zondag 29 november 2009

De Kunst van de Dichter (4)


door Erich Zielinski

In mijn artikel “De Kunst van de Dichter” schreef ik:

“Ik heb de indruk dat nog teveel dichters zich uitsloven om met beeldspraak en stijlbloemen de lezer te imponeren, terwijl die gekunsteldheid veeleer afdoet aan hetgeen hij zeggen wil.”

En iets verder:

Mijn kritiek op een overdaad aan woordkunst wil afrekenen met datgene wat overbodig of misplaatst is. Ik moet weten wat de dichter zegt: niet wat hij zou willen zeggen. Dat betekent dat de dichter wat te zeggen moet hebben. Ik moet getroffen worden door zijn emotie of door het onderwerp dat hij beroert. Stijlmiddelen* kunnen daarbij behulpzaam zijn zoals ook het juiste woordgebruik de effectiviteit verhoogt.” Zij mogen niet de overhand krijgen; een eigen leven leiden of verstoren wat de dichter zeggen wil.
Eenvoud betekent niet dat het gedicht kort moet zijn of dat de dichter van beeldspraak en ritme moet afzien
Ik wil u daarvan een voorbeeld geven: een gedicht van Jorge Luis Borges; Argentijn, geboren in Buenos Aires 1n 1899*.
In 1969, hij was toen 70 jaar oud en bijna blind, verscheen zijn bundel “Elogio de la Sombra.” Uit die bundel lees ik voor u het gedicht “Elogio de la Sombra”. De Nederlandse vertaling is van Fred de Haas en is door mij wat vrijer bewerkt.

Stijlmiddel: een middel waarvan men zich in de schrijftaal bedient om een bepaal effect teweeg te brengen.

Elogio de la Sombra

La vejez (tal es el nombre que los otros le dan)
puede ser el tiempo de nuestra dicha.
El animal ha muerto o casi ha muerto.
Quedan el hombre i su alma.

Lofdicht aan de Duisternis

De ouderdom (dat is de naam die anderen er aan geven)
kan de tijd van ons geluk zijn.
Het dier is gestorven of is bijna dood.
Blijft slechts de mens en zijn ziel.


Vivo entre formas luminosas y vagas
que no son aún la tiniebla.
Buenos Aires,
que antes se desgarraba en arrabales
hacia la llanura incesante,
ha vuelto a ser la Recoleta, el Retiro,
las borrosas calles del Once
y las precarias casas viejas
que aún llamamos el Sur.

Ik leef tussen lichtende en vage vormen
die nog niet zijn opgegaan in duisternis.


Buenos Aires,
dat vroeger in voorsteden werd uiteengerukt
naar de eindeloze vlakte,
is weer la Recoleta en el Retiro,
de drabbige straten van el Once
en de oude bouwvallige huizen
die wij nog altijd het Zuiden noemen.

Siempre en mi vida fueron demasiadas las cosas;
Demócrito de Abdera se arrancó los ojos para pensar;
el tiempo ha sido mi Demócrito.
Esta penumbra es lenta y no duele;
fluye por un manso declive
y se parece a la eternidad.

De dingen in mijn leven zijn steeds te veel geweest;
Democritus van Abdera stak zich de ogen uit om te kunnen denken;
de tijd is mijn Democritus geweest.
Deze schemer komt langzaam en doet geen pijn;
als stroomt hij van een trage helling
hij lijkt op de eeuwigheid.

Mis amigos no tienen cara,
las mujeres son lo que fueron hace ya tantos años,
las esquinas pueden ser otras,
no hay letras en las páginas de los libros.

Mijn vrienden hebben geen gezicht,
de vrouwen zijn wie zij al zo lang geleden waren,
de hoeken kunnen andere zijn,
er staan geen letters op de bladzijden van de boeken.

Todo esto debería atemorizarme,
pero es una dulzura, un regreso.
De las generaciones de los textos que hay en la tierra
sólo habré leído unos pocos,
los que sigo leyendo en la memoria,
leyendo y transformando.

Dit alles zou mij angstig moeten maken,
maar het is een genot, een terugkeer.
Van de generaties aan teksten die er op aarde zijn,
zal ik slechts weinige gelezen hebben,
die ik in gedachten lezen blijf,
blijf lezen en vervormen.

Del Sur, del Este, del Oeste, del Norte,
convergen los caminos que me han traído
a mi secreto centro.
Esos caminos fueron ecos y pasos,
mujeres, hombres,agonías, resurrecciones,
días y noches,
entresueños y sueños,
cada ínfimo instante del ayer
y de los ayeres del mundo,
la firme espada del Danés y la luna del persa,
los actos de los muertos,
el compartido amor, las palabras,
Emerson y la nieve y tantas cosas.
Ahora puedo olvidarlas. Llego a mi centro,
a mi álgebra y my clave,
a mi espejo.
Pronto sabré quién soy.
Uit het Zuiden, het Oosten, het Westen, het Noorden
komen de wegen samen die mij brachten
tot mijn verborgen centrum.
Die wegen waren echo’s en voetstappen,
vrouwen, mannen, doodstrijd en herrijzenis,
dagen en nachten,
tussen waken en dromen,
elk nietig ogenblik uit het verleden,
en al het verleden van de wereld,
het geduchte zwaard van de Deen en de maan van de Pers,
de daden van degenen die gestorven zijn,
de gedeelde liefde, de woorden.
Emerson en de sneeuw en zoveel andere dingen.
Nu kan ik ze vergeten. Ik ben gekomen aan mijn centrum,
mijn algebra en mijn sluitsteen,
mijn spiegel.
Spoedig zal ik weten wie ik ben.

Borges heeft nog tamelijk geleefd. Hij stierf in 1986 in Genève. Hij was toen 87 jaar oud.

Waarom noemen wij dit stuk proza een gedicht; en wat een gedicht ? De vorm zou een indicatie kunnen zijn. Deze is versterkt doordat ik het gedicht heb opgedeeld om de vertaalde inhoud zinvol te kunnen weergeven. Maar niet aan de vorm herkent men het gedicht. Zou men de zinnen laten dóórlopen, dan zal de lezer herleiden en vorm geven.
Dus niet de vorm; niet op de eerste plaats de vorm. Stijlmiddelen zijn hulpmiddelen schreef ik.

Zou men het gedicht herkennen aan de kracht van de beelden die de blinde of de bijna blinde oproept ? Deze bepalen ongetwijfeld de kwaliteit

Dit gedicht wordt erkend als een meesterwerk door de eenvoud van het taalgebruik; verheven menselijkheid en de diepte van de beleving die de dichter overdraagt:

“El animal ha muerto o casi ha muerto. Quedan el hombre y su alma”
Het dier is gestorven of is bijna dood; blijft slechts de mens en zijn ziel.
De filosofische driedeling van de mens: materie, ego en ziel krijgt betekenis in hetgeen daarna komt. En het gedicht eindigt:

Emerson y la nieve y tantas cosas.
Ahora puedo olvidarlas. Llego a mi centro,
a mi álgebra y mi clave,
a mi espejo.
Pronto sabré quién soy.

Emerson en de sneeuw en zoveel andere dingen.
Nu kan ik ze vergeten. Ik ben gekomen aan mijn centrum,
mijn algebra en mijn sleutel,
mijn spiegel.
Spoedig zal ik weten wie ik ben.

Het gehele gedicht leidt naar dit einde van hermetische mystiek: ieder woord is vol betekenis.
Wat het gedicht maakt, is niet de vorm, ook niet het gebruik van stijlmiddelen. Het is wat de dichter te zeggen heeft. Ik ben terug bij mijn artikel “De Kunst van de Dichter”.
Ik schreef:
Mijn kritiek op een overdaad aan woordkunst wil afrekenen met datgene wat overbodig of misplaatst is. Ik moet weten wat de dichter zegt: niet wat hij zou willen zeggen. Dat betekent dat de dichter wat te zeggen moet hebben. Ik moet getroffen worden door zijn emotie of door het onderwerp dat hij beroert. Stijlmiddelen* kunnen daarbij behulpzaam zijn zoals ook het juiste woordgebruik de effectiviteit verhoogt.”

“Elogio de la Sombra” is daarvan een goed voorbeeld.
Ik dank u voor uw aandacht.

0 reacties:

Een reactie plaatsen