Ik zag de boekenkast van mijn ouders, niet groot, van mahoniehout, strak van vorm, wat bijzonder was in die tijd. Er konden misschien vijftig boeken in. Die waren zichtbaar, maar wel achter glas. Toen ik zo’n 12, 13 jaar was, snuffelde ik ‘s middags in die boeken. Mijn moeder deed dan haar dutje boven. Als ze nog wakker was, hoorde ze het glazen deurtje opengaan en bonsde dan hard op de vloer. Boeken voor volwassenen waren niet voor kinderen, dus ik moest eraf blijven. Maar meestal sliep ze al snel en kon ik m’n gang gaan. Ik bladerde snel door een aantal boeken en keek altijd op de laatste bladzijde. Ik zocht naar seks, hoe ging dat? Ik zocht beschrijvingen en verwachtte die natuurlijk op de laatste bladzijde, zoals in meisjesboeken ‘ze elkaar krijgen’ op die pagina. Maar dat was dan alles. Misschien een kusje en elkaar diep in de ogen kijken. Ook in die ‘volwassen’ romans vond ik niet wat ik zocht. Ik zie nu bij Helman titels van boeken die in die kast stonden. Van Steinbeck, Greene en Mauriac en De kardinaal va
n Lloyd C. Douglas, een rood boek. Daar keek ik niet in, want een kardinaal heeft geen seks. Ik lees nu dat deze werken behoorden tot ‘de opwelling van mysticisme, kort na de oorlog en er waren veel katholieke auteurs die zelfs niet wars waren van theologiseren.’ De kardinaal hoorde daar uiteraard bij, evenals Graham Greene. Het zijn grootheden die verdwenen zijn uit de wereldliteratuur van nu. Brecht en Camus leven nog voort, lang na hun dood. Maar die kwamen niet voor achter die glazen deurtjes. Vond pastoor niet goed.
Een paar jaar later, mijn broertje was zo tussen de negen en dertien jaar, kwam mijn vader ‘s avonds aan zijn bed zitten en vertelde hem alles over Lanny Budd, de hoofdfiguur in de romans van Up
ton Sinclair. Oorlog, vijandschap, verzet en spionage, dat waren de thema’s, herkenbaar voor alle volwassenen die nog maar zo’n tien jaar geleden de oorlog hadden meegemaakt. Daar hadden we toen een hele serie van staan. En mijn broer heeft dat rijtje nu in zijn boekenkast in de Amsterdamse Jordaan, een dierbare herinnering.
Ik zat in die jaren op het gymnasium van het RK Lyceum voor het Gooi te Hilversum, geen nonnen- of patersschool, maar wel uitermate conservatief. Daar maakte ik kennis met literatuur, nog geen wereldliteratuur, Nederlandse literatuur. Ook hier was het Roomse geloof troef. Onze leraar Nederlands, een dikke zelfvoldane man, deed niets liever dan ons voorlezen uit de Brabantse romans van Antoon Coolen en de gedichten van Anton van Duinkerken (‘Daarom, meneer, noem ik mij katholiek’) en in onze klas zat zelfs de dochter van Gabriël Smit een oerkatholieke dichter.
Toen ik in de hoogste klassen kwam, werd ik (verplicht) lid van de vereniging Rostra (spreekgestoelte) waar leerlingen lezingen, liefst in het Latijn, hielden over belangrijke figuren. Ik wou ook en koos de christelijke filosoof/theoloog Aurelius Augustinus (354-430), die in Afrika geboren was als zoon van een een christelijke moeder en een ‘heidense’ vader. Hij studeerde in Rome en Carthago en werd pas gedoopt in 387. Toen had hij spijt van zijn onchristelijke leven met een onwettige zoon.We moesten bij Latijn stukken uit zijn De Civitate Dei lezen, liever gezegd, vertalen, want van de thematiek hoe het Christendom model kon staan voor een nieuwe maatschappij, snapten we geen moer. Maar goed, ik maakte mijn lezing, in het Latijn en dr Van Aken, onze leraar, aardig, maar niet dapper, schrapte de onwettige zoon uit mijn tekst, terwijl schaamrood zijn wangen kleurde. Ik was een brutaal meisje dat ik zoiets durfde.
Ruim een jaar later was ik eerstejaars studente Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Waarom ik daarvoor gekozen had? Ik wilde journaliste worden en zou dan naar de faculteit maatschappijleer moeten. Die was te rood in de ogen van mijn lieve vader. ‘Doe eerst maar letteren’, zei hij, ‘dan leer je ook schrijven en kun je later altijd nog zien’. Aldus geschiedde. Ik had niet door dat ik voorbestemd was om leerkracht te worden. Dat was toen het laatste wat ik wilde. Ik had niet bepaald inspirerende voorbeelden gehad.
Voor literatuur (geen wereld!) hadden we eerst professor Donkersloot, de dichter Anthonie Donker. Dat was een slapjanus die vaak ziek was en ons gedichten voorlas van hemzelf waar we niets aan vonden. Een jaar later kwam Garmt Stuiveling, die in die tijd vol was van de sonnetten van Jacques Perk. Ook niet bepaald iets voor jongeren die de wereld wilden leren kennen, maar veilig gehouden werden in studentenverenigingen, ik in een Roomse. Onder leiding van Anna Kamstra, assistente van geweldigheid Hellinga, onze prof. filologie, lazen we de Beatrijs, eerst de middeleeuwse taal in gewone letters en later moesten we het handschrift ontcijferen. Voor non Beatrijs had ik veel sympathie en ik kon ook wel begrijpen dat de heilige maagd Maria haar habijt had aangetrokken en haar al die jaren dat ze met een foute liefde de hort op was, had vervangen. Dat zwakte de strengheid van het geloof wat af, maar de filologische kant was waanzinnig moeilijk voor een wat dromerig en helemaal niet accuraat meisje. Ik kreeg dan ook fors op m’n donder soms van Anna, die dat wel met humor deed.
Ook de Neerlandici hadden een vereniging, niet om zelf voordrachten te houden, maar ‘echte’ schrijvers uit te nodigen. Ik werd meteen lid en op de eerste bijeenkomst zat Mulisch, Harry Mulisch, daar. Ik had alleen maar vaag iets over hem gehoord, en op school nooit uiteraard, en daar zat hij, een van de ‘grote’ na-oorlogse schrijvers. Aan een klein tafeltje. Studenten die zijn werk g
elezen hadden omringden hem voordat hij zijn verhaal begon voor te lezen: ‘Wat gebeurde er met sergeant Massuro?’ Vanaf de eerste sekonde was ik geboeid, gefascineerd. Dat was dus moderne literatuur. Hoofdfiguur is een Nederlandse sergeant die een patrouille leidt in nog net ‘Nederlands’ Nieuw Guinea. In het oerwoud. Er was meteen herkenning want een neef van me van vaders kant was daar ook geweest en hij was teruggekomen met wilde verhalen over de avonturen in het oerwoud. Mijn oom en tante waren zo blij dat ie levend terug was, dat ze mij, ik was met mijn ouders en broertje bij de ‘blijde inkomste’, zomaar tien gulden gaven. In het verhaal zitten de soldaten op een avond in een gehucht dat ze Poepjanknor noemen en dan begint het versteningsproces van de sergeant. Het begin is dat ie zijn hand niet kan bewegen en het eindigt als de man een steenklomp geworden is.
Zoiets kan en mag een schrijver dus! Vele jaren las ik dat mijn favoriete auteur Gabriel García Marquéz hetzelfde overkwam toen hij in zijn jeugd het verhaal van Kafka, De gedaanteverandering las over Gregor Samsa die wakker wordt en in een kever veranderd is. Dat is pas fantasie, alles kan ineens. Geen ‘god in het diepste van mijn gedachten’, geen liefdesgebazel op een afstand door middel van sonnetten, maar een verhaal, een echt verhaal.

Iedere avond aten de katholieke studenten in hun sociëteit van Sanctus Thomas Aquino. Een warme maaltijd kostte f.0,90. Mijn ouders gaven me maandelijks de huur van mijn kamertje, vijf maaltijden per week en treingeld om naar huis te komen in het weekend, plus een heel klein beetje voor extra kosten, zoals een tram als het regende en ik niet naar college kon fietsen, en voor de gevulde koek bij de koffie na het eerste college ‘s morgens. Mijn vriendin Mieke en ik besloten om een of twee avonden samen te eten, op haar of mijn kamer, met een pakje soep en de andere eenvoudige eetwaren die we van onze ouders meekregen voor overdag. Zo spaarden we geld en we konden een verzameling opzetten van Prismaboeken, in welke serie beroemde boeken uit de wereldliteratuur verschenen voor slechts f 1,25 per stuk. Aan het einde van het eerste jaar had ik een plankje vol. Geen glazen deurtje ervoor. De boeken hadden wel vouwen en zaten vol aantekeningen met potlood. Sommige las ik vaak.
Helman maakte dat alles weer los in zijn overzicht van de wereldliteratuur na 1945. Hoe begin je te lezen? W
aar is dat moment dat je echt gegrepen wordt? Die kast met boeken uit de verdwenen wereldliteratuur van na de oorlog heb ik na de dood van mijn moeder in 1992 opgeruimd. Alles ging naar een bejaardenhuis in Loenen aan de Vecht, behalve die serie van Lanny Budd. Die staat bij mijn broer. Waar is de Budd-serie van Albert Helman gebleven? Hij was precies even oud als mijn beide ouders, die van oktober 1903 waren. Hij van november, hetzelfde jaar.