woensdag 29 april 2009

Kranten gedigitaliseerd

De Koninklijke Bibliotheek (KB) gaat een groot aantal dagbladen uit Suriname en de Nederlandse Antillen digitaliseren. De oudste krant, die zo via internet toegankelijk wordt gemaakt, is van 1792.

Dit project maakt onderdeel uit van de Databank Digitale Dagbladen, waarbij zo'n 25 miljard woorden (!) door de KB worden gescand.

Drie jaar geleden meldde VPRO Geschiedenis dat de KB was begonnen aan een enorm digitalisatieproject: de Databank Digitale Dagbladen. Hiervoor worden acht miljoen pagina's gescand van Nederlandse kranten vanaf 1618, ofwel 25 miljard woorden. Het wordt de grootste operatie wereldwijd ooit op dit gebied. Zoals de KB meldt: 'Dagbladen zijn een waardevolle bron voor onderzoek naar het functioneren van de samenleving, de politiek en de economie van een land. Ook geven kranten een goed beeld van de ontwikkelingen door de tijd op het gebied van kunst, literatuur, wetenschap en taal. De kwetsbaarheid van het materiaal en de enorme hoeveelheden papier waren tot nu toe de belangrijkste beperkingen bij het gebruiken van kranten als onderzoeksobject. Massadigitalisering biedt hiervoor een oplossing.'In dit project worden nu ook 32 Surinaamse en drie Antilliaanse kranten gescand. 'In Suriname is een groot aanbod van kranten met een relatieve veelheid aan titels, zonder interrupties', meldt de KB hierover. In 1774 verscheen de eerste krant in Suriname: De Weeklyksche Woensdaagsche Surinaamsche Courant van de Nederlander Jacob Beeldsnijder Matroos. Vanaf 1785 kwamen er meer bladen, zoals De Surinaamsche Nieuwsvertelder (1785-1793) en De Surinaamsche Courant (1790-1795).



Over de geschiedenis van de Antilliaanse geschreven pers meldt de KB dat vooral Curaçao een dominante rol speelt. 'De koloniale Antilliaanse pers kent vijf talen: Nederlands, Engels, Spaans, Papiamentu en Frans. De pers is kleinschalig, weinig personen verrichten veel taken voor een veelal klein lezerspubliek. De kranten zijn veelal dunne bladen die slechts wekelijks of twee keer per week verschijnen. Op Sint-Eustatius verschijnt van 1790-1794 de St. Eustatius Gazette. In 1812 wordt The Curaçao Gazette opgericht, een weekblad dat vanaf 1816 De Curaçaosche Courant heet en dat tot vandaag de dag verschijnt.

De door de KB geselecteerde Antiliaanse kranten staan hier.http://geschiedenis.vpro.nl/artikelen/41893917/

zondag 26 april 2009

Boekpresentatie overzee

In Amsterdam scheen de lentezon volop, zondag 19 april jongstleden, de dag dat ik er de lancering van mijn nieuwe roman Solo, een liefde, kwam vieren. Mijn geboortestad had ik in geen jaren zo aantrekkelijk gezien, gehuld in een warme gloed, met innig tevreden mensen op terrassen, die zich als spinnende katten in hun stoelen nestelden. Toch had de schoonheid die ik ervoer ook te maken met de afgelopen doorwaakte nacht, besefte ik, als gevolg van een ernstige vertraging vanuit de luchthaven in Suriname. Ik maakte dus iets mee als een trip, stelde ik me voor, een vernauwing van het bewustzijn, maar dan teweeggebracht op tamelijk gezonde wijze, door slaapgebrek. Ik vond het een welkome toestand en bekeek, geflankeerd door mijn man en mijn broer, de prille blaadjes aan de bomen in het park en de eendenkuikens, vredig dobberend in de vijver. Zulk pracht had ik nooit eerder gezien.
Het kwam niet in me op of er wel iemand op zo'n mooie dag zou komen opdagen in het Hugo Olijfveld Huis van de Vereniging Ons Suriname aan de Zeeburgerdijk, waar de presentatie zou worden gehouden. Wel overdacht ik dat ik eind jaren zestig ergens in diezelfde buurt in een noodhospitaaltje was geboren en dat ik sindsdien een zeer gevarieerde levensvlucht had doorlopen. De komende uren van de boekpresentatie, zo voelde het, vormden een soort accolade, die al die ervaringen bijeenbond.
Het was alsof ik hallucineerde.
Maar wonder boven wonder verdween mijn roes op slag bij het betreden van het verenigingspand, bijna zoals, na een aantal nagelbijtende uren van onzekerheid, de aluminium vogel mij toch nog op tijd over de Atlantische Oceaan had aangevlogen; iets waarop ik geen invloed had uitgeoefend, door machten buiten mij om was bewerkstelligd. Ik werd scherp en doelgericht, schudde handen en nam bloemen in ontvangst. En ik genoot! Eindelijk niet meer in een kamer, kromgebogen boven de laptop, verzonken in schrijftrance, maar op een podium tegenover Noraly Beyer, die mij weldoordachte vragen stelde. Ook de schelp die hoogleraar Michiel van Kempen mij aanbood, als metafoor voor het gelaagde, ambachtelijke pennenwerk, liet ik met genoegen in een tas glijden. Zeker, dit was een egotrip, maar voor schrijvers wel heel belangrijk, want zonder een greintje erkenning, zonder schouderklopje, is het zelfopgelegde vak moeilijk vol te houden. Dus signeerde ik boeken en dacht me ermee voldoende op te laden voor een volgende schrijftaak.
Een paar dagen later dwaalde ik, met mijn hoofd nog wat in de wolken, tussen de eigentijdse Nederlandse boeken van boekhandel Athenaeum aan het Spui. Even uitleggen: in eigentijdse boeken komt minstens zes keer het woord mobieltje, MSN, chatten en neuken voor. Lastig voor Caraibische schrijvers die nog graven in het verleden van slavernij en kolonialisme. Is er te midden van al die hedendaagse literaire hypes wel plaats voor Nederlandstalige schrijvers van buiten Nederland, vroeg ik mij af? Of bevinden die zich per definitie in een spagaat over zee? Altijd ver van en onbegrepen door het grote lezerspubliek? Mijn roman lag er met zijn kleurrijke omslag geruststellend aantrekkelijk bij. Ik verjoeg mijn overpeinzing, wenste Solo, een liefde in gedachten een goede vlucht en verliet de winkel op zoek naar een terras waar ik mij in de zon zou kunnen koesteren.

Culturele boost voor Antillen en Aruba

Om de cultuur op de Nederlandse Antillen en Aruba een impuls te geven zijn er door het Nederlandse ministerie van Onderwijs extra middelen ter beschikking gesteld, om te beginnen voor een periode van vijf jaar, onder de naam KulturA. Projecten zullen worden ondersteund die vanuit de eilanden worden aangevraagd. Het kan gaan om projecten die de culturele infrastructuur op de Nederlandse Antillen en Aruba op een hoger niveau willen brengen, en om projecten die de internationale uitwisseling versterken, tussen de eilanden en Nederland en de eilanden binnen de Caraibische regio. De bedoeling is dan dat de Nederlandse fondsen de toegewezen geleden zullen matchen: voor elke toegewezen euro uit het KulturA-fonds legt elk fonds uit de eigen begroting een euro bij. Die fondsen zijn de Mondriaan Stichting, het Fonds voor de Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst, het Fonds voor Cultuurparticipatie, het Nederlands Fonds voor Podiumkunsten, het Nederlands Literair Productie en Vertalingen Fonds en het Fonds voor de Letteren. Vooral bij de literatuurfondsen zal er heel wat gedaan moeten worden. Wat er op dit moment op jaarbasis naar de Antillen en Aruba gaat, daar kan nog geen kabritu van naar de tandarts. Het zal dus aan de inventiviteit van schrijvers, dichters en organiserende instanties op de Antillen en Aruba liggen om daar snel zelf verandering in te brengen.

In april worden informatiebijeenkomsten georganiseerd op Bonaire, Aruba, Sint-Maarten en Curaçao over KulturA. Die bijeenkomsten beginnen om 16.00 uur (ontvangst vanaf 15.30 uur) en duren tot 18.00 uur.

Bonaire 20 april: Restaurant Pirates House, Kaya J.N.E. Craane 12

Aruba 22 april: Archeologisch Museum Aruba J. Irausquinplein 2a, Oranjestad

Sint-Maarten 24 april: Philipsburg Culture & Community Centre Philipsburg

Curaçao 27 april: Teatro Luna Blou hoek Havenstraat / De Rouvilleweg, Otrobanda


Meer informatie: KulturA

donderdag 23 april 2009

De wereldliteratuur na 1945

door Els Moor

Een stuk uit het archief van Albert Helman over de wereldliteratuur na de Tweede Wereldoorlog dat ik onder ogen kreeg, roept van alles op. Hij moet het omstreeks 1960 geschreven hebben. Toen was ik 23 en studente Nederlands, hield me bezig met literatuur. Beelden komen op bij het lezen, beelden die diep naar onderen waren gezakt.

Ik zag de boekenkast van mijn ouders, niet groot, van mahoniehout, strak van vorm, wat bijzonder was in die tijd. Er konden misschien vijftig boeken in. Die waren zichtbaar, maar wel achter glas. Toen ik zo’n 12, 13 jaar was, snuffelde ik ‘s middags in die boeken. Mijn moeder deed dan haar dutje boven. Als ze nog wakker was, hoorde ze het glazen deurtje opengaan en bonsde dan hard op de vloer. Boeken voor volwassenen waren niet voor kinderen, dus ik moest eraf blijven. Maar meestal sliep ze al snel en kon ik m’n gang gaan. Ik bladerde snel door een aantal boeken en keek altijd op de laatste bladzijde. Ik zocht naar seks, hoe ging dat? Ik zocht beschrijvingen en verwachtte die natuurlijk op de laatste bladzijde, zoals in meisjesboeken ‘ze elkaar krijgen’ op die pagina. Maar dat was dan alles. Misschien een kusje en elkaar diep in de ogen kijken. Ook in die ‘volwassen’ romans vond ik niet wat ik zocht. Ik zie nu bij Helman titels van boeken die in die kast stonden. Van Steinbeck, Greene en Mauriac en De kardinaal van Lloyd C. Douglas, een rood boek. Daar keek ik niet in, want een kardinaal heeft geen seks. Ik lees nu dat deze werken behoorden tot ‘de opwelling van mysticisme, kort na de oorlog en er waren veel katholieke auteurs die zelfs niet wars waren van theologiseren.’ De kardinaal hoorde daar uiteraard bij, evenals Graham Greene. Het zijn grootheden die verdwenen zijn uit de wereldliteratuur van nu. Brecht en Camus leven nog voort, lang na hun dood. Maar die kwamen niet voor achter die glazen deurtjes. Vond pastoor niet goed.

Een paar jaar later, mijn broertje was zo tussen de negen en dertien jaar, kwam mijn vader ‘s avonds aan zijn bed zitten en vertelde hem alles over Lanny Budd, de hoofdfiguur in de romans van Upton Sinclair. Oorlog, vijandschap, verzet en spionage, dat waren de thema’s, herkenbaar voor alle volwassenen die nog maar zo’n tien jaar geleden de oorlog hadden meegemaakt. Daar hadden we toen een hele serie van staan. En mijn broer heeft dat rijtje nu in zijn boekenkast in de Amsterdamse Jordaan, een dierbare herinnering.

Ik zat in die jaren op het gymnasium van het RK Lyceum voor het Gooi te Hilversum, geen nonnen- of patersschool, maar wel uitermate conservatief. Daar maakte ik kennis met literatuur, nog geen wereldliteratuur, Nederlandse literatuur. Ook hier was het Roomse geloof troef. Onze leraar Nederlands, een dikke zelfvoldane man, deed niets liever dan ons voorlezen uit de Brabantse romans van Antoon Coolen en de gedichten van Anton van Duinkerken (‘Daarom, meneer, noem ik mij katholiek’) en in onze klas zat zelfs de dochter van Gabriël Smit een oerkatholieke dichter.

Toen ik in de hoogste klassen kwam, werd ik (verplicht) lid van de vereniging Rostra (spreekgestoelte) waar leerlingen lezingen, liefst in het Latijn, hielden over belangrijke figuren. Ik wou ook en koos de christelijke filosoof/theoloog Aurelius Augustinus (354-430), die in Afrika geboren was als zoon van een een christelijke moeder en een ‘heidense’ vader. Hij studeerde in Rome en Carthago en werd pas gedoopt in 387. Toen had hij spijt van zijn onchristelijke leven met een onwettige zoon.We moesten bij Latijn stukken uit zijn De Civitate Dei lezen, liever gezegd, vertalen, want van de thematiek hoe het Christendom model kon staan voor een nieuwe maatschappij, snapten we geen moer. Maar goed, ik maakte mijn lezing, in het Latijn en dr Van Aken, onze leraar, aardig, maar niet dapper, schrapte de onwettige zoon uit mijn tekst, terwijl schaamrood zijn wangen kleurde. Ik was een brutaal meisje dat ik zoiets durfde.

Ruim een jaar later was ik eerstejaars studente Nederlands aan de Universiteit van Amsterdam. Waarom ik daarvoor gekozen had? Ik wilde journaliste worden en zou dan naar de faculteit maatschappijleer moeten. Die was te rood in de ogen van mijn lieve vader. ‘Doe eerst maar letteren’, zei hij, ‘dan leer je ook schrijven en kun je later altijd nog zien’. Aldus geschiedde. Ik had niet door dat ik voorbestemd was om leerkracht te worden. Dat was toen het laatste wat ik wilde. Ik had niet bepaald inspirerende voorbeelden gehad.

Voor literatuur (geen wereld!) hadden we eerst professor Donkersloot, de dichter Anthonie Donker. Dat was een slapjanus die vaak ziek was en ons gedichten voorlas van hemzelf waar we niets aan vonden. Een jaar later kwam Garmt Stuiveling, die in die tijd vol was van de sonnetten van Jacques Perk. Ook niet bepaald iets voor jongeren die de wereld wilden leren kennen, maar veilig gehouden werden in studentenverenigingen, ik in een Roomse. Onder leiding van Anna Kamstra, assistente van geweldigheid Hellinga, onze prof. filologie, lazen we de Beatrijs, eerst de middeleeuwse taal in gewone letters en later moesten we het handschrift ontcijferen. Voor non Beatrijs had ik veel sympathie en ik kon ook wel begrijpen dat de heilige maagd Maria haar habijt had aangetrokken en haar al die jaren dat ze met een foute liefde de hort op was, had vervangen. Dat zwakte de strengheid van het geloof wat af, maar de filologische kant was waanzinnig moeilijk voor een wat dromerig en helemaal niet accuraat meisje. Ik kreeg dan ook fors op m’n donder soms van Anna, die dat wel met humor deed.

Ook de Neerlandici hadden een vereniging, niet om zelf voordrachten te houden, maar ‘echte’ schrijvers uit te nodigen. Ik werd meteen lid en op de eerste bijeenkomst zat Mulisch, Harry Mulisch, daar. Ik had alleen maar vaag iets over hem gehoord, en op school nooit uiteraard, en daar zat hij, een van de ‘grote’ na-oorlogse schrijvers. Aan een klein tafeltje. Studenten die zijn werk gelezen hadden omringden hem voordat hij zijn verhaal begon voor te lezen: ‘Wat gebeurde er met sergeant Massuro?’ Vanaf de eerste sekonde was ik geboeid, gefascineerd. Dat was dus moderne literatuur. Hoofdfiguur is een Nederlandse sergeant die een patrouille leidt in nog net ‘Nederlands’ Nieuw Guinea. In het oerwoud. Er was meteen herkenning want een neef van me van vaders kant was daar ook geweest en hij was teruggekomen met wilde verhalen over de avonturen in het oerwoud. Mijn oom en tante waren zo blij dat ie levend terug was, dat ze mij, ik was met mijn ouders en broertje bij de ‘blijde inkomste’, zomaar tien gulden gaven. In het verhaal zitten de soldaten op een avond in een gehucht dat ze Poepjanknor noemen en dan begint het versteningsproces van de sergeant. Het begin is dat ie zijn hand niet kan bewegen en het eindigt als de man een steenklomp geworden is.

Zoiets kan en mag een schrijver dus! Vele jaren las ik dat mijn favoriete auteur Gabriel García Marquéz hetzelfde overkwam toen hij in zijn jeugd het verhaal van Kafka, De gedaanteverandering las over Gregor Samsa die wakker wordt en in een kever veranderd is. Dat is pas fantasie, alles kan ineens. Geen ‘god in het diepste van mijn gedachten’, geen liefdesgebazel op een afstand door middel van sonnetten, maar een verhaal, een echt verhaal.

Iedere avond aten de katholieke studenten in hun sociëteit van Sanctus Thomas Aquino. Een warme maaltijd kostte f.0,90. Mijn ouders gaven me maandelijks de huur van mijn kamertje, vijf maaltijden per week en treingeld om naar huis te komen in het weekend, plus een heel klein beetje voor extra kosten, zoals een tram als het regende en ik niet naar college kon fietsen, en voor de gevulde koek bij de koffie na het eerste college ‘s morgens. Mijn vriendin Mieke en ik besloten om een of twee avonden samen te eten, op haar of mijn kamer, met een pakje soep en de andere eenvoudige eetwaren die we van onze ouders meekregen voor overdag. Zo spaarden we geld en we konden een verzameling opzetten van Prismaboeken, in welke serie beroemde boeken uit de wereldliteratuur verschenen voor slechts f 1,25 per stuk. Aan het einde van het eerste jaar had ik een plankje vol. Geen glazen deurtje ervoor. De boeken hadden wel vouwen en zaten vol aantekeningen met potlood. Sommige las ik vaak.

Helman maakte dat alles weer los in zijn overzicht van de wereldliteratuur na 1945. Hoe begin je te lezen? Waar is dat moment dat je echt gegrepen wordt? Die kast met boeken uit de verdwenen wereldliteratuur van na de oorlog heb ik na de dood van mijn moeder in 1992 opgeruimd. Alles ging naar een bejaardenhuis in Loenen aan de Vecht, behalve die serie van Lanny Budd. Die staat bij mijn broer. Waar is de Budd-serie van Albert Helman gebleven? Hij was precies even oud als mijn beide ouders, die van oktober 1903 waren. Hij van november, hetzelfde jaar.

dinsdag 21 april 2009

Leren schrijven

Ik raak steeds meer overtuigd dat schrijven te leren is. Een paar jaar terug begon ik dit avontuur, een opleiding in creatief schrijven op te zetten in Paramaribo. We leven nu zes maanden verder en zoals elke goede organisatie dat doet, evalueer ik om de zes maanden. De schrijfdidactiek die we toepassen is een eenvoudige, maar alleszins effectieve. Er wordt zoveel mogelijk tijdens de lessen geschreven bij het eerste jaar. We noemen het Schrijftraining wat niet anders betekent dan oefenen met tekst, opdrachten die erop toegespitst zijn om een bepaald schrijfthema te belichten. De docenten doen suggesties en laten verschillende invalshoeken zien.
In mijn zoektocht naar een model of methodiek passend in de literaire samenstelling van het huidige Suriname stuitte ik op de lessen bij de Schrijversvakschool Amsterdam. En niet om een model te kopiëren, maar om te kijken of dat daadwerkelijk toepasbaar was in Suriname. Hoe zou ik immers doorbreken in een cultuur waar de doorsneegedachte is dat schrijven een talent is, een aangeboren iets waar niemand je mee kan helpen. In een kort jaartje had ik een begeleidingstraject samengesteld samen met Marijke van Mil, met een hele andere aanpak. Achteraf vond ik dat we minder theorie en meer schrijven hadden moeten geven. (Ook wij zijn op de leerschool en het is nog steeds een geworstel om het beste ervan te maken). De methodiek hebben we ietwat aangepast, zoveel mogelijk naar de behoefte. Nu is het dus puur schrijven in de lesblokken elk 3 uur lang. Het feitelijke doen geeft een totaal andere ervaring dan huiswerk meegeven en weten dat studenten er toch niet aan toe komen vanwege allerlei redenen in de huis/werksituatie. Er gaat naast die weinig beschikbare tijd ook zoveel om in hoofden van beginnende auteurs; de kwetsbaarheid, het eigene, de onzekerheid, de emotionaliteit, de wilskracht en wat al meer. De effecten van het groepsgebeuren zijn in elk geval het leren van elkaar, gericht bezig zijn, zorgvuldig met de taal omgaan, het verbetermechanisme (van hardop lezen) in gang zetten en een hoge dosis zelfkritiek aan de dag leggen.
De uitdaging is uiteraard wie de ‘die-hards’ zijn, wie de ECHTE auteur is. Wie blijft (en daarmee ook de school). De doorsnee cursist/student heeft al ervaring met schrijven en zelfs publiceren op klein niveau. Je zou dan gauw denken dat de doorsnee auteur bekend is met het literair jargon, begrippen en dergelijke. Dat is absoluut niet het geval. Er is te weinig algemene literaire kennis, men leest nog te weinig, en onderschat veelal de tijd en discipline die in schrijven gestoken moeten worden. Wat we zeker ook doen is de studenten ‘literair socialiseren’. (Ha, ik weet niet of dit woord al bestaat ) Attenderen op literaire evenementen, artikelen, boeken van overal, andere kunstdisciplines, hun blik een beetje proberen te verruimen (wat niet betekent dat ik recensenten aan het opleiden ben). In elk geval moet die radar op alles wat met literatuur te maken heeft, signaal kunnen hebben. We doen dit alles uiteraard gedoseerd, evalueren met de studenten en docenten, kijken naar vorderingen. Ik maak me geen illusies, afvallers zul je altijd hebben. Er hoeven na verloop van tijd geen twintig studenten afgestudeerd te zijn, maar tenminste drie goede waarvan ik zeker weet: dit zijn de nieuwe literaire geesten, de nieuwe Shrini, of de nieuwe Vianen.

zondag 19 april 2009

Founding fathers

'Als ik denk aan de "founding fathers" van Suriname, dan denk ik aan Frank Essed, de vermaarde socioloog Rudolf van Lier, de schrijver Albert Helman en de kunstenaar Erwin de Vries.' Deze zin staat ietwat verscholen in Anil Ramdas’ kortgeleden verschenen Paramaribo; De vrolijkste stad in de jungle (p. 53). Om meerdere redenen is het een opvallend citaat. Om te beginnen door het wat terloopse karakter ervan. Alsof we de uitspraak niet te serieus moeten nemen. Beschouw het als een toevallig opkomende gedachte, lijkt de auteur te willen suggereren, een wat parmantig geformuleerde inval, maar hecht er niet teveel betekenis aan. Natuurlijk. Er valt ons allemaal wel eens iets in. En gelukkig worden die oprispingen niet allemaal wereldkundig gemaakt. Maar die opvatting blijkt toch minder houdbaar dan ik veronderstelde. Want aan het einde van zijn boek herhaalt Ramdas zijn uitspraak nog een keer (p. 252). Founding fathers staat in die alinea niet meer tussen aanhalingstekens. En het viertal krijgt nu ineens de status van held toebedeeld. Zo terloops was terloops dus ook weer niet.

De uitlating is te vinden in een hoofdstuk waarin Ramdas te voet de weg aflegt van ’s Lands Hospitaal naar zijn ouderlijk huis in de Celinastraat. Een route die zijn vader met zijn moeder en de kleine Anil per fiets aflegde net na de geboorte van de laatste in datzelfde hospitaal. Nou ja, eigenlijk vond het transport per auto plaats en niet per fiets. En is de schrijver ook niet te beroerd om ons dat uit de doeken te doen. Hij zocht een passende literaire vorm om de lezer door een deel van Paramaribo te loodsen waar hij cruciale jaren van zijn jeugd heeft doorgebracht. Om dat overtuigend te kunnen doen creëerde hij de analogie van de wandel- en de fietstocht. Dat gaat hem goed af. Het ‘zelfbedachte ritueel’, de ‘boetedoening’ waaraan hij zich onderwerpt (melodrama is bij Ramdas nooit ver weg), brengt hem naar de Sophie Redmondstraat, waar hij het Regeringsgebouw passeert dat naar Frank Essed is vernoemd. En voor we het weten vloeien hem daar zo maar vier founding fathers uit de pen.

Hoe motiveert Ramdas zijn keuze voor deze mannen (laten we dat gelijk maar even politiek correct vaststellen, al zijn de mannen in dit boek vrijwel allemaal sukkels, iets wat je met evenveel recht ook politiek correct zou kunnen noemen)? Die motivatie – een tweede opvallendheid – is erg summier. Essed wordt gekenschetst als ‘misschien de enige visionair die het land gekend had’. Zijn grootste verdienste ligt volgens Ramdas op het gebied van de planning van de ontwikkeling van Suriname. Over ‘de dromer’ Helman schrijft hij uitvoeriger. Hij prijst in het bijzonder diens inzet voor het middelbaar onderwijs in Suriname. Dat is geen nieuws. Ramdas heeft Helman als onderwijsman en ‘volksverheffer’ al vaker lof toegezwaaid (zoals veel meer in dit boek een herneming is van opvattingen en herinneringen die we uit andere geschriften van Ramdas kennen). Bovendien: Helman had nog bij zijn leven Ramdas (met Hans Ramsoedh en Theo Para) geïdentificeerd als zijn geestelijke erfgenaam. Noblesse oblige. Opmerkelijk genoeg worden aan Van Lier en De Vries in dit boek verder geen woorden gewijd. Veronderstelt Ramdas hun verdiensten bekend bij de lezer? Heeft hij vooral hen op het oog als hij twee andere criteria voor het founding father-schap naar voren brengt: ‘de grote idealen’ en ‘kennis van de wereld’?

Het gaat mij niet om de personen die Ramdas als founding father heeft geselecteerd (alle vier zijn interessant en betekenisvol en zelfs veelzijdiger dan uit de tekst zou kunnen worden opgemaakt) en ook niet zozeer om de gehanteerde criteria (die in ieder geval teruggaan op een duidelijke stellingname). Ik heb aarzelingen bij het gebruik van de begrippen ‘founding father’ en ‘Suriname’. Want wat is een founding father eigenlijk, wat wordt hij verondersteld te kunnen en te doen, wie stelt vast wat de balans van zijn werkzaam leven is geweest en op welk moment en door wie wordt hem het stempel 'held' opgedrukt? Moet een founding father worden gepositioneerd tegen de achtergrond van het grondgebied Suriname, de staat Suriname, de natie Suriname, de Surinaamse identiteit, de optelsom van alles wat waar ook ter wereld met Suriname kan worden verbonden? De lezer tast hierover in het duister.

Hiermee kom ik op een derde opvallend kenmerk van het founding father-citaat: het gebrek aan controleerbaarheid en precisie. Dat laatste noteer ik vooral omdat het zo goed het werk van Ramdas typeert. Daarin gaat het namelijk veel minder om de historische werkelijkheid en de genuanceerde beschouwing van die werkelijkheid dan om de literaire verbeelding en persoonlijke verwoording van een heden en verleden dat zich nauwelijks kennen laat. Behalve om het ‘visioen’ van Essed en de ‘droom’ van Helman gaat het daarin – als we de woordkeus van Ramdas aanhouden – om het ‘project’ van Van Lier en de ‘scheppingen’ van De Vries. Omschrijvingen die uitdagen en prikkelen en een beroep doen op ons voorstellingsvermogen en onze creativiteit. Maar woorden die tegelijk het raadsel van de werkelijkheid in stand houden. De route van feit en ervaring naar essay en verhaal wordt bij Ramdas niet te voet, per fiets of per auto afgelegd, maar via de verbeelding en met literaire kunstgrepen.

donderdag 16 april 2009

Soela-leed

Gisteren een aardig mailtje ontvangen van Carl Haarnack van antiquariaat Buku. Binnenkort staat hij op de Konmakandra van de Stichting voor Surinaamse Genealogie. Ik ben blij met elk mailtje dat ik van Carl krijg , maar deze was nog interessanter dan gewoonlijk. Er zat een catalogus bij van boeken die te koop zijn.

En nu heb ik een slapeloze nacht in het verschiet.

Jaren geleden grabbelde ik elke maand in de stapel boeken die het Surinaams Museum op de verkoop gooide om op te ruimen. Ik moest wel mijn boeken daar aanschaffen, ze kosten soms maar 50 cent, en als arme student met een artistiekerige hobby (advies: theater is geen slimme carrièrekeus) had ik geen geld om naar Vaco te gaan. Ik had het CCS al uitgelezen, dus restte me niets anders dan de rommelstapels van het Museum en van Bosje’s Books.

En zo schafte ik een hele stapel Soela’s aan. 75 cent per exemplaar. Van elke beschikbare editie 2 exemplaren. Omdat ze zo historisch waren en omdat ze zo mooi waren, misschien wel de mooiste tijdschriften ooit uitgegeven in Suriname, misschien wel het mooiste literaire tijdschrift dat ik ooit heb gezien. Ik vond het aardige kado’s voor literaire types en gaf de dubbele exemplaren grif weg.

En nu zie ik de prijslijst van Buku, en huil ik. Een Soela kost bij Carl 50 euro. VIJFTIG EURO.

Nu zal ik dus de hele nacht mijn boekenkasten en boekendozen moeten omwroeten op zoek naar de oude boeken die ik 20 jaar geleden heb aangeschaft. Wie weet wat ik aan verborgen schatten vind. (Wat zouden gesigneerde boeken van bijvoorbeeld van Kempen waard zijn? Hm. )

maandag 13 april 2009

Sranan melancholie

Zo begint een van de gedichten van John Leefmans, het Sranan eerst:

Mi fersi sa e skrifi
Lek’ wan brifi gi mi;
Na so mi sa wan singi.

In het Nederlands:

Mijn verzen zal ik schrijven
Als een brief aan mijzelf
Zo zal ik willen zingen.

Dit is een totaal andere poëzie dan die van die andere grote Sranan dichter, Michaël Slory, wiens woorden uit ‘Orfeo negro’ meezinderen op de hitte van deze regels: ‘Mi sa singi a son opo kon te den stari wasi komoto na loktu’/ ‘Ik zal zingen om de zon te laten opkomen wanner de sterren weggewassen zijn uit de lucht.’ Bij John Leefmans luidt de titel van het gedicht ‘Mi wisi’/’Mijn vergif’ en dat geeft al direct een totaal andere sturing aan het lezen. Maar ik kan onmogelijk zeggen dat Leefmans’ poëzie veel onderdoet voor die van Slory. Het zijn beiden melancholici, bij Slory breekt de politieke vastberadenheid of juist de wanhoop soms door de lyriek heen, bij Leefmans soms het spel-om-het-spel of de intellectualiteit. Maar nooit was John Leefmans eerder zo lyrisch als in zijn net verschenen, forse bundel Op’ a batra/Open die fles. Hoe is het mogelijk dat het Suriname van dertig jaar geleden nog altijd zo haarscherp gepolijst in het geheugen kan staan.

Het gedicht ‘Mi wisi’/’Mijn vergif’ vervolgt na de drie openingsregels met:

Mi no sa e wai ini fraga,

Met geen enkele vlag zal ik waaien;

En daarmee wordt de openingsstrofe al direct weer in een heel ander licht gesteld. Dat gaat zo door, regel voor regel, 48 versregels lang, en nergens buigt het elastiek van de taal. Ach, lees al deze pracht zelf maar.

33 gedichten – sommige pagina’s lang – en 20 haiku’s bevat Op’ a batra/Open die fles, en wie zal zeggen wat origineel is en wat vertaling? Er is heel veel melancholie in deze bundel. Laat het niet de melancholie zijn om een prachtige taal die de laatste tijd zo weinig nieuwe poëzie oplevert: het Sranan, een prachttaal die dan ook nog eens in moedertaalvorm vertaald kan worden.

Verschenen bij In de Knipscheer.

zondag 12 april 2009

Verklonken met Curaçao: Tip Marugg compleet

Zijn werk is verklonken met Curaçao, hij leefde even symbiotisch met het eiland als contrariërend, met evenveel betrokkenheid en amusement als kritische distantie. Ruimtelijk positioneerde hij zich in de kunuku, het dorre cactusland ver weg van het zoemende Willemstad. Hij leefde ’s nachts en sliep overdag. Een pierrot gestoken in zwart en wit. Protestant met een perkamenten vel, geworteld in de Bijbel en de wereldliteratuur, en voornamelijk schrijvend in ‘de mooiste taal ter wereld’, het Nederlands. Maar zijn hart leefde met de zwarte Curaçaënaars, het volk dat naait en zuipt, dat niet schrijft maar zingt in Maruggs moedertaal het Papiamentu. Zijn kompaan Boeli van Leeuwen had zijn engagement vooraan in de mond liggen, Tip vermaalde zijn engagement achter in zijn keel. Wat hij schreef is nu verzameld in één band onder de titel De hemel is van korte duur, fraai bezorgd door Aart Broek en Wim Rutgers. Petra Possel sprokkelde anekdotes bij elkaar in het gelijktijdig verschenen Niemand is een eiland; het leven van Tip Marugg in gesprekken. Verschenen bij De Bezige Bij.

Palmzondag

Vorig jaar september hadden we met het oog op de Amerikaanse verkiezingen een serie postkaarten van een zwarte vrouw gelanceerd, waarvan de afbeelding van kunstenares Trudie Canwood en de tekst uit m’n gedichtenbundel Gerede Twijfels werden geput. Je had er een gevoel bij dat Obama de nieuwe president zou worden. Op zich een hele omwenteling in de geschiedenis dat een zwarte presidentskandidaat voor het eerst als wereldleider wordt gekozen. Met deze gedachte koester ik ook de hoop dat in eigen land een en ander zal veranderen, niet meteen maar gaandeweg.

Hoe is het in eigen land gesteld is dan de vraag? Als je naar de boekentop-5 kijkt, zie je nog altijd geen Caribische schrijver die op deze lijst voortkomt. Je ziet boektitels als Het diner, De verbouwing, De eenzaamheid van de priemgetallen, Mannen die vrouwen haten en De voorlezer. Het was jaren geleden dat Tip Marugg genomineerd werd voor de AKO-literatuurprijs en we weten allemaal hoe dat in z’n werk ging en iemand anders met de prijs er vandoor ging. Misschien dat onze schrijvers voortaan zich meer moeten afficheren als Caribische schrijvers en minder als Surinaamse, Antilliaanse en Arubaanse schrijvers. Maar ook ons verhaal moet wellicht anders ingericht worden. Het hoeft niet altijd over de knellende band met Nederland te gaan, tenzij er nieuwe wetenswaardigheden aan het licht zijn gekomen die in romanvorm gegoten kunnen worden.

Ook de uitgeverswereld die steeds meer vertaald werk uitgeeft, geeft hiermee een signaal af. Men wil nieuw bloed, het liefst jong talent en nieuwe thema’s in de Nederlandse literatuur introduceren. Er zijn tal van uitgevers, met In de Knipscheer voorop, die voor een groot deel niet-westerse auteurs uitgeven. De andere hebben een of twee auteurs in hun fonds, waarmee ze eerst de kat uit de boom kijken. Maar dan stuit je op het probleem dat literatuur onder de eigen doelgroep als elitair wordt gezien. Ook ons verhaal moet echter verteld en gelezen worden. Als schrijver moet je iedere keer opnieuw zorgen dat je met iets nieuws voor de dag komt, waarmee je de lezer kunt prikkelen. Anders verkoopt het boek niet.

De meeste uitgevers moeten echter meer moeite doen om het boek te promoten. Schandalig dat sommige dagbladen tegenwoordig weinig aandacht besteden aan literatuur uit de West. Zijn de tijden zo veranderd? Of behoren Aruba, de Antillen en Suriname niet meer tot die regionen van de literatuur? Toegegeven dat het imago van de Antillen en de Antilliaan niet bevorderlijk is voor de Antilliaanse literatuur en de verkoopcijfers daarvan. Hetzelfde gold voor de generatie schrijvers Edgar Cairo en Astrid Roemer die de rekening moesten betalen voor de perikelen rondom de onafhankelijkheid van Suriname. Lezers hechten geen waarde meer aan wat zich op literair vlak onder schrijvers uit de West en in de achtertuin van het moederland afspeelt. Hun reis en verblijf op de eilanden bestaat meer uit genot dan uit kunst en geschiedenis.

Voor andere Caribische vakantiegangers met hun oude familiebetrekkingen is er een band ontstaan met die cultuur. Zo kent men ook in iedere ex-kolonie een literair circuit, gevormd door inheemsen en ex-pats, een circuit dat van tijd tot tijd tot bloei komt. Een uitgever kan dat niet zomaar negeren. Er bestaat zoiets als een investeringskans zolang de markt genoeg opbrengt. Nederland kan het voorbeeld van Groot-Brittannië volgen, waar tal van Caribische schrijvers onder wie Zadie Smith en Caryl Phillips hun naam in de Britse literatuur hebben gevestigd. Ik blijf de hoop koesteren dat ook onze schrijvers die erkenning zullen krijgen.

Uniek schrift voor archief Marroninstituut Stichting Sabanapeti

Op de Mitimakandiiedei (Ontmoetingsdag) van stichting Sabanapeti op 5 april 2009 verraste Michiel van Kempen het bestuur van de stichting, door de voorzitter, kabiten André R.M. Pakosie, het bijzondere schrift Verloisie Tolie foe na jalie 1964, ook Tolie foe Jau Jauw (Aantekeningen over de transmigratie van 1964 en over het dorp Yauyau) te overhandigen voor haar archief. Dit document is uniek omdat Rudolf B. Vonkel van het dorp Yauyau in dit schrift aantekeningen bijhield over de gevolgen die de bouw van de Afobakadam in Suriname had voor de plaatselijke Marronbevolking. Zij waren genoodzaakt te verhuizen. Vonkel hield onder andere bij wie naar welke plek moest verhuizen, wie wat bijgedragen heeft voor onder andere de aanschaf van een lichtaggregaat voor het nieuwe dorp Yauyau. Ook hield Vonkel historische gebeurtenissen bij tot 1991.

zaterdag 11 april 2009

Calabash Festival

Ik heb even zitten twijfelen voor ik dit schreef. De werkgroep heet wel “Caraïbische letteren”, maar eigenlijk bedoelen ze daarmee alleen het Nederlandssprekend gebied. En niet “the Caribbean” waar ik leef. Maar Derek Walcott was vorig jaar wel gast van de werkgroep; het valt dus allemaal waarschijnlijk wel mee in de praktijk.

Dan nu wat nieuws uit de rest van het Caraïbisch Gebied : als je niets te doen hebt, en een paar duizend dollar teveel in je portemonnee, ga dan bijvoorbeeld naar Treasure Beach, 3 uren rijden van Kingston, Jamaica. Van 22 tot 24 mei wordt daar het 9e Calabash International Literary festival gehouden. Voorgaande jaren lazen o.a. Caryl Phillips, Michael Ondaatje, Earl Lovelace, en Maryse Condé voor. Dit jaar verwacht men Junot Diaz, Edwidge Danticat en Jamaica Kincaid.

Jamaica Kincaid gaf enkele weken terug nog vinning commentaar in The New Yorker op de oplichterijen van “Sir”Allen Stansfield en zijn band met haar geboorte-eiland Antigua. Natuurlijk was ze vlijmscherp en natuurlijk had ze weer gelijk. Haar zuur commentaar op haar geboorte-eiland hebben haar daar al lang tot persona non grata gemaakt. Wist ik veel. Ik dacht dat alle Antiguanen (Antiguayanen?) vreselijk trots op haar zouden zijn. Hun literaire Anthony Nesty.

Mijn vergissing werd duidelijk toen op een zwoele avond op een ander prachtig eiland een hoogbeambte strakgepakte Antiguaanse meneer bijna in zijn dure wijn spuugde van woede toen ik mijn bewondering voor zijn landgenote kenbaar maakte. Hij kende Jamaica’s moeder hoogstpersoonlijk en zoals haar dochter over haar schreef, dat was heiligschennis. Ze was een ondankbare dochter, ze zette haar moeder te schande, ze zette haar geboorteland te kijk, ze was, kortom, een nestbevuiler.

Klinkt bekend. Elke keer als ik in Caraïbisch gezelschap vertel dat ik een grote fan ben van V.S. Naipaul krijg ik bijna letterlijk hetzelfde te horen. Is er een Surinaams equivalent van Kincaid en van Naipaul? Ik kan er zo gauw niet op komen.

Eigenlijk moet ik naar Jamaica om Jamaica te zien en te horen. Misschien krijg ik dan een kans om haar te vertellen dat ik over de grond heb gerold van het lachen bij het lezen van A Small Place. Dat elke keer als ik de naam VC Bird verving door bijvoorbeeld Somohardjo, het was alsof het over Suriname ging.

Het Calabash Festival stond dit jaar op het punt van verdwijnen, maar een razendsnelle emailactie, binnen een dag rondgestuurd naar een ieder die iemand kent die iemand kent die iemand kent die iets doet met schrijven, zorgde voor een enorme toestroom van protestmails. En binnen een dag dienden twee sponsoren zich aan. Euforie alom, en voor even voelde ik me weer helemaal deel van deze bonte stoet Caraïbische schrijvers.

Dus: als je wat geld over heeft, ga er naar toe. Als je wel het geld maar niet de tijd hebt: ik offer me graag op. (voor meer informatie: http://www.calabashfestival.org/ De website is wel open, maar veel staat er nog niet op. )








Maryse Condé op Calabash 2007

Het koffertje van Cairo

Het zal in de zomer van '75 of '76 geweest zijn. Ik was twaalf of dertien jaar oud. Edgar Cairo gaf een performance in De Meervaart. In het Osdorp van de jaren '70 kon je alle Surinamers zonder enig probleem in een uurtje bezoeken. Bij de Pieter Callandlaan had je de Chin A Loi's, bij de Osdorperban de familie Wilson en de Seedorfs bij de Ookmeerweg. Veel meer Surinamers telde Osdorp niet. Voorzover ik me het kan herinneren waren er op die dag helemaal geen Surinamers te bekennen. Edgar Cairo kwam voordragen uit eigen werk.
Cairo was een held, voor mij. Alleen al vanwege het feit dat hij op die dag, uitsluitend voor mij (althans, zo voelde het) Suriname in zijn koffertje naar De Meervaart kwam brengen. Zijn KLM-koffertje zat tjokvol met voor mij magische gedichten, ritmisch proza en een onverwerkt koloniaal verleden.
Tot die dag was Suriname iets dat tot het verleden behoorde. Mijn moeder vond het belangrijk dat haar kinderen ongemerkt een plekje vonden in de Nederlandse samenleving. Dat betekende iedere zondag naar de room-witte Hervormde Kerk in Sloten waar iedereen met een kleurtje nog een bezienswaardigheid was. Elke terugblik op het Surinaamse verleden vormde een obstakel bij dit assimilatieproces.
Edgar Cairo zong terwijl hij op een trommel roffelend de herinnering aan Suriname levend hield. Hij droeg gedichten voor waar ik misschien de helft niet van begreep. Maar wat ik wel intuïtief voelde: dit is een grote kunstenaar.

Edgar Cairo (1948-2000) overleed bijna tien jaar geleden. Hij wordt de creatiefste schrijver die Suriname ooit heeft voortgebracht genoemd. Hij heeft helaas nooit de erkenning en grani gekregen die hij verdiende. Nooit heeft hij een literaire prijs ontvangen, nooit is er iemand op Cairo's werk gepromoveerd. Het wordt tijd dat we het koffertje van Cairo weer opendoen.



Foto: @ Els Kirst

donderdag 9 april 2009

De makste schaapskude van Zuid-Amerika

Verhaal van Stieven Ramdharie in de Volkskrant van 30 maart j.l. onder de kop: ‘Surinaams erfgoed ten prooi aan verval’. Niks nieuws: dat soort artikelen verschijnt periodiek als er weer eens een Nederlandse journalist naar de West wil. Dat verval is er al zo lang als ik weet. Het Zwarte Hof op de hoek van de Zwartenhovenbrugstraat en de Sophie Redmondstraat – ooit een van de statigste panden van Paramaribo – vervalt al minstens dertig jaar, en is een kiek geworden: wat zou er nu weer van zijn ingestort, welke struik steekt daar nu weer uit een raam? Paramaribo werd door de Unesco tot erfgoedmonument bestempeld, maar dat is ook alweer zeven jaar geleden en zeg nou eerlijk: wie ziet daar de glanzende vruchten van? Er moet dus iets actueels aan de hand zijn, en jawel: lerares Mahieda Joemmanbaks is bezig aan een try-out voor een speurtocht die alle zesdeklassers vanaf april door de binnenstad kunnen ondernemen. Wat dat inhoudt, meldt de Volkskrant niet. Een plattegrond? Een hinkelspel? Schrijft juffrouw Joemmanbaks een nieuwe monumentengids? Hoe dan ook, lijkt me een schat van een juffrouw, met een groot hart, en je moet tenslotte bij het kleine beginnen.

Het grote staat volgens mij precies middenin het artikel, en ze moeten daar bij de Volkskrant een superintelligente beeldredacteur hebben, want de sublieme plaat van Guus Dubbeldam drukt precies uit waar het om gaat. Onder de zware schaduw van het beeld van Jopie Pengel zoekt de blik van de juffrouw naar architectonische details, de kin omhoog, alsof het volkslied net heeft geklonken. De gretige leerling die aan een fotoblad sjort, loert intussen van onder zijn voorhoofd naar de boeveningang van het Hof van Justitie. De journalist noteert in het midden van zijn artikel:

‘Wat zijn jullie toch aan het doen?’ vraagt ze verschrikt. De leerlingen noteren elk woord dat ze zegt.

Het Surinaamse onderwijs ten voeten uit: de kinderen opvoeden tot onnozelaars, schapen die namekkeren wat de mefrow of de metter zegt. Niet nadenken, nee: opdreunen, opschrijven, nablaten. De slimmerikken op de eerste banken, wie het zo snel allemaal niet verstaat: eigen schuld dikke bult: achterin! Als je een antwoord op een vraag niet weet, krijg je een mep met een liniaal op je vingers: ‘Weet je ’t nu?’ ‘Ieja, juffrouw.’ In 33½ jaar onafhankelijkheid heeft Suriname het voor elkaar gekregen om datgene wat toch zo langzamerhand een kritische massa van zelfstandig denkende jonge burgers zou moeten zijn, op te voeden tot de makste schaapskudde van het Zuid-Amerikaanse continent (te warm om wol te geven).

Is dat nu allemaal de schuld van de onderwijskrachten? Het traditionele antwoord luidt dan altijd: nee, want ze hebben zo’n laag inkomen dat ze zich in feite al opofferen als ze lesgeven, want tenslotte moeten ze na het lesgeven nog gaan hosselen om wat extra inkomsten te verwerven. Ik zeg: ja, het ligt wel degelijk aan de onderwijskrachten. Als je langs een school in Suriname komt, hoor je twee dingen: of de leerkracht braakt één stroom van woorden over de zwijgende meute uit, of de meute dreunt de van buiten geleerde woorden luidkeels op. Als die onderwijskrachten nu eens even hun kwaak hielden, konden ze even op adem komen, om na te denken of ze misschien niet een intelligente vraag aan hun leerlingen kunnen stellen. Als die leerlingen dan zelf gaan denken, komt het vanzelf wel goed met het erfgoed van Suriname.

Nagekomen mededeling: ik vermoed dat het om deze nieuwe site gaat, heel fraai! http://www.cityofparamaribo.nl/read/home

woensdag 8 april 2009

Surinamica



Soms voelt het verzamelen van boeken een beetje aan als het zoeken naar goud. Althans ik stel mij voor dat de euforie van een goudzoeker, als hij een klomp goud vindt, overeenkomt met het gevoel dat mij onlangs overviel. Een Italiaanse vriend stuurde mij een email. Hij was in een antiquariaatje in Trento (Italië) op een boek gestuit dat over Suriname ging. Na veel heen en weer mailen en bellen begreep ik dat het hier om een aardig klompje 'goud' ging:

Viaggio al Surinam e nell'interno della Guiana. Milano, Giambattista Sonzogno, 1818.

De eerste en enige Italiaanse vertaling van Stedmans Reize naar Suriname (1796). Dit exemplaar, vier kalfsleren bandjes met goudopdruk, verkeert in uitstekende staat. Behalve een gelithografeerd portret van Stedman bevat het een kaart van Suriname en maar liefst 16 handgekleurde platen. Sommige boeken houden door hun schoonheid of zeldzaamheid op alleen maar een boek te zijn. Het worden dan antieke objecten en museumstukken.

Stedman maakte deel uit van de Schotse Brigade en was in Suriname van 1772 tot 1777. Hij hield een dagboek bij dat na zijn terugkeer in Londen werd gepubliceerd. Het is een van de belangrijkste ooggetuigeverslagen van het leven in het 18e eeuwse Suriname. Behalve zijn uitgebreide beschrijving van de politieke situatie, de flora en fauna droegen vooral zijn beschrijving van de brute behandeling van slaven bij aan het succes van zijn boek. In Europa sloeg het boek in als een bom. Het werd vertaald in het Nederlands, Duits, Frans, Zweeds en Italiaans.
De Italiaanse editie behoort met de Zweedse- tot de zeldzamere uitgaven. De Italiaanse Stedman wordt vanwege de aardige gekleurde plaatjes zelden compleet aangetroffen. Hoewel gezegd moet worden dat Richard Price over de Italiaanse editie (1988) schrijft dat 'the redrawn body proportions and clothing, as well as colours chosen, often suggest to us southern Italian peasants as much as scenes from Suriname'.

maandag 6 april 2009

Eugène Drenthe is er tussenuit gepiept

Eugène Drenthe is niet meer. Hij piepte er tussenuit op zijn 83ste in Rotterdam, op 30 maart 2009. “Piepte er tussenuit”: dat is het soort taal dat Drenthe verstond. Hij was een man van de straat, een man die met zijn bulderende stemgeluid de kleinburgers de stuipen op het lijf kon jagen. Een echte NAKS-man, sociaal-bewogen, altijd aan de kant van de verschoppelingen, altijd de jeugd de weg omhoog wijzend. In 1972 kreeg hij de Orde van Oranje-Nassau, maar die hoefde hij niet: hij had in zijn eigen ogen immers niks bijzonders gedaan.

Hij was geboren op de plantage Laarwijk in het district Suriname op 12 december 1925. Hij was de zoon van Louise Drenthe en het buitenechtelijk kind van een opzichter, buitengewoon agent van politie en koster Constantijn Kogeldans. Ook daarover sprak Eugène Drenthe alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Het wàs ook de gewoonste zaak van de wereld in Suriname, het was de waarheid en dus kon er over gepraat worden volgens Eugène. Zoals het ook de gewoonste zaak van de wereld was dat een negerjongen van boyti Sarnami sprak, of Hindostaans zoals dat nog genoemd werd in de jaren ’50, en niet alleen Sranan. Op zijn elfde speelde hij al natak bij een Hindostaanse groep, maar zijn toneelcarrière kreeg pas echt vaart bij Emilio Meinzak in 1957. Twee jaar later schreef hij zijn eerste stuk, Rudie, het voetbaljongetje. Er zouden er veel volgen, eerst in Suriname, vanaf 1977 ook in Nederland: volkstoneel, sociaal theater met heel veel muziek en dans en talen van alle bevolkingsgroepen van Suriname. Ook dat was weer de gewoonste zaak van de wereld, geen middel liet hij onbeproefd om maatschappelijke problemen, de interetnische verhoudingen, de slavernijgeschiedenis, incest en seksualiteit voor het publiek zo herkenbaar mogelijk te maken. Tientallen stukken schreef hij en ook nog vier dichtbundels.

Een kleine vier jaar geleden zag ik hem voor het laatst, hij ging zijn 80ste verjaardag vieren. Ik hoorde hem al van verre, de voordeur in de Rotterdamse Korfmakerstraat stond open, zijn schallende lach deed een passerende Marokkaanse achter een kinderwagen eerst verschrikt opkijken en dan zachtjes lachen. Hij heeft veel mensen laten lachen, zalen vol, en dan gingen die mensen naar huis en dachten er over na wat ze gezien hadden. Of ze dachten er geen seconde meer over na, dat was all in the game. Maar je kon eigen moeilijk anders dan lachen als je dacht aan die man met zijn grote hart die er nu niet meer is en een schallende leegte achterlaat: Eugène Drenthe.