaint L’ouverture e ta spèl Touissaint (p 235).
• E ta yama e spich di Martin Luther King I’ve a dream. Esaki mester ta I Have a dream. (p 26)

Pero manera m’a bisa esaki ta un punto minimal.

C Balorisashon
Ta balapena mashá. Ounke mi ta haña su estilo aki aya tiki fòrsá i e parti mei mei basta tai pa e blo ripitishon di e mesun idea revolushonario, esaki ta un fuente pa hopi tipo i material di lès. E outor a logra kumpli ku su metanan. E novela ta asina riku ku ta imposibel pa trata tur su aspekto dentro di e limitashonnan di e relato di lesamentu akí. Sigun mi por skirbi un estudio ku:
entrevista ku p.e. Stanley Brown,
deskripshon antropológiko di kultura di kurá,
komparashon entre 30 di mei i movementunan manera Black is Beautiful,
estudio di e idioma di Baromeo
relashon di Arte Pòp i kolazje ku e obra akí
estudio profundo di podernan ekonómiko, polítiko i kultural/spiritual na Kòrsou i Antia, etcetra
di mas ku mil página tokante E Parto.

Anekso:
• kopia di e pintura di Salvador Dalí Geoploiticus Child watching the birth of The New Man
• letra di e kantika Confusion will be my epitaph di King Crimson ku a Sali na 1969 riba nan LP titulá In the court of the Crimson King.:


The wall on which the prophets wrote is cracking at the seams
Upon the instruments of death the sunlight brightly gleams
When every man is torn apart with nightmares and with dreams
Will no one lay the laurel wreath as silence drowns the screams

Confusion will be my epitaph
As I walk a cracked and broken path
If we make it we can all sit back and laugh but I fear tomorrow I'll be crying

Between the iron gates of fate the seeds of time were sown
And watered by the deeds of those who know and who are known
Knowledge is a deadly friend when no one sets the rules
The fate of all mankind I see is in the hands of fools...

Wil RK schoolbestuur het MIL verhuizen?

Open brief aan het Rooms Katholiek Centraal Schoolbestuur op Curaçao

Geacht bestuur,
Is het RK schoolbestuur bereid om het Maria Immaculata Lyceum te verhuizen, in verband met de luchtvervuiling die de olieraffinaderij op deze school veroorzaakt? Wat is het standpunt van het schoolbestuur over deze luchtvervuiling en de gevolgen hiervan op de arbeidsomstandigheden en leeromgeving op deze school?
Zoals u weet heb ik onlangs mijn ontslag bij het RK schoolbestuur ingediend, mede om deze reden, uit vrije keuze. Ik weet van drie collega docenten die om deze reden ook overplaatsing hebben gevraagd of ontslag hebben ingediend. Uit gesprekken met leerlingen blijkt dat ze geen concentratie meer kunnen opbrengen om op school te werken. Veel leerlingen komen met hoofdpijn thuis.
Ik heb vroeger sigaretten gerookt. Ik ben daar negen jaar geleden mee gestopt, uit vrije keuze. Nu kan ik op het MIL niet uit vrije keuze beslissen om geen extra rook meer tot mijn longen te nemen. Toen ik stopte met roken stond er op de pakjes nog niets over de schadelijkheid van het roken. Later kwam er op de verpakking een sticker met de boodschap dat roken schadelijk voor de gezondheid kan zijn. Iets later werd die formulering iets dramatischer: Roken ís schadelijk voor de gezondheid. Nu staat er: Roken is dodelijk. (sec). Wanneer komen er stickers op de muren van het MIL: schoolgaan op deze locatie is schadelijk voor de gezondheid van leerlingen en docenten? Hoelang duurt het dan voor die waarschuwing luidt: Hier zijn is dodelijk.
Is de bedreiging van de gezondheid van klanten van het schoolbestuur, te weten de leerlingen van het MIL, zo’n 850, reden voor het RK schoolbestuur om actie te ondernemen? Zo ja, wanneer, zo nee, wanneer dan wel? Er staan genoeg scholen leeg om daar naar te verhuizen. Anders zou u een vijfjarenplan kunnen maken om langzaam de school te gaan verhuizen.
In afwachting van uw reactie, verblijf ik,
Jeroen Heuvel

zaterdag 20 juni 2009

Een Sarnami couplet in het Surinaamse volkslied?

Er was nog maar enkele dagen geleden flink wat beroering, omdat de Surinaamse president Ronald Venetiaan bij een publieke bijeenkomst verbood dat er door een hindostaan een couplet van het volkslied in het Sarnami, de taal van de hindostanen, gezongen zou worden. De discussie over zo'n "derde couplet" van het Surinaamse volkslied, steekt periodiek de kop op. Discussie? Om heel eerlijk te zijn: van de onverhuld racistische vuilspuiterij op een aantal internetsites lusten de honden geen brood.



Maar er is ook een andere manier om aan dit debat deel te nemen. Zo verspreidde Ricardo E. Meyer twee jaar geleden een tekst die maar een beperkt circuit bereikte. De titel ervan: 'In plaats van Sarnami couplet Surinaams volkslied, volkseenheid nastreven.' We nemen die tekst hier graag over:

Ter gelegenheid van 134 jaar Hindostaanse immigratie werd er op zondag 3 juni jl. [2007], door diverse hoogwaardigheidsbekleders, onder wie President Venetiaan en zijn vrouw, aan de Waterkant, een bloemenhulde gebracht bij het standbeeld van Baba en Mai.
Dit standbeeld staat symbool voor de eerste immigranten uit India, die op 5 juni 1873 voet op Surinaamse bodem zetten.
Bij deze regenachtige gelegenheid riep de voorzitter van de Culturele Unie Suriname (de CUS), Asiskumar Gajadien, de Hindostaanse gemeenschap in Suriname op zich richting 135 jaar Hindostaanse immigratie, te beijveren voor:
1. Een derde couplet van het Surinaams volkslied in het Sarnami
2. Het uitroepen van 5 juni tot een nationale feestdag; en
3. Een evenredig subsidiebeleid voor religieuze en culturele organisaties (van Hindoestanen).

Volgens Gajadien beijveren ook andere Hindostaanse organisaties zich voor deze drie punten. Welke dat zijn zegt hij niet. Gajadien meldt wel dat er al een vertaling van het volkslied in het Sarnami is en dat er ook een nieuwe versie in de maak is. Volgens hem gaat het om de taal van een grote groep Surinamers. “Er is hier een grote gemeenschap die Sarnami praat en die moet vrij zijn te kiezen in welke taal zij haar volkslied zingt”, aldus Gajadien.

Beste vrienden,
Ik moet Gajadien gelijk geven als hij zegt dat zijn voorouders na 134 jaar trots mogen zijn dat de “zaden door hen gezaaid tot vandaag nog bloeien”. Zelfs als hij had gezegd “weelderig bloeien”, dan nog zou ik hem gelijk moeten geven.
Met zijn drie punten tellende verlanglijst ben ik het echter hartgrondig oneens!

Volgens mij is het hoog tijd om elementen in deze samenleving die puur etnisch denken, streven en handelen voor eens en voor altijd de pas af te snijden. Zij dreigen anders het nationaal bewustzijn en daarmee de broodnodige natievorming van dit land en volk te frustreren
.

Beste vrienden, de daad bij het woord voegend neem ik onderstaand de moeite in detail in te gaan op het streven van Gajadien c.s. Ik doe dit in de verwachting daarmee een bescheiden bijdrage te leveren aan een bedachtzame discussie terzake.

Voor een (evenredig) subsidiebeleid voor culturele organisaties valt zeker wat te zeggen maar religieuze organisaties behoren in een democratische rechtsstaat die Suriname is absoluut geen subsidie te (willen) ontvangen. Geloofsbelijdenis is een particuliere aangelegenheid die men zelf moet bekostigen. De doordachte en principiële scheiding tussen kerk en staat zoals neergelegd in onze grondwet brengt met zich mee dat geen enkele religieuze organisatie door de overheid mag worden gesubsidieerd.
Vanwege de door henzelf zo gekwalificeerde verwevenheid van cultuur en religie bij de Hindoestanen ben ik bovendien geneigd ook qua subsidiebeleid voor cultuur, als staat, grote terughoudendheid te betrachten. Hoe dan ook moet worden voorkomen dat met overheidsgeld onder het mom van cultuur, religieuze organisaties en/of activiteiten worden (mede)gefinancierd.
Cultuur, meer in artistieke zin, is een andere kwestie. De overheid kan door middel van het beschikbaar stellen van middelen, artistieke uitingen, zoals theater en muziekuitvoeringen, maar bijvoorbeeld ook kunsttentoonstellingen stimuleren.
Dit echter juist niet op basis van evenredigheid, maar op grond van ondersteuningsbehoefte in relatie tot de mate van kunstzinnigheid.

Zowel wat een eigen couplet als een vrije dag betreft kan ik het mijzelf makkelijk maken door te argumenteren dat als je dat bij de Hindoestanen doet, morgen tenminste ook de Javanen hetzelfde zouden kunnen verlangen, om niet te spreken van de Marrons, Indianen en Chinezen. Dat zou op zich al argument genoeg zijn om het gevraagde categorisch af te wijzen. Toch is dit nog het minste argument tegen inwilliging.
Hoe moet dit volk (ik zou haast zeggen in Gods naam) ooit een natie worden als de gerechtvaardigde emancipatieprocessen op den duur niet worden omgebogen in nationaal bewustzijn?!
Waarom blijft men pleiten voor zaken die ons scheiden?
Waarom pleit men in plaats daarvan niet voor zaken die ons binden?!
Mensen als Gajadien maken Suriname op deze manier tot ‘laughing stock of the Caricom and the world at Large’. Zo holt de rest van de Caricom Suriname toch lachend voorbij!

Nu eerst de vraag naar een eigen derde couplet in het Sarnami.
Het Surinaams volkslied kent twee coupletten. Eén in het Nederlands, zijnde onze officiële voertaal en één in het Sranan Tongo, de de facto verbindingstaal of lingua franca tussen alle Surinamers. Het tweede couplet wordt kennelijk ten onrechte gezien als het couplet voor de Creolen dus wij Hindostanen hebben ook recht op een eigen couplet.
Gajadien vindt dat een grote groep (of wilde hij misschien beweren de grootste groep) Surinamers, zijnde Hindostanen, “vrij moet zijn te kiezen in welke taal zij haar volkslied zingt”. Dit is naar mijn mening onjuist. Ons volk wordt bewust zowel als onbewust al verdeeld in ontelbare zuilen (eigen politieke partijen, scholen, verenigingen, Radio en TV Stations, etc) die elk voor zich en tezamen wel ergens goed voor zullen zijn maar als ze één groot goed NIET bevorderen is het wel de alles verbindende eenheid die broodnodig is om de neuzen van alle Surinamers dezelfde kant op te laten wijzen, waar het onze ontwikkelingsrichting betreft.
Ons volkslied behoort tot de weinige grootheden die net als onze nationale vlag juist onze eenheid symboliseert. Wij zingen allemaal hetzelfde lied; dezelfde twee coupletten; en nu wil de voorzitter van de Culturele Unie Suriname dat een deel van ons volk zus en een ander deel zo gaat zingen?
Hoe we hier ook samen kwamen, we moeten onze kinderen juist leren hun Surinamerschap voorop te stellen. Laten we ze bijbrengen dat ze in de eerste plaats Surinamers zijn. Dat is het grotere goed dat hen met elkaar verbindt.

Wat dat betreft chapeau voor Radio Zon, die in hun programmering alle gezindten proberen te bedienen.

Een derde couplet van het volkslied in het Sarnami zou in de wereld bovendien een ongewenst novum betreffen. Met een volkslied straal je eenheid en vaderlandsliefde uit, reden waarom iedere natie kiest voor één taal. Nog nergens in de wereld doet zich de door Gajadien gewenste situatie voor, ook niet in India, waar ook sprake is van verschillende bevolkingsgroepen. Alleen in Canada kent het volkslied, op grond van de specifieke historie van dat land, een Frans en Engels deel. Ik zie het land met de meeste bevolkingsgroepen, de Verenigde Staten van Amerika, al de verschillende bevolkingsgroepen de vrijheid geven het Amerikaans volkslied in hun eigen taal te zingen! Totaal contraproductief en daarom onbestaanbaar.

Sterker nog, wat Gajadien bepleit lijkt misschien onschuldig maar is juist uitermate gevaarlijk voor de integriteit en ondeelbaarheid van het Surinaams grondgebied. Onbewust roept zijn pleidooi gedachten op aan het separatisme dat ooit in Nickerie werd gepredikt. De geest uit de fles halen is één, haar terug in de fles krijgen is heel wat anders.

Voor wat het pleidooi voor een eigen nationale feestdag betreft kan ik na het bovenstaande kort zijn. Niet hier; niet in dit Suriname. Wij moeten ervoor zorgen dat elk nationaal feest door alle Surinamers kan worden gevierd. Elk nationaal feest moet elke Surinamer kunnen bezielen prioriteit te geven aan wat ons verbindt in plaats van wat ons scheidt.
Niet voor niets is er jaren geleden al voor gekozen 1 juli niet langer aan te duiden als Dag van de Emancipatie, maar als Dag der Vrijheden. Daarmee wil niet alleen de afschaffing van de slavernij worden herdacht, maar ook de komst van de nieuwe contractarbeiders naar Suriname, zijnde de Hindostanen, Chinezen en Javanen.
Dat er christelijke feestdagen zijn ingeleverd om religieuze hoogtijdagen van Hindoe en Moslim broeders en zusters samen te herdenken is een goede zaak en tekenend voor onze onderlinge verdraagzaamheid en eenheid in verscheidenheid.
Maar op zich kent Suriname nu al te veel vrije dagen. Wanneer wordt er nog gewerkt? Ik zou eerder willen pleiten voor minder vrije dagen. Binnen de Caricom en de globaliserende wereld heeft onze economie juist baat bij verhoging in plaats van verlaging van de productie.

Tenslotte
Let wel, ik heb alleszins oog op de positieve verworvenheden van (de nakomelingen van) Baba en Mai. Zo onderken ik dat de Brits-Indische immigranten die als contractarbeiders naar Suriname zijn gekomen om een beter leven voor zichzelf op te bouwen dan ze in India hadden, hier vaak onder erbarmelijke omstandigheden hard hebben geploeterd om zichzelf en Suriname als geheel vooruit te helpen. Het volharden en de spaarzaamheid die zij hun nazaten meegaven, zijn voorbeeldige eigenschappen waar elke Surinamer kracht uit kan putten.

Vandaar mijn oproep om de energie die wij met z’n allen nodig hebben om het ontwikkelingsproces van ons geliefd Suriname te accelereren, niet te laten weglekken in de verkeerde richting. Laten wij onze energie in plaats daarvan bundelen en inzetten voor welzijn, ontwikkeling, welvaart en stabiliteit op een substantieel hoger niveau dan we tot dusver al hebben bereikt.
Onze menselijke zowel als natuurlijke hulpbronnen stellen ons daartoe ruimschoots in staat.
Zogenaamde leiders van dit volk die zich in plaats van door het nationaal belang beperken tot het eigen- en/of groepsbelang moeten we liever vandaag dan morgen afdanken en vervangen.

Zo heb ik gedacht.

Ontvangen jullie ook nu weer
“De hartelijke groeten uit Paramaribo”.

Ricardo E. Meyer, 8 juni 2007.

Het Nelson Mandela Festival


Op zondag 28 juni zal het Nelson Mandela festival in Rotterdam plaatsvinden.
De bekende schrijver & dichter Quito Nicolaas zal op deze dag optreden. Eerst zal hij als Keynote speaker in de VIP-room e.e.a. vertellen over de Ubuntu filosofie en deze vertalen naar de Rotterdamse situatie. De andere sprekers op deze middag zijn: Dagmar Oudshoorn (Deelgemeente Feijenoord), Frits Strietman (Vzt. NMF Kinderfonds) en Sandra Saakasjvili Roelofs (First lady Georgie). Later op de middag zal hij als dichter optreden en tal van Caribische gedichten voordragen.



Plein van de Solidariteit 2009!

Programma in de Solidariteitstent:

Presentatie: Sander de Kramer

13.30 - 14:00 uur - NECO NOVELLAS ACOUSTIC! Openingsconcert
Neco Novellas Acoustic: een vurig en intiem concert van de drie broers Novellas, uit Mozambique. Een unieke dialoog tussen pop, rock, jazz, reggae en afrobeat.

14.10 – 14.50 uur - Kunt U mij 60 Hamers en 12 Naaimachines sturen?
Filmvertoning en nagesprek. Een Film van Lily van den Bergh. Na de film een gesprek met Marleen van Duijnhoven, Directeur van Gered Gereedschap.

15.00 – 15.30 uur - Bantu Continua Uhuru Consciousness, concert
Een nieuw Zuid-Afrikaans geluid en een andere kijk op de wereld. BCUC laat trotse Afrikaanse traditie en Soweto als symbool voor revolutie herleven.

15.40 – 16.15 uur - Poëzie voor een betere wereld!
Voordracht van o.a. Quito Nicolaas (Aruba) en Paul Middellijn (Suriname).

16.20 – 16.45 uur - La défense de la solidarité, lezing
Door Babah Tarawally, regiomedewerker Afrika bij Free Voice. Free Voice is een mediaorganisatie die onafhankelijke media ondersteunt in ontwikkelingslanden.

16.50 – 17.35 uur - De Hoop van Afrika, debat
Column van Vamba Omar Sherif. Presentator Sander de Kramer gaat in gesprek met o.a. Vamba Omar Sherif, Babah Tarawally en de ambassadeur van Uganda. Is er nog hoop voor Afrika?

17.40 – 18.15 uur - Basiani (georgië), concert
Basiani ontstond in 2000 om de traditionele gezangen van Georgië te laten heropleven, het mythische land waar Jason en zijn Arganuten op zoek waren naar het Gulden Vlies. Basiani is op het Ortel Nelson Mandela Festival samen met Sandra Roelofs, First lady van Georgië.

18.25 – 19.00 uur - Andro Biswane’s Eclect-E Project! Afsluitingsconcert
De Surinaamse gitarist en componist Andro Biswane is een bijzonder nieuw project gestart: Eclect–E. Het is een muzikale ontmoeting tussen India en Afrika: eentje waarbij jazz, funk, ambient, lounge, West-Afrikaanse ritmes zich mengen met Indiase raga’s en dans.

Meer informatie: http://www.nmf.nl/
Juan Heinsohn Huala, Tel. 06 43 44 39 83 ~ j.heinsohn@nelsonmandelafestival.nl

vrijdag 19 juni 2009

Aan alle geslaagden


Gefeliciteerd!

Foto-albums: naar het archief!

Met rond de 130 bezoekers kende de eerste dag van het Caraibisch Familiearchief een prachtige opkomst. En er gebeurde ook direct wat de organisatoren van het KITLV hadden gehoopt: mensen kwamen langs en lieten hun familie-albums en andere oude documenten achter om ze op te nemen in de archieven van het KITLV.

Verrassende sprekers waren er ook. Oud dienstplichtig militair Gerrit de Wilde sprak over zijn ervaringen in Suriname begin jaren zestig. De Wilde was diep onder de indruk van de flora en fauna van het land. Hij ging eigenlijk alleen voor het binnenland. Het leger kon hem niet schelen. Hij schaamde zich voor het gebrek aan respect voor de binnenlandbewoners en de superioriteitsgevoelens van het vaste kader. “Wij kwamen in de dorpen van bosnegers en ons was niet verteld dat je iets moest meenemen. Dan werd ons om tabak gevraagd. Wij hadden wel shag maar deze hadden wij niet in voldoende mate bij ons en dan gingen wij onderling maar wat verzamelen om toch iets te kunnen aanbieden. Wat schaamde ik mij hiervoor.”


Een verslag van de dag (waaraan dit tekstje is ontleend) staat op de website van het Caraibisch Familiearchief, hier.


De tekst die Aart Broek uitsprak over verzamelwoede en bewaarzucht, en dan specifiek met betrekking tot Tip Marugg, Cola Debrot en K.W. Elhorst, leest u hier.




Wat te doen wanneer u geconfronteerd wordt met een op het eerste oog compleet chaotisch archief: ordenen ja of nee, en hoe dan? Deze kwestie behandelde Michiel van Kempen en diens presentatie is hier te bekijken.

Mazisi Kunene

Een gedicht


Laat mij als ik ontwaak
De verlangens van de zielen
Van alle mensen verzamelen
En ze onderdompelen in de fontein van Mpindelela
Die zal openbarsten in oceanen;
Niet als die van het zuiden zo vol van bitterheid
Maar als die van zoete smaak.

[gedicht van Mazisi Kunene, vertaald door Joris Iven; uit de tweetalige uitgave: De voorvaderen en de heilige berg / The ancestors and the sacred mountain, samengesteld, ingeleid en vertaald door Joris Iven. Translation epilogue and interview: John Irons. Uitgave Demer Press (maart 2009).


donderdag 18 juni 2009

Literair vreemdgaan

De Literaire Tippelzone op Curaçao - waarover we op deze blogspot al eerder schreven - vindt dit jaar plaats op 31 oktober in Pietermaai Smal. Wie mee wil doen kan alle informatie op de blogspot van het festival, klik hier


Diana Lebacs tijdens de Literaire Tippelzone 2008

maandag 15 juni 2009

Ook een nieuw Surinaams feest?

door Charles Chang

Festa Junina is een familiefeest en wordt overal groots gevierd in Brazilië. Elke stad of regio in Brazilië heeft haar eigen programma en feestdag(en). In het afgelopen weekend werd er op Sana Budaya in Paramaribo een geslaagde versie gehouden, hoewel uit veiligheidsregels enkele belangrijke details ontbraken [welke dan? - WCL]. De heer Tjon Kon Fat was als producer verantwoordelijk, zijn Braziliaanse counterparten waren senhora Lu (kostuums) en danser Clailson (choreografieën). De grote sponsor van dit festijn was TransAmerica, importeur van het bekende Braziliaanse biermerk Nova Schin. "Vroeger moesten we entree vragen, maar dankzij de sponsors was het vrij deze keer," zegt Tjon Kon Fat.




Een show moment op de avond van Festa Junina. De entree was gratis en het publiek werd getrakteerd op prachtige gekostumeerde shows. Foto: Charles Chang

Het is een gewoonte van Brazilianen om laat op te dagen, halverwege de avond werd het pas druk. Zichtbaar in aantal waren ook de gemengde koppels en moksi's - kinderen van Surinaamse en Braziliaanse ouders. De integratie zag je ook in de shows: Surinamers deden voor het eerst mee. Bij dança do indio (indianendans) waren niet alleen de kostuums prachtig om te zien, maar ook de bewegingen. Het harige kostuum bij dança do pajé bevat het hele verhaal. Op een Festa Junina mag de quadrilha absoluut niet ontbreken. De mannen waren niet in geruite hemden deze keer, maar net als de vrouwen in kostuums met vrolijke kleuren. Het stukje komedie bij de quadrilha van een gedwongen huwelijk had bij deze editie een verrassende einde. Bij elke optreden stroomde het publiek naar de vloer. Tussen de shows zorgde Banda Sabor de Mel (Honingsmaak) voor forrómuziek, pater Vergilio sprak alles bij elkaar, met af en toe een promotie voor zijn Radio Katolíca. Je zou denken dat het flitsende benenwerk bij de capoeira door Brazilianen werd uitgevoerd, maar Grupo Capoeira Suriname bestond geheel uit jonge Surinamers die een affiniteit hebben met deze Braziliaanse sport en cultuur. De geur van churrasco's vulde de lucht boven het cultureel centrum. Vatapa en tacaca zijn de traditionele gerechten uit het noorden van Brazilië, de macaxeira is niets anders dan een Braziliaanse bojo. De korenoogst begint in juni, dus waren er ook typische hapjes van maïs zoals pamonha (korenbrood in blad) en mingau (korenpap) te verkrijgen. Het was alleen jammer dat de bezoekers normaal gekleed waren. Traditioneel dragen de mannen voor dit feest geruite hemden en strohoeden, de vrouwen fleurige jurken met twee vlechten onder de hoeden en sproetjes op de gezichten. De periode waarin het Junifeest wordt gevierd, loopt van midden juni tot midden juli. Festa Junina is een traditie die is meegenomen door de Portugezen toen Brazilië nog een kolonie was van Portugal. Door de tijden heen hebben de vele culturen in Brazilië, zoals die van de indianen, afstammelingen van slaven en immigranten uit Europa, ook hun invloeden gehad op dit nationale festijn. De versie op Sana Budaya was volgens de Noord Braziliaanse traditie.

[Ontleend aan De Ware Tijd]

Goed voorbeeld

Op 22 april 2006 overleed Tip Marugg, een van de grootste prozaschrijvers die de Nederlandse Antillen ooit hebben voortgebracht. Niet overal werd hij herdacht. Op de vraag aan de directrice van een bibliotheek op een der eilanden waarom er geen herdenking voor hem was georganiseerd, luidde het antwoord: “Die is door de drank geen goed voorbeeld voor onze jeugd."



Tekening: Peter van Dongen

vrijdag 12 juni 2009

Surinaamse historische plantageromans

In 1685 werd het Edict van Nantes herroepen. Duizenden Franse hugenoten verlieten hun vaderland om in het buitenland een bestaan op te bouwen. Vooral landen als Zwitserland, Engeland, Nederland, Duitsland en Kaap de Goede Hoop werden hun bestemming. Via Nederland kwamen de hugenoten naar de voormalige kolonie Suriname. In de Surinaamse literatuur is ook aandacht hieraan besteed. Albert Helman (1903) en Cynthia Mc Leod (1936) hebben geschreven over de komst van de Franse hugenoten naar Suriname in de achttiende eeuw.


Indra Ganesh schreef aan de VU onder begeleiding van prof. dr Ena Jansen een doctoraalscriptie over dit onderwerp: een vergelijkend onderzoek naar presentatie van de komst van de hugenoten naar Suriname. Hiervoor heeft zij de boeken Ma Rochelle passée, welkom El Dorado van Cynthia McLeod en De stille plantage van Albert Helman aan een grondige analyse onderworpen. Voor dit onderzoek heeft zij de geschiedenis van Suriname bestudeerd, omdat de slavernij en het koloniale verleden ruim aan bod komen in de boeken. Hierbij heeft ze gelet op de weergave van de historische gegevens in de romans. Daarnaast heeft ze aandacht besteed aan de receptie van de boeken. Ten slotte heeft ze de boeken met elkaar vergeleken, waarbij ze vooral gelet heeft op de structuurelementen en de aanpak van de auteurs.

Ganesh komt tot de conclusie dat Cynthia Mc Leod, in tegenstelling tot Albert Helman, veel informatie geeft over de geschiedenis van Suriname en dat dit o.a. te maken heeft met het feit dat het boek van Mc Leod na de onafhankelijkheid van Suriname verscheen. Helman schrijft over de eerste generatie hugenoten en Mc Leod schrijft over de derde en de vierde generatie hugenoten. Beide auteurs leveren kritiek op de koloniale machthebber.

Indra Ganesh: Surinaamse historische plantageromans van Cynthia McLeod en Albert Helman: een comparatistisch onderzoek naar de presentatie van de komst van de hugenoten in Ma Rochelle passée, welkom El Dorado en De stille plantage. Doctoraalscriptie VU Amsterdam 2007.

[Bewerkt bericht van de VU.]

donderdag 11 juni 2009

Op' A Batra - Open die Fles

Alweer een tijdje geleden, het Boekenfeest van Vereniging Ons Suriname op 21 maart 2009 in Amsterdam, in het kader van Boekenweek 2009. Een hoogtepunt was de presentatie van de nieuwe tweetalige gedichtenbundel Op' a batra/Open die Fles van John Leefmans (1933). Wie meer wil weten over de carrière van Leefmans, leze verder hier in Wikipedia. Wie een korte foto-impressie wil zien, kijke hieronder verder.

Fotograferen en schrijven zijn voor mij twee verschillende manieren van 'waarnemen' en 'registreren'. Fotograferen is mijn serieuze hobby (die ik soms ook als betaalde opdracht uitvoer) en een publieke bezigheid, mensen zien wat je doet. Ik maak graag portretten en natuurlijk is de natuur een dankbaar onderwerp om vast te leggen. Schrijven is een eenzaam beroep, waartoe wij schrijvenden onszelf veroordelen omdat we blijkbaar niet anders kunnen dan 'de roep' volgen. Daarom zijn de momenten van delen, van onze baby's aan de wereld tonen, zeer dierbaar en heilig. Dat begrijp ik als geen ander, daarom leg ik het graag vast als collega's hun 'moment' beleven. (Verzoeke bij gebruik van de foto's mijn naam te vermelden, uit egards voor het geestelijk eigendom van elkaars werk.)
John Leefmans draagt voor uit zijn nieuwe gedichtenbundel Op' A Batra/Open die Fles, in twee talen: Sranantongo en Nederlands. De bundel is gepubliceerd door Uitgeverij In de Knipscheer.
In gesprek met kenner van de Surinaamse literatuur Michiel van Kempen, die er altijd wel een humoristische draai aan weet te geven.
Moderator Ivette Forster ondervraagt vijf creatieve heren over het thema 'Vreemde eend in de bijt'. V.l.n.r. Clark Accord, Michael Tedja, Rashid Novaire, Raj Mohan, Arnold Schalks.
Zanger en dichter Raj Mohan (1962) draagt voor, in het Sarnámi en Nederlands. Zijn tweetalige gedichtenbundel Bapauti/Erfenis verscheen in 2008 bij Uitgeverij In de Knipscheer.
Raj Mohan wordt begeleid door gitarist Lourens ten Haaften. Het publiek is onder de indruk van hun performance.
Schrijfster Giselle Marie Ecury (1953) leest voor uit haar roman Erfdeel - Zoektocht naar een vader. Gepubliceerd door Uitgeverij Conserve, waar in 2005 ook haar dichtbundel Terug die tijd - Herinneringen aan dementie verscheen.
'Fatu specialist' Jeffrey Spalburg zorgde met zijn stand up comedy voor een vrolijke noot op deze avond, die werd afgesloten met feestmuziek. Bij elkaar was het een interessante collectie schrijvers, dichters en performers die werd gepresenteerd, maar misschien net iets te veel bij elkaar, want het programma liep flink uit en duurde te lang. Voor de mensen die aan het eind waren geprogrammeerd, was dat niet zo prettig. Ook niet voor dat gedeelte van het publiek dat erg geinteresseerd luisterde en net als de voorlezende auteurs mede te lijden had van het rumoer van de mensen die bij de bar (in dezelfde zaal) luidruchtig tori stonden te praten, zoals gewoonlijk bij VOS. Voor toekomstige konmakandra's bij VOS moet hiervoor zeker een oplossing worden gezocht. Gelukkig kon het zitvlees aan het eind van de avond weer even worden losgedanst.

Op de vuist met: Vuijsje?

Het lezen van Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, heeft een stroom van reacties voortgebracht, die vooral onder de Surinamers tot verontwaardiging, woede, frustratie en nog meer emoties leidt. Je kunt je afvragen in hoeverre dit terecht is en of de lezer de diepere bedoelingen van de schrijver voldoende heeft doorgrond, de zelfkritiek heeft begrepen. In de vele analyses die het boek opriep, komen diverse al dan niet genuanceerde meningen naar boven. Zo wordt bijvoorbeeld gesteld dat Vuijsje de Surinaamse vrouw afschildert als een niet al te intelligente vrouw met vooral lichamelijke kenmerken die neerkomen op een supersize boezem maat 95F en een dikke achteruitstekende bilpartij, ongetwijfeld ontleend aan de Afrikaanse Zoeloekoningin, plus een geconstrueerd bewerkelijk kapsel, veel goud en onelegante kleding en haar aldus belachelijk maakt. Dat de schrijver hiermee zijn eigen ras evenzeer beperkt tot de twijfelachtige categorie wellustige Joodse mannen, die niet kunnen klaarkomen bij de eigen kleurloze partner van weliswaar vergelijkbare financiële en intellectuele vermogens en daarom buiten de deur moeten gaan eten, ontgaat menigeen. Net zo min als hij hiermee de Surinaamse vrouw in al haar schakeringen typeert, doet hij dit met de Joodse man, die hij bovendien associeert met de dubieus bekend staande Marokkaan. Het is dus zaak dat de lezer zich wat kritischer opstelt bij het beoordelen van de bedoelingen van de schrijver.






Foto: Klaas Jan van der Weij

Wat wel een terechte bron van zorg is, is dat men zich mag afvragen of de jongeren, die dit boek op scholen voorgeschoteld krijgen deze analyse zullen maken en niet onmiddellijk de vooroordelen zullen hanteren die hier ogenschijnlijk de kop opsteken. Het is dus zaak het doorgeven van dit boek vergezeld te doen gaan van een pedagogisch verantwoorde leeswijzer, zodat de juiste nuancering optreedt.

Tot nu toe heb ik de reacties uit Suriname gemist en ik roep daartoe de Schrijversgroep 77 op van zich te laten horen.

Mijn eerste reactie bij het lezen van dit boek was gemengd. In het eerste hoofdstuk trof mij de knappe analyse van de vooroordelen tussen allochtone groepen. Verder in het boek vond ik het verhaal amusant maar oppervlakkig en vroeg ik mij af of dit een prijs verdiende. Aan het eind kreeg mijn eerste reactie weer de overhand, toen ik mij realiseerde welke dubbele bodem hier in zat. De vele discussies die hierna gevoerd werden gaven een genuanceerder beeld van schrijver en boek.

Als Surinaamse vrouw kan ik mij niet identificeren met de vrouw in het boek, al voel ik mij solidair met haar. Ook al zou ik dezelfde uiterlijke kenmerken hebben, dan zou ik niet boos kunnen worden. Het is maar 1 type van onze rijk geschakeerde Surinaamse vrouw en als zodanig niet representatief voor de hele vrouwelijke bevolking van Suriname. Niet elke blanke Joodse man ziet er toch uit als Robert Vuijsje.

Het zou aanbeveling verdienen onze reacties als schrijvers te bundelen tot een leeswijzer voor de jongeren overal in de wereld. En eerlijk gezegd. Wie is niet jaloers op een bestseller die in 50 talen wordt vertaald?

Utrecht, 7 juni 2009
Carry-Ann Tjong-Ayong,
schrijver

woensdag 10 juni 2009

'n Andere blik op Brion

Rudy Riedel geeft vier redenen aan waarom hij een boek heeft gepubliceerd over het leven van Luis Brion. Un otro kara di Luis Brion (’n Andere blik op Brion) is onlangs verschenen, met als ondertitel Di revolushonario na Hulanda i Kòrsou pa héroe di libertat di Venezuela i Colombia (van revolutionair strijder in Nederland en Curaçao tot vrijheidsstrijder van Venezuela en Colombia).

De eerste reden is dat Riedel in de literatuur over Brion tot nu toe een benadering van Brion heeft gemist die uitgaat van de Curaçaose context en van Luis Brion als mens. Dan volgen er in de inleiding (p. 10) twee redenen van meer persoonlijke aard om tenslotte te komen tot de vierde reden en dat is de belangrijkste: de beweegredenen te achterhalen van de daden van deze geniale Curaçaoënaar om zijn eiland te helpen en later Venezuela. Om dit te weten te komen stelt de auteur zich twee vragen: Waarom is Brion niet op Curaçao gebleven om hier te strijden en waarom is hij naar Venezuela gegaan voor de strijd aldaar?

Het primaire doel van deze publicatie is met andere woorden om een onderdeel van het leven van Luis Brion beter te leren kennen. Tot nu toe staat Brion bekend als een rijke blanke Curaçaoënaar die weliswaar af en toe heeft gevochten voor Curaçao, maar die later het eiland heeft verlaten ten faveure van Venezuela om er rijkdom te vergaren. Riedel die 38 jaar in het onderwijs heeft gewerkt wil met zijn boek vooral informerend en opvoedend zijn, hij heeft er geen wetenschappelijke pretentie mee. Hij beperkt zich daarom tot een deel van het leven van Brion. Riedel raakt ervan overtuigd dat er meer achter Brion schuilt dan simpelweg een slimme koopman, een uitstekende zeeman en iemand die heeft gestreden tegen de Engelsen op Curaçao. Ook meer dan een van de eerste medestrijders van Simón Bolivar, die hem in 1817 zelfs als vice-president van Venezuela heeft aangesteld. Riedel schetst hem als een authentiek mens die het niet te doen was om geldelijk gewin over de rug van anderen, als een landskind beïnvloed door de tijd waarin hij leefde met hart voor zijn geboorte-eiland maar met zijn eigen overtuigingen, dus niet als iemand die anderen blindelings heeft gevolgd.




Werkwijze
Riedel is van mening dat er te vaak op een moeilijke manier naar ons verleden wordt gekeken, dat er te veel aandacht wordt besteed aan de koloniserende rol van Nederland. Dat er teveel met een moderne bril wordt gekeken naar de geschiedenis. Riedel wil meer kijken vanuit de historische context. Dit wil niet zeggen dat hij de ogen sluit voor gebeurtenissen die voor die tijd ook als slecht hebben gegolden. Maar afkeuring van historische gebeurtenissen is nog iets anders dan strijd tegen een huidig volk of instituut. Riedels werkwijze is om Luis Brion te benaderen vanuit het tijdsbestek en de context waarin Brion heeft geleefd en om te onderzoeken hoe Brion heeft geprobeerd om invloed uit te oefenen op de gebeurtenissen op Curaçao en in Venezuela, uitgaande van zijn mensbeeld.

Luis Brion is geboren op 6 juli 1782 en is op 27 september 1821 overleden. Toen was hij dus 39 jaar. Hij was een kind toen de Franse Revolutie in 1789 uitbrak en een tiener ten tijde van de slavenopstand op Curaçao, als hij 17 is overlijdt zijn vader.

Riedel onderscheidt drie perioden in zijn leven. Vanaf de geboorte op Curaçao tot 1806 (Brion is dan 24 jaar) is de eerste. Riedel noemt dit de periode pro Nederland en Curaçao. Brion is ongeveer op 7-jarige leeftijd door zijn vader Pierre naar Nederland gestuurd om onderwijs te gaan volgen. In Nederland stond hij aan de kant van de patriotten die voor democratie en verandering waren. Hij heeft daar tot zijn 18de gestudeerd en gewerkt. Daarna is hij naar Amerika gegaan waar hij zijn gevoelens voor het federalisme versterkte en is hij teruggekeerd naar Curaçao waar hij tegen de aanvallen van de Engelsen heeft gestreden.

De tweede periode duurde vijf jaar en liep tot 1812. Deze periode noemt Riedel die van de handel en het politiek afstand nemen, na desillusie, van Curaçao. Brion vaart veel en doet zaken met Amerika, waar hij zelfs een beroep doet op het staatsburgerschap, met andere landen in het Caribisch gebied en met Venezuela.


De laatste periode begint in 1813, Brion is dan 30 jaar, en eindigt op zijn sterfdag in 1821. Dit noemt Riedel de periode voor de vrijheid van Amerika in zijn geheel. Brion leert Simón Bolívar kennen, neemt deel aan zijn bevrijdingsstrijd in Venezuela en Colombia en hij blijft de republieken tot aan zijn dood steun verlenen. Brion heeft niet alleen in Noord-Amerika het staatsburgerschap aangevraagd, maar later ook in Venezuela.

Tien hoofdstukken
In tien hoofdstukken passeren de belangrijkste jaren van het leven rond en van Brion de revue. In het eerste hoofdstuk wordt de tijdgeest geschetst van Curaçao, het Caribisch gebied en Latijns-Amerika. Niet alleen Nederland, maar ook Spanje, Engeland en Frankrijk oefenen druk uit op Curaçao en beperken de bewegingsvrijheid van haar inwoners.
Dan wordt een beeld geschetst van de ouders van Luis (die zich soms ook Pedro noemde). Zij waren afkomstig uit dat deel van Nederland dat na de afscheiding in 1830 tot België ging behoren. Pierre Brion, de vader, heeft ondanks zijn katholieke geloof belangrijke posities bekleed in de lokale gemeenschap. Hij onderhield goede banden met kooplui in de hele regio en zwarte revolutieleiders in Haïti en opstandelingen in Venezuela. Vervolgens een hoofdstuk over de schoolperiode in Nederland, waar hij de visie van de patriotten ging aanhangen en waar hij in de strijd tegen de Engelsen gevangen genomen wordt en een hoofdstuk over de militaire erkenning die Brion op Curaçao krijgt wanneer het hem lukt een Engelse blokkade te doorbreken.
In hoofdstuk vijf komt zijn kennismaking met Simón Bolívar aan bod en zijn voorbereidingen om in 1816 vanuit Haïti de eerste bevrijdingstocht naar Venezuela te ondernemen. De volgende twee hoofdstukken gaan over de overeenkomsten en verschillen tussen de visies van Brion en Bolívar. Deze geniale militairen konden het niet eens worden over de verantwoordelijkheid van de macht, Bolívar vond dat die geconcentreerd moest blijven in één persoon, Brion zag die liever verdeeeld over meerdere personen.

De laatste drie hoofdstukken gaan over teleurstellingen en tegenslag, gelardeerd met enkele oplevingen en hoogtepunten. Luis Brion overlijdt op zijn geboorte-eiland Curaçao, waar hij tenslotte naar was teruggekeerd, zonder dat Bolívar hiervan op de hoogte was, op 27 september 1821. Hij wordt er met alle égards begraven. Een eer die tot dan toe niet aan een katholiek mens te beurt is gevallen. Ook Bolívar en zijn regering verlenen hem postuum alle eer.


Na deze hoofdstukken geeft Riedel antwoord op de twee vragen die hij zich in het begin heeft gesteld. Eén behandelt de verandering in Brion zijn relatie tot Curaçao en één geeft een motief aan voor de keus van Brion om voor de bevrijding van Venezuela en Colombia te gaan strijden. Riedel geeft aan het eind van zijn inleiding zelf aan dat, omdat zijn boek geen diepgaande wetenschappelijke studie betreft, er meer onderzoek moet worden gedaan om deze conclusies te staven. Behalve de bestaande boeken van onder andere Brada, Eeuwens, Hartog, Mudarra, Roberto Palacios, Díaz Ugueto en Vargas, zijn er nog documenten in het Nationaal Archief die niet (voldoende) bestudeerd zijn.

Un otro kara di Luis Brion is het eerste boek in het Papiamentu over het leven van Brion. Riedel heeft het kunnen schrijven omdat het Prins Bernhard Cultuur Fonds Nederlandse Antillen en Aruba hem opdracht hiertoe heeft gegeven. Het bestuur hoopt met de opbrengsten uit deze publicatie meer culturele projecten te kunnen financieren. De proloog is geschreven door A.F. (Jandie) Paula. Hij prijst het boek aan vanwege de originele analyse van de auteur. Dit boek is de eerste individuele publicatie van R.M.R. Riedel. Eerder heeft hij in opdracht van de centrale overheid meegewerkt als redacteur en co-auteur aan drie geschiedenisboeken, een aardrijkskundeboek, drie schoolboeken om te leren lezen en een handleiding voor gezond gedrag voor het voortgezet onderwijs. Met de publicatie van Un otro kara di Luis Brion heeft Riedel een serieus en volwassen boek over een groots personage uit de lokale historie afgeleverd.

Riedel R.M.R Un otro kara di Luis Brion, Di revolushonario na Hulanda i Kòrsou pa héroe di libertat di Venezuela i Colombia. Curaçao: Prins Bernhard Cultuurfonds Nederlandse Antillen en Aruba, 2008, 195 pagina’s ISBN: 978-99904-0-869-0. Productiecoördinatie en verkoop bij het Antilliaans Dagblad.

De mulatten-Sinterklaas is niet meer: In memoriam Ronny Rens

Soms kan een eiland niet klein genoeg zijn. Ik ben op Curaçao, slenter wat door Punda en besluit de dorst te lessen op een terrasje aan het Wilhelminapark waar het personeel wel heel erg makamba is, en de klandizie eigenlijk ook, maar het zit daar niet slecht in de schaduw en ik heb geen zin om lang te zoeken naar een andere plek waar ze een koud glas schenken. En dan is daar opeens het zo bekende vriendelijke hoofd met de spierwitte haren: Ronny Rens. Hartelijk als altijd. Niets van de ongemakkelijkheid die je wel eens kunt hebben met vrienden die je lang niet gezien hebt: waar waren we ook alweer gebleven? Hij is blij mij aan een tafeltje te ontdekken. Omdat hij niet geweldig ter been is, laat hij het inkopen van cadeautjes voor de kinderen en kleinkindern graag aan zijn vrouw over. Hij overwintert op het eiland waar hij na de coup van 1980 in Suriname naartoe trok om er hoofdredacteur van de Amigoe te worden. Hij was in Suriname directeur geweest van de Stichting Radio Omroep Suriname (SRS), hij was directeur van het Cultureel Centrum Suriname geweest en had gewerkt bij de Surinaamse Televisie Stichting STVS en als voorlichter op de Amerikaanse Ambassade. Hij was bij jan en alleman bekend om zijn sportverslaggeving, maar voor zijn scherpe politieke commentaren konden de militaire jongens die na 1980 de macht grepen geen waardering opbrengen. Met achterlating van heel zijn hebben en houden trok hij naar Curaçao. Wat de tol was geweest die hij voor dat onrustige leven moest betalen, realiseerde hij zich pas goed toen hij ruim vijftien later met pensioen ging en zich in Amsterdam vestigde: hem wachtte geen rijkelijk beloonde oude dag.

Ronny Rens overleed aan een hartstilstand in de nacht van vrijdag 5 op zaterdag 6 juni omstreeks twee uur, zittend voor de TV, thuis in Amsterdam, naar ik mag hopen kijkend naar zijn geliefde sport: American football. Hij was net 76 geworden. Ik heb zijn actieve loopbaan als journalist alleen maar van afstand gevolgd, en hem pas persoonlijk leren kennen na zijn pensionering. Ik laat dus anderen maar oordelen over zijn journalistieke kwaliteiten. Maar er is een herinnering aan Ronny die me zo vlijmscherp voor de geest staat, dat die nooit zal worden uitgewist.


Ronny kwam op bezoek bij me in de Ardennen. Mijn zoontje zal toen iets van vier jaar geweest zijn, hij had de man nog nooit gezien. Ronny stapt uit de auto en mijn zoontje – anders toch altijd de kat uit de boom kijkend –vliegt hem in de armen. Wie had hij gezien? Een mulatten-Sinterklaas maar dan zonder baard? Ik weet het niet. Wel geloof ik stellig dat een kinderintuïtie niet kan bedriegen. We hebben allemaal onze rarigheden en Ronny Rens ongetwijfeld ook, maar dat met hem een goed mens is heengegaan zal wel niemand willen bestrijden.

dinsdag 9 juni 2009

Receptieperceptie

Is Scott Zuyderling de beste roman van Erich Zielinski, of is een ander boek van hem dat?
Een vraag waarop het antwoord waarschijnlijk zo divers is als er lezers zijn. Maar ik waag toch een stelling:
De lezer die vooral couleur locale wenst en een spannend verhaal wil vindt wellicht De Engelenbron het best, omdat je een kijkje wordt gegund in een deel van een volksbuurt in Otrobanda.
De lezer die vooral méér wil kunnen lezen dan wat er staat vindt wellicht De prijs van de zee en Scott Zuyderling beter.
Vraag: Kan het zijn dat de Curaçaose Nederlander het laatste boek het best vindt omdat het voor hem een taboedoorbrekend gegeven bevat en dat de Europese Nederlander het een minder boek vindt omdat het voor hem een afgezaagd thema behandelt?
Als ik zo bij mijn vrienden navraag, vinden de eilanders Scott Zuyderling het beste en de vastelanders Erichs eerste twee romans.
Hoe wetenschappelijk is het antwoord hierop mogelijk?

zondag 7 juni 2009

Gruwelijkheid en stilte

Het is een zonnige vrijdagmiddag. Op het Rapenburg hangt een serene rust. De lome stilte wordt sporadisch onderbroken door een voorbijrijdende auto of een schallende kinderstem. Niemand die er aandacht aan schenkt of er hinder van ondervindt. De auto heeft zijn bewegingen aangepast aan het bedaarde ritme van de dag. De kinderstem wordt gedempt door een onzichtbaar geluidsscherm dat de gracht omgeeft. Alleen de vogels kennen geen reserves. Uitgelaten kwetteren zij hun lied.

Kort vóór 14.00 uur wandelen de eerste mensen de tuinzaal van het Snouck Hurgronje huis binnen. Zij zijn gekomen om het afscheid van Piet Emmer als economisch historicus van de Universiteit Leiden te vieren. Het programma blinkt uit door eenvoud. Er is een inleidend woord van de decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen. Er is een lezing van Stanley Engerman, economisch historicus van de Universiteit van Rochester en co-auteur van de spraakmakende studie Time on the Cross. Er is een paneldiscussie waaraan behalve Engerman en Emmer ook Seymour Drescher deelneemt, historicus van de Universiteit van Pittsburgh en auteur van het niet minder spraakmakende Econocide. Ten slotte is er de aanbieding van een liber amicorum aan de scheidende hoogleraar waarin bijdragen zijn gebundeld van collega’s en promovendi.

Anders dan de reputatie van de Amerikaanse gasten zou doen vermoeden, worden er deze middag geen opmerkelijke uitspraken gedaan of vernieuwende inzichten gepresenteerd. Engerman schetst de ontwikkelingen in het slavernijdebat in de afgelopen decennia en zoomt, zijn specialisme getrouw, vooral in op de economische aspecten van het slavernijonderzoek. Het debat dat erop volgt is een beschaafde uitwisseling van standpunten tussen drie geleerden op leeftijd, die elkaars werk grondig kennen en veel denkbeelden en opvattingen delen. Ondanks herhaalde verzoeken van gespreksleider Gert Oostindie om zich uit te spreken over de toekomst van het slavernijdebat laat het drietal zich niet verleiden tot het doen van voorspellingen. Alleen Emmer lijkt te beseffen dat het publiek een beetje dreigt weg te soezen bij de rimpelloze conversatie. De provocateur in hem laat nog een keer luid en duidelijk van zich horen (‘Het voornaamste manco van het slavernijsysteem was dat het slaven niet voorbereidde op de markt’), maar tegelijk toont hij de grootmoedigheid om zelfkritisch op zijn eigen werk terug te kijken (‘Misschien heb ik in mijn onderzoek te weinig rekening gehouden met de culturele aspecten van slavernij’). Maar dergelijke uitlatingen zijn schaars. De vredige stemming en zomerse temperaturen zijn er niet naar om het feestje met vuurwerk op te luisteren.

Ongebruikelijk helder voor de tijd van het jaar valt het daglicht in het statige pand naar binnen. Onvermoeibaar kwinkeleren de vogels in de tuin erop los. Flarden van hun liederen vliegen door de open deuren naar binnen en draaien parmantig cirkels rond de woorden van de sprekers. De sereniteit van de middag is een weldadig bad, waarin lichaam en geest zich behaaglijk wentelen.

Desondanks denk ik aan verwante ervaringen waarbij gruwelijkheid en stilte elkaar in een ongemakkelijke omhelzing geklemd hielden en vogelgeluiden en mensenstemmen als enige de rust verstoorden. Toen ik rondwandelde in Auschwitz. In Majdanek. In Westerbork. De zon hoog aan de hemel, de natuur op zijn vredigst en de sporen van het kwaad binnen handbereik. Ik denk aan het verstild door Billy Holiday gezongen ‘Strange Fruit’, dat de uitwassen van slavernij en rassenhaat zo navrant voor het voetlicht brengt. Ik stel mij voor dat het lied door de tuinzaal klinkt en dat voor een moment de vogels ophouden met kwetteren en de mensen stoppen met spreken. Tijd en ruimte voor emotie. De economisch historicus vreemd, want niet inpasbaar in trends, formules en modellen. Maar het afscheid van een specialist op het gebied van slavernij waardig.