zondag 31 mei 2009

Alette Beaujon verzameld

Een Neerlandicus heeft in de openbare bibliotheek van Den Haag bij toeval een belangrijke literaire vondst gedaan. Het gaat om 64 nog niet gepubliceerde gedichten van Alette Beaujon. Van de bekende en gelauwerde Curaçaose dichteres (1934-2003) duiken nog steeds gedichten op.

In 2009 worden de onbekende gedichten zoveel mogelijk gepubliceerd in een verzameld werk, dat zal verschijnen bij In de Knipscheer. Een van de samenstellers van die bundel, Caraibist Aart Broek, zegt dat het onbekend is waarom Alette Beaujon de gevonden gedichten nooit heeft gepubliceerd. "Het zijn prachtige gedichten. Het niveau is hoog." Volgens Broek is Beaujon 'ongetwijfeld' gestimuleerd door haar oom, de bekende auteur Cola Debrot. De nu ontdekte gedichten zijn in dezelfde stijl als de gedichten die al bekend waren uit de bundel Gedichten aan de baai en elders (1957). De Griekse mythische wereld komt er nog sterker in naar voren, waarschijnlijk door haar Europese reizen. Verder speelt Bonaire een belangrijke rol in haar werk. Broek ziet een spiegeling in de gedichten tussen de Griekse eilanden en 'haar Caribische eilanden'.

Alette Beaujon dichtte even gemakkelijk in het Nederlands als in het Engels. In beide talen kon ze beelden scheppen met stilistische vondsten die 'iedereen begrijpt', ook al is het vaak geen regulier taalgebruik. "Door voegwoorden bij elkaar krijg je nieuwe beelden. Dat is wat de betere poëzie probeert te doen."

De vondst is belangrijk voor de Antilliaanse literatuur, vindt Broek. "Die wordt hierdoor versterkt." Beaujon behoorde tot een creatieve generatie van schrijvers, samen met bekende auteurs als Tip Marugg, Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion. "Maar ook Jules de Palm en Erich Zielinksi. Die generatie heeft een substantiële productie voortgebracht, veel substantiëler dan we dachten. Dat wordt hiermee weer aangetoond."

Voor de toekomst verwacht Broek dat er veel minder literatuur zal verschijnen. "Het is aan het aflopen, dat weten we." Zeker in het Nederlands zal er nog weinig worden geschreven. "Toen was er een jonge generatie die Papiamentstalig was, maar ze leerden op jonge leeftijd Nederlands, schreven in het Nederlands en deden daar hele creatieve dingen mee." Alette Beaujon zal door de nieuwe vondst voortaan ook vaker in dat rijtje namen worden opgenomen, aldus Aart Broek.

Wie ook nog ongepubliceerd werk van Alette Beaujon in de kast heeft liggen is van harte welkom om contact op te nemen met Aart Broek. Stuur een mailtje naar agbroek@planet.nl

[Bericht overgenomen van de site van de Wereldomroep]

zaterdag 30 mei 2009

Filosofie van de koelbloedigen


Sekou Sundiata
(vertaling: Hannie Rouweler)

Filosofie van de koelbloedigen

(blues voor dichters)

Sinds water zwem ik al,
leerde als liederen te zingen.
Het oudste dat ik ken gaat als volgt:
Sommige mensen kwamen uit bomen,
ik herinner me dat ik uit de onderstroom kwam: de oceaan
van zeeën: de elektriciteit de explosies
miljoenen van ons werden verpletterd door de golven,
dan weggeblazen in het geheugen.
Je kunt ons nog steeds in een deel van een maatslag horen
of in de muziek van een schram gemaakt.
De eerste woorden hebben nog steeds wortels,
als een James Brown lettergreep.
Het ene moment was het een enkele cel en het volgende een harde slag.
Snelheid was wat wij nodig hadden.
Ik herinner me zout en lucht, waterig slijm en modder,
rechtop en duim omhoog, vuur en ijzer.
En het belangrijkste: de poëzie die we toen hadden.
Het waren open gedichten, later Afrika genoemd.
Ik herinner me dat het leven bij een vrouw begon.
Gamete was ik toen ik het wist, zygote was ik
toen ik het me herinnerde.
De aarde was toen negatieve ruimte, een doek
van huwelijksgod naar voorhuid en drumhuid uitgerekt.
En slaap vertelde ons in die dagen
om wakker te blijven: duisternis begint
duisternis eindigt.
Wie ooit zei dat er licht aan het einde was
leefde nooit tot het einde, hoefde nooit vooruit te rennen
om te kijken wat het zal worden: schoot
naar graf naar schoot.
Whoso kwowso, ik bedoel dat ik
Boeddha en Krisna op de trein heb gezien.
En je zou riviergoden, profeten niet kennen
of de wende van de eeuw
als je de laatste mode niet kende
zoals spreuken op T-shirts:
De beste dingen in het leven zijn tolvrij
Ik hou niet van vragen, ook niet van antwoorden, ik wil alleen dansen
ik hoef niet te rijden, ik word al gereden
Wat je krijgt is waar je van houdt
Goede dingen gaan naar diegenen die wachten, betere dingen gaan naar wie dat niet doen
Sommige mensen kijken naar beneden en vinden geld, sommigen kijken naar beneden en
verliezen hun ziel?
Shit gebeurt en het drijft.
Ik herinner me de eerste schepen
die als schaduwen aan de horizon verschenen.
En we renden naar buiten om ze te begroeten met onze zoete palmwijn en guaguanco
en dachten dat hun boeken en harmonieleer ons iets konden bijbrengen
over liefde en schoonheid.
Maar het was meer dan een idee
te midden van die koude Atlantische Oceaan: kots
haaien baby’s met navelstrengen om hun nek
het aardeloos ritme van water dat heen en terug spoelt.
Ik was getuige van de geboorte van rock ‘n’ roll.
Mijn moeder heette Lucy, haar echte naam Lucille.
Zonder blues gaan wij ten onder.

(Aloud, Voices from the Nuyorican Poets Café, 1994)

vrijdag 29 mei 2009

Na Bigi Du

Wie de Surinaamse volksopera Na Bigi Du van Thea Doelwijt volgende maand wil gaan zien, kan maar beter vroeg aan kaartjes zien te komen, en dan nog zorgen tijdig bij de voorstelling te zijn. Want de echte volksopera begint al op de stoep. Er zijn altijd een hele hoop mensen die "vergeten" waren dat je tijdig kaartjes moet kopen, maar die proberen zich, al is de voorstelling al weken van tevoren uitverkocht, alsnog een weg naar binnen te banen. Ze hebben daar immers recht op, want het is van hun, het is hun ding, wi egi sani - waar hebben we dat ook alweer eerder gehoord? Dat betekent dus dat je de kassajuffrouw mag belagen, bedreigen, uitschelden, dat je andere mensen doof mag toeteren, opzij mag drukken en met de ellebogen in de ribben mag pleuren, en dat je mag spuwen op de stoep, ook als daar toevallig iemand staat.



De organisatoren hebben dit jaar, god weet waarom, gedacht: Surinaams volkstoneel en geen eten, dat kan niet, en dus hebben ze heel modern ook nog een arrangement bedacht: buffet plus voorstelling voor één prijs. Buffet klinkt wel weer erg Nederlands-toneelachtig, maar bruine bonen met theater klinkt wel ergvreemd, tilloh met toneel zou nog kunnen.

Het spel lijkt qua schouwspel nog het meest op wat een groep als NAKS vaak brengt, maar het heeft stevige wortels in de geschiedenis. De Du was een spel dat ten tijde van de slavernij werd gespeeld en gezongen door de slaven (of voor diegenen die niet van tilloh maar wel van buffet houden: de totslaafgemaakten). De plantage-eigenaren stelden er een eer in dat hun groep het moouist was uitgedacht en zo ontstond er een heuse competitie tussen verschillende Du-groepen. Schrijfster/regisseuse Thea Doelwijt blies de Du nieuw leven in met een drietal kleurrijke, uitbundig gekostumeerde muziektheaterproducties. Het Gouden Spel (Na Gowtu DU), het Diamanten Spel (Na Dyamanti Du) en nu dan het Grote Spel (Na Bigi Du). Wat gebeurde er ná de afschaffing van de slavernij in 1863? De ex-slaven willen hun eigen weg kiezen, maar de gezagsdragers van overheid en kerk proberen daar een stokje voor te steken: de heidense muziek en dans mogen niet meer worden uitgevoerd... Doelwijt liet zich voor deze Du inspireren door het verhaal van haar eigen overgrootmoeder die de kerk werd uitgezet omdat zij weigerde te trouwen.
Waar te zien:
Do 25 juni, Schouwburg Almere, 036-8455555, 20.15 u
Vr 26 en zat 27 juni, Tropentheater (KIT) Amsterdam, 020-5688500, 20.30 u
Zo 28 juni, Theater de Mythe Goes, 0900-3300033, 15.00 u
Ma 29 juni, Stadsschouwburg Utrecht, 030-2302023, 20.00 u
Di 30 juni, Theater aan het Spui Den Haag, 070-3465272, 20.15 u
Do 2 en vrij 3 juli, Theater Zuidplein Rotterdam, 010-2030203, 20.00 u
Voor toneel met of zonder tilloh volge men de link. Maar ook mèt tickets: mis het spektakel op de stoep niet!

Porno is mainstream!


De makers van het theaterstuk Püppi, dat over een paar weken in Berlijn in première gaat, verspreiden de volgende uitnodiging:


Allerliefste vrienden,

Ik wil jullie graag attenderen op het volgende theaterstuk:
PÜPPI
Porno is mainstream!
Wat voor effect heeft dit op het (seks)leven van vijf jonge vrienden?
Kan Elisa zich bevrijden van de pornografische beelden die zo volop aanwezig zijn in onze populaire cultuur? Wil haar vriend Sebastian haar het liefste vervangen voor een opblaasbare pop, of, nog beter, voor haar sexy - en totaal geschoren - vriendin Julia? Waarom wil de onschuldige Holly van de ene op de andere dag niets meer met mannen te maken hebben? En hoeveel waarheid schuilt er achter Stephens spannende verhalen over zijn mysterieuze blind-date Piedro..?


Laat je verrassen door de fysieke talenten van 6 jonge, internationale acteurs (uit Duitsland, Nederland, Amerika, Frankrijk en Engeland) die zich in deze nieuwe komedie van hun meest ongegeneerde kant laten zien.


Tekst en regie: Nina de la Parra.
Spel en dans: Suzanne Faber, Arthur Ford, Michael Giardina, Tristan Leperlier, Maria Montoya, Maria Wachlin.
Muziek: Christina Aguilera, Justin Timberlake, Madonna, Katy Perry, Shakira, Wyclef Jean, 50 Cent, Britney Spears, Khia, The Black Eyed Peas, The Pussycat Dolls.
Choreografie: Suzanne Faber en Nina de la Parra.
Wanneer: Donderdag 18 juni, zaterdag 20 juni en maandag 22 juni 2009.
Waar: Theaterhaus Mitte, Berlijn.
OPMERKING: De tekst is in het Duits. Laat je hierdoor niet afschrikken, aangezien er volop dans en fysiek theater aanwezig is - visuele inspiratie gegarandeerd!

donderdag 28 mei 2009

Alleen maar na(e)tte mensen

Na jaren heeft een roman weer voor de nodige commotie gezorgd. Het is echter een doodgewoon jongensboek dat ons de B-kant laat zien van de Bijlmer gemeenschap. Vroeger werd er in de tijd van de Farao's ook op een bepaalde manier over vrouwen geschreven. De auteur geeft ons een beeld van wat allemaal gaande is in de samenleving. Hij beschrijft de subcultuur in de Bijlmer en met name die onder de jongeren. De lezer krijgt niet alleen een beeld van de bewoners van Zuidoost, maar ook - hetzij heel summier - van het bekakte milieu in Oud-West voorgeschoteld. Hoe zij met elkaar omgaan door elkaar steeds weer te overtroeven met een gadget: een nieuwe bril of een auto. Maar het verhaal is meer dan dat. Hij behandelt o.a. ook de contrasten bij een bezoek aan het AMC: Witte doktoren en verpleegsters die uitsluitend zwarte patiënten behandelen.

David deed in de Bijlmer zijn eerste seksuele ervaring op met vrouwen en maakte kennis met drie soorten dames: de Bounty-vrouw, de Switch hitter en de Sherida-ketting. Zijn inwijding in de reële MTV-beelden vond plaats in een opslagruimte, in bed met Rowanda, en in een nachtclub. De seksuele inhaalmanoeuvre die zich in de Bijlmer voordoet, gebeurt echter ook in andere milieus maar dan heeft het een deftige naam en staat het niet in de krant. Na al zijn omzwervingen in de Bijlmer op zoek naar een zwarte intellectuele vrouw, begint David steeds meer te twijfelen aan zijn relatie met z'n Joodse vriendin Naomi. Dan krijgt het verhaal een wending als David besluit naar Memphis af te reizen om over zijn toekomst na te denken. Dezelfde taferelen herhalen zich: bezoek aan nachtclubs, vrouwen met grote borsten en billen. Immers ook hier was hij op zoek naar een zwarte intellectuele vrouw, die hij evenmin in Rosalynn, die aan de universiteit doceerde, aantreft.

Behalve het wederzijdse wantrouwen en de wederzijdse vooroordelen tussen autochtonen en allochtonen, word je ook nog eens getrakteerd op restanten uit de oude cultuur. Dit naast een aantal ouderwetse uitspraken en denkbeelden. Maar ook tal van voorbeelden uit de arbeiderscultuur komen naar voren. Allemaal opgeworpen barricades die de integratie in de samenleving belemmeren. Gelukkig dat de arbeiderscultuur niet langs etnische lijnen wordt gescheiden. Met andere woorden datgene dat bij Rowanda thuis gebeurt, tref je ook o.a. in Lombok, Schilderswijk en andere achterstandswijken waar o.a. heftruckchauffeurs wonen.

Het verhaal is geen literair hoogstandje, ondanks de verkregen Gouden Uil. Hier en daar mist het enige diepgang en blijft het verhaal door tijdsgebrek aan de oppervlakte in een kringetje ronddobberen. De roman is wel vernieuwend in de zin dat die anders is geschreven. Jammer dat Naomi op zeker moment helemaal naar de achtergrond verdwijnt, terwijl deze personage naast die van Rowanda voor de nodige spanning had kunnen zorgen. Ook de oneindige beschrijvingen van hoe men gekleed gaat is eerder bladvulling dan extra informatie. De vraag is of de reis naar Memphis wel nodig was geweest, want veel betekenis heeft het niet voor de rest van het verhaal. De roman kent ook een voorspelbaar einde. Als David terugkeert blijkt dat Rowanda een andere vriend heeft en Naomi hem niet "trouw" is geweest. Ach ja, de roman is een jongensdroom die David in vervulling zag gaan.

Misschien is het niet de Bijlmer in de ogen van de Su en de Anti die de auteur beschrijft, maar het is onmiskenbaar de Bijlmer. Het is een boek dat je in 1 adem uitleest.

woensdag 27 mei 2009

Uit liefde voor de marrons; in memoriam Silvia de Groot

Al jaren had ze het erover: dat ze zo graag haar opstellen over de geschiedenis en de samenlevingen van de marrons eens gebundeld zou willen zien in een Engelse vertaling. Begin deze week viel die bundel bij een kring van vrienden en belangstellenden in de bus: Agents of their own Emancipation; Topics in the History of Surinam Maroons. Er zat een getypt briefje bij voor elk der geadresseerden, maar ze had niet meer de kracht dat zelf te ondertekenen. Silvia W. de Groot zag haar laatste uitgave, ze kon vaststellen dat het goed was en ontsliep op dinsdagavond 26 mei 2009; ze werd net geen 91 jaar oud. Wat een leven, wat een vrouw!

Silvia Wilhelmina de Groot-Rosbergen heeft haar leven lang gewerkt op het grensvlak van de geschiedenis, de antropologie van niet-westerse volkeren en de sociologie. Aan het begin van de jaren ’60 vertrok zij naar Suriname om daar veldwerk te doen onder het marronvolk der Ndyuka’s. Dat leidde tot haar proefschrift dat zij in 1963 verdedigde: Djuka Society and Social Change; History of an attempt to develop a Bush negro community in Surinam 1917-1926. Het werd een standaardwerk, al was het dan ook gebaseerd op een vorm van onderzoek die vandaag de dag niet meer zou kunnen: Silvia de Groot sprak zelf niet de taal van de Ndyuka en moest haar informatie vergaren via tolken. Zij wond daar nooit doekjes om, zoals zij altijd met de grootste openheid sprak over allerlei onderwerpen, tot de meest intieme toe. Eerst tientallen jaren later, toen de Ndyuka zelf in de persoon van André Pakosie hun geschiedenis gingen te boek stellen, kwamen er wat barstjes in de grote studie van Silvia. Het leidde tot wat wrijvingen, maar uiteindelijk bleven de relaties goed. Want Silvia de Groot was niet iemand die haar onderzoek deed met academische distantie, zij werkte met hart en ziel. Haar meeleven, haar intense solidariteit met de marrons was onvoorwaardelijk.

Dat bleek opnieuw in 1970. Toen organiseerde zij de reis die vier grootopperhoofden van de marrons maakten door het gebied van hun voorouders in West-Afrika. Zij schreef er misschien wel haar beste boek over: het meeslepende reisverslag Surinaamse granmans in Afrika (1974). Een grote stroom publicaties zou nog volgen, in tal van tijdschriften en bundels. Zelf stelde zij ook een nummer over marronculturen samen voor het tijdschrift Oso, dat op zijn beurt háár eerder met een bijzonder nummer in 1983, toen zij 65 werd. Haar belangstelling bleef overigens niet beperkt tot Suriname. Zij intereseerde zich ook bijzonder intens voor Mexico en toen zij de 80 al voorbij was, ging zij nog naar Bali om daar een studie te verrichten naar vrouwelijke priesteressen: Ringing the bell (2004).

In haar schitterende appartement in een oud pakhuis aan de Amsterdamse Brouwersgracht leefde Silvia omringd door de parafernalia van haar lange, werkzame leven, in een klein museum met stukken van over de hele wereld, in een uitzonderlijke persoonlijke bibliotheek. Zij ontving daar velen – ook nog jaren na het overlijden van haar geliefde Sybren - als de grande dame van de Surinamistiek. Die rol hoefde zij niet te spelen, want zij wás een grande dame, van een uitzonderlijke allure, maar ook met die flonkering van bijna ondeugende vitaliteit in haar ogen, vooral toch wanneer zij vertelde over haar vele belevenissen onder de Ndyuka. Voor haar werk ontving zij veel onderscheidingen, maar de onderscheiding was toch de vriendschap die zij haar hele leven mocht blijven ondervinden van de marrons, van de Gaanman tot de eenvoudigste roeier.

Een levensbeschrijving en bibliografie bij Buku: klik hier.





Foto: Silvia W. de Groot

Kinderboekenfestival

In Suriname is het jaarlijkse Kinderboekenfestival van start gegaan. Het vindt afwisselend plaats in Paramaribo en de districten (waar het festival zowat de enige mogelijkheid voor kinderen is om in contact te komen met boeken en hun schrijvers). Wie precies op de hoogte wil blijven, klikke hier.

De onderstaande foto-impressies zijn van Ruth San A Jong.













Caraïbisch Familiearchief

Het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) organiseert op zondag 7 juni 2009 in Den Haag de Dag van het Caraïbisch Familiearchief.



Op deze dag staan Caraïbische archieven centraal: brieven, foto’s, albums, films, testamenten, zakelijke correspondentie, gesproken brieven, ansichtkaarten, alle vormen van documentatie over het leven in de Caraïben of over Caraïbische mensen. Het wordt een middag met voordrachten, foto’s, films en muziek.

Voor het volledige programma en nadere informatie: klikt hier voor de website.
Of neem contact op via telefoonnummer 071-5272378.
U hoeft zich niet aan te melden.

Locatie: Theater aan het Spui te Den Haag
Aanvang: 14.00 uur.
Adres: Spui 187, 2511 BN Den Haag.
Routebeschrijving: staat hier (klikken).
De Dag van het Caraïbisch Familiearchief wordt mede gesponsord door de Gemeente Den Haag, het Sarnámi Instituut Nederland en de Vereniging KITLV.


Foto's: @ Ruth San A Jong

maandag 25 mei 2009

Presentatie nieuwste roman van Erich Zielinski

Tijdens de presentatie van het meest recente boek van Erich Zielinskiafgelopen vrijdagavond op Curaçao, pleitte Norman de Palm als een bij de zaak betrokken advocaat voor meer gayness in onze literatuur. Zoveel mannen en vrouwen wereldwijd, dus ook op Curaçao zijn gay, maar nog nooit heeft een lokale auteur serieus deze aardigheid, of geaardheid, durven te beschrijven. Nog nooit, tot nu toe dan, want Zielinski heeft dit taboe doorbroken met zijn Scott Zuyderling. Dat is ook de reden waarom de auteur officieel juist aan Norman het eerste exemplaar van zijn boek heeft aangeboden. Omdat Zielinski de inspiratie voor deze roman, of novelle zoals op de omslag vermeld staat, heeft ontvangen uit Norman of liever de vader-zoonrelatie van Zielinski's goede vriend en parketcollega wijlen Ro de Palm met zoon Norman, homofiele zoon, hoewel Norman een hekel heeft aan dat adjectief. Die relatie heeft veel indruk op Zielinski gemaakt, zoveel dat hij de toespraak van Norman bij de begrafenis van Ro in 1988 niet alleen altijd bewaard heeft, maar ook grotendeels voorlas bij de boekdoop voor de tachtigtal vrienden, kennissen en geïnteresseerden. Citaat: ,,Na jaren van gedonderjaag, zagen wij eindelijk in hoeveel we op elkaar leken. We spraken vaker met elkaar, omzichtiger envertrouwelijker. Vandaag, een week geleden werd ik 40 jaar. En hij was er op Avila, met mijn moeder, broer, zus en veel vrienden. Een zeer plezierig feest (...). Aan het einde van het feest, bij hetafscheid nemen, zei hij tegen mij: ,,Ik heb wat gedronken, misschien komt het daardoor." Hij moest altijd een omloopje hebben, hij zei: ,,Maar I love you and I am very proud of you. I want you to know that." We gaven elkaar een brasa en hij ging weg. Vijf uur later lag hij in coma. We zijn diep geschokt door zijn dood (...). Ik hoop dat hij nog velen zal blijven inspireren."Dat is dus gebeurd, blijkens Scott Zuyderling.

Wim Rutgers heeft in zijn recensie in AD Wikènt van 18 april geschreven dat deze derde roman een veel meer puur literair karakter krijgt dan de vorige twee. Rutgers was uitgenodigd om bij de presentatie dieper op dit oordeel in te gaan, maar hij is momenteel helaas uitlandig. Na de overhandiging van het boek klonk het gedicht in het Papiamentu van Nydia Ecury dat zij heeft geschreven voor de begrafenis van Ro de Palm. Daarna konden de aanwezigen luisteren naar een fragment uit de roman en meedoen aan een vraaggesprek met de auteur. Tenslotte volgde de signeersessie. Aanstaande donderdag is Erich Zielinski de gast bij het Cultureel Café van de Curaçaosche Kunstkring, in landhuis Bloemhof. Norman zal blij zijn met de lezing die Erich dan geeft, want die is getiteld Herenliefde.

Scott Zuyderling is advocaat op Curaçao en zoekt vanwege zijn gevorderde leeftijd een opvolger voor zijn praktijk. Hij bevindt zich aan het begin van het boek in Nederland en wacht op de sollicitant die belangstelling heeft om zich op Curaçao te vestigen. Mr. Burghardt, de gegadigde, blijkt getrouwd te zijn met René, de homofiele zoon van Scott Zuyderling. Vanwege deze gayness heeft Scott René al meer dan dertig jaar niet meer gezien. De ontmoeting tussen vader en zoon roept bittere herinneringen bij Scott op. Het gesprek ontaardt in een woordenstrijd. Zielinski die met zijn twee eerdere romans bewezen heeft een rasverteller te zijn, neemt de lezer mee langs de gebeurtenissen die het leven en het karakter van zijn hoofdpersoon hebben beïnvloed en weet wederom te boeien met een spannend verhaal.

Op vrijdag 5 juni a.s. interviewt Michiel van Kempen in het Amsterdamse Cultureel Centrum Spui25 aan het Spui Erich Zielinski. Aanvang: 20.00 uur.

zondag 24 mei 2009

De koetsen van de sultan

Ik ben in Yogyakarta. Voor studenten geschiedenis van de Universitas Gadjah Mada houd ik een lezing over de Javanen van Suriname. Yogyakarta is de bakermat van de Javaanse cultuur en de sultan, Hamengku Buwono X, die de stad en de gelijknamige regio als gouverneur bestuurt, geldt als de beschermheer van de Javaanse tradities. In 2005 bracht hij een bezoek aan Suriname om de viering van 115 jaar Javaanse immigratie luister bij te zetten. Een maand na het bijwonen van de festiviteiten vereerde een Surinaamse delegatie onder leiding van Paul Somohardjo de vorst met een tegenbezoek.

Beide bezoeken zouden gemakkelijk kunnen worden afgedaan als betekenisloze rituelen. Uitingen van respect en blijken van wellevendheid verpakt in protocollaire handelingen en ceremonieel eerbetoon. Natuurlijk waren de programma’s van beide delegaties gevuld met plichtplegingen, maar er was meer aan de hand. De bezoeken weerspiegelden bij uitstek de huidige fase van ontwikkeling van de Surinaamse Javanen. De vierde fase om precies te zijn, na de periode van immigratie, de periode van vroege participatie en de periode van uitgebreide participatie in de Surinaamse samenleving. In mijn lezing verken ik het idee van een Javaans thuisland en behandel ik de uiteenlopende wijzen waarop Javaanse politieke leiders in Suriname dit idee hebben ingezet om hun achterban te mobiliseren.

De zaal gniffelt als ik bij wijze van introductie uitleg dat er in Yogyakarta meer mensen wonen dan in heel Suriname. Maar er klinkt afkeurend gemompel als ik vertel over de minachting die Javanen ten deel viel en de vele vooroordelen die over hen de ronde deden, vooral in de periode vóór 1954. Uit de vele vragen die ik na afloop krijg, blijkt een grote onbekendheid met de Surinaamse situatie, maar ook een gretige belangstelling voor en een moeilijk te beredeneren gevoel van verwantschap met een gemeenschap, die geografisch ver verwijderd is van de archipel van oorsprong, maar in de geest tamelijk dichtbij vertoeft, mede dankzij de verworvenheden van de communicatietechnologie.


Mijn toehoorders blijken in het bijzonder geïntrigeerd door mijn vaststelling dat Suriname het thuisland is van de Surinaamse Javanen, maar dat Indonesië en Nederland complementaire culturele oriëntaties bieden, die de afgelopen tien, vijftien jaar aan belangrijkheid lijken te hebben gewonnen.

De sultan van Yogyakarta heb ik niet ontmoet. Ik heb hem wel een keer gezien: in het vliegtuig, tijdens een lijnvlucht van Yogyakarta naar Jakarta, een aantal jaren geleden. Keurig in het pak, een diplomaat op weg naar een hoofdstedelijke afspraak. In de kraton, zijn paleis, heb ik een ochtend rondgezworven, tussen de resten van wat eens een imposant hof moet zijn geweest. Mijn gids raakte niet uitgepraat over de koetsen van de sultans, die blinkend en wel een stalachtige ruimte vullen. Ik had moeite mijn korzeligheid te verbergen toen hij de Nederlandse makelij van een aantal van de rijtuigen maar bleef benadrukken. Ik was met andere woorden dichtbij geweest, maar van een onderhoud met de sultan was het nog niet gekomen. Een volgende keer dan maar. Als het even kan uit de buurt van de koetsen. In een omgeving waar het is toegestaan om door schilden van wellevendheid heen te breken. Op de Universitas Gadjah Mada, met een publiek van geschiedenisstudenten.


Nooit teveel Ashetu

When it rains, it pours. Zo hoor je nooit iets over Bernardo Ashetu, en zo ontkom je niet aan hem en zijn dichtkunst.
Het begon op maandagochtend deze week toen Laurens Jz Coster, de mailgroep die ervoor zorgt dat je elke ochtend een portie poezie in je mailbox ontvangt (poezie voor luie mensen), een gedicht van hem rondstuurde. Daaraan gekoppeld een link naar een oude volkskrantblog. Michiel van Kempen plaatst dat vervolgens op deze blog, verzorgt een college, en gisteren verscheen dan een verslag van dat college in de Ware Tijd. Zie hier.

Helaas heeft de verslaggever vooral aandacht voor de (intussen genoegzaam bekende) moeilijke relatie tussen pa en zoon van Ommeren. Dat is jammer. Want haast elk gedicht van Bernardo Ashetu is een college waard. Zie hier een voorbeeld uit van Kempen's college: http://literatuurinamsterdam.blogspot.com/

En omdat er nooit genoeg is over Ashetu, hier een niet al te pijnlijke- want het is niet altijd een en al ellende in zijn poezie (vooral hardop lezen, het ritme zoeken en dan de melancholie proeven):


Santos



En iedereen vroeg mij of Santos lag
zo ver, of de vele vruchten van
koffie waren glad of waren grof, of de
kinderen van Santos waren als de
koffiebonen bruin.-
Santos, was mijn antwoord, Santos is ver,
glad is de vrucht van de koffie, en als
koffiebonen zijn er de kinderen bruin.
Santos is de zon, zo ging ik verder,
heet ligt Santos tegen 't groene
oerwoud aan. Santos is een hart, besloot
ik, 't hart van een vrouw, Santos is
een ziel, de ziel
van een man en boven
is altijd, altijd is boven
Santos
Santos de hemel blauw.

zaterdag 23 mei 2009

The Jewish Daily Forward ontdekt Suriname

Shake a Family Tree And a Jew Falls Out



The Jordan of the West: The river Suriname flows past Jodensavanne and Paramaribo before reaching the Atlantic


Na de NY Times heeft ook de Jewish Daily Forward Suriname ontdekt. Voor wie het hele artikel wil lezen, klik hier


(met dank aan William Man A Hing)

vrijdag 22 mei 2009

Noni Lichtveld 80


Noni Lichtveld is 80 geworden en dat wordt gevierd met een nieuw boek. Zie helemaal onder aan deze pagina.

NYT ontdekt Sranan


De New York Times vindt het verleden van Suriname in zijn heden. Wie wil leze het met eigen ogen hier.



Foto: Wyat Gallery (NYT)

woensdag 20 mei 2009

De wereld is groter (V)

Alleen maar voor slimme mensen

Mag je ook hardop huilen om Alleen maar nette mensen? Of behoor je dan tot de categorie dom en ongeletterd? Erger nog: heb je dan geen gevoel voor humor? In Pakhuis De Zwijger in Amsterdam gingen zwarte vrouwen vorige week in debat met de auteur Robert Vuijsje. De bijeenkomst was georganiseerd door WomenInc. En inderdaad: zoals Michiel van Kempen al vermoedde ging het onder meer om de vraag: mag er in een literair boek seksistische praat voorkomen? Meer specifiek: seksistische praat over zwarte vrouwen (grote 'bil', cupmaat 95F)?
Tot voor kort werd Vuijsje louter bejubeld. De juryvoorzitter van de Gouden Uil Literatuurprijs 2009 omschreef het winnende debuut de week ervoor als 'een zachte hand om je ballen en een klap in je gezicht' (...) Vuijsjes dialogen swingen als een Afrikaanse tiet, het ritme zit strakker dan een negerinnenbil in een veel te kleine legging met luipaardmotief...'

Zwarte vrouwen in de zaal voelden zich gekwetst: waarom worden we altijd afgeschilderd als lustobject? Hoogleraar Gender en Etniciteit aan de Universiteit Utrecht, Gloria Wekker, stelde: 'Als het om zwarte vrouwen gaat wordt altijd de seksualiteit erbij gehaald. De billen en borsten van zwarte vrouwen zijn een object van fascinatie, net zoals de billen en schaamlippen van Saartie Baartman dat destijds waren.' Met haar omvangrijke 'bil' en grote schaamlippen was de zwarte, Zuid-Afrikaanse Saartie Baartman een eeuw terug in Europa een kermisattractie van formaat. Het repertoire aan beelden over zwarte vrouwen waaruit schrijvers putten is beperkt, meende Wekker. Vuijsje: 'U hebt het zó gelezen. Ik heb het gewoon opgeschreven en niet gedacht aan een geschiedenis van 100 jaar geleden.' Hij vond dat de verontwaardiging van veel vrouwen in de zaal wortelde in de algemene staat van verontwaardiging waarin Nederland permanent verkeert: gister was er dit, morgen is er dat, en overmorgen weer iets anders waarover men zich druk maakt. Eerder werd Vuijsje in de Volkskrant door presentator en stand-up-comedian Anousha Nzume van 'koloniaal seksisme' beschuldigd.

Robert Vuijsje verbaasde zich over alle opwinding. Het ging toch om fictie? 'Kan men tegen een schrijver wel zeggen: "U hebt foute romanfiguren gekozen?"', merkte hij op in Trouw. 'Ironie en overdrijving zijn vrij normaal in de romanschrijverij. Als je die knipoog niet ziet.' Dan ben je oliedom en heb je geen gevoel voor humor, hoorde je hem denken. In Pakhuis De Zwijger wemelde het van de verslaggevers en columnisten. Frits Abrahams die het boek níet gelezen had, beweerde in het NRC daags na het debat: 'Vuijsje kon tegensputteren wat hij wilde over de creatieve vrijheid van de fictieschrijver, hoon was zijn deel. Hij kwam in de positie van de toneelschrijver die bij de uitgang door boze bezoekers wordt geattaqueerd, omdat hij zo'n slecht mens heeft uitgebeeld. Het is lang geleden dat zoiets in het theater wel eens gebeurde, maar rond de literatuur blijft het een terugkerend verschijnsel.' De literatuurcriticus Ingrid Hoogervorst riep dat de boodschapper werd onthoofd. Hij signaleerde toch slechts de beeldvorming over groepen in de samenleving? 'Hij is niet degene die de beeldvorming creëert?' Columnist Max Pam - aangesteld als secondant van Vuijsje - mokte: 'Ik ben teleurgesteld in dit debat, de zaal begrijpt het boek niet!'
Maar was de zaal wel zo dom?

Vuijsje - in het dagelijks leven journalist - praat over fictie, maar benadrukt tegelijkertijd voortdurend dat hij dingen beschrijft zoals ze zijn. Tegen het Belgische blad Knack zei hij bijvoorbeeld: 'Wat ik met mijn roman wilde doen, is dingen zeggen die iedereen denkt maar nooit hardop durft te beweren. En dat geldt evengoed voor de Bijlmer als voor Oud-Zuid.' In het programma Vrouw en paard waar Vuijsje te gast was, bevestigde hij nog eens: 'Ik wilde laten zien hoe het echt gaat, zonder erom heen te draaien en voorzichtig te zijn.' Want, oreerde hij, er wordt veel te ingewikkeld gedaan over de multiculturele samenleving. (Zijn boek over de multiculturele samenleving heeft vooral als motto 'integratie door penetratie', schamperde Marja Pruis in de Groene Amsterdammer.) In datzelfde programma Vrouw en paard merkte programmamaakster Hanneke Groenteman op 'geschokt te zijn', ze had niet geweten dat zich dit allemaal afspeelde in haar stad. Ze complimenteerde Robert, omdat hij 'brutaal en eerlijk' zei wat ie zag. Vuijsje knikte tevreden. De cabaretière Sanne Wallis-De Vries deed er nog een schepje bovenop: 'Eindelijk schrijft iemand op hoe het is...' Hè? Het was toch fictie?

Vuijsje kon ook in Pakhuis De Zwijger rekenen op bijval van een paar zwarte vrouwen. Joan de Windt, programmamaakster bij MTNL had gelachen om de escapades van de hoofdpersoon en prees de niet-politieke correcte toon van het boek. De 'vrije negerin' Mildred Roethof, maakster van een documentaire over 'breezerseks', vond: veel wordt met de mantel der liefde bedekt. 'Het mooie van deze roman is dat het ook de trieste dingen van de Bijlmer laat zien.' Hè? Het was toch fictie? Blijkbaar kon niemand - zelfs de auteur niet - feiten van fictie onderscheiden. En dat was en is natuurlijk ook helemaal niet de bedoeling. Iedere auteur weet wat hem in talkshows en interviews gretig gevraagd wordt: is het autobiografisch? Hoe autobiografischer hoe spannender! Niets mis mee. Goed voor de verkoop. Dat moet de reden zijn dat Vuijsje op de achterflap van zijn boek staat afgebeeld met zijn pen in de hand ('dit is de schrijver') en op de achtergrond de derrière van een zwarte vrouw. Prima, maar verschuil je dan niet achter een fictief personage als je met de 'bil' bloot moet.



Het succes van het boek schuilt vooral in het verhitte debat dat nu gevoerd wordt over beeldvorming en de vrijheid van de fictieschrijver, niet zozeer in het literaire gehalte. Want dan nu het boek zelf. Op een enkele passage na, zijn de karakters van de zwarte vrouwen die Vuijsje beschrijft - ondanks hun ronde vormen - zo plat als een dubbeltje. Dit, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het personage van de Joodse Naomi. Fraaie beeldspraken of mooie zinnen die je nog eens een tweede keer zou willen lezen, kom je er niet in tegen. De fijnzinnige ironie en de onverwachte draai die Vuijsje aan clichés zou geven, ontgaan mij ten enenmale. Of het moet zijn op pagina 79, waar ik lees:

'Ze praatte net zo streng als voordat ik onder de douche was geweest. "Ga op bed liggen." Ik ging liggen. Rowanda kwam op haar knieën naar me toe sluipen. Ze maakte een geluid alsof ze een tijger was, ze beet in mijn lippen en mijn wangen, en ze klakte met haar tong.'

Dus dat.

Travelling to the moon?

Ik heb hem nog. De uitdraai van de paper die ik in 1990 in Port of Spain gepresenteerd heb op de tweede conferentie van de Association of Caribbean Women Writers and Scholars (ACWWS). Acht pagina’s in het typemachineachtige lettertype van Wordstar. ‘Love, sex, sexuality and gender in Surinamese Prose’ is de titel en daarin vergelijk ik Hoe duur was de suiker? met Over de gekte van een vrouw. Door het sleutelgat loeren naar verboden lekkers en seksuele frustraties van een lesbische vrouw. Het leek kort, de meeste presentatoren hadden papers van 20 pagina’s, maar later is het stuk nog eens zwaar ingekort voor de publicatie in The women, the writer and Caribbean Society, een bundeling essays onder redactie van Helen Pyne-Timothy, een van de initiatiefneemsters van ACWWS. Na Port of Spain ben ik nog naar de derde conferentie op Curaçao en de elfde op Grenada geweest. Voor de twaalfde conferentie, die april volgend jaar te Baton Rouge op de Universiteit van Louisiana wordt gehouden ben ik uitgenodigd als gastschrijfster uit het Nederlandssprekend Caraïbisch gebied.

De conferenties in Port of Spain en Curaçao heb ik vooral ervaren. Ik kwam in een wereldje terecht waar vrouwen het in diaspora gemaakt hadden, niet alleen vrouwen als Jamaica Kincaid, die columns schreef voor gerenommeerde Amerikaanse kranten, maar ook vrouwen als Helen Pyne-Timothy, die posities op universiteiten hadden veroverd, die hen in staat stelden voorleessessies in het Hiltonhotel, naast zachtruisende namaakwatervals, bekostigd te krijgen. Maar ook ontmoette ik vrouwen die in het homeland wanhopig hun werk gedrukt probeerden te krijgen en als de vrouwen in diaspora ze adviseerden om een agent te nemen, zeiden: “It’s like telling me to travel to the moon.”

Ik zag dat mensen, al die paperpresentatoren, meestal afkomstig van een of andere universiteit in een diasporaland, er een serieuze bezigheid aan hadden, om vanuit een literair werk zinnige uitspraken te doen over ons, Caraïbische mensen. Ik leerde schrijfsters kennen, en hun werk.
Het heeft me goed gedaan, de conferenties. Ik begon steeds duidelijker patronen te herkennen, lijnen te zien. Uit andere Caraïbische ontmoetingen was het me bijvoorbeeld duidelijk geworden dat het helemaal niet zo schandelijk is om self-publisher te zijn, sterker nog, het is de levensader van Caraibische literatuur in de regio zelf. Ik zag dat bijna alle Caraïbische landen worstelden met een spanningsveld tussen literatuur van thuis en literatuur geproduceerd in diaspora. Van een schrijfster die alleen maar wat kinderboeken wilde schrijven om het gebrek aan Surinaamse verhalen in te lopen, begon ik mijn onderwerpen bewuster te kiezen. Soms tegendraads, soms in lijn met. Ik kon beleid ontwikkelen voor Schrijversgroep ’77, standpunten innemen, keuzes maken. Op de conferentie op Grenada, in 2008, kon ik, zelfbewust en trots, een positieve schets geven van het literaire leven in Suriname. Ik wist dat ik mijn uitspraken kon staven met feiten en getallen. Het thema diversiteit, dat een toverwoord is voor veel Surinaamse kunstenaars, was uitermate herkenbaar voor veel conferentiegangers.

Op de conferentie van 2010, in Louisiana, wil ik doorgaan op dit thema, ik wil het verbinden aan solidariteit en ik wil uitzoeken hoeveel solidariteit te maken heeft met roots en etnische oorsprong. Het hoofdthema van de conferentie is Caribbean Dislocations / Caribbean Diasporas. De call for papers is uit. Er worden zo’n zesentwintig subthema’s genoemd waarover papervoorstellen mogen worden ingediend. Een van ze is ‘Dutch Caribbean Literature’. Nederlandstalig werk mag best wat meer bekendheid krijgen in de rest van het Caraïbisch gebied. Schrijvers en wetenschappers, geïnteresseerd in werk en ideeën van Caraibische schrijfsters beveel ik de conferentie van harte aan. Meer informatie is te krijgen via professor Myriam Chancy van de Louisana State University te Baton Rouge, Louisiana, USA op het emailadres caribbean@lsu.edu. Algemene informatie over de ACWWS is te krijgen op http://www.acwws.org/.



Brug, Baton Rouge, Louisiana

maandag 18 mei 2009

Een onbekende, maar niet te vergeten dichter

door Rolf van der Marck

Nauwelijks een jaar woonde ik in Suriname toen ik hem leerde kennen, Bernardo Ashetu, dichter. Plaats van ontmoeting was Fort Zeelandia, waar een literaire avond was belegd met onder andere President Runaldo Ronald Venetiaan en Michiel van Kempen, nú [2007] sinds een jaar bijzonder hoogleraar West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). Venetiaan was er niet in zijn functie van president, maar als vriend van Van Kempen, en om er een eigen gedicht voor te lezen, de Zwampkoning. Van Kempen sprak als ik mij goed herinner naar aanleiding van zijn Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur*), waarop hij recent was gepromoveerd aan de UvA. Zoals Rob Nieuwenhuys destijds de Oost-Indische letteren voor Nederland heeft ontsloten en in kaart gebracht, zo heeft Van Kempen dat gedaan met de West-Indische literatuur.Maar Bernardo Ashetu? Ashetu was niet aanwezig, althans niet in persoon, maar de kennismaking was daarom niet minder enerverend. Op die avond werd diens dichtbundel Marcel en andere gedichten**) gepresenteerd, een door Van Kempen gemaakte selectie uit de nagelaten gedichten, voor het eerst dat in Suriname een bundel verscheen van deze inmiddels overleden Surinaamse dichter.

Bernardo Ashetu is het pseudoniem van Hendrik George van Ommeren, geboren te Paramaribo 1929, overleden te ‘s Gravenhage 1982, zoon van Hendrik Carel van Ommeren, geneesheer aan ‘s Lands Hospitaal, later Statenvoorzitter, en Juliëtte Henriëtte Nassy. Na zijn ULO te hebben afgemaakt behaalt hij het telegrafisten-diploma op de Luchthaven Zanderij. In 1947 vertrekt hij naar Nederland, waar hij als telegrafist in dienst treedt bij Radio Holland, om in 1954 op de grote vaart te gaan werken. Na 1962 leeft hij korte tijd van de pen, doet staatsexamen gymnasium en vertaalt boeken in braille, maar omdat het financiëel niet meer haalbaar was trad hij al snel weer in dienst van Radio Holland. n 1959 publiceert hij voor het eerst een aantal gedichten in Antilliaanse Cahiers van Uitgeverij de Bezige Bij te Amsterdam, en in 1962 verscheen als speciaal dubbelnummer van diezefde Antilliaanse Cahiers de enige tijdens zijn leven uitgegeven bundel Yanacuna, met een inleiding van Cola Debrot. Daarna verscheen er niets meer. Niet dat hij niet meer dichtte, hij heeft nog vele bundels geschreven, maar die zijn nooit gepubliceerd, gelukkig wél allemaal bewaard gebleven. Niemand die hem kende, niemand die hem kent.

Enerverend, ik zei het al, enerverend was en is deze bundel. De verwondering, de verbazing nooit eerder iets van & over hem te hebben gezien, gehoord of gelezen. En dan opeens:

Marcel

Hij liep op de punten van
lichte schoenen het dak af.

Zijn zeden waren verkwikkelijk licht.

Hij viel op rode stenen
bij helder winters weer
en niemand begreep de vreemde
pauw tijdens zijn dure begrafenis.

Alleen God.
En dit was de zoete Marcel.

Marcel en andere gedichten stond sindsdien prominent maar eenzaam in mijn boekenkast, totdat ik recent de verschijning zag aangekondigd van een nieuwe bloemlezing uit de gedichten van Bernardo Ashetu, samengesteld door Gerrit Komrij voor de Sandwich-reeks van Van Gennep Amsterdam onder de titel Dat ik zong. Komrij, die heeft mogen putten uit de door Michiel van Kempen beheerde poëtische nalatenschap van Bernardo Ashetu, heeft er een juweeltje van gemaakt. Maar voor mij was het niet genoeg, nu moest ik ook Yanacuna hebben! Hier in Paramaribo was niets te vinden, er is hier ook geen antiquariaat. Dus heb ik mijn broer in Amsterdam verzocht om daar voor mij rond te kijken. Ook dáár niks voor het moment, het blijft natuurlijk een toevalstreffer zoiets. Totdat hij het licht zag en op het internet ging zoeken, et voilà, hij stuurde mij de link naar Antiquarian Booksellers Association of America, waar ik een gaaf exemplaar voor US $ 10 heb gekocht bij McBlain Books te Hamden, CT, zodat nu de –vooralsnog– complete Ashetu in mijn boekenkast prijkt, totdat Van Kempen de volledige Ashetu bezorgt.

Bernardo Ashetu heeft uit verzet tegen zijn door hem gehate vader en om elke associatie met diens naam te vermijden niets meer gepubliceerd ná Yanacuna van 1962. Komrij verwoordt het zo: “Bernardo Ashetu is een geval van meervoudige misplaatstheid. Waar klopte het wel in zijn leven? Hij werd in 1929 in Paramaribo geboren uit een creools-joodse familie en stierf in 1982 aan darmkanker in Den Haag. Daar tussendoor was hij marconist op de grote vaart, telegrafist bij Radio Holland in IJmuiden en psychiatrisch patiënt. Zijn echte naam was Henk van Ommeren, een naam die hij haatte. Hij zou liever Kamanda hebben geheten, “ik ben neger”. Hij had een vader –succesvol als politicus en medicus– die niet naliet zijn zoon erop te wijzen dat hij een mislukkeling was. En dichter ook nog.”

Salonijs

Ik ben meneer Salonijs.
Mag ik mij aan u voorstellen?
Kijk, ik ben meneer Salonijs,
kinderen vreten aan m’n hart.
Dat maakt mij zo moe en ik
raak op. Grote God, ik raak op.


Het tapijt

De slaap in dat huis was m’n
tweede zorg, m’n eerste zorg
was in datzelfde huis ‘t gele
tapijt waar ik al maanden
m’n hoofd over brak. De kleur
was baldadig, de stof zacht en
soepel, maar niet gewoon zacht
en soepel, katachtig zacht was
deze stof en katachtig soepel.
En dan dat geel, zo scherp dat
het denken deed aan een klein
dolkmes van een onweerstaanbare
vrouw die lokt in de nacht
om in ‘t diepst van haar roes
een man erbarmeloos te doden.
In Afghanistan, in een weelderig
huis waar ik maandenlang in
mocht verblijven was de slaap
nooit meer dan m’n tweede zorg.
M’n eerste zorg was steeds dit
ene tapijt waarvan ik ‘t geheim
wilde vinden, de toverkracht
waar ik tevergeefs naar zoeken
bleef, gedreven door een koppige
hartstocht.

*) In 2003 is onder dezelfde titel een tweedelige handelseditie verschenen bij Uitgeverij De Geus, Breda.
**) Uitgeverij Okopipi, Paramaribo, 2002.

Verschenen in de Volkskrant, 17-10-2007

Op maandag 18 mei 2009 is er in de vereniging Ons Suriname te Amsterdam om 18.00 uur een openbaar college over Slory, Shrinivasi en Ashetu, met medewerking van Felix Burleson, Herman Hennink Monkau en Raj Mohan.

vrijdag 8 mei 2009

Literair tippelen

Vorig jaar rond deze tijd werd op Curaçao het festival Literaire tippelzone gehouden. De literatuur ingezet als verleidingsinstrument. Op Pietermaai in Willemstad had zich een reeks van auteurs verscholen in alle hoeken en gaten, om vanuit het donker de passeerders te verleiden tot aandacht. De verleidsters en verleiders heetten Crisèn Schorea, Charlotte Doornheim, Lennon Aniceta, Elodie Heloise, Diana Lebacs, Femia Cools, Estela de Haseth, Frits Faber, Mishenu Cicilia, Guineta de Palm, Jordan de Haan, Hans van Dinther, Sharnise Alexander, Laura Quast, Germaine Jong Loy, Nifa Ansano, Velma Solomons, Fifi Rademaker, Roël Sambo, Sheila Payne, Roland Colastica, Sonia Garmers, Wilfred Jansen, Alexander Bomberg, Micharon Capriles en Shrinivási. En zoals dat toegaat in de internationale wereld van verleiding werden er in vele talen verleidelijke boodschappen uitgesproken. Gedichten, verhalen, toneelstukjes, muziek en dans werden onder leiding van regisseur John Nagtegaal ingezet om het publiek te teasen.

Wie het festival dit jaar wil meebeleven moet nog even wachten. Drijvende kracht achter het spektakel, Charlotte Doornheim, is naar Nederland vertrokken en de organiserende stichting heeft nog tot het najaar nodig om de literaire lucht weer zwoel genoeg te maken.

Wie een video-impressie van de editie van 2008 wil zien, kan hier terecht.

Migrantenliteratuur: een groter denkwereld

Als je een roman leest moet dit de deuren openen naar een nieuwe wereld. Een wereld waarin je dan kennis neemt van een andere cultuur, geschiedenis en de verhoudingen tussen mensen. Althans het gevoelsleven van individuen. Veelal schrijft een auteur een verhaal met verwijzing naar een eigen referentiekader. In het geval van een historische roman put hij zijn ervaringen uit een lang verleden tijd, aangevuld met enige aanwezige kennis van het hedendaagse. Soms neemt hij een zekere afstand van de werkelijkheid die hij beschrijft, maar dan is zijn fantasie aan het woord. Landen kennen hun literatuur en schrijvers (Hugo Claus) die tot helden verheven worden. De stromingen in de literatuur zijn eerder gekunstelde constructies die onder invloed van interne factoren ontstaan of overgewaaid uit het buitenland.

Een eerste vraag die zich hierbij voordoet is wanneer de geschriften van een migrantenschrijver tot bijv. de Nederlandse literatuur behoort. In die zin is deze vraag te beantwoorden evenals een internationaal privaatrechtelijke casus. Uitgaande van de factoren thema, woonplaats, land van herkomst en de taal, dan is zowel de taal waarin je uitdrukt en het thema doorslaggevend om tot de Nederlandse literatuur te behoren. In dat verband kan nooit het land van herkomst als aanknopingspunt gelden. In de praktijk zijn er gevallen waarbij men uitsluitend de taal en de woonplaats gemeen heeft. Voorbeeld hiervan is Kader Abdollah. Niet veel anders is het voorbeeld van Abdelkader Benali en Hafid Bouazza – die ondanks hun land van herkomst – gelukkig tot de Nederlandse literatuur behoren. Of je romans gelezen worden of als je erkend wordt als auteur in het Nederlandse taalgebied is een lange weg naar de emancipatie van de Nederlandse literatuur, zoals W.F. Wertheim dat ooit in een andere context zei. Echter ook voor de schrijver die in grotere verbanden moet leren schrijven, is dit een uitdaging en lange weg. Daarmee vermijd je om niet beperkt te blijven tot een schrijver die voor het migrantencircuit schrijft.

Daarnaast heb je met name in de Antilliaanse en Surinaamse literatuur ook de hybride gevallen die zowel tot het ene als tot het andere geval behoren. Ik beperk mij in dit geval tot de Antilliaanse- Arubaanse literatuur. Zo hebben we de auteurs Denis Henriquez, Myra Römer, Giselle Ecury, Jacques Thönissen en Erich Zielinski, waarvan de eerste drie in Nederland en de twee laatstgenoemden respectievelijk op Aruba en Curaçao wonen. Zowel Thönissen en Zielinski hanteren in hun romans thema’s die op Aruba, Curaçao, Bonaire en hier afspelen. Het feit dat de criteria taal en thema uiteen lopen en de woonplaats en land van herkomst samenvalt, kan een reden zijn om beide auteurs niet tot de Nederlandse literatuur te rekenen. En gaat deze redenering op voor J. Thönissen die zich sedert eind jaren zestig blijvend op Aruba had gevestigd? In eerste instantie zou je denken dat Thönissen en Zielinski met hun werk alleen tot de Antilliaanse literatuur behoren. Met de acceptatie destijds van de werken van Cola Debrot, Boelie van Leeuwen, Tip Marugg en Frank Martinus Arion tot de Nederlandse literatuur is een gewoonterechtsregel ontstaan. Een norm die stelt dat ook zij die de Antillen en Aruba als woonplaats hebben, gelet op de taal en minder op het thema, tot het Nederlandse taalgebied behoren.

Deze redenering geldt niet voor de auteurs Denis Henriquez, Myra Römer, Giselle Ecury. In hun geval geldt de taal en thema als vertrekpunt en is de woonplaats bepalend of men hen tot de Nederlandse literatuur rekent. Andersom mogen ze ook wel tot de Nederlandstalige Antilliaanse literatuur gerekend worden. Ook hier geldt de gewoontenorm dat vorengenoemde schrijvers tot twee literaturen behoren: De Nederlandse- en de Antilliaanse literatuur. Deze oefening is van belang als we het volgende voorbeeld in ogenschouw nemen. Een uit Santo Domingo afkomstige vrouw, woont geruime tijd op de Antillen en wordt tot Nederlander genaturaliseerd. Zij volgt een opleiding in Nederland en besluit na haar studie zich in de VS te vestigen. Vanuit de VS vindt zij een Nederlandse uitgeverij die haar Nederlandstalige roman gaat uitgeven die in de VS afspeelt. Het antwoord op deze vraag ligt voor de hand.

Een tweede aspect dat ik wil bespreken is dat van de thematiek.
Betekent dit evenwel dat de Nederlandstalige Antilliaanse of Papiamentstalige literatuur qua thema’s beperkt moet blijven tot zon, zee en een blauwe hemel. Nee, absoluut niet. Zelfs ook in de Papiamentstalige literatuur moet het mogelijk zijn dat verschijnselen in de metropool die ook op een eiland voorkomen, tot de thematiek gaat behoren. Ik denk bijvoorbeeld aan thema’s over: een lesbische relatie, een ontspoorde advocaat, eerwraak en jeugdprostitutie. Zonder dat zo’n roman qua thematiek gediskwalificeerd wordt als niet behorende tot de eigen literatuur. Anders geformuleerd: Literatuur is continu aan verandering en vernieuwing onderhevig. De veranderingen in een samenleving geven automatisch dergelijke impulsen aan of importeert deze van buitenaf.

Hiermee in verband ontstaat de vraag of dit niet zal leiden dat de Nederlandstalige literatuur meer kleur moet krijgen? Allereerst zagen we bij de publieke omroepen, daarna op de krantenredacties en zelfs bij de besturen in de culturele sector werd een poging gedaan om een kleur te geven. Uitgerekend in de literatuur en m.n. in romans is die gedachte niet op grote schaal doorgevoerd. Mag Nederland in navolging van de V.S., Canada en Groot Brittannië zijn zwarte literatuur niet etaleren? Onze hooggeplaatste schrijvers mogen meer aandacht besteden aan hun personages - naast die als buitenvrouw op te voeren – en die inkleuren. Met zwarte literatuur wordt gerefereerd aan die literatuur over nakomelingen van migranten uit de West en die in Nederland afspeelt. Waarom niet, Nederland kent in zijn achtertuin nog altijd de betrekkingen met Aruba, de Nederlandse Antillen en Suriname als voormalige kolonies. Misschien is het juist met het oog op het integratieproces dat hun verhaal in de Nederlandse literatuur doorklinkt. Alleen al het feit dat de huidige generatie Nederlandse scholieren weinig afweet van de achtergronden van voornoemde landen, pleit ervoor dat hun literatuur wordt gestimuleerd. Wellicht moet in dit opzicht de Nederlandse literatuur opnieuw gedefinieerd worden als een literatuur ter weerspiegeling van een samenleving, die zich onderscheidt naar regio, religie, etniciteit en culturele identiteit. Een literatuur waar o.a. de Friese-, Amsterdamse-, Utrechtse- Arabische- maar ook de Antilliaanse- en Surinaamse literatuur beter gewaardeerd worden.

De Nederlandstalige literatuur van Aruba, de Nederlandse Antillen en Suriname wordt thans gedwongen tot de periferie van de Nederlandse literatuur. In een tijdperk dat in politiek Den Haag stemmen opgaan om zich af te schermen van andere culturen, religies en identiteiten wordt er minder van migrantenschrijvers gelezen. Echter dit mechanisme van uitsluiting is nog van tijdelijke aard, hoe krampachtig men ook aan bepaalde normen en waarden blijft vasthouden en deze erfenis koestert. Eenmaal de overtuiging is gegroeid dat ook migranten belangrijke functies als die van burgemeester, korpschef, minister, FNV- of VNO-voorzitter etc. etc. kunnen bekleden zijn we een stap verder. Het wachten is dan dat men vanuit het onderwijsveld aan de literatuurbel trekt. Dan is het vanzelfsprekend dat de zogeheten migrantenliteratuur op grote schaal wordt gelezen en steeds meer via de boekhandel wordt verkocht.

De wereld is groter (IV)

Mag je hardop lachen om Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, die roman die tegen alle verwachtingen in De Gouden Uil in de wacht sleepte, en die ook nog genomineerd is voor de Libris Literatuurprijs? Of mag je alleen maar lachen, terwijl je je hoofd schudt: eigenlijk kan dit helemaal niet. Of mag je alleen maar ingehouden lachen, weggedoken achter een krant?
Het verhaal is snel verteld: joodse jongen David uit het bekakte Amsterdam-Zuid wordt voortdurend aangezien voor een Marokkaan. Terwijl zijn familie hem graag gekoppeld ziet aan de nette en in alles o zo geschikte Naomi, zoekt David zijn heil bij de Surinaamse volksmeisjes in de Bijlmer met hun gouden tanden en strakke gifgroene leggings. Of bij de dellen in Memphis, Tennessee, die je voor 20 dollar een blow job geven en het niet meer dan normaal vinden dat je hun fors betaalt voor hun ingevlochten haar.

Het is een schelmenroman. Anti-intellectualistisch. Pro neuken. Anti politieke correctheid. Pro grote tieten, liefst cup 95G, en pro de grote zwarte volksreet die nooit groot genoeg kan zijn. Anti literaire conventies: zinnen van nooit meer dan vijf of zes woorden lengte en dan ook nog hele pagina’s in MSN-taal. Dit is de Jan Cremer van de 21ste eeuw. Een roman die meer op een serie cabaretstukjes lijkt; ik zie Gerrit Komrij samen met Jeroen Brouwers er nog wel hijgend tegen te hoop lopen. De hoofdstukken zijn belachelijk kort en geschreven in Surinaams-Nederlands,
Marokkaans-Nederlands, in alle soorten Nederlands zolang als het maar leeft in de straat. En met een supergevoel voor contrastwerking: lees maar hoe Davids ouders met hun fles Piper Heidsieck ontvangen worden door hun nieuwe 'aanverwanten' in de Bijlmer.

Women Inc., organisatie voor krachtsversterking (ik ken geen ander woord voor ‘empowerment’) van vrouwen, houdt op woensdag 13 mei naar aanleiding van het boek van Vuijsje een debat over beeldvorming van zwarte vrouwen in de Westerse cultuur. Ongetwijfeld zal het daar gaan over vragen als: mag er in een literair boek seksistische praat voorkomen? Maakt het een verschil of een auteur zelf jood, zwart, Marokkaans is, en discriminatie zelf van dichtbij kent? Als seksisme bestaat in de maatschappij, mag je daarvan dan een realistisch beeld geven in een boek, en zo ja, hoe doe je dat dan? Allemaal goede vragen, maar ze hebben een lange baard. Literatuurwetenschapper Ernst van Alphen beschuldigde Helman ooit van racisme omdat hij een plantageopzichter uit de slaventijd in zijn roman De stille plantage racistische uitspraken in de mond legde. In plaats van dat zo’n wetenschapper wegens verregaande onbekwaamheid onmiddellijk zijn congé kreeg, loste de academische wereld de zaak chique op: René Marres wees hem er fijntjes op dat de meningen van een romanpersonage niet die van de auteur zijn. Goed lezen, wet 1.

Hoe zal Vuijsjes volgende roman eruit zien? Want voortgaan op de weg van Alleen maar nette mensen kan alleen maar een pastiche van zijn eigen stijl opleveren. We zullen zien. Voor nu: ik heb me rot gelachen met het debuut van Vuijsje. En mijn vrouw ook. Dus dat.

Robert Vuijsje; foto: @ Guus Dubbelman.


Alleen maar nette mensen is verschenen bij Nijgh & Van Ditmar.

Inmiddels heeft "Jerry Straub Raadslid Pvda Amsterdam en de zwarte vrouwenorganisaties" op 13 december 2009 een brief gestuurd aan Vera Keur, voorzitter van de Vara, om protest aan te tekenen tegen het interview dat Matthijs van Nieuwkerk in De Wereld Draait Door had met de schrijver van dit boek. Het ging Straub om de manier van interviewen van van Nieuwkerk "die werkelijk schaamteloos zijn in vragen vermomde vooroordelen over zwarte vrouwen de Nederlandse huiskamer in slingerde." Ik heb het programma niet gezien en kan daar dus niet over oordelen. Maar zou Jerry Straub heus menen dat ze serieus genomen wordt wanneer ze het heeft over "het boek Allemaal Nette Mensen van de schrijver Bert Vuijsje"??

donderdag 7 mei 2009

De wereld is groter (III)

Het was naar aanleiding van de verschijning van Joost Zwagermans De buitenvrouw dat Anil Ramdas in een stuk in NRC Handelsblad schreef over moedwil en kwade trouw bij Nederlandse schrijvers die bijna uitsluitend blanke personages in hun boeken laten optreden. Vijftien jaar geleden alweer. Zwagerman noemde dat ‘ongetwijfeld het stompzinnigste dat ooit over mijn boeken is geschreven’, maar daar gaat het nu even niet over. Hij zal toch zelf ook niet willen beweren dat zijn roman een nieuw hoogtepunt in zijn oeuvre was, het was een echte middenstandsroman naar idee en uitwerking, een Vinex-boekje, wippen op Pont Buiten, de sloefen bij de deur. Maar had Ramdas nu een punt, dus los van Zwagermans van geilheid glimmende buitenwijfje?

Historisch had hij in ieder geval geen gelijk, want er zijn ontzaglijk veel boeken geschreven over de (voormalige) Nederlandse West en zeker niet geschreven door de minsten: Cees Nooteboom, Willem Frederik Hermans om er maar twee te noemen. De mooiste romans over Suriname en de Antillen werden aan het begin van de jaren ’60 geschreven door J. van de Walle: De slavenopstand, Een vlek op de rug, Wachtend op de dag van morgen. Juichende recensies kregen ze, maar wie kent ze nog? Van de Walle haalde geen enkele Nederlandse literatuurgeschiedenis.Ramdas had natuurlijk wel een punt als het over de masturbatiegeneratie van ná Hermans ging: met uitzondering van M.M. Schoenmakers die een reeks merkwaardige boeken bij De Bezige Bij publiceerde, had niemand oog voor de West. Nederland werd ‘gekleurder’, maar de literatuur kleurde niet mee.

Maar zie wat er de laatste vijftien jaar is gebeurd. Arthur Japin positioneerde zich hoog op de bestsellerlijsten met De zwarte met het witte hart. Adriaan van Dis zette Zuid-Afrika op de kaart. Moses Isegawa kwam met zijn Abessijnse kronieken over Oeganda. Pim Wiersinga en Tommy Wieringa togen naar de Antillen. Rudolf Geel, Eva Gerlach, Lucienne Stassaert, Leon de Winter, schrijver dezes en begin dit jaar nog Lisette Lewin situeerden romans en verhalen in Suriname. En dan heb ik het over bleekneusschrijvers, niet over de almaar uitdijende generatie van in Nederland geboren auteurs van Caraïbische origine.

Onlangs kwam er een nieuwe titel bij: De inboorling van Stevo Akkerman. Een roman waarin een historische verhaallijn over de wereldtentoonstelling van 1883 waarop levende Surinamers werden tentoongesteld, wordt verbonden met de verhaallijn van een in Nederland wonende, compleet geassimileerde Surinamer, die wordt aangesproken op zijn engagement met zijn landgenoten.Op donderdag 16 april zou het eerste exemplaar worden aangeboden aan minister Plasterk bij het NiNsee, het instituut voor slavernijverleden. Maar minister Plasterk stuurde zijn kat. Was zeker een nieuw hoedje kopen: wat zal Jeroen B. daar weer van denken? Wie er wel waren: de blaaskaken van fanfare Veel Leed & Weinig Centen. Treedt op bij elk evenement waar een publieksmicrofoon rondzwerft. De oude, vermoeide polka klonk nog maar weer eens, Variaties & Fuga op de melodie 'Herstelbetalingen'. En er was ook een mevrouw die dat boek van Stevo Akkerman niet zou gaan lezen, zei ze, want dat deed haar emotioneel teveel. Iedereen heeft recht op zijn emoties en een daarop aansluitende publieksmicrofoon, maar ik vroeg me wel af of iemand die al grient bij de Wereldtentoonstelling van 1883, wel ooit een boek over de slavernij gelezen kan hebben. Het ging dus nauwelijks over literatuur daar op die middag bij het NiNsee. Het ging dus amper over een roman waarmee een witte auteur een serieuze poging waagt om zich in te leven in een zwart hoofd. Ik vrees dat de fanfare Veel Leed & Weinig Centen zo’n boek ook maar helemaal niks vindt. Neo-kolonialisme: de witte pulkt in het hoofd van de zwarte. Amandla!

De inboorling is verschenen bij Nieuw Amsterdam.

dinsdag 5 mei 2009

De wereld is groter (II)

Wat zouden Indische auteurs toch moeten zonder tempo doeloe, zonder de geur van trassi, ruisende bamboe waar een karbouw langs sloft, zonder ritselende batik en het geklingklong van de gamelan, de klamme sfeer van de goena-goena en wat daarvan dan nog blijft hangen in Haagse huiskamers? Het antwoord luidt: een hele hoop. Dat laat Alfred Birney zien in zijn nieuwste boek dat na zes jaar zwijgen (en het overwinnen van een zware ziekte) net is uitgekomen: Rivier de Lossie.

Alfred Birney - toch al niet bepaald de verpersoonlijking van de rustige Indische jongen: wel de trassi maar niet de karbouw – neemt de lezer in dit kleine boek mee naar een nieuwe werkelijkheid binnen de Indische literatuur, of misschien beter: een nieuwe werkelijkheid tout court. Hij gaat op zoek naar de Schotse genen die ook nog ergens in zijn familie schijnen te huizen. Rivier de Lossie begint als een verslag van een reis naar Schotland. Die zoektocht naar (een deel van de) herkomst lijkt een vroegtijdig einde te vinden wanneer de verteller wordt geconfronteerd met de verbijsterende mededeling dat hij maar beter spoorslags huiswaarts kan keren, want de belangrijkste archieven die voor hem dienstig kunnen zijn bevinden zich in… Den Haag! Vanaf ongeveer dat moment neemt het verhaal een vreemde wending, door de ontmoeting van Alfred met een bijzonder meisje dat hem meeneemt op een verboden tocht langs de rivier de Lossie. Die tocht is werkelijk prachtig verteld, opeens word je als lezer meegenomen in een etherisch landschap, en zit je wel weer helemaal in een bijna Indische vertelling, maar dan in Schotland, van een sfeer: ja, als een Indischevertelling maar dan met de ingrediënten van een andere groene setting. Wie het beroemde schilderij van Ophelia van John Everett Millais kent, weet direct waarover ik het heb. Even teer als de bloemetjes en de drijvende Ophelia is deze vertelling van Alfred Birney. Ik heb geen ‘etiket’ voor dit boekje: novelle, reisverslag, factie, fictie? Het zal me ook een zorg wezen. Het is een prachtig boekje.

Rivier de Lossie is verschenen bij In de Knipscheer.

De wereld is groter (I)

Niets zo mooi als een boek dicht te slaan en te kunnen zeggen: dit is gewoon steengoed. En zeker als een auteur met zo’n boek een onverwachte richting inslaat. Ik heb het over Titus, de laatste roman van Karin Amatmoekrim, het boek dat eind van deze week ten doop zal worden gehouden. Nu is Karin Amatmoekrim toch al geen auteur die haar vleugels liet vastprikken met knopspelden. Ze debuteerde in 2004 met Het knipperleven over een terminaal zieke vrouw die zich afvraagt hoe ze haar omgeving moet confronteren met haar droevige laatste boodschap. Twee jaar later kwam Amatmoekrim met haar grote familieroman Wanneer wij samen zijn, het relaas van generaties Javanen aan beide zijden van de oceaan – door de Nederlandse pers schandelijk verwaarloosd. En nu is er Titus, waarmee de schrijfster in het hoofd kruipt van een man die net zijn bloedmooie vrouw heeft verloren. De weduwnaar erft tot zijn verrassing een smak geld, die hem bevrijdt van dagelijkse werkverplichtingen en hem alle vrijheid geeft om te doen en te laten wat hij wil. Het geld stelt hem in staat een callgirl te bestellen die naar schoonheid noch seksuele vaardigheden onderdoet voor zijn gestorven geliefde. Maar er is nauwelijks een moment dat al die weelde hem niet terugvoert naar het beeld van de verlorene en de vraag oproept naar hoe zijn nieuwe leven nu invulling krijgt – en of zijn leven wel invulling krijgt. Daar koppelt Amatmoekrim dan ook nog een ingenieuze plot aan, die ik hier niet zal prijsgeven. Maar het belangrijkste is toch dat zij een bijna Camus-achtig wereldbeeld neerzet in al bijna even Camus-achtige heldere zinnen. En mij dunkt: een vergelijking met een reus als de Franse existentialist moet men niet lichtvaardig maken. Bij Amatmoekrim is die vergelijking niet lichtvaardig.

Met Suriname, met de roots van de schrijfster, met haar etnisch of culturele gebondenheid heeft de roman zowat niets te maken (al speelt de huidskleur van de hoofdpersoon wel een rol). Het verhaal speelt zich af in Amsterdam, Kopenhagen, Barcelona en New York. Met een volstrekte vanzelfsprekendheid eigent de auteur zich een wereld toe die groter is dan wat besloten ligt in dat soms zo claustrofobische woord ‘afkomst’. En zo moet het ook. De wereld voor jonge mensen is veel groter dan wat er in dat ene woord besloten ligt. Dat lijkt zo voor de hand liggend, maar is het niet. Uit loyaliteit, angst, publieksgerichtheid, of wat voor ander motief dan ook – op zich allemaal respectabele motieven – houden veel migrantenauteurs zich aan verhaalstof die direct te maken heeft met de eigen afkomst. Dat mag. Maar het is goed om te zien dat er ook auteurs zijn die er blijk van geven dat een schrijver zich elke verhaalstof in elke setting mag toeëigenen. Mits je maar verdomd goed schrijft. Zoals Karin Amatmoekrim.

Titus is verschenen bij uitgeverij Prometheus.

zaterdag 2 mei 2009

Arubaanse literatuur: een waterval van namen

‘De Arubaanse literatuur is niet van gisteren’, zo luidde de titel van het openbaar college dat prof. dr. Wim Rutgers op 27 april jl. in het Arubahuis te Den Haag gaf. Onder de aanwezigen was een klein aantal studenten van prof. dr. Michiel van Kempen (UvA) en een vrij groot aantal belangstellenden, waaronder ook enkele Arubaanse auteurs. Bij dit college hield Rutgers zich, over het algemeen, aan wat hij noemde een ‘thematische benadering’ van de Arubaanse literatuur. Hij verwees, allereerst, naar de ‘oratuur’. Voorbeelden van die mondelinge literatuur zijn volksliederen als dori mako, dera gai en dande. Een hiervan kreeg het publiek ook via een bandje te horen. Het publiek werd geconfronteerd met een lawine van namen. Namen van mensen die hetzij proza of poëzie geschreven hebben. De eerste reeks: Frederik Beaujon, H.E.Lampe, J.K.Z. Lampe, W.F.M. Lampe, Laura Wernet-Paskel, E. Lopez Henriquez, J.R. Vicioso, E. Curet en N. Piña-Lampe. Van deze schrijvers (of dichters) zijn er die in het Papiamentu schreven, weer anderen deden dat in het Nederlands en/of het Spaans. Daarna volgden de namen van Hubert Booi, E. Rosenstand en Philomena Wong. Deze zijn de auteurs (dichters) die – volgens Rutgers – tot het zgn. Indianismo gerekend worden. Vervolgens een lijst van de dichters uit de jaren zestig/zeventig. Bovenaan prijkte de naam van Federico Oduber. Rutgers toonde ook een lange lijst van auteurs die in het tijdschrift Watapana schreven. De Arubaanse literatuur werd uitgebreid met: Henry Habibe, Philomena Wong, Nena Bennett, C.L. Every, Robert Henriquez, Luis Leañez, Henri Tai, Ramon Todd Dandaré, Pedro Velásquez en Brunilda Vicioso. Daarna volgden de dichters Frank Booi, Mario Dijkhoff en Robertico Croes, die weliswaar niet in Watapana gepubliceerd hadden, maar waarbij wel die indruk gewekt werd. De overzichtelijkheid (via powerpoint) liet soms wel te wensen over. De naam van Denis Henriquez ontbrak, uiteraard, niet. Aan het eind werden ook de namen genoemd van dichters en schrijvers die vandaag de dag nog actief zijn: Belén Kock-Marchena, Quito Nicolaas, Olga Orman, Richard de Veer, Munye Oduber-Winklaar, Jacques Tönnissen en Giselle Ecury.

Deze lange lijst zou gemakkelijk ingekrompen kunnen worden indien er scherpere criteria werden toegepast. Men kan zich bijvoorbeeld afvragen of iemand al tot de Arubaanse literatuur behoort indien hij/zij slechts één of twee gedichten heeft geschreven. Heel wat namen zouden weggestreept kunnen worden als men afgaat op de paar gedichten die enkele van hen gedurende hun hele leven geschreven hebben. Welke criteria werden overigens gebezigd als het gaat om de literaire waarde van de teksten. Zo zou de naam van H.E. Lampe en van W.F.M. Lampe weldra van het scherm verdwijnen aangezien hun werken (waarvan fragmenten in Cosecha Arubiano, 1984, opgenomen werden) geen literaire waarde hebben. Die werken hebben met de geschiedenis te maken en zijn niet in een literaire taal geschreven. Evenzo zou de naam van J.K.Z. Lampe afgevoerd kunnen worden omdat zijn gedichten in de verste verte niet over Aruba handelen. De naam van E. Lopez Henriquez dient onherroepelijk doorgeschrapt te worden, omdat geen enkele tekst van deze Curaçaose dichter iets met Aruba te maken heeft. Hij werd in 1884 op Curaçao geboren en verhuisde in 1947 naar Aruba, waar hij tot aan zijn dood in 1967 woonachtig was. Zijn gedichten werden in een heel klein bundeltje opgenomen, maar die zijn praktisch allemaal op Curaçao geschreven. Het weinige dat hij op Aruba schreef heeft niets met Aruba te maken. Een groot verschil met dichters als J.R. Vicioso, E. Curet en Nicolas Piña-Lampe van wie een groot gedeelte van hun poëzie Aruba tot thema heeft! Men krijgt heel sterk de indruk dat de spreker zich niet met de teksten bezighoudt. Dat blijkt weer uit het feit dat dichteres Philomena Wong door hem gerekend wordt tot het zgn. Indianismo. Dat is de richting die Hubert Booi en Ernesto Rosenstand op Aruba ingeslagen zijn, waarbij het leven van de Indianen het centrale thema vormt. Het werk van Wong (Na caminda pa independencia, 1986) waarop de spreker zich baseert, handelt niet over het leven van de Indianen, maar wel over integratie van allerlei etnische groeperingen. De naam van Wong kan natuurlijk op de lijst blijven staan, want zij heeft meerdere werken gepubliceerd. Maar dan

zou ze - strikt chronologisch – ná Federico Oduber besproken moeten worden. Hoe zit het echter met de naam van Henri Tai? Waarover gaat zijn tekst (in Watapana, oktober 1971) eigenlijk? Wat is de literaire waarde ervan? Dat kreeg het publiek niet van de spreker te horen! Verder werd er voornamelijk met biografische argumenten omgegaan, terwijl de teksten van de verschillende auteurs zelf niet van belang schenen te zijn. Bij de inventarisatie van een mogelijke ‘Arubaanse’ literatuur mag men wel verwachten dat op de eerste plaats naar de teksten gekeken wordt. Gaat het bij al die schrijvers inderdaad om een tekst over Aruba? En die kan weer zowel culturele, sociale, sociaal-economische, politieke als psychologische aspecten betreffen. Aan de andere kant, wat voor zin heeft het om te vragen: waar woont (of woonde vroeger) de schrijver? Van belang is ook, bij een beoordeling van de kwaliteit, de vraag: is de tekst wel literair? We hebben het toch over de Arubaanse literatuur? Daar lijkt prof. Rutgers nauwelijks rekening mee te hebben gehouden.